De Afvallige Ketter
— J. Chr. de Vries
I did not know why I wished to go in, yet I did, and with all the certainty one knows when close to the orders of the Gods. Which is to say, close to those Gods Who are awake within you. Who can be so fortunate as to know Their Names
— Norman Mailer, Ancient Evenings
Macht
‘Een aantal maanden voor het Kathaarse Concilie van Saint-Félix-de-Caraman, dat zich vermoedelijk afspeelde in de late lente of vroege zomer van het jaar 1167, vond er in de abdij Château de Quéribus een proces plaats tegen de L’Imparfait Parfait, oftewel de Onzuivere Zuivere, Tharákaz de Nouvière; een zaak die bij Gnostici ook bekend staat als De Zaak van de Afvallige Ketter.’
Zoe Stederdronk herlas de zin die zij net had geciteerd uit het voorwoord van ‘De Zaak van de Afvallige Ketter’ van de Duitse historica Giseke Gideschuend. Het boek was geschreven in 1851, en werd pas twee decennia later uitgegeven. ’Een magere 63 woorden,’ dacht ze, ‘niet eens van mijzelf, nog ruim 10.000 te gaan.’ Ze schoof haar laptop met een driftig gebaar weg.
Zoe was van Surinaamse afkomst, ze had een moeder met Hindoestaanse wortels, van wie ze haar strijdlust, doorzettingsvermogen en opvliegendheid had geërfd, en een vader van Ghanese afkomst, van wie zij een delicaat vermogen tot laisser-faire had meegekregen, niet in de zin van onverschilligheid, maar eerder juist van empathie. Haar moeder had daarnet Casper voorgoed de flat uitgejaagd, haar vader betreurde dat weer. Ze zocht naar haar grootouders, haar broer en tante, maar die bleken nog niet wakker. Ze stond op, zwaaide met één handbeweging haar ouders de flat uit, en liep met haar koffiebeker naar de keuken om zich andermaal in te schenken.
Casper den Tweeph was, tot een kwartiertje geleden, haar geliefde; haar ‘verloofde’, zoals haar mentor en scriptiebegeleider hem plagend noemde. Ze hadden voor de zoveelste keer woorden gehad, zij was furieus tekeer gegaan, en hij had zijn spullen gepakt en was vertrokken.
Stederdronk studeerde genderstudies aan de universiteit in Utrecht, ze was bezig met haar doctoraalstudie, en moest haar scriptie over een halfjaar inleveren. Haar begeleider, Dr. Elise de Beegt, stond erop dat voor haar functie de manlijke vorm werd gebezigd, dus niet ‘mentrix’ of ‘begeleidster’, daar was zij zeer uitgesproken over. Haar onderzoek bracht haar bij de Duitse historica Gideschuend. Of moest ze die in haar scriptie ‘historicus’ noemen? Dergelijke kwesties hadden Casper vaak tot wanhoop gedreven, ‘Jullie lijken wel een stelletje schriftgeleerden in plaats van wetenschappers,’ bitste hij dan. En dan ontstond er weer een oeverloze, en vooral vruchteloze discussie over hoe de taal op ‘systemische’ wijze de emancipatie en diversiteit in de weg stond. Waarheid en macht, het was een voortdurend terugkerend onderwerp in hun discussies, en het leidde tot niets, behalve kapotgegooid glaswerk of serviesgoed. Soms begreep zie niet waarom ze zo lang bij elkaar waren gebleven — hoewel, bedacht ze zich, haar vader in haar begreep dat wel, Casper was een zachtmoedig mens, met veel humor en een briljante geest. ‘Ze vulden elkaar aan,’ zei Dide dan, die was weliswaar haar boezemvriendin, maar Zoe kotste van dat soort cliché’s. Ze zette Casper van zich af en ging aan haar werktafel zitten. Ze schoof de laptop weer voor zich.
Ze opende het venster met de tekst van Gideschuend, en begon te lezen. Op dat moment klonk de ringtone van haar mobiel. ‘Casper’. Ze klikte hem meteen weg. Ping-ping. App’je. Ze drukte het geluid van haar mobiel uit, en liet het app’je ongelezen. Gideschuend. Niks, ze kon zich totaal niet concentreren. Ze besloot ten slotte deze dag als reddeloos verloren te beschouwen.
Het grootste probleem waar Stederdronk in haar onderzoek op gestuit was, bleek deze Gideschuend te zijn, er waren namelijk alleen indirecte bronnen over haar te vinden. Dat was op zichzelf genomen nog niet vreemd, omdat vrouwelijke onderzoekers in de eerste helft van de negentiende eeuw nog niet op veel erkenning konden rekenen, maar het maakte het lastig om aan de academische eisen van het doctoraalonderzoek te voldoen. Ze moest betrouwbare bronnen kunnen tonen. Ze had twee onafhankelijke teksten waarin haar naam werd genoemd, een daarvan in combinatie met de naam Charles Schmidt, die in 1848 de Geschichte der Valdesier und Katharer had gepubliceerd, en in de andere tekst werd haar naam in veband gebracht met Napoléon Peyrat, een protestantse dominee die ook over de Katharen had geschreven; hij had die naam zelfs gemunt in de Franse taal. Volgens Peyrat was de naam afgeleid van het Griekse woord katharoi, dat ‘de zuiveren’ betekent. Maar het probleem was groter, want niet alleen de herkomst van Gideschuend was onduidelijk, het onderwerp van haar boek, Tharákaz de Nouvière, de ‘afvallige ketter’ bleek nog veel schimmiger. Zelfs de historische bewijsgrond van het ‘Kathaarse Concilie van Saint-Félix-de-Caraman’ waar Gideschuend naar verwees, bleek op zijn minst aanvechtbaar. Maar het verhaal over het proces is prachtig, hoewel grotendeels gebaseerd op de parafrasering van Gideschuend. Nu was dit haar eigenlijke onderwerp, niet de historiciteit van het twaalfde eeuwse Kathaarse concilie, noch het proces tegen Tharákaz, maar de historisch-wetenschappelijke methodiek van Gideschuend, en of daar een gendergelateerde kant aan verbonden was. Behalve de twee externe bronnen was er voornamelijk de tekst van haar boek, die was qualitate qua cruciaal.
Haar belangrijkste onderzoeksvraag was of de historische opvattingen over waarheid en macht genderbepaald waren, of ten minste erdoor beïnvloed. Het hoofdthema van het proces van Tharákaz behelsde precies die kwestie van waarheid en macht. Ze moest dus de mogelijk gendergerelateerde opvattingen hierover uit de tekst van Gideschuend zien te destilleren. Wat was haar expliciete, of desnoods impliciete, interpretatie? Bovendien: in welke mate werd die interpretatie, maar ook Stederdronks eigen interpretatie, bepaald in al dan niet gendergerelateerde waarheids- en machtsbegrippen? Dat waren, naast historische, ook sociologische, filosofische en politieke vraagstukken. Ze schoof haar laptop weer weg. Ze gaf toe dat ze Casper miste; enigszins dan, niet meer dan dat. Hij zou haar in deze kwestie in ieder geval nuttig advies hebben gegeven. ‘Ik ga verliefd worden op een vrouw,’ zei Zoe vastbesloten tegen haar tante Nadette. Die geeuwde diep en viel onmiddellijk in slaap. Zoe was alleen.
In het proces van Tharákaz de Nouvière waren de volgende spelers van belang, naast Tharákaz zelf, de voorzitter van de rechtbank, Prior Pièrre de Troppes; de Aanklager, priesteres Klarena de Sagát; en de Scribent, en tevens vertrouweling van Tharákaz, Aldo di Tempa.
Het proces was van belang omdat op het Concilie dat erna zou plaatsvinden, de kwestie van het al dan niet ‘absolute dualisme’ het fundamentele thema was. Het proces werd beschouwd als een proeve van theorievorming op dit punt. De Prior was een aanhanger van dit ‘absolute dualisme’, de gedaagde was niet eens een aanhanger van de relatieve versie ervan. Hij werd door de Prior als een comfortabel instrument beschouwd om zijn visie er door te drukken. Klarena stond aan diens kant, Aldo was diplomatiek.
Deze Aldo bleek de belangrijkste bron voor het verslag van het proces, Gideschuend had kennelijk de beschikking over een manuscript met diens — volgens de historica ‘gedetailleerde’ — aantekeningen. Stederdronk had dit manuscript echter nog niet weten te achterhalen, maar er wel verwijzingen naar gevonden in andere bronnen. In enkele gevallen werd in die bronnen letterlijk geciteerd uit het manuscript, wat het voor haar mogelijk maakte om de geparafraseerde tekst van Gideschuend op feitelijkheden te beoordelen, en daarmee ook te zien in welke mate deze haar fantasie de vrije loop had gelaten. Haar mentor had haar geadviseerd meer bronnen te vinden, en daar was ze ook mee bezig, maar ze wilde intussen ook het materiaal waar ze de beschikking over had uitwerken. Wellicht hielp dit ook haar zoektocht.
