Alle Verhalen

detectives

Alle Verhalen

J. Chr. de Vries

Op 19 januari 2001 liep Rudi Bistpelz het hoofdbureau van politie in Leeuwarden binnen, hij meldde zich bij de balie en zei dat hij een afspraak had met inspecteur Van der Chaech. Ondanks zijn Duitse nationaliteit, was hij de Nederlandse taal goed machtig. Hij las het voortreffelijk, en sprak het vloeiend, maar wel met een duidelijk waarneembaar accent. Ruim twee weken geleden had hij telefonisch een afspraak gemaakt met Van der Chaech, en uitgelegd dat hij publicist was in Nürnberg, en dat hij schreef voor een landelijk tijdschrift, voornamelijk over strafzaken, maar hij voegde eraan toe dat hij speciale interesse had in cold cases. Hij wilde graag een afspraak maken om te spreken over een merkwaardige zaak die zich in Friesland heeft afgespeeld in de jaren 1991/1992, over een moord waarvan het moordwapen een vervloeking scheen te zijn: ‘De Zaak van de Vervloekte’ noemde hij dit.

Van der Chaech pakte een map uit een lade van zijn bureau, opende die en haalde er een stapel pagina’s uit. “Dit is het complete verslag,” zei hij terwijl hij de stapel omhoog hield. Hij gaf een samenvatting van alle feiten. Bistpelz was van de meeste feiten op de hoogte, maar hij wilde het graag uit de mond van de rechercheur horen die de zaak had behandeld. Beide zaken in feite — ten eerste de doodslag van de dronken bestuurder, en ten tweede de doodslag op het kind van de dader, die het gevolg zou zijn van een in de rechtszaal uitgesproken vervloeking. Dat leek op het eerste gezicht op paranormale verzinsels, maar er waren feiten aan het licht gekomen die hier tenminste enige twijfel over rechtvaardigden.

Op 1 januari 1991 rijdt de bestuurder, Aard Donkerd, over een provinciale weg, met een veel te hoog alcoholpercentage in zijn bloed: 3,3 promille om precies te zijn. Naast de weg loopt een fietspad, met slechts een minimale berm als afscheiding. De auto slingerde hevig, en kwam op een gegeven moment op het fietspad terecht, waar een jongen van dertien jaar oud werd geschept en dodelijk verwond. De bestuurder reed door. Er was echter een getuige, een vrouw van 63 jaar, die enkele meters achter de jongen fietste. Zij zag alles gebeuren, en onthield het kentekkennummer. Zij hield een automobilist aan, vertelde wat er gebeurd was, en de man nam de jongen en de vrouw mee naar het dichstbijzijnde ziekenhuis. Maar het was al te laat, hulp kon niet meer baten, de jongen bleek in de auto te zijn overleden. Het ziekenhuis had intussen de politie gebeld.

De politie had meteen dezelfde avond het kentekennummer nagtrokken, de man werd aangehouden, zijn bloed onderzocht en hij werd op grond van de uitslag van de bloedtest in staat van beschuldiging gesteld. De zaak kwam voor op 19 januari. De rechtszaak was een hamerstuk, alle feiten waren helder als glas. Hoewel de rechter formeel nog wel uitspraak moest doen, was het meteen duidelijk dat er een hoge straf gevonnist zou worden. De publieke tribune zat vol met een hevig verontwaardigd publiek, de rechter moest af en toe tot orde manen. Nadat de rechter tot slot de verdachte vermanend had toegesproken en op het punt stond de zaak af te hameren, ging de deur van de rechtszaal open. De rechter had de hamer al opgeheven, maar aarzelde.

Een man was de rechtszaal ingelopen. Hij was gekleed in een donkerbruin habijt, en had de kap daarvan om zijn hoofd. Hij liep met rustige passen naar voren, stelde zich voor als de vader van het slachtoffer, en vroeg de rechter om twee minuten spreektijd. Hij zou het kort houden. De rechter legde de hamer weer neer en gunde de man zijn spreekrecht. Wel maande hij de man om zijn kap af te doen. Toen de man hieraan gehoor gaf, bleek hij een grote, zwarte zonnebril te dragen. De rechter vroeg hem om die af te doen, zodat hij, en ook de verdachte, hem recht in de ogen zou kunnen kijken. Toen de man zijn zonnebril afdeed ging er een golf van afschuw door de zaal, iedereen in de rechtszaal keek hem als gehypnotiseerd aan, op de plek van de ogen waren twee lege oogkassen te zien. 

