Alter Ego

parabels

Alter Ego

J. Chr. de Vries

Het duurde ongeveer tien maanden voordat Hedy Pogélosç en ik weer met elkaar konden afspreken. Elke keer wanneer we het probeerden mislukte dat, omdat of zij in Nederland was, of ik. Maar op 14 februari 2025 troffen we elkaar. Zij was tijdens de voorjaarsvakantie in haar huis in Paunat. Omdat deze tijd van het jaar de meeste restaurants gesloten zijn waren we aangewezen op een diner op deze Valentijnsdag. We hadden zeker geen romantische intenties, maar het restaurant, Les Gourmandises des Saison, was speciaal op deze avond geopend. Toen wij rond acht uur het restaurant binnenliepen waren alle twaalf de tafels bezet. Ik had voor de zekerheid gereserveerd. Onze laatste ontmoeting had een licht vlindergevoel in mijn buik achtergelaten. Kennelijk waren er nog enkele losse eindjes.*)

*) Zie ook De Vinder en De Ziener.

“Waarom zijn we indertijd uit elkaar gegaan? Er zit een gat in mijn geheugen. Een gevoelig gat, als ik eerlijk ben.”

“Nou ja, waarom zijn we er indertijd eigenlijk aan begonnen?” riposteerde Hedy, nadat ze een slok van haar Kir had genomen.

“Aan verliefdheid begin je niet, die overkomt je, het is eigenlijk een soort roeping.”

“Goddelijke waanzin, noemde Socrates dat ooit, manikē.”

“Ah, je kent je klassiekers,” zei ik.

“Plato en Kuifje, veel meer heb ik niet nodig.” Ze stak haar tong uit.

Pange lingua, bezing de tong,” zei ik met het vroomste gezicht dat ik in huis had. “Overigens…” vervolgde ik, maar nu met mijn meest wetenschappelijke gezicht, “Socrates voegde er in dit verband nog een smalende opmerking aan toe, door te zeggen dat zijn tijdgenoten uit onkunde een ’t’ aan het woord hadden toegevoegd: ‘mantikē’, wat zoiets als de ‘kunst van het waarzeggen’ betekent.”

“Nou ja, daar zit iets in,” vond Hedy, “het maniakale orakelt in zekere zin.”

De vrouwelijke bediende serveerde intussen onze amuses.

Ik nam een slok van mijn witte wijn, “getver, tanine!” Ik zette het glas snel terug op tafel, wenkte de bediende en vroeg of ze ook een andere witte wijn had zonder die smaak. Ze kwam terug met een alternatief. Een Pinot Gris, jammer genoeg hadden ze geen Sauvignon. Op de vragende blik van Hedy zei ik dat ik sinds een jaar of vijftien geen tanine meer verdraag. Die zit in bijna alle rode wijnen, maar in de witte wijnen is dat gelukkig zeldzaam.

“Misschien is het daarom dat je mij niet meer verdroeg,” smaalde Hedy, “ik ben vergeven van de tanine.” Weer die tong.

“Gaan we tongen?”

“Ik dacht het niet!”

“Ik ben bezig aan een verhaal waarin ik dit raadsel aan het uitwerken ben.”

“Dat verhaal gaat toch hopelijk niet over mij,” vroeg ze bezorgd, “daar zit ik niet op te wachten.” Ze leek boos.

“Jaja, rustig maar,” probeerde ik haar gerust te stellen. “Iemand vertelde mij ooit een mooie anecdote over Maurice Ravel. Die had een vriend op bezoek in zijn huis in Montfort-l’Amaury, net buiten Parijs. Ravel liet hem trots zijn verzameling Chinees porcelein zien. ‘Allemaal namaak,’ zei hij triomfantelijk. Kunst is fictie hè. Jouw en mijn naam zullen niet genoemd worden, ik gebruik alter ego’s.”

“Oh, je schrijft kunst, dat is een hele geruststelling.” Ze keek nog steeds boos. “Ik wil het lezen voordat je publiceert.”

“Ik zal je dadelijk erover vertellen, en of ik het publiceer weet ik nog niet. Maar daar ga jij niet over.”

— § —

I — Goddelijke Waanzin

Ik wachtte tot het voorgerecht was geserveerd voordat ik begon haar over het verhaal te vertellen. Het verhaal heet ‘Goddelijke Waanzin’.

“De hoofdpersoon heet Leo Tragther, hij vertelt het verhaal over zijn geliefde Beatriz Firel, en dat doet hij in de ik-vorm.”

“Beatriz?! Werkelijk?” Hedy keek mij sarcastisch aan.

“Ik kon het niet laten.” Ik grijnsde.

Hedy schudde haar hoofd. “Vertel maar verder.”