Een belangrijk beginsel van het kathaarse geloof was het uitgangspunt dat er twee machten waren (of beginselen), die aan de oorsprong van onze aardse wereld verbonden waren, enerzijds God en anderzijds Satan, of Lucifer. In de relatieve variant was Satan een door God geschapen creatuur die een afvallige werd. In de absolute variant van dit dualistische uitgangspunt kon God, die het absolute Goede vertegenwoordigde, onmogelijk de aarde geschapen hebben, dat was het werk van het Kwade. Satan was in deze variant niet door God geschapen, hij bestond al. Omdat de aarde het werk van Satan was, was de aarde feitelijk een hel. In deze opvatting van het kathaarse geloof bestond er geen vrije wil, alles was voorbestemd. Dit was het beginsel waarmee Tharákaz zich geconfronteerd zag. De Prior wilde deze opvatting op het Concilie bestendigen, en Tharákaz begreep zeer goed dat zijn proces een politieke reden had.
Zoe had net twee vragen in haar notitieblok opgeschreven — 1) Is het machtsbeginsel genderbepaald? en 2) Waarom leidt het absolute dualistische beginsel tot afwijzing van de vrije wil? — toen haar mobiel begon te rinkelen. Casper. Ze bleef roerloos zitten. ‘Niet opnemen!’ beval haar moeder. Haar vader zei niets, maar maakte een grimas. Haar tante bleef afwezig in haar diepe slaap. Ze wilde net op de opnametoets drukken toen het gerinkel verstomde. Te laat. Haar moeder stak goedkeurend haar duim omhoog, haar vader keek weg.
Ze wuifde haar ouders met een resoluut gebaar de keuken uit, maar onmiddellijk nam Casper tegenover haar plaats. Hij viel meteen met de deur in huis: ‘Ik neem aan dat je met je eerste vraag bedoelt of vrouwen een ander machtsbeginsel hanteren dan mannen? Of bedoel je het in algemene zin: dat onderdrukten, zoals bijvoorbeeld vrouwen, homo’s of zwarten, eerder geneigd zijn via machtsbeginselen te denken? Omdat waarheidsbeginselen geformuleerd worden door de machthebbers.’ Ja, ook die discussie hadden ze al talloze malen gevoerd. Om gek van te worden! Ze stond op en begon rondjes te lopen door de keuken. ‘Kut! Kut! Kut!’ riep ze. ‘Vagina! Vagina! Vagina!’ echode Casper. Ze werd nog woester, ‘Blijf met je tengels van het vrouwelijk geslachtsorgaan af! Lul die je bent!’ Waarop Casper riposteerde: ‘Penis, bedoel je. En je gebruikt het verkeerde hulpwerkwoord.’ Ze schudde een paar keer woest met haar hoofd en wuifde Casper met een driftig gebaar haar huis uit. Dit soort gebakkelei had ze al te vaak meegemaakt. Het leidde nergens toe. Tijdverlies. Opeens kwam haar vader de keuken in, hij knikte in de richting van haar werktafel, en verdween weer.
- Aan het hoofdeinde van de rechtszaal stond een brede tafel opgesteld, met drie stoelen met hoge rechte leuningen. Tegenover de tafel zat Tharákaz, eenzaam op een kleinere stoel. In de zaal zat een dertigtal priesters in een halve cirkel achter de Gedaagde. Een deur werd geopend en de Prior, de Aanklager en de Scribent betraden de zaal. Iedereen ging staan. De Prior ging voor de middelste stoel staan, de Aanklager rechts van hem en de Scribent links. De Prior had een lange staf in zijn rechter hand. Hij sloeg ermee hard op de vloer, en zei tegen zijn twee metgezellen dat de mijters af moesten. Ze legden de mijters voor zich op de tafel en gingen zitten. Een bediende nam de staf van de Prior mee, en de aanwezigen in de zaal gingen eveneens zitten. De Prior opende de rechtszaak, stelde de Aanklager, Klarena de Sagát, en de Scribent, Aldo di Tempa, voor aan de aanwezigen, en las de aanklacht voor tegen de Gedaagde, Tharákaz de Nouvière, die werd beschuldigd van afvalligheid jegens het Geloof van de Parfaits. Klarena zou de aanklacht voor haar rekening nemen, de Prior was de rechter die de rechtszaak leidde en uiteindelijk de uitspraak zou doen, Aldo zou het verslag van de rechtszaak schrijven, maar kon, indien Tharákaz dit aangaf, de aangeklaagde bijstaan voor praktische bemiddeling, bijvoorbeeld als hij wilde pauzeren, of bepaalde behoeftes had, zoals wetteksten, religieuze teksten, schrijfgerei of water; hij mocht zich niet met de inhoudelijke kwesties bemoeien. De rechtszaak kon in principe meerdere dagen in beslag nemen, maar met een maximum van zeven dagen, eventuele rustdagen niet meegerekend. Het proces werd alleen overdag gevoerd.
Zoe Stederdronk vermoedde dat Gideschuend in de beschrijvende tekstgedeeltes haar verbeelding optimaal had ingezet. De beschrijving van de ruimte, het ritueel — inclusief de staf — kon met geen mogelijkheid op feitelijkheid worden getoetst. De historica zal ongetwijfeld gebruik hebben gemaakt van andere, vergelijkbare beschrijvingen van rechtszaken, en van schilderijen of andere afbeeldingen uit die tijd, maar het bleef uiteindelijk een geromantiseerd giswerk. Voor haar onderzoek naar gendergerelateerde kwesties waren deze geromantiseerde parafrases van minder belang. Stederdronk moest het vooral hebben van passages waarin zij de mogelijke motieven en denkwijzen van de hoofdrolspelers uit het proces besprak. In welke mate die feitelijk waren of (deels) verzonnen, was voor het achterhalen van de denkbeelden over macht en waarheid van de historica, en voor de genderdraagwijdte daarvan, niet overwegend essentieel.
- De Prior wist dat de Scribent een persoonlijke vriend was van de Gedaagde, maar had hem toch toegelaten tot het Presidium van de rechtbank. Enerzijds omdat de functie van Scribent niet de rol van verdediger met zich meebracht, Aldo zou Tharákaz uitsluitend in praktische zaken kunnen bijstaan, maar anderzijds was de Prior zich bewust van de kracht van zijn tegenstanders, die niet zijn ‘absolute leer’ aanhingen; door Aldo, die een overtuigd aanhanger was van de ‘relatieve leer’ kon zo als een soort bliksemafleider fungeren, omdat de Prior zo de schijn van onafhankelijkheid hoog kon houden. Dat Aldo als Scribent de macht had over het verslag van de rechtszaak vond de Prior geen al te groot bezwaar, dergelijke teksten konden immers zonder al teveel problemen gemanipuleerd worden. Het belangrijkste was dat de Prior meer zicht kreeg op de strategie en intenties van zijn tegenstander. Houd je vijanden nabij!
De zin over het mogelijk manipuleren van het verslag van de rechtszaak door de Prior vond Stederdronk opmerkelijk. Die gedachte was beslist voor rekening van Gideschuend. Het overige deel van de alinea vond zij een legitieme analyse over hoe de macht werkzaam is, of zou kunnen zijn, in dergelijke formele structuren. Een genderrelatie in het machtsdenken was hier nog niet uit te destilleren, er was in dit stadium nog geen reden aan te wijzen om te denken dat vrouwen in een gelijke positie anders met hun macht zouden omgaan. Wellicht zouden de gedeeltes met de woorden van de Aanklager Klarena hier meer duidelijkheid over bieden.
- Het proces begon als volgt, de aanklager had van de Prior het woord gekregen om de aanklacht tegen Tharákaz te verwoorden:
- Aanklager:
Gedaagde Tharákaz de Nouvière: u wordt beschudigd van onzuiverheid van het Ware Geloof. Daarmee pleegt u verraad aan de enige, absolute Waarheid, die behoort aan God.
Erkent u deze onzuiverheid, en bent u bereid tot terugkeer naar het Ware?
Gedaagde:
Ik ontken ten stelligste dat mijn geloof, denken en handelen onzuiver zou kunnen zijn.
Wanneer men de beschuldiging zou willen staven, moet eerst die vermeende onzuiverheid onderzocht worden.
Daartoe zullen wij eerst moeten onderzoeken wat het begrip ‘zuiverheid’, en dus ‘waarheid’, inhoudt.
Aanklager:
De Gedaagde trekt Gods begrip van het ‘zuivere’ en het ‘ware’ in twijfel?
Dit is ongehoord, en zonder precedent! Hiermee bekent de Gedaagde feitelijk zijn schuld.
Voor de goede orde vraag ik de Gedaagde om een verklaring van schuld.
Gedaagde:
Een verklaring van schuld is betekenisloos zolang onduidelijk is waarop deze schuld betrekking heeft.
Dit betekent dat we eerst de zuiverheid van het ware geloof dienen te onderzoeken.