De man richtte zijn gelaat naar de dader, en zei: “Ik vervloek u grondig. Over dertien maanden zult u getroffen worden door uw noodlot. Uw lot zal vreselijker zijn dan het mijne, en is onontkoombaar.” Hierna zette de man zijn bril weer op, en vouwde de kap vervolgens om zijn hoofd. Daarna liep rustig en zwijgend naar de uitgang en verliet de rechtszaal.

Precies dertien maanden later rijdt Donkerd zijn eigen dochter dood. Hij had niet, of wellicht te laat, gezien dat het kind, een meisje van zes, achter zijn auto zat te spelen. De auto stond geparkeerd op de oprit voor de garage, en hij wilde achteruit de straat oprijden. Hij gaf vol gas, ze was op slag dood. De vloek leek te zijn uitgekomen.

Toch werd de vloek in eerste instantie genegeerd in het onderzoek. Er staat geen enkele sanctie op het uitspreken van een vloek in het wettelijk strafboek, alleen haatzaaien en het daadwerkelijk uitvoeren van dreigementen is strafbaar. Hoe kon de vader van de jongen die de vloek uitsprak verantwoordelijk worden gesteld voor een daad die overduidelijk door Donkerd was uitgevoerd? De wet houdt geen rekening met magie, en kan daar ook geen rekening mee houden. We leven niet meer in de middeleeuwen of de oudheid.

Maar tijdens het onderzoek naar de ongelukkige aanrijding van Donkerd met zijn dochter kwamen er geleidelijk aan vragen naarboven. Het eerste merkwaardige feit was dat de aanrijding van Donkerd exact dertien maanden na de uitspraak van de vervloeking was uitgekomen, dat was volledig overeenkomstig de voorspelling van Ate Staal. Dat is overigens de naam van de vader die de vloek uitsprak — Ate Harvel Staal, een kasteelheer van de Hekel-Staal State, een middelgroot kasteel in Gaasterland, een streek in de zuid-westhoek van Friesland.

De vader van het meisje gaf bovendien aan dat hij het gevoel had Staal in de buurt van zijn huis gezien te hebben. Dat opende de mogelijkheid dat er geen mysterieuze vervloeking in het spel was, maar boze opzet. Uiteraard werd deze mogelijkheid onderzocht. Niemand in de buurt van Donkerds huis had een man in monnikspij gezien. Wel was er een man met een zonnebril gesignaleerd, maar ja, wat zegt dat? Die man droeg dus geen habijt, maar een zwart-grijs gestreept colbert. Maar Staal was blind, hoe kon hij daar in zijn eentje geweest zijn? Er was evenmin een taxi in die buurt geweest.

Aan de andere kant, Donkerd gaf in de verhoren ten stelligste te kennen de man gezien te hebben in zijn achteruitkijkspiegel. En ook nog precies op het moment dat hij zijn dochter eveneens in die spiegel zag, maar toen was het te laat. Hij wilde op de rem trappen, maar om een mysterieuze reden gaf hij juist extra gas, met het fatale gevolg. ‘Ik voelde mij als betoverd,’ gaf de man aan, alsof Staal hem op de een of andere manier zijn wil oplegde.

Donkerd is uitgebreid onderzocht door een psychiater, om te kontroleren of deze zich dit alles zou kunnen hebben ingebeeld, of dat hij dit als excuus aanvoerde om zijn eigen fout goed te praten. Ook had Van der Chaech Staal thuis opgezocht, om hem uitgebreid over de kwestie aan de tand te voelen. Staal gaf hierbij toe dat hij de vloek had uitgesproken in de volle overtuiging dat deze uit zou komen. Maar, zoals gezegd, dat is op zichzelf niet strafbaar. Het was uitermate raadselachtig.


“Ik ben zeer benieuwd naar deze intrigerende, raadselachtige man,” zei Bistpelz, “kunt u iets meer vertellen over uw ontmoeting met hem?”