“Leo en Beatriz ontmoetten elkaar op een gemaskerd bal dat door Leo’s vriend Stefan werd gegeven op diens kasteel ergens op de Veluwe. Stefan was van adelijke afkomst, een jonkheer. Het kasteel had hij geërfd, maar zonder het bijbehorende fortuin, waardoor het kasteel in de loop der jaren danig in verval was geraakt. Maar dit deerde hem niet, hij leefde met de dag.

“Leo en Beatriz raakten in gesprek, het was liefde op het eerste gezicht, zoals dan gezegd wordt, maar hoe dit precies in elkaar stak begreep Leo niet. Hij kon immers haar gezicht niet zien, en had evenmin een goede kijk op haar ogen, haar masker maakte dit onmogelijk. Wel was haar mond goed zichtbaar, hij staarde onafgebroken en volledig betoverd naar het ritme van haar volle lippen als zij sprak. Haar stem had een diepe klank, hij duizelde bij elk woord dat eraan ontsnapte. Maar ook Beatriz kon haar ogen niet van hem afhouden, hoewel zij zijn gezicht evenmin kon zien, ook alleen zijn mond.

“Ze voerden een lang gesprek, hadden geen enkele aandacht voor de overige gasten van het feest, en vergaten zelfs hun dranken aan te vullen. Ze hadden genoeg aan elkaars stemgeluid, en, zo mogen we toch hopen, aan de inhoud van hun verhalen.

“Stefan zag het allemaal gebeuren, hij liep af en toe op hen af, maar de beide tortelduiven keurden hem geen blik waardig. Dat zinde hem niet, hij liep naar de muziekinstallatie en zette de volumeknop hoger. De andere gasten vonden dat prachtig, en begonnen steeds wilder te dansen, maar Stefan zag dat het verliefde stelletje daar niet van slag van raakte, ze hielden alleen hun hoofden dichter bij elkaar om de ander te blijven verstaan. Hij zette de muziek van de weeromstuit weer zachter.

“Leo wilde zijn masker afzetten, hij zei: ‘Ik wil je eindelijk in de ogen kunnen kijken.’ Maar Beatriz legde haar hand op zijn arm, ‘Nee, als wij onze maskers afdoen is de magie verdwenen.’ Haar stem klonk dwingend, Leo durfde er niet tegenin te gaan. Beatriz voelde Leo’s onzekerheid, ze hield haar hand op zijn arm, en probeerde hem gerust te stellen. ‘Laten we geduld hebben, laten we wat we nu hebben koesteren, de tijd is aan ons.’ Ze stond op en zei dat ze meer drank ging halen. Dit was het moment waarop Stefan zijn kans schoon zag. Hij liep snel naar Leo en ging naast hem zitten. ‘Ze wil haar masker niet afdoen,’ zei hij. Zijn stem klonk begripvol. ‘Dat begrijp ik wel, ze heeft een goede reden haar gezicht verborgen te houden.’ Beatriz kwam terug met een fles wijn. Stefan stond op en wuifde hen gedag. ‘Wat wilde die van je,’ vroeg Beatriz. ‘Oh, niets van belang,’ antwoordde Leo. Beatriz vulde hun glazen. Ze bleven een tijdje zwijgend tegenover elkaar zitten, slurpend aan hun glazen. ‘Kom op,’ zei Beatriz monter, ‘laten we de draad weer oppakken.’

“Geleidelijk aan raakten ze weer in de ban van elkaar. Leo had er vrede mee dat ze hun maskers op moesten houden, hoewel het laatste zinnetje van Stefan hem nog een tijdje dwars zat. Wat was die ‘goede reden’ waarop hij doelde? Maar door de gepassioneerde uitwisseling van gedachten, ideeën, grappen en fantasieën, en wellicht wat glazen wijn, was hij Stefan’s toespeling vergeten.

“Nadat de fles soldaat was gemaakt meende Leo dat het zijn beurt was om een nieuwe te halen. Bij de bar schoot Stefan hem aan. ‘Wil je niet weten waarom ze haar masker wil ophouden?’ vroeg hij. Leo aarzelde, eigenlijk wilde hij dat niet weten, maar het begon toch te knagen. Stefan zag het en vertelde prompverloren dat ze een vreselijk litteken had op haar gezicht vanwege een ernstig auto-ongeluk. Leo kromp ineen. ‘Misschien moet je toch eerst even kijken,’ voegde Stefan er nog aan toe. Daarna liep hij weg. Leo raakte bevangen door twijfels. Wat te doen? Toen besloot hij iets te doen waar hij zijn levenlang spijt van zou houden. Hij liep met de nieuwe fles wijn terug naar het tafeltje waar Beatriz zat, deed of hij struikelde, greep het masker van Beatriz en liet zich vallen. Er was helemaal geen litteken, hij was verbijsterd door de schoonheid van haar gelaat, hij verdronk in haar ogen. Maar niet voor lang. Beatriz stond op en liep weg zonder een woord te zeggen, Leo in een vlaag van wanhoop achterlatend. Hij keek naar de bar waar Stefan met een onschuldige grijns naar hem keek. Leo stoof op hem af en greep hem beet. ‘Het was maar een grapje,’ zei Stefan.”