En daaruit volgt weer dat we eerst de essentie van God vast moeten stellen. - Dat was een slimme zet van Tharákaz, hij verleidde de Prior om via zijn zaak de benodigde jurispredentie te creëren voor de kwestie van de dualiteit op het komende Concilie. Daar was wel een zeker risico aan verbonden, de Prior was namelijk afhankelijk van de juridische technieken van de Aanklager. Als zij de juridische kant niet goed uitspeelde, dan had hij Aldo en zijn factie munitie gegeven om de dualiteitskwestie naar hun kant te slepen. De Prior was echter kennelijk dermate overtuigd van zijn macht, dat hij dit risico voor lief nam. Bovendien was hij zich er terdege van bewust dat de opvattingen van Tharákaz slechts gedeeltelijk samenvielen met die van Aldo en consorten. Dat gaf de Prior een mogelijkheid tot het scheppen van verdeeldheid in het andere kamp. Wel moest hij Klarena nog overtuigen van het belang van zijn tactische zet, en haar daarenboven goed instrueren.
Zoe schoof de tekst van Gideschuend opzij, en stond op van haar stoel, voor een rondje ijsberen. De macht van de Prior was duidelijk, maar hoe zat het met Klarena? Zij werd met speels gemak door de Prior in diens machtspel opgenomen. Gideschuend leek hier geen opvatting over te hebben, althans niets in haar tekst leek daarop te duiden. Misschien was haar positie in het domein van de wetenschap vergelijkbaar met die van Klarena in de orde. Was dit wel een probleem voor haar?
Haar oog viel op de kalender die aan de koelkastdeur bevestigd was. Ze had vergeten de dag te nummeren. Maar ook die van de dag ervoor, zag ze met ongenoegen. Werd ze vergeetachtig? Ze pakte een pen en schreef een nummer in elk van de vakjes van de beide dagen, de getallen ‘270’ en ‘271’. Hoever moet ik doornummeren, vroeg ze zich af.
- De Prior had de vergadering voor korte tijd onderbroken, voor overleg binnen het Presidium. Hij had bovendien de Scribent toestemming gegeven om de Gedaagde op de hoogte te brengen van de te volgen procedure: de Gedaagde zou de gelegenheid krijgen om zijn opvattingen over het geloof, de essentie van God en het Ware voor de rechtbank te formuleren. In de tussentijd gaf de Prior aan de Aanklager instructies over welke argumenten zij zou moeten aanvoeren, en welke de grenzen aan het betoog van de Gedaagde moesten worden getolereerd. Uiteraard had hij de macht om op ieder moment zelf in te grijpen. Maar daarvan wilde hij zo min mogelijk gebruik maken, omdat hij anders het gevaar liep de geloofwaardigheid van de Aanklager in discrediet te zullen brengen.
- Gedaagde:
Is het juist om te stellen dat u spreekt namens de Enige, Ware God?
Aanklager:
Dit hele Presidium vertegenwoordigt inderdaad de Enige en Ware God, ik dus ook.
Gedaagde:
Is die Ene, Ware God een man of een vrouw? Of wellicht beiden tegelijk?
Aanklager:
U weet dat beiden waar is; het vrouwelijk principe wordt ‘Sophia’ genoemd, Wijsheid.
Gedaagde:
Welke eigenschappen worden door het mannelijke principe, en welke door het vrouwelijke principe vertegenwoordigd?
Aanklager:
Naast de Wijsheid is de Voorzienigheid een vrouwelijke eigenschap, Waarheid en Goedheid mannelijk.
Gedaagde:
Het vrouwelijk principe vertegenwoordigt de Wijsheid, maar dus niet de Waarheid of de Goedheid?
Anders gezegd: Waarheid en Wijsheid, of Goedheid en Wijsheid, zijn niet aan elkaar gelijk?
Nog anders gesteld: De Enige Ware God bestaat uit verschillende principes met verschillende eigenschappen.
Aanklager:
Uw vragen zijn die van een afvallige, die het Geloof louter bespotten kan.
U weet zeer wel dat God ‘Alles in Eén’ is, een unieke veelvuldigheid.
Gedaagde:
Als een mens vroegtijdig sterft, noemen wij dit Goed of noemen wij dit Slecht?
Aanklager:
Dat is afhankelijk van de omstandigheden, en de redenen, waardoor deze mens sterft.
Gedaagde:
Laten wij aannemen dat de man het slachtoffer is geworden van een dodelijk misdrijf.
Aanklager:
In dat geval is zijn dood Slecht. Het is het werk van Satan.
Gedaagde:
En God kan in Zijn Wijsheid en Goedheid besluiten Zich hiervan afzijdig te houden?
Aanklager:
Zoals u weet zijn alle dingen Voorbeschikt, niets gebeurt er zonder Zijn Wil.
Gedaagde:
Dan heeft deze dood, die slecht is, zich voltrokken met instemming van het Goede?
Aanklager:
Het is niet aan ons de beweegredenen van God de maat te nemen.
Bovendien is niet God de oorzaak van de noodlottige dood, dat is Satan.
De tweestrijd tussen het Goede en Kwade is voor ons een voldongen feit.
Gedaagde:
Dan stel ik een nieuwe hypothese voor: de man sterft door een onverwachte blikseminslag.
Daarvan kunnen we niet zeggen dat Satan verantwoordelijk is; de bliksem is namelijk Goddelijk.
Dan heeft God in zijn Wijsheid gekozen voor het Slechte, en niet het Goede.
God’s Wijsheid kan tot het Slechte leiden.
Aanklager:
Als de blikseminslag een gevolg is van Gods Wijsheid, dan is dit Goed.
Gedaagde:
Het slachtoffer laat een vrouw en kinderen na, die onverzorgd achterblijven. Dat is Slecht.
Gods Wijsheid heeft niet geleid tot het Goede voor hen, maar tot het Slechte.
De Wijsheid en de Goedheid van God, kunnen tegenstrijdig zijn. Ze blijken soms onverenigbaar.
Aanklager:
God kan op enig moment kiezen voor het mannelijke, of juist het vrouwelijke.
Gods Wegen zijn ondoorgrondelijk. Het is niet aan ons mensen om te oordelen.
En zoals ik al zei, alles is Voorbeschikt. Dat is Wijs en Goed.
Gedaagde:
Het argument van de Voorbeschikking kan de gespletenheid binnen binnen het Goddelijke niet verhelen.
Nu weer treedt God op via het mannelijke, en dan weer via het vrouwelijke.
De conclusie lijkt mij onontkoombaar: er is dan geen sprake van een overkoepelende eenheid. - De Prior begreep de tactiek die Tharákaz aan het volgen was, en hij constateerde ook dat Klarena dit niet begreep. Hij liet haar nog enkele beschuldigingen van godslastering uiten, maar greep toen in. Hij verdaagde de zitting; overleg met haar was broodnodig.
Na de onderbreking kreeg Tharákaz het woord. Diens vraag was inderdaad verwacht door de Prior. Hij had Klarena goed voorbereid en aanwijzingen gegeven hoe zij erop moest reageren. Niet alles was te voorspellen, maar de Prior kon de zitting altijd weer verdagen. - Gedaagde:
Het komende Concilie zal zich gaan buigen over de vraag van het Ware Geloof.
Er zijn twee stromingen: de absoluten en de relatieven. Is een van beide onzuiver?
En wanneer een van beide wint, wat zijn dan de gevolgen voor de andere?
Aanklager:
Pas als op het Concilie een besluit wordt genomen wordt deze kwestie relevant.
Tot die tijd zijn alle opvattingen en stromingen geoorloofd. Het Ware Geloof wint.
Gedaagde:
Dank u voor uw diplomatieke antwoord, maar daarmee ontwijkt u alleen maar het probleem.
Ik zal de vraag herformuleren. Stel het Concilie heeft besloten welke opvatting zuiver is.
Wat zijn dan de gevolgen voor de aanhangers van de andere, zogenaamd ‘onzuivere’ stroming?
Aanklager:
Dat is aan het Concilie, dat zal daar een uitspraak over moeten doen.
Gedaagde:
U blijft volharden in formele, ontwijkende antwoorden die ons onderzoek niet verder zullen helpen. Laten we daarom de huidige toestand als uitgangspunt nemen, die van de twee stromingen.
Is mijn conclusie juist dat op dit moment beide stromingen zonder reserve legitiem zijn?
Aanklager:
In het proces van het komen tot de Geloofsverklaring zijn beide opvattingen legitiem.
Dit betekent niet dat de beide opvattingen als ‘zuivere’ opvattingen beschouwd kunnen worden. Het Concilie zal bepalen welke van de twee zuiver is, en welke onzuiver.
Gedaagde:
Op welke wijze zal het Concilie bepalen welke van de twee opvattingen zuiver is?
Aanklager:
Volgens mij kent U de procedure: via debatreeksen en uiteindelijk een hoofdelijke stemming.
Gedaagde:
Dan is de volgende uitspraak onvermijdelijk: tot op dit moment is ons geloof onzuiver.
Aanklager:
Nee, de huidige staat van ons Geloof is een onderdeel van een proces.
Dat tijdelijke proces is niet per definitie onzuiver, want gebaseerd op zuivere gronden.