“Dat was een curieuze ervaring,” zei Van der Chaech, “ik weet nog steeds niet goed wat er van te denken.” Hij was naar het kasteel in Gaasterland gegaan, om met Staal te spreken, en vooral om te kijken of deze iets achter hield, hoewel hij geen idee had wat dat zou kunnen zijn. Óf hij had Donkerd daadwerkelijk te grazen genomen, óf het hele vervloekingsverhaal was één groot theater geweest. Een dergelijk oordeel is lastig als je iemand niet in de ogen kunt kijken

Van der Chaech beschreef hoe hij was binnengelaten door een bediende in een zwart en grijs gestreept vest, die zich voorstelde als de ‘Kamerling van de Kasteelheer’. Hij werd verzocht in de bibliotheek te wachten tot Staal hem kon ontvangen. De bibliotheek was een surrealistische ruimte, met diverse antieke wetenschappelijke instrumenten, klokken, muziekinstrumenten en opgezette dieren, waaronder een zebra. Ook viel hem een boekenwand op waarin een groot aantal identieke zwartlederen bundels stonden, allen voorzien van een Romeins cijfer in gouddruk op de rug. Hij constateerde dat de nummering eindigde bij het getal CCLXXIII. Hij pakte het eerste boek van de plank en zag dat het een uitgave was van een bundel met ‘Alle Verhalen’ van Ate Harvel Staal. Toen hij het boek opende zag hij echter tot zijn verbazing dat er maar één verhaal in de index stond: ‘Alle Verhalen’. Hij sloeg de pagina om en wilde net het verhaal gaan lezen toen de kasteelheer de bibliotheek binnen kwam. Hij legde het boek terug in de kast.

“‘U mag de bundel wel lezen hoor,’ zei Staal, ‘maar ik leen hem niet uit. U zult het hier moeten lezen.’
 ‘Dank u,’ antwoordde ik, ‘misschien een andere keer. Ik zou graag met u van gedachten willen wisselen over het vreselijke voorval van de man die uw zoon heeft aangereden en die u vervloekt heeft in de rechtbank. Een mysterieze zaak omdat de vervloeking kennelijk is uitgekomen. Die man, Donkerd, is ervan overtuigd dat u bij zijn huis was toen het tragische ongeluk gebeurde.’”

Van der Chaech beschreef verder hoe ze daarna aan een tafel in de bibliotheek plaats namen. “Hij blonk uit in nietszeggendheid.”

“Hij gaf dus niet toe dat hij bij Donkerd thuis was geweest,” vroeg Bistpelz.

“Nee, totaal niet,” antwoordde Van der Chaech.

Uit het vervolg van Van der Chaechs relaas begreep Bistpelz dat deze niet veel wijzer was geworden, Staal had op alle vragen een afdoend antwoord. Hoe kon hij nu bij Donkerd thuis zijn geweest, zonder dat hij kon zien? Hoe kon hij weten dat zijn dochter achter diens auto aan het spelen was? Kortom, Van der Chaech had geen poot om op te staan, mocht hij Staal officieel tot verdachte willen bombarderen. Maar er bleven van die kleine details door zijn hoofd spoken. De man die gesignaleerd was in een zwart en grijs gestreept colbert, bijvoorbeeld. Het vest van de kamerling van Staal zag er precies zo uit, dat was Van der Chaech meteen opgevallen toen de man hem opendeed bij het kasteel. Dat maakte de kamerling uiteraard verdacht, wellicht had hij in opdracht van zijn kasteelheer de dood van het meisje geënsceneerd. Maar die theorie kon al snel in de prullenmand, de kamerling had een waterdicht alibi, hij zat op de dag en het uur van de aanrijding in de stoel van zijn coiffeur in Stavoren. Ook de getuige die de man met het gestreepte colbert had gezien, herkende de kamerling niet, de man was ongeveer een kop groter geweest. Dat paste weer wel bij Staal zelf, die had wel de juiste lengte. Maar ook hij had een alibi, alleen niet waterdicht, hij was alleen thuis geweest in zijn kasteel. Daar had hij getelefoneerd met zijn kamerling die toen bij de kapper zat. De kamerling had hem vanuit de kapperszaak gebeld.