Hedy keek hem meewarig aan. “Is dat jouw analyse van onze relatie?” vroeg ze.

“Nee, natuurlijk niet, het is een allegorie.”

“Dat snap ik ook wel, maar in hoeverre raakt dit aan wat zich tussen ons heeft afgespeeld? Wat is de diepere betekenis van die maskers, waarom moet er iets verborgen blijven? En de verwijzing naar Eros en Psyche begrijp ik ook wel, alleen heb je de rollen omgedraaid, ik ben kennelijk Eros, en jij Psyche. Wel heel modern!” Ze liet haar tong binnenboord.

“Die maskers zijn er niet om iets te verbergen, maar juist om iets aan te tonen,” legde ik uit. “En dat is de metafoor van wat er tussen ons wellicht is misgegaan. Als dat laatste woord tenminste van toepassing is. Althans voor jou — voor mij wel. Denk ik. Jemig, weet ik veel. Goddelijke waanzin is nooit een blijvertje. Misschien wisten we niet beter.”

“Die maskers tonen dus de aftocht van de Goden,” zei Hedy peinzend. “Hmm, ik weet het niet. Zou kunnen. Maar, dit verhaal van jou doet mij aan iets anders denken, aan een vreemde toevalligheid trouwens. Ik heb ook een verhaal voor je.”

Intussen werd het servies van het voorgerecht weggenomen door de bediende, maar het bestek moesten we houden. ‘Vreemd,’ vond Hedy. Ik legde uit dat dit in sommige restaurants gebruikelijk was, maar ik was het met haar eens, ik had liever ook nieuw bestek voor de volgende gang. Ik veegde mijn bestek schoon met een papieren zakdoekje. Hedy volgde met een zucht mijn voorbeeld.

Nadat enkele minuten later het hoofdgerecht was geserveerd en onze glazen weer waren gevuld, stak Hedy van wal met haar verhaal.

— § —

II — Het Onaanraakbare

“Tijdens een van de zeldzame keren dat ik de markt in Saint-Cyprien bezocht ontmoette ik de Vlaamse schrijfster Vere Drijsch. Zij zat achter een tafeltje met enkele stapels boeken. Op mijn vraag ‘Zijn deze boeken van uw hand, bent u de schrijfster?’ keek ze mij vuil aan, en bitste: ‘Schrijver, zult u bedoelen!’ Ik hief mijn handen verontschuldigend op, waarna ze kortaf vervolgde ‘Schrijver is een functie, en dat verdraagt geen gender-aanduiding.’ Ik bladerde door enkele van de tentoongestelde boeken en zag dat de meeste daarvan psychologische verhalenbundels betroffen, maar er bevonden zich ook enkele romans tussen. ‘Bent u psycholoog?’ vroeg ik, ervan uitgaande dat dit ook een functie betrof. Ze knikte kort met een meewarige blik. Het was niet bepaald liefde op het eerste gezicht.

“Toen ik een halfuurtje later weer langs haar tafel liep, vroeg ik of ik haar een glas te drinken kon aanbieden, ‘om het goed te maken’. Ze ontdooide zowaar, en we spraken af elkaar een uur later te treffen op een terras van een café verderop in de straat. Ik had net een tafeltje uitgezocht naast een fontein, toen ze aan kwam lopen.

“We bestelden allebei een espresso en een glas mineraalwater. ‘Ook vrouwen kunnen zich kennelijk bezondigen aan mansplaining,’ begon ik als verontschuldiging.

“Dat viel niet in goede aarde. ‘Hoe bedoelt u, dat ik u terechtwijs over de al dan niet vrouwelijk vorm van een functie?’ Dat bedoelde ik uiteraard helemaal niet, probeerde ik haar uit te leggen, maar ik vreesde een moeizaam gesprek, en had meteen al spijt van mijn voorstel. Ik was daar voor mijn rust, en niet voor het uitoefenen van mijn beroep.

“Gelukkig trok ze daarna bij, en na een tijdje hadden we zowaar een echt gesprek. Toen ze eenmaal begreep dat ik psychotherapeut was, hadden we een klik. Ze vertelde dat ze haar verhalen en romans gebruikte om via de fictie meer inzicht in de psyche van de mens te krijgen. En zo kom ik op die toevalligheid waar ik het net over had.