Gedaagde:
Dientengevolge kan ik niet van een onzuiver Geloof beticht worden, zoals u eerder deed.
We hebben namelijk nog niet formeel, en definitief, vastgesteld wat een zuiver Geloof behelst.
Dit proces moet derhalve geseponeerd worden.
Rechter:
De Gedaagde heeft vanuit formeel oogpunt gelijk. Het woord is aan de Aanklager.
Aanklager:
Ik leg mij, onder formeel protest, neer bij de opvatting van de Rechter.
Rechter:
De Rechtbank accepteert het voorstel van de Gedaagde om de zaak te seponeren.
De Rechtbank accepteert bovendien het formele, als zodanig geoorloofde, protest van de Aanklager.
De Rechtbank heeft nog enkele aanvullende kanttekeningen over het seponeren van deze zaak:
Het seponeren betekent niet hetzelfde als een Vrijspraak; het betekent slechts een uitstel.
De beschuldigingen tegen de Gedaagde zijn nu alleen om formele redenen, tijdelijk, ingetrokken. Namelijk: totdat het Concilie tot een besluit is gekomen over het Zuivere Geloof.
Daarna kan de Rechtbank besluiten om deze zaak te heropenen.
Ik heb gezegd. - De ingreep in de rechtszaak die de Prior zich veroorloofde kan niet tot een verlies zijnerzijds bestempeld worden, hij had de, overigens slimme, verdediging van Tharákaz uitstekend weten te pareren. Hij had daarmee bereikt wat hij beoogde met deze rechtszaak: namelijk een gedegen argument om op het Concilie zijn opvattingen er door te kunnen drukken. Er moesten rotsvaste principes worden geformuleerd om de ‘Zuiverheid’ van het Geloof te bepalen en voor de toekomst te bewaren en mogelijk te verdedigen. De zaak tegen Tharákaz had overduidelijk aangetoond dat hiervoor een ‘absolute’ principes noodzakelijk waren, omdat een ‘relatieve’ opvatting teveel ruimte zou geven voor afwijkende opvattingen. En dat zou een te groot gevaar zijn voor het Ware Geloof. Er waren zeker nog belangrijke hindernissen te overwinnen door de Prior en zijn medestanders, maar de tegenpartij had nu een eerste, fundamentele, nederlaag moeten incasseren; in de vorm van een schijnoverwinning.
Tijd voor de ijsberen, dacht Zoe terwijl ze naar de keuken liep. Ze pakte een pak vruchtensap uit de koelkast en zocht naar een schoon glas. De keuken was een warboel van ongewassen borden, glazen, pannen en bestek. De gootsteen puilde uit.
Ze pakte een glas, spoelde het om, schonk het vol en liep al drinkend de keuken uit. Ze wuifde haar moeder, haar vader en haar tante met een driftig gebaar de kamer uit, ze had geen behoefte aan hun totaal overbodige commentaar.
Meteen verscheen haar mentor, Dr. Elise de Beegt, ten tonele. Die was zeer benieuwd naar haar conclusies ten aanzien van de tekst van Gideschuend, en dan vooral wat betreft het onderwerp ‘macht’, en ‘gender’. Ook haar mentor werd resoluut de kamer uitgejaagd.
Ze dronk haar glas leeg, liep naar de keuken en plaatste het in de bovenste pan in de gootsteen. Terwijl ze de keuken uitliep kwam er een gedachte in haar op, een inzicht wellicht. Hoopvol ging ze weer achter haar werktafel zitten.
Machthebbers waren gebaat bij absolute uitgangspunten, dacht ze, de macht kan niet optimaal functioneren wanneer de principes waarop zij is gebaseerd onderhevig zijn aan twijfel, of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Dat was de reden waarom de Prior belang hechtte aan het absolute principe. Maar, zo hield zij zichzelf voor, daarmee heb ik meteen mijn vraag over de Predestinatie beantwoord. Dat uitgangspunt is absoluut, en versterkt daardoor de macht. Klarena wordt door de macht als ‘uitverkoren’ bestempeld, en zo ingelijfd in de machtsstructuur, terwijl Tharákaz het zo wel kan schudden. Met waarheid heeft dit alles niets van doen, die zogenaamde waarheid is niet meer dan een instrument in dienst van de macht. Ze keek tevreden voor zich uit, ze had beslist iets te pakken! Jammer alleen dat het allemaal ten ene male speculatief was, zei Dr. De Beegt, ze had geen spoor van bewijs voor haar stelling.
De volgende dag liep Zoe eerst naar de kalender in de keuken, om het nummer van de dag te noteren: ‘272’.
Ze spoelde vluchtig een lepel af en maakte daarna een schaaltje schoon en vulde het met yoghurt, muesli en wat vruchten. Ze ging aan haar werktafel zitten, lepelde het schaaltje leeg en dacht na over de andere vraag die zij zich gesteld had: Is het machtsbeginsel genderbepaald? Nu ze gisteren die vraag over de Predestinatie onverwacht had weten te beantwoorden (dat haar stelling nog moest worden aangetoond beschouwde ze voorlopig als een detail) was ze hoopvol over het beantwoorden van de nog openstaande vraag.
De Prior was een man, dus zijn machtsspel was die van een man. Karina was een vrouw, maar zij was onderdeel van het mannelijke machtsspel van de Prior. Zij had zich onderworpen aan diens macht. Maar ja, vroeg Stederdonk zich af, had dit niet net zo goed andersom kunnen zijn, wat is er typisch ‘mannelijk’ aan dat machtsspel van de Prior? Was het absolutistische uitgangspunt een mannelijk principe? Zijn vrouwen eerder geneigd naar relativering? Omdat ze het ‘gezin’ bij elkaar willen houden? Waarvoor het sluiten van compromissen een noodzakelijke techniek is? Ze dacht aan de Scribent, Aldo, die was duidelijk een diplomaat, en dus bekwaam in vinden van een compromis wanneer de situatie daartoe noodde. En Aldo was beslist een man. Zo kwam ze niet verder.
Opeens schoot haar een fragment uit het verslag van de Scribent te binnen, een fragment uit het eerste deel van het proces. Het gedeelte waar zij zich de afgelopen dagen op had geconcentreerd ging over het slot van het proces, de afloop.
Ze begon te bladeren in het manuscript van Gideschuend, na enige tijd vond ze de volgende twee zinnen van de Aanklager:
- Aanklager:
De Gedaagde verliet het huis van Filège de Kazharát, die zijn geliefde is.
Niet hun mogelijke liefdesverhouding is hier aan de orde, maar zijn verderfelijke opvattingen.
Het waren niet deze zinnen op zichzelf die haar aandacht hadden getrokken, maar een fragment uit een andere bron dan Gideschuend, een manuscript van Norbarátt Le Niève. In die tekst stond een fragment dat er sterk op leek, maar het was langer.
- Aanklager:
De Gedaagde verliet het huis van Filège de Kazharát, die zeer geliefd is.
Niet alleen bij de Gedaagde, maar bij de gehele onzuivere beweging rond haar.
Zij is de leider der onzuiveren, en de Gedaagde is haar belangrijkste handlanger.
Niet hun mogelijke liefdesverhouding is hier aan de orde, maar hun verderfelijke opvattingen.
Om de een of andere reden had óf de Scribent Aldo twee zinnen weggelaten, en de beide zinnen licht gewijzigd; óf andersom: Norbarátt had twee zinnen toegevoegd, en eveneens de beide zinnen veranderd. Stederdronk zat een tijd te peinzen over de vraag welke van de twee versies de correcte weergave was van de woorden van de Aanklager. Haar eerste gedachte was dat een Scribent nooit zou sleutelen aan een formeel verlag van een proces. Maar wat zou dan de reden kunnen zijn voor Norbarátt om twee zinnen toe te voegen, had hij daar een bepaald belang bij? De twee extra regels stelden niet alleen Tharákaz in een kwaad daglicht, maar ook Filège, zijn geliefde. Maar was zij wel zijn geliefde? Het merkwaardige was dat juist zijn medestander Aldo dit beweerde.
Wat zou het belang van Aldo geweest kunnen zijn? Het in bescherming nemen van Tharákaz leek Zoe de meest voor de handliggende reden. Hij nam op de koop toe dat hij de liefdesrelatie met Filège benoemde, maar was dat wel zo’n probleem? Ze had nergens informatie kunnen vinden over een mogelijke celibaatsgelofte van Tharákaz, bovendien bleek die liefdesverhouding als zodanig voor de Aanklager niet van belang. Waarschijnlijk wist iedereen er al van. De twee extra zinnen van Norbarátt waren echter wel gevaarlijk voor zowel Tharákaz als Filège. De zinsnede over ‘verderfelijke opvattingen’ verwees in Norbarátts tekst direct naar Filège en haar beweging. In de versie van Aldo verwees het alleen maar naar de privé-opvattingen van Tharákaz. Maar als de tekst van Norbarátt de feitelijke tekstweergave van het proces was, waarom heeft de Prior hier dan niets mee gedaan? Of heeft de Prior de regels toegevoegd of laten toevoegen? Ze controleerde in beide manuscripten de tekst voor en na de bewuste fragmenten. Er stond niets in over Filège of haar beweging. Het waren louter formele punten. De opmerking over Tharákaz die het huis van Filège verliet had alleen maar te maken met het moment dat hij gedaagd werd voor het proces. Het betrof uitsluitend de typische formele beschrijvingen, over data, tijdstippen en locaties. Dit gold voor beide teksten. De enige plausibele reden die Zoe kon bedenken voor het negeren van de zinsnede over Filège was dat de Prior die kwestie pas tijdens het Concilie wilde aansnijden. Natuurlijk wist hij van haar beweging, maar het proces was niet bedoeld om haar te beschuldigen, doch uitsluitend om voor het Concilie bruikbare juridische argumenten te vinden.