“Hebt u die bundel ooit nog gelezen?” vroeg Bitspelz. “Ik ben er nieuwsgierig naar, waarom weet ik niet. Intuïtie denk ik.”

“Nee, ik heb daar eerlijk gezegd nooit meer aan gedacht. Maar nu u het zegt, een bundel die bestaat uit één verhaal is wel merkwaardig. Zou u die bundel misschien willen inzien? Ik kan wel een ontmoeting met Staal voor u regelen.”

Bistpelz antwoordde dat hij graag op die uitnodiging wilde ingaan. Hij had geen idee wat hij in die bundel zou aantreffen, maar hij wist wel dat er aan zijn intuïtie niets mankeerde. Als Staal verantwoordelijk was voor de dood van het meisje, via een vervloeking of anderszins, dan zou hij dit de wereld willen laten weten, hij wilde publieke genoegdoening. Aan de andere kant wilde hij hier niet voor vervolgd worden. Dat was een dilemma. Misschien zou die bundel hier iets over duidelijk maken.


Drie dagen na zijn gesprek met Van der Chaech meldde Bistpelz zich bij de hoofdingang van het kasteel van Staal. De kamerling deed open, in het kostuum dat Van der Chaech zo treffend beschreven had. Ook hij werd de bibliotheek binnengeloodst, waar Staal al op hem zat te wachten. Hij liet de kamerling koffie met gebak serveren, en toen deze de bibliotheek had verlaten vroeg Staal hem waarom hij de bundel met ‘Alle Verhalen’ wilde inzien. Bistpelz had zich uiteraard op deze vraag voorbereid, hij wilde zich niet in de kaart laten kijken. Hij vertelde de kasteelheer dat hij publicist was, en dat hij geïnteresseerd was in opmerkelijke teksten. Van der Chaech had hem over de bundel verteld. “Waar kent u de inspecteur van?” vroeg Staal. 

Ook deze vraag had Bistpelz zien aankomen. “Van een zaak die ik met hem besproken heb, een cold case uit de omgeving van Regensburg. Een bevriende inspecteur uit die stad had hem ooit ontmoet, en hij raadde mij aan om hem op te zoeken, ik ben bezig aan een bundel over cold cases. Van der Chaech vertelde mij over de tragische ongelukken waar u bij betrokken bent geraakt.” Bistpelz besefte dat hij zich op glad ijs begaf, maar wist niet hoe dit te voorkomen.

“En wat denkt u over die vloek die ik in de rechtszaal heb uitgesproken?” De kasteelheer wond er geen doekjes om.

“Eerlijk gezegd heb ik geen idee wat ik ervan moet vinden,” antwoordde Bistpelz. “Ik heb geen talent voor occulte zaken, en ik meen dat toeval weldegelijk bestaat. Maar ik ben wel benieuwd naar uw opvatting hierover. Uiteraard behandel ik dit volledig vertrouwelijk.”

Bistpelz kon met geen mogelijkheid iets afleiden uit de lichaamstaal van de kasteelheer, de zwarte glazen van diens zonnebril deden hem denken aan de kille ogen van een slang. Hij proefde een naargeestige, bedreigende sfeer. Of het kwam door de sinistere ruimte waar hij zich in bevond, de wetenschap van de lege oogkassen, of het ijzige stemgeluid van Staal, dat wist hij niet.

“Goed,” zei Staal, “u krijgt één uur de tijd om de bundel te bestuderen. U mag er niets uit citeren, uw aantekeningenblok en schrijfgerei dient u af te geven aan mijn kamerling.” Nadat hij vertrokken was kwam de kamerling zijn schrijfspullen innemen.

Bistpelz stond voor de boekenwand, en pakte het eerste exemplaar van de bundel. Hij sloeg het open en begon te lezen.