Maar dit zou ook kunnen betekenen dat de tekst van Norbarátt de feitelijke procestekst was. Aldo had zijn verslag aangepast, om enerzijds Tharákaz en Filège in bescherming te nemen, en anderzijds de Prior wat wind uit de zeilen te nemen voor het aanstaande Concilie. Dat laatste was waarschijnlijk niet gelukt omdat de Prior vermoedelijk ook over het verslag van Norbarátt beschikte. Er waren niet voor niets twee versies in omloop. Zoe besefte dat haar conclusie zeer wel juist zou kunnen zijn, maar ook dat zij, voor de zoveelste keer, het niet hard kon maken. Het was om moedeloos van te worden. Haar onderzoek was doodgelopen.
Ze wilde haar laptop dichtklappen, maar iets hield haar tegen, een korte vraag die ergens in haar achterhoofd was blijven hangen en die zich nu naar de voorgrond drong: Lacht God? Zoe begon verwoed door het manuscript te bladeren, waar stond dat ook al weer? Het was een vraag van Tharákaz, maar in welk deel van het proces? Ze had het toen ze het las genegeerd, omdat ze zich concentreerde op machtsstructuren, en niet op de relativering ervan. Wat een stomme fout was dat!
Nadat Tharákaz de vraag had gesteld had Klarena het volgende geantwoord: “God lacht niet. Hebt u ooit een man zien lachen op zijn sterfbed? En, zeg mij, hebt u ooit een vrouw zien lachen in haar kraambed?” Waarop Tharákaz als volgt reageerde:
- Schreef de grote dichter Vergilius niet dat het kind moet lachen naar zijn ouders?
Een kind dat niet lacht naar zijn moeder die hem negen maanden lang droeg,
Geen God nodigt het uit aan zijn Dis, een geen Godin in haar Sponde.
Zoe klapte haar laptop nu wel dicht, ze schoof het manuscript opzij, en stond op van haar tafel. Ze begreep nu wat haar te doen stond. In één keer vielen alle puzzelstukjes op hun plek, ze vormden het antwoord op haar onderzoek, op haar gevechten met haar ouders en met Casper, op haar leven. Ze wist nu ook wat haar te doen stond.
Ze liep naar de keuken, stapelde alle vuile vaat op het aanrecht, pakte een teil, een afwasborstel en zeep, en ging aan de slag. Drie uur lang was ze bezig, niet alleen was de keuken weer tiptop op orde, ook had ze alle vloeren gedweild, en al haar werkspullen verzameld en opgeborgen in een kast. Ze keek tevreden om zich heen, en plofte op de bank. Noch haar moeder, noch haar vader, noch haar tante of grootouders, hadden zich gemeld. Ze was echt alleen.
Waarheid
De volgende ochtend stond Zoe vroeg op en liep naar de keuken om koffie te zetten. Ze zag de kalender aan de koelkast hangen en besloot voor de laatste keer de dag te nummeren. Vanaf 4 oktober had ze de dagen een volgnummer gegeven, het was nu 3 juni 2013, dus schreef ze ‘273’ in het vakje van deze datum. Precies 273 dagen, oftwel 39 weken, oftwel 9 maanden, had ze de tijd gekerfd. Maandenlang was ze de reden ervan vergeten, maar vandaag niet.
Met een beker koffie in haar hand liep ze de keuken weer uit en slofte in de richting van haar archiefkast. Ze kreeg een ingeving en pakte er een plakboek uit. Ze ging ermee op de bank zitten en bladerde het door.
Er zaten foto’s in van de tijd dat ze nog een kindje was, foto’s van haar met haar hartsvriendinnetje Dide Nirven in de zandbak, met haar moeder in de kinderwagen, bij haar vader op schoot, en een ijsje etend met haar tante aan het strand. De laatste pagina’s waren volgeplakt met krantenartikelen, de eerste was van 5 oktober 1992, het betrof een voorpagina van een ochtendkrant waarop een grote foto was afgedrukt van een flat waarin een gapend gat prijkte. De flat stond in de Bijlmermeer. Een Israëlisch vrachtvliegtuig had zich vroeg in de avond ervoor in de flat geboord. Er vielen ruim veertig doden, waaronder de ouders van Zoe. De dag van de ramp was haar verjaardag, haar vriendinnetje Dide mocht daarom bij haar slapen. Ook Dide is in de ramp omgekomen, alleen Zoe had het om miraculeuze redenen overleefd. Ze was gewond geweest, had rook in haar longen gekregen, maar ze was daar volledig van hersteld. Althans, fysiek. Zoe was zeven jaar oud toen de ramp plaatsvond, ze is daarna door haar tante in huis genomen, die heeft als een moeder voor haar gezorgd, tot ze overleed aan de gevolgen van kanker. Dat was in het voorjaar van 2010. Zoe studeerde toen al enkele jaren en woonde sinds die tijd op haarzelf. De eerste tekenen dat er mentaal iets mis was doken in het begin van haar studietijd op, ze hoorde stemmen, zag mensen die er niet waren, had slapeloze nachten, maar kon soms ook een nachtlang zich als een bezetene op haar studie richten en bijvoorbeeld een zeer grondige analyse maken en haar bevindingen en conclusies in heldere taal opschrijven.
Ze had medicijnen voorgeschreven gekregen, slikte die braaf, en een paar jaar ging het goed, ze sliep beter, had minder last van waanvoorstellingen en kon zich goed tussen de mensen begeven. Op haar 28ste verjaardag ging het mis, ze was al enkele dagen gestopt met haar medicijnen, had ernstige ruzie gemaakt met Casper, met wie ze een lat-relatie had, en precies op 4 oktober 2013 nam ze haar besluit: ze zou zich negen maanden opsluiten, leven in een volledig isolement. De boodschappen liet ze aan huis bezorgen. Casper was hier fel op tegen, maar haar moeder in haar hield voet bij stuk, en haar vader had niet de kracht er tegenin te gaan. Ze zou de negen maanden gebruiken om ‘zichzelf weer uit te vinden’, én om haar doctoraalscriptie te schrijven. Dat ging hand in hand, hield ze zichzelf voor. Ook voor Casper zou het goed zijn, en dus voor hun relatie, als daar na negen maanden tenminste iets van over was. Wie dan leeft, dan zorgt.
Ze pakte haar laptop en schreef resoluut de volgende e-mail aan haar mentor: Geachte Dr. Elise de Beegt, hierbij deel ik u mede dat ik per direct stop met mijn doctoraalonderzoek. Dit is geen impulsieve beslissing, ik heb er negen maanden over nagedacht. Ik weet wat ik doe, en waarom ik het doe, en heb geen behoefte er nog over te spreken. Ik wil u zeer hartelijk bedanken voor uw begeleiding. Met vriendelijke groet, Zoe Stederdonk. Ze klapte daarna haar laptop weer dicht.
Vervolgens pakte ze haar mobieltje en schreef een korte sms aan Casper: Heb je zin in een etentje bij mij thuis?
Om zes uur precies belde Casper aan. Zoe zag hoe zijn mond openviel toen ze de deur opende, ze had haar meest verleidelijke jurk aangedaan, een ode aan haar goddelijke lichaam. Ze trok hem naar binnen en plantte hem op de bank. Ze pakte de duur uitziende fles prosecco uit zijn hand en zette die op tafel. “Die gaan we zo lekker leegdrinken, en we gaan ook heel lekker eten, en onwijs goed praten,” zei ze. “Ik heb eindelijk alles op een rijtje gekregen.”
Het kostte Casper een flink aantal minuten voordat hij zijn zinnen weer bij elkaar had. “Goed plan,” was het enige wat hij er uit kon brengen. Hij kon intussen zijn ogen niet van haar afhouden. Hij zat onrustig en aarzelend op de bank, Zoe had tegenover hem plaatsgenomen op een stoel, en zo zaten ze elkaar een tijd lang zwijgend aan te kijken.
“Hoe gaat het met je onderzoek,” vroeg hij uiteindelijk. “Ik bedoel, hoe gaat het met jou? Dat is natuurlijk veel belangrijker.”
“Ik ben met het onderzoek gestopt, en het gaat nu uitstekend met mij,” antwoordde ze. “Laten we eerst proosten, daarna zal ik alles uitleggen.” Ze stond op, pakte twee champagneglazen, ontkurkte de fles en schonk voorzichtig de glazen in. “Gezondheid!” zei ze.
Casper beantwoordde de toost en samen nipten ze een tijdje aan hun glazen. “Je ziet er fantastisch uit!” zei Casper opeens.
“Dat had je niet verwacht, hè?” zei Zoe. “Je dacht dat je hier een rampenfonds zou aantreffen, geef het maar toe!”
“Ja, dat klopt als ik eerlijk ben. Maar ik bedoelde eigenlijk te zeggen dat ik vergeten was hoe mooi je bent.”
“Sexy, zul je bedoelen,” zei Zoe met een halfspottende glimlach. Ze zag rode vlekken op zijn wangen en zijn hals komen.
“Ja, dat ook, maar is daar dan iets mis mee?” De vechtjas kwam eindelijk weer in hem boven. “Ik bedoelde allebei. Ik bedoelde echt je schoonheid, het opgeruimde in je hoofd dat ik voel. En ja, ik vind je ook buitengewoon aantrekkelijk.”
“Je hoeft je niet te verdedigen, ik weet heus wel wat je bedoelt, ik ken je langer dan vandaag.” Ze schonk hem een welgemeende glimlach, stond op, gaf hem een aai door zijn wilde haardos, en liep naar de keuken. “Ik heb een schotel sashimi en sushi als aperitief, laten we aan tafel gaan zitten en eten, dan ga ik je alles vertellen.”
Zoe deed eerst verslag van haar onderzoek, de problemen waarop ze gestuit was, de twijfels, en ook de voortdurende ‘bezoekjes’ van haar ouders en tante. ‘En jij ook,’ had ze eraan toegevoegd. Op zijn vraag of ze haar medicijnen nog slikte had ze eerlijk geantwoord dat ze die al een hele tijd niet meer had ingenomen. ‘Maar,’ zei ze, ‘ik slik ze nog steeds niet, en ik voel mij kiplekker.’ Hij had er geen commentaar op gegeven, hij houdt zich nog in, dacht ze.
“Gisteren kwam eindelijk de doorbraak,” vervolgde ze haar verslag. “Via een merkwaardig detail dat ik eerst over het hoofd had gezien. Twee details uiteindelijk. Het eerste was een verschil dat ik zag tussen twee versies van het procesverslag, een van de bronnen had bij een bepaalde uitspraak van de Aanklager twee extra regels, met een beladen inhoud. Het andere detail ging over humor.”
Casper volgde haar betoog met grote interesse, maar wist zich ook goed te beheersen om geen direct commentaar te leveren. Vooralsnog.
Zoe legde uit hoe het zat met die twee extra regels uit de bron van Norbarátt Le Niève, en vertelde wat zij wist over Filège de Kazharát; dat was trouwens bitter weinig, waardoor al haar hypotheses flinterdun waren. “Het leek er dus op dat er twee machtscentra waren,” sloot Zoe haar deel over het ‘eerste detail’ af, “Die van de Prior, die openlijk was, en die van Filège, die verborgen was. Dat is natuurlijk ook de reden dat ik er geen bewijs voor vond. Alles is gebaseerd op mijn analyses en mijn verbeeldingskracht. Een mannelijke en een vrouwelijke machtsstructuur. Tenminste, als mijn stellingen stand houden.”
“Laten we er voorlopig van uitgaan dat ze stand houden,” opperde Casper. “Welke conclusies kunnen wij daaraan verbinden, bijvoorbeeld over je eigenlijke onderzoeksonderwerp, de relatie tussen macht en gender? De Prior als mannelijke macht, Filège als de vrouwelijke, is dat niet wat al te simpel voor deze kwestie?” Casper begon weer praatjes te krijgen, zijn venijnigheid kwam weer naar boven, hoewel nog behoedzaam.
“Ja, dat zou veel te simpel zijn,” gaf Zoe toe, “het ligt uiteraard allemaal veel gecompliceerder, bovendien moet ik je nog het ‘tweede detail’ uitleggen.” Ze schonk zich nog wat prosecco bij, en ging verder: “Even los van de terminologie, mannelijk of vrouwelijk, ik denk dat we daar uiteindelijk van af moeten, en ook kúnnen. Maar als we die termen voorlopig nog even handhaven, dan is het duidelijk dat ook vrouwen een mannelijke machstvorm kunnen hanteren, en vice versa. Maar wat is de essentie?”
“Als er geen fundamenteel mannelijk of vrouwelijk element in die machtsstructuur aanwezig is, dan is dat onderscheid zinloos. Nog even los van het feit dat mannen vaker machtsposities bekleden dan vrouwen — of dat komt omdat het mannen zijn, of omdat mannen elkaar een handje helpen, vind ik lastig te beoordelen. The Old Boy Network zal zeker een rol spelen, maar er zijn ook argumenten tegenin te brengen. Die mannen zijn ook elkaars concurrenten, waarom zou je je toekomstige mededinger helpen? De posities die deze mannen bekleden kunnen aantrekkelijk zijn voor vrouwen, waardoor ze misbruikt kunnen worden, met of zonder toestemming overigens. Maar vrouwen hebben ook een vergelijkbare machtspositie. Jij hoeft mij maar even verleidelijk aan te kijken en ik ben meteen je slaaf. Bewust, en vrijwillig.”
“Erotiek en lust spelen ongetwijfeld een rol in het machtsdomein, waarbij dan wel moet worden aangetekend dat het veel vaker vrouwen zijn die gebruikt, of zelfs misbruikt worden. Maar vrouwen hebben zeker hun eigen machtswapens ontwikkeld in der loop de tijden. Toch denk ik dat dit aspect uiteindelijk een ondergeschikte rol speelt in deze kwestie. Er is iets anders aan de hand, in mijn opvatting van veel fundamentelere aard. Ik kwam daarop vanwege dat ‘tweede detail’ waarover ik eerder sprak. Dat van de humor.”
Zoe stond op en bracht de nu lege fles, de glazen en het servies naar de keuken. “Eerst een verse voorraad,” zei ze. Evenlater kwam ze terug met een fles sauvignon blanc, schone wijnglazen, en wederom een voorraad sushi. “Gang nummero twee.”
“Aha,” zei Casper grijnzend, “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister… maar je hoort mij niet klagen, je kent mij…”
Zoe grijnsde terug, maar werd daarna meteen weer ernstig. “Ik stuitte op een korte vraag van de Gedaagde: ‘Lacht God?’ De Aanklager vond van niet, want leven en dood zijn geen zaken die ons aan het lachen maken. Maar Tharákaz dacht daar anders over, onder verwijzing van dat beroemde fragment uit Vergilius’ Bucolica over een kind dat maar beter naar zijn ouders lacht.”
“Oké…, interessante gedachte, Goden houden niet van humor, maar wat heeft dat met macht te maken? Seks en humor werkt evenmin erg goed, laten we wel wezen. En kunst en humor is ook geen fijne combinatie. Machthebbers hebben geen gevoel voor humor?”
“Nee, het is veel gelaagder. Mijn conclusie van de manier waarop macht werkt, via die kathaarse prior, was dat macht streeft naar het absolute. De relativering is de dood in de pot. Dat was precies het onderwerp van dat proces, en van het toen nog komende Concilie: de ‘absolute’ opvatting tegen de ‘relatieve’. Mijn stelling is dat dit hele idee afkomstig is van Filège, en dat haar geliefde, Tharákaz, in feite haar spreekbuis was. De macht die we voor nu nog de mannelijke variant zullen noemen, moet wel abosluut zijn in haar principes, anders is zij verloren. Op het moment dat je God relativeert, sterft Hij. De Prior snapte dat zeer goed. Maar Filège ook. Met de humor, of beter gezegd, de ironie, had zij een geducht machtswapen in handen om de mannelijke macht te weerstaan. Ironie, eirooneia in het Grieks, betekent zoiets als geveinsde onwetendheid, het is ook vergelijkbaar met het zestiende eeuwse Italiaanse begrip sprezzatura, wat je zou kunnen vertalen met gestileerde nonchalance; beide zijn bedrieglijk.”
“Dus onwaar,” interrumpeerde Casper. “De waarheid wordt geweld aangedaan, dat is de reden dat de Prior zich er zo tegen verzette.”
“Zo ken ik je weer,” riposteerde Zoe, maar zonder enige vorm van chagrijn. “Het gaat niet over waarheid, het gaat over macht. Een ironische opmerking is niet per se onwaar, en een absolute uitspraak is niet per se waar. Het gaat erom of je de twijfel toestaat in je argumentatie. Of je, als macht, toestaat om tegengesproken te worden. Alle absolutistische domeinen, of het nu de religie is, de wet en het recht, maar het geldt zeker ook voor een aanzienlijk gedeelte van de wetenschap, kunnen zich kennelijk niet veroorloven om tegengesproken te worden, zij wijzen de twijfel af. Daarom hebben we ook de kunsten, waar dit aspect een fundamenteel element van is. Dit is de reden waarom ik gestopt ben met mijn doctoraalonderzoek, er is geen ruimte voor fundamentele twijfel of ‘onwetendheid’. Mijn stellingen en conclusies zijn onhoudbaar binnen dat domein. Ik kan daar niet bestaan.”