Het verhaal besloeg precies één pagina, die overigens genummerd was met het cijfer 1. Hij sloeg de pagina om, en las daar tot zijn verbazing precies hetzelfde verhaal. Even dacht Bistpelz dat hij in een of andere surrealistische droom was aanbeland, de beschrijving van de ik-figuur leek op hemzelf te slaan. Hoe was dit mogelijk? En waarom de herhaling op pagina 2? Hij sloeg weer een bladzijde om, en zag daar, niet meer tot zijn verbazing, wederom hetzelfde verhaal. Letterlijk hetzelfde. Hij bladerde verder door het boek tot aan de laatste bladzijde, deze had het pagina nummer 273, met daarop weer exact datzelfde verhaal.
 Hij legde het boek terug in de kast en pakte het volgende deel eruit. De paginanummering begon weer bij 1. Het verhaal was weer precies gelijk aan dat van het vorige boek. Hij bladerde vluchtig verder, en elke keer bestond een pagina uit het bekende verhaal. Ook de volgende twee delen bleken een volledig herhaling van het eerste exemplaar, en steeds weer eindigden de boeken op pagina 273.
Hij legde het boek weer terug, en draaide zich om. Hij bekeek de ruimte, alsof zich daar de oplossing van het raadsel van deze merkwaardige bundel zou bevinden. Maar de zebra hield zijn kaken op elkaar, de xylofoon en het clavichord baadden in stilte, het quartzhorloge gaf wel de juiste tijd aan, maar eveneens zonder geluid te maken.

Hij liep naar het volgende schap, en greep op goed geluk een exemplaar van de legger. Deel XXII vermeldde de rug van het boek. Op de eerste pagina zag hij weer het bekende verhaal. Hij bladerde verder, tot pagina 21. Hij verstijfde.

Wat was hier in vredesnaam aan de hand? Zijn oog was gevallen op een zin vlak voor het einde, in de zin die in de vorige versies volledig regulier gedrukt was, waren opeens twee woorden vet gedrukt, de onderbreking door het vetgedrukte was opvallend: ‘dertien maanden’ stond er nu. ‘niets uit deze uitgave mag worden dertien maanden anderszins vermenigvuldigd.’ Een merkwaardige zin, Bistpelz begreep er niets van. ‘Dertien maanden’, wat betekende dit? Het leek te verzijzen naar de vloek, die voorspelde immers dat deze uit zou komen na dat aantal maanden. Dat kon geen toeval zijn! Hij had een spoor! Hij begon de tekst zorgvuldig opnieuw te lezen, en merkte dat er nog meer plekken waren die niet strookten met de oorspronkelijke versie van het verhaal. Meteen in de eerste zin stond er ‘… met een zilvergrijze was…’, en even verder ‘doorgereden yoga-oefeningen’. Hij moest weer bij het begin van de bundel beginnen, mogelijk waren er al eerder veranderingen in de tekst aangebracht. Hij begon weer bij het eerste deel, en bladerde dit zorgvuldig door, maar hij kon geen veranderingen in de tekst ontdekken. Hij pakte deel XXII er weer bij, en nu zag hij pas dat alleen pagina 21 een andere tekst had, alle overige pagina’s bevatten het oorspronkelijke verhaal. Hij pakte het tweede deel, en vergeleek pagina voor pagina secuur alle verhalen. Opeens zag hij het, een minieme variatie op pagina 229, hij had er eerst overheen gelezen. Drie zinnen voor het einde stond er op deze pagina ‘Wel stond er aan het einde richting de pagina…’, terwijl in de oorspronkelijke versie het woord ‘van’ stond, in plaats van ‘richting’.
Bistpelz wierp een snelle blik op het quartzhorloge en zag dat hij nog ruim een half uur de tijd had. Hij pakte deel drie uit de boekenwand en bladerde het zorgvuldig door. Op pagina 83 vond hij het veranderde woord, in plaats van ‘camera’ (van ‘camera obscura’) stond er nu ‘verklaring’. Het veranderde woord van het vorige deel (‘richting’) stond er eveneens. Hij begreep nu een deel de logica die achter de veranderingen verborgen lag. In deel IV vond hij het woord ‘rechter’ op pagina 171, dit woord verving het oorspronkelijke woord ‘kast’. De vorige twee woorden, ‘verklaring’ en ‘richting’ bleven onveranderd op hun plek.