“En dat verschil in opvatting, of machtsuitoefening zelfs, is niet zozeer mannelijk of vrouwelijk, maar absolutistisch of relativerend. Mag de twijfel, of de — gespeelde — onwetendheid, een essentieel onderdeel zijn van je praxis.” Casper keek peinzend naar het hapje sushi dat hij tussen zijn stokjes klemde, en stak het toen resoluut in zijn mond. “Ik kan mij hier wel in vinden.” Hij grijnsde weer.
“Je bent best wel geestig.” Zoe stak haar tong uit. “Maar je begrijpt mijn punt dus. En dus ook mijn besluit.”
“Er is een verschil tussen begrijpen en onderschrijven, maar dat laatste is niet aan mij. Die keuze is geheel aan jou.”
Ze zaten een tijdje zwijgend van het eten te genieten, en te peinzen, totdat Casper weer wat te melden had: “Toch ben ik niet zeker dat het waarheidsbegrip hier niet mee te maken heeft. Je zei zelf net dat er in dat veinzen en die gespeelde onverschilligheid een vorm van bedrog verscholen lag. Ironie betekent, linksom of rechtsom, dat je de waarheid op enigerlei wijze geweld aan doet. Het is op zijn minst een spel met de waarheid, dat zul je toch niet ontkennen?”
“Waarheid is belangeloos, en daarom is het volstrekt machteloos. Het is diametraal tegengesteld aan macht. Als ik stel dat 1 + 1 = 2, dan begeer ik die 2 niet. Ik zou de uitkomst 3 kunnen begeren, omdat het meer is dan 2. Maar dat is dan onderdeel van een machtsspel. De Prior en Filège speelden een machtsspel, waarbij de waarheid voor de Prior een absolutistisch geponeerde of geclaimde waarheid was, wat niet hetzelfde is als een bewezen waarheid; en bij Filège een bedrieglijk spel met waarheid, dat niet de waarheid dient, maar uitsluitend de macht. De waarheid is in het machtspel niet meer dan een object.”
Casper schudde peinzend zijn hoofd. “Ik ben nog niet overtuigd,” zei hij tenslotte, “je noemde net de wetenschap als voorbeeld van een absolutistisch machtsdomein. Maar waarheid is toch bij uitstek het onderwerp van de wetenschap? Zonder waarheid, of waarheidsvinding, bestaat zij niet.”
“Dat geldt misschien voor de wetenschap die jij beoefent,” wierp Zoe tegen, “wiskunde is denk ik de meest objectieve van alle wetenschappen, hoewel er ook daaraan speculatieve aspecten kleven. Maar welke andere wetenschap, behalve heel misschien de natuurkunde, kan deze kwalificatie verdragen?”
Casper wilde reageren, maar Zoe was hem voor: “Neem nou de medische wetenschap, die articlueert een geschiedenis van foute aannames, miskleunen en onbeholpen technieken, het is, nog steeds, feitelijk niet meer dan een veredelde vorm van loodgieten. Een nieuwe hartklep monteren is een fluitje van een cent, maar geen enkele arts kon mij op een wezenlijke manier helpen met mijn waandenkbeelden. Ja, een pilletje om de boel een beetje te dimmen. Pijn? Echt, ze hebben geen idee wat het is, hoe het aan te pakken, behalve dan met die pilletjes. Maar de keuze is dan tussen een beetje pijnbestrijding, wat voor het bestrijden een kater prima werkt, of een volledige knock-out. Ik heb het meegemaakt met mijn tante, ze verging van de pijn, en ze kon kiezen tussen morfine, maar dan was ze knock-out, of een zenuw laten doorsnijden, en dan was ze half verlamd.”
“Ho, ho,” Casper gesticuleerde driftig met zijn rechterhand, waarbij de twee stokjes die hij nog vast had kleine cirkeltjes in de lucht beschreven, “de medische wetenschap gaat, zoals vele andere wetenschappen, in feite over het ontwikkelen van technologie. Dat gaat traag, als je de geschiedenis als geheel bekijkt, maar wel steeds sneller, en het gaat in ieder geval stapsgewijs. Waarheden zijn dan relatieve waarheden, iets werkt, dat is vast te stellen, maar niet alles werkt, of het tempo voldoet niet, of er zijn bijwerkingen. Maar dat alles wordt wel in kaart gebracht, en dat zou je ‘waarheid’ kunnen noemen, als de documentatie op orde is. En dan heb je ook nog wetenschappen zoals economie, taalkunde, psychologie, rechten, en filosofie niet te vergeten. Daar geldt iets dergelijks.”
“Wat bedoel je met ‘iets dergelijks’? Dat het qua waarheid boterzacht is? Want dat is het natuurlijk in de meeste gevallen.”
“Ik vind dat niet boterzacht. Zoals ik al aangaf, de boel moet goed gedocumenteerd worden, maar dan is er hoe dan ook sprake van kennis, en kennis is volgens mij een vorm van waarheid. Ik zie waarheid als een organisme, het is levend en kan dus aan verandering onderhevig zijn. Waarheid hoeft niet absoluut te zijn. Sommige waarheden wel, zoals die 1 + 1 = 2 van jou, maar andere juist weer niet, omdat die meer een pad naar waarheid zijn, een richting, of een traject.”
“Dat is een mooie romantische gedachte, maar dan wordt het uiteindelijk een taalspelletje. Dan kun je alles wel ‘waarheid’ noemen. Ik noem ‘kennis’ geen waarheid. Kennis is macht. Laten we de Wet en het Recht als voorbeeld nemen. De Wet ligt vast in een tekst. Maar die tekst is dood. Die komt pas in het Recht tot leven, als bijvoorbeeld een rechter een uitspraak doet. Alle wetsteksten — maar hetzelfde geldt voor alle feiten, bijvoorbeeld historische feiten — lijken ‘waarheden’ te zijn, maar ze komen pas tot leven als ze geïnterpreteerd worden. Dat is onontkoombaar onderdeel van een machtsspel, omdat er altijd een belang bij is gediend.”
“Maar is er niet ook altijd een belang gediend met waarheid? Wat heb ik aan de waarheid als het betekenisloos is?”
“Waarheid is op zichzelf niet zonder belang, het kan een belang dienen en van grote betekenis zijn. Maar het is wel belangeloos, het is niet gekoppeld aan een begeerte. Ik begeer de waarheid niet. De waarheid is een indicatief, en geen imperatief.”
Zoe stond op en ruimde de tafel af, ze liet alleen de glazen staan. Vanuit de keuken nam ze een nieuwe fles sauvignon blanc mee, en twee grote stukken tiramisu. Casper opende de fles en schonk hun beider glazen vol. Ze proosten.
“Goed dan,” begon Casper, “wat ik van je begrijp is dat waarheid ontstaat in een handeling. Niet omdat iemand dit begeert, maar als een resultaat van die handeling. Maar zou die handeling dan niet ook een machtshandeling kunnen zijn? Denk aan de wijze waarop Filège de macht van de Prior probeert te weerstaan met haar ‘ironische methode’, als ik het zo oneerbiedig mag noemen, zou dit een of andere vorm van waarheid kunnen opleveren? Ze begeert die waarheid op zichzelf dus niet, ze begeert daarentegen haar machtspositie. Maar desondanks blijkt dit een articulatie van waarheid te zijn. Zou jij je in deze opvatting kunnen vinden?”
Zoe nam een flinke hap van haar tiramisu en dacht even na. “Wat ik interessant vindt aan deze gedachte is dat het in dat geval niet gaat om ‘de waarheid’, maar om ‘waarheid’ zonder meer. Een resultante van een handeling, of proces.”
“Zou dit dan mutatis mutandis ook ten aanzien van de macht kunnen gelden, dat het dan niet gaat om ‘de macht’, maar om ‘macht’ zonder meer? Die is dan ook een resultante van een proces, of een handeling. Misschien lijken waarheid en macht wel veel meer op elkaar dan we aanvankelijk aannamen. Neem jouw idee van absolute en relatieve macht, geldt dat niet ook voor waarheid? De stelling 1 + 1 = 2 is een ‘absolute’ waarheid. Maar er bestaan ook ‘relatieve’, want bijvoorbeeld tijdelijke waarheden.”
“Ik denk niet dat beide begrippen op deze manier vergelijkbaar zijn,” antwoordde Zoe, “Maar ik moet hier nog verder over nadenken.”
“Oké,” zei Casper, “laten we dan een omtrekkende beweging maken. Hoe zit het met het begrip ‘gerechtigheid’, is dat een vorm van waarheid? Ik heb als voorbeeld het ironische machtspel van Filège op het oog — hoe beoordelen wij of dit een vorm van gerechtigheid betreft? Of is gerechtigheid altijd een onderdeel van een machtsspel? In dat geval is het geen vorm van waarheid.”