Hij nam deel XXII mee naar de tafel, las pagina 21 nog een keer zorgvuldig door, en dacht na. Hij vergeleek deze versie met de oorspronkelijke tekst, en wat hij al vermoed had bleek gegrond: er waren precies 21 woorden veranderd in deze tekst. Voor de zekerheid pakt hij deel XXI erbij, en hij zag dat het woord ‘was’ in deze versie nog het oorspronkelijke woord ‘bies’ vermeldde. In het volgende deel, XXII, was dit dus het nieuwe woord, alle andere veranderingen waren in de delen ervoor aangebracht. De vraag waar hij nu voor stond was wat het paginanummer te maken had met de veranderingen.

Opeens zag hij het: het paginanummer kwam overeen met het nummer van het woord. Het woord ‘bies’ dat vervangen was door het woord ‘was’, was het 21ste woord uit de tekst. Hij controleerde dit met de andere woorden, en overal klopte zijn theorie. Het woord ‘rechter’ dat het woord ‘kast’ verving was inderdaad het 171ste woord van de tekst. Vandaar het paginanummer 171.

Hij keek op het horloge, hij had nog 21 minuten. Wat had hij tot nu toe gevonden, vroeg hij zich af. 

Ten eerste: in elk van de 273 delen was er één verhaal waarin een woord werd veranderd, de veranderingen waren blijvend.

Ten tweede: het veranderde woord werd geïntroduceerd op de pagina met hetzelfde nummer als het woordaantal tot en met dit woord.

Ten derde: het aantal woorden van elk verhaal was exact 273. Dit verklaarde het aantal delen dat de hele serie besloeg.

Hij dacht nog even na over zijn derde punt, en opeens zag hij dat er iets niet klopte. In het eerste deel van de serie had hij geen enkele verandering gevonden, de eerste verandering begon pas in het tweede deel. In deel XXII werd het 21ste woord aangepast, en niet het 22ste. Maar dit betekende dat in deel 273 er 272 woorden zouden zijn vervangen, dus één minder dan het totale aantal. Één woord zou dan dus onveranderd blijven. Hij moest nu snel dat ene woord vinden, want Staal had precies geweten wat hij deed, en zou daar dus een reden voor gehad moeten hebben.

Hij pakte het laatste deel uit de boekenwand, het exemplaar genummerd met het Romeinse cijfer ‘CCLXXIII’. Hij sloeg het open, en vond op pagina 116 de afwijkende versie, het nieuwe woord dat veranderd was bleek het woord ‘Romeinse’ te zijn, het was vervangen door ‘Rechtszaal’. Het stond ongeveer in het midden van de tekst, in de zin die nu als volgt luidde: ‘In de rechtszaal verscheen een man, de vader van het slachtoffer. Hij droeg een donkerbruin habijt met de kap om zijn hoofd.”

Bistpelz staarde een volle minuut naar de tekst, op één woord na was de hele tekst veranderd ten opzichte van het continu herhaalde origineel. Het was een boodschap, daar viel niet aan te twijfelen, maar wat was die boodschap precies? Hij begreep dat hij dat ene, onveranderde woord moest vinden. Hij pluisde de tekst woord voor woord na, door hem te vergelijken met de oorspronkelijke versie, en met nog drie minuten op de klok vond hij het, het onveranderde woord was ‘gehypnotiseerd’, enkele zinnen voor het einde van het verhaal. In de oorspronkelijke versie stond daar het volgende: ‘Ik opende het en merkte tot mijn verbazing dat de inhoudsopgave slechts één verhaal bevatte, met als titel Alle Verhalen; gehypnotiseerd bleef ik staren.’ In de nieuwe versie stond er: ‘Toen de man zijn zonnebril afdeed keek iedereen in de rechtszaal hem als gehypnotiseerd aan, op de plek van de ogen waren twee lege oogkassen te zien.’ Dit was kennelijk het kernwoord voor Staal. Bistpelz begreep onmiddellijk de consequentie daarvan.

De kamerling kwam de bibliotheek binnen. “Ik moet u vriendelijk verzoeken het bezoek te beëindigen, uw tijd is om.” Bistpelz vertrok.

Weer terug in zijn hotel belde hij Van der Chaech om een afspraak te maken. Hij zei dat de vloek van Staal geen echte vloek was in occulte zin, en dat hij de man verantwoordelijk achtte voor de dood van het meisje.