“Dat is een goede vraag, waar ik evenmin een goed antwoord op heb. Geef mij even de tijd om verder na te denken.” Casper maakte een gebaar met zijn hand dat hij dit prima vond, en een tijdje zaten beiden zwijgend te eten, af en toe een slok nemend. Opeens stond Zoe op, liep naar haar boekenkast en pakte er een boek uit.
“Hier: Hannah Arendt, De menselijke conditie,” zei Zoe terwijl ze Casper het boek aanrijkte. “Ze schrijft iets zeer interessants over ‘goedheid’, dat zou wel eens de omtrekkende beweging kunnen zijn die ons iets bruikbaars gaat opleveren.” Casper had intussen in het boek zitten bladeren, maar gaf het snel terug aan Zoe, want ze wilde het bewuste fragment opzoeken. Even later las ze voor:
Wanneer goedheid zich als zodanig openbaart, dan betreft het niet langer goedheid, hoewel het wel van nut kan zijn in zaken als liefdadigheid en solidariteit. […] Goedheid kan uitsluitend bestaan wanneer het niet als zodanig wordt waargenomen, zelfs niet door degene die haar verricht. […] Goedheid dient absoluut verborgen te blijven, en zich nimmer aan de openbaarheid prijs te geven, wil zij niet vernietigd worden.
“Laten we wat Arendt schrijft over ‘goedheid’ vervangen door ‘waarheid’,” stelde Zoe voor, “en kijken wat dit oplevert. Op het moment dat een bepaalde waarheid die naam krijgt, en in die naam zichtbaar wordt, dan is het een object geworden, en daarmee niet meer waar, aangezien zij daarmee gekoppeld is aan een belang. Die waarheid lost dan op in haar naam. Bij macht ligt dat anders, macht wil zichtbaar zijn, dat is onderdeel van het machtsprincipe. Macht moet namelijk uitgeoefend worden, dat is inderdaad ook een handeling, zoals jij stelde, maar uiteindelijk, en dat is beter uitgedrukt, een product van een handeling, namelijk een object.”
Casper zag dat Zoe nog verder aan het nadenken was, en wachtte met reageren. Zoe vervolgde even later inderdaad haar betoog.
“Wat betreft je vraag over ‘gerechtigheid’, dat zou ik inderdaad geen vorm van waarheid willen noemen. Om twee redenen. De eerste reden is dat gerechtigheid wel zichtbaar dient te zijn, en dus kan zij geen waarheid zijn. Dat is een negatief argument, dus niet voldoende. Daarom is ook het tweede argument noodzakelijk: gerechtigheid is altijd het gevolg van een machtsuitoefening, en dus gekoppeld aan een belang. Immanuel Kants ‘categorisch imperatief’, wat als een vorm van gerechtigheid beschouwd kan worden, heet niet voor niets een ‘imperatief’: er moet iets. Ik meen dat dit imperatief door Kant als universeel werd beschouwd, dat zou je ‘absoluut’ kunnen noemen. Maar ongetwijfeld bestaat er dan ook ‘relatieve’ gerechtigheid, bijvoorbeeld als iemand jou om persoonlijke redenen kwaad heeft gedaan en zich daarvoor heeft moeten verantwoorden. Ik betwijfel of ik — een specifieke — waarheid absoluut zou noemen. En dan bestaat er evenmin een relatieve waarheid.
Casper zag zijn kans schoon, en kreeg eindelijk de gelegenheid te reageren. “Je kunt jouw propositie 1 + 1 = 2 toch moeilijk als niet-absoluut kwalificeren. Die uitspraak kan nooit verbeterd of weerlegd worden, zoals dit bijvoorbeeld wel kon met bepaalde natuurwetten die vanwege de theorieën van Einstein en Bohr aangepast moesten worden. Dat laatste heet ‘vooruitgang’. Vooruitgang is altijd relatief, een eindpunt absoluut.”
“Ik kijk hier toch iets anders tegenaan. Dat heeft te maken met hoe ik nu denk dat waarheid tot stand komt. Je kunt niemand dwingen tot het inzien van een bepaalde waarheid. Je kunt niet iemand dwingen te begrijpen dat de stelling 1 + 1 = 2 waar is. Je kunt die persoon wel dwingen om het hardop te zeggen of zoiets, maar dan wordt het geen essentieel onderdeel van zijn kennis, het wordt ‘zich niet eigen gemaakt’. Iemand die op de een of andere manier aanneemt dat 1 + 1 = 2 waar is, die heeft van die waarheid een ‘object’ gemaakt. Het wordt dan voetstoots aangenomen, maar niet op een ‘subjectmatige’ wijze begrepen. Het omgekeerde, wat ik ‘objectmatig’ denken of handelen noem, is intussen een zeer dominante factor in onze huidige wereld. De kapitalistische praktijk spint er goed garen van, objecten zijn onontbeerlijk voor de markt en het marktdenken.”
“Hmm, dat is een uitermate speculatieve stelling, maar ik geef toe met verleidelijke kanten. Als ik het goed samenvat dan zeg je dat waarheid plaatsvindt in een handeling, en wel van subject tot subject, en dat het niet kan bestaan als object. Macht daarentegen kan alleen bestaan als object, en vindt niet plaats tussen twee subjecten. Macht vindt niet plaats in een handeling.”
Zoe knikte wat aarzelend. “Ja, zoiets, maar het is wel gecompliceerder. Natuurlijk vindt macht wel degelijk plaats in een handeling, het gebeurt tussen personen, maar op een fundamenteel andere wijze dan bij waarheid. De machtspersoon verandert de subjecten waar hij of zij mee te maken heeft in objecten. Er vindt altijd een vorm van ontmenselijking plaats. Ook als die macht uiteindelijk ten goede wordt gebruikt, of met goede intenties. Als je bijvoorbeeld een boete krijgt voor te snel rijden, dan wordt je door het recht, per definitie, als een object behandeld. Zo werkt bureaucratie. Waar een subject ontmenselijkt wordt kan geen waarheid plaatsvinden. Het is te vergelijken met een concert. De muziek vindt plaats in de handeling, ze is ongrijpbaar, en lost uiteindelijk op in tijd en ruimte, het enige wat blijft is onze herinnering. Van gespeelde muziek is onmogelijk een object te maken. Ja, uiteraard kun je er een opname van maken, en die in de markt plaatsen, maar dat is niet de muziek die je beleefd hebt als luisteraar in de zaal. Het is niet meer dan een zwart-witfotootje ervan. Ware muziek is een Afvallige Ketter.”
Zoe had Casper voorgesteld dat hij bij haar zou blijven slapen. Hij had weer rode vlekken in zijn hals gekregen, zijn handen begonnen te trillen, hij kon alleen nog maar iets wat klonk als een bevestiging uitbrengen, hij was duidelijk van zijn stuk gebracht. Ze ging vlak voor hem staan, en liet opeens in een elegante zwaai het enige kledingsstuk dat ze aanhad, een mintgroene zijden badjas, van zich afglijden. Als ze zijn hand niet had vastgepakt was hij beslist van zijn stoel gevallen.
Ze trok hem overeind, en zei met zachte stem: “Je kunt mij als een object beschouwen, een object van je lust, dan is mijn lijf een instrument van de macht. Dan is vrijpartij waarvan ik hoop dat die gaat volgen, een articulatie van macht. Het kan ook een expressie van waarheid zijn, de keuze is niet aan mij, die is aan ons beiden.”
“Allemachtig! Je bent zo goddelijk mooi,” zei hij schor, “dat is de schoonheid voorbij, het is subliem. En dat is imponerend.”
“Ik vrees dat je je zult moeten vermannen,” zei ze op schalkse toon. Ze knoopte zijn overhemd los, rukte die van zijn schouders, knoopte zijn broek los en trok die omlaag. “Allejezus,” zei ze hees, “dit is dan wat je noemt ‘verheven’!”
De volgende ochtend zei ze, terwijl ze dicht tegen elkaar aan lagen: “Over twee dagen reis ik af naar Ghana. Ik wil mijn mannelijke roots onderzoeken.” Ze zag zijn gezicht betrekken. “Maar ik wil ook graag met jou het ware verder onderzoeken.”
“Hoe lang blijf je weg?” Hij probeerde zijn teleurstelling in bedwang te houden. “Sorry, dat was een impertinente vraag. Natuurlijk moet je dingen uitzoeken. Ik wil je niet nog een keer kwijtraken, mijn onzekerheid is kennelijk sterker dan mijn vermogen tot geduld.”
“Uiteraard mag je die vraag stellen. Ik denk wederom een periode van negen maanden. Het is voor mij de enige manier om te begrijpen hoe we samen kunnen zijn; ik moet eerst mijzelf goed begrijpen. Ik vraag je niet op mij te wachten, dat zou pas echt impertinent zijn, maar ik hoop wel dat als ik terugkom, jij er voor mij wilt zijn.”
— Bonnemort, 31 mei 2023