De volgende dag zat Bistpelz met de inspecteur in diens kantoor. Bistpelz legde uit wat hij had ontdekt in de verhalenbundel, en dat in die omvangrijke tekst een expliciete bekentenis verstopt zat. Of die bekentenis ook juridische betekenis had wist hij niet.

Het instrument van Staal was een combinatie geweest van schuldgevoel van Donkerd, en van hypnose. Donkerd moet Staal daadwerkelijk gezien hebben in de achteruitkijkspiegel van zijn auto, waarbij de kasteelheer ongetwijfeld zijn zonnebril had afgedaan en Donker in de twee zwarte gaten moet hebben gekeken, waardoor hij zo van slag moet zijn geweest, dat hij op het gaspedaal had gedrukt, in plaats van op de rem te trappen, met de tragische aanrijding als gevolg. Het was uiteraard speculatief, dat besefte Bistpelz ook wel, maar het was de enige verklaring die hout sneed. Er bleven genoeg vragen over. Bijvoorbeeld hoe had Staal kunnen weten dat het dochtertje precies op die dag, dertien maanden na de rechtszaak van Donker, achter de auto van haar vader aan het spelen was. En hoe had Staal, als blinde, überhaupt het huis van Donker kunnen vinden? Had hij hulp gehad van iemand anders dan de kamerling? Had hij het huis in de dagen ervoor ook al bezocht? Of was er toch een occulte kracht aan het werk geweest? Van der Chaech vond de theorie van Bistpelz intrigerend genoeg om nog wat nader onderzoek te doen.

Twee weken later belde de inspecteur met Bistpelz, deze was weer thuis. Hij vertelde Bistpelz dat er inderdaad een man enkele dagen eerder bij het huis van Donker was gesignaleerd; deze man voldeed aan de beschrijving van die man met het zwart-grijs gestreepte colbert. Anders dan op de dag van het ongeluk was die dag wel opgemerkt dat hij daar met een taxi werd afgezet, en later weer opgehaald. De Officier van Justitie meende dat dit alles te weinig was voor een rechtszaak.

Naschrift

Van der Chaech belde mij jaren later op, ik had hem eerder ontmoet in verband met een andere kwestie, waarover ik ook geschreven heb — een langere tekst, getiteld ‘De Smaakmeester’. Hij was toen werkzaam in Groningen, kennelijk was hij overgeplaatst naar Leeuwarden.

Hij vroeg of ik Bistpelz kende, wat ik in zoverre bevestigde, dat ik wel schriftelijk contact met hem had gehad, maar nooit een persoonlijke ontmoeting. Toen vertelde hij mij het hele verhaal over de ‘Zaak van de Vervloekte’. Hij vroeg of ik er een verhaal over wilde schrijven, zodat de waarheid nog op enigszins publiek zou worden. Er was ook nog een staartje.

Toen Bistpelz hem verteld had over zijn conclusies over de verhalenbundel van Staal, ging hij uiteraard na of daar strafrechterlijke consequenties aan verbonden konden worden. De officier van Justitie oordeelde negatief. Niet lang na het bezoek van Bitpelz aan Staal, kwam deze om het leven door wat ogenschijnlijk een ongeval leek te zijn: hij viel van een perron en kwam onder een passerende trein terecht. Het was onduidelijk of Staal met opzet was gevallen, er werd geen afscheidbrief gevonden. Maar wel iets anders, wat Van der Chaech aan het twijfelen bracht. Als onderdeel van het onderzoek naar de onverwachte dood van Staal, bezocht hij het kasteel, ondermeer om de kamerling te horen. Hij bekeek ook de bibliotheek, en vooral de serie van de verhalenbundel. Die had hij bij zijn eerste bezoek niet grondig kunnen bekijken. Hij sloeg het laatste exemplaar open, en bladerde onwillekeurig naar de laatste pagina. Er bleek een extra pagina, met nummer 274. Het bevatte een nieuwe verhaalversie, het woord ‘gehypnotiseerd’ bleek veranderd in ‘verantwoordelijke’.

— J. Chr. de Vries, Den Haag, 19 februari 2015