“Zij heeft namelijk een verhaal geschreven dat raakvlakken heeft met dat van jou — meer dan raakvlakken, moet ik zeggen, er zijn bepaalde overeenkomsten die ieder toeval tarten. Zo is er de naam van de hoofdpersoon, Theo Terlage, die erg lijkt op die Leo van jou. Ook hij had een liefdeservaring die spaak liep. Theo had Elvira Brieze ontmoet op een strand bij Knokke, beter gezegd, in de zee. Theo had net een duik in een hoge golf genomen, toen hij weer boven water kwam keek hij in de spiegelende zonnebril van een prachtige vrouw die naast hem eveneens uit de golf tevoorschijn was gekomen. Haar bril zat met een koord strak om haar hoofd gebonden. Terwijl hij zich verbaasd afvroeg waarom iemand met een bril op de golven in dook, zag hij haar richting het strand waden. Gebiologeerd volgde hij haar. Haar spullen bleken slechts enkele meters van die van hem vandaan te liggen. Nadat hij zich had afgedroogd liep hij op haar af en stelde zich voor.

“Ook in dit verhaal raken beide jongelui smoorverliefd, ze praten aan een stuk door, de tijd lijkt stil te staan, alsof Athena hen begunstigt door de zonnewagen Helios in vertraagde voortgang te laten bewegen. Maar ten slotte gaat de zonnewagen zijns weegs.

“En ook in dit verhaal wil de jongen het meisje in de ogen kijken, via die zonnebril met metalen coating zit hij de hele tijd naar zichzelf te kijken. Maar hij is geen Narcissus, en ook geen Pygmalion, hij is Eros. Of is hij, net als in jouw verhaal, Psyche? Op een gegeven moment houdt hij het niet meer, hij vraagt of Elvira haar bril af wil doen, de zon gaat immers onder, en hij wil haar graag recht in de ogen kunnen kijken. Maar Elvira weigert haar bril af te doen, zelfs als de zon is verdwenen. ‘Vraag dit nooit meer,’ zegt ze onverbiddelijk.

“Je begrijpt het al: in dit verhaal verzint de jongen eveneens een list om via een zogenaamd ongelukje haar bril van haar hoofd te doen, en ook hier vertrekt het meisje resoluut, zonder nog een woord te zeggen, Theo in verbijstering achterlatend.

“De reden dat zij haar bril niet af wilde nemen, is van andere aard dan die van de maskers uit jouw verhaal. Het bleek namelijk dat Elvira blind was. Zij wilde niet dat Theo zou merken dat ze elkaar nooit zouden zien.”

“Dat lijkt toch op Pygmalion,” zei ik, “Elvira was net als Galatea onaanraakbaar, maar dan via de ogen. Dat is vergelijkbaar.”

“In beide gevallen wordt de betovering verbroken, Kairos is kennelijk een instabiele staat,” zei Hedy. “Hoewel,” verbeterde zij zichzelf, “misschien is ‘staat’ een onjuiste term, de tijd staat niet stil, maar beweegt in een soort uiterste vertraging. De tijd komt tot stilstand.”

De bediende kwam om ons servies af te ruimen. Tijd voor het dessert: Crème Brûlée voor Hedy, en fromages voor mij.

— § —

III — Het Einde van de Wereld

Nadat de Crème bij ons aan tafel in de fik was gestoken en het vuur na enige tijd doofde, stelde ik voor dat we de rest van de verhalen zouden delen. “De beide jongemannen konden zich uiteraard niet neerleggen met de plotselinge aftocht van hun geliefden. Dat drama zullen we onder ogen moeten zien. Jij eerst, of heb je liever dat ik begin?”

“Begin jij maar,” antwoordde Hedy, “dan gaan we om de beurt, een soort estafette.” Ze nam een hap van haar Crème.

“Zoals je zult begrijpen is zelfmoord het volgende onderdeel dat op het programma staat. Of moet ik zeggen ‘zelfdoding’ van Drijsch?”

“Als therapeut spreek ik altijd over ‘zelfdoding’, dat is de correcte term. Maar in de kroeg noem ik het ‘zelfmoord’. Volgens mij is dat onderscheid van belang, dus dat de terminologie ertoe doet, aangezien die afhankelijk is van de context,” zei Hedy.

Tans mieux.” Ik nam een slok van mijn Pino Gris en vervolgde mijn verhaal. “Leo was door de dramatische wending van zijn nog nauwelijks begonnen liefdesavontuur dermate van slag geraakt dat hij begon na te denken over de toekomst van zijn leven. Niet alleen het plotselinge vertrek van Beatriz had hem diep getroffen, maar ook die suggestieve opmerking van Stefan. Waar kwam die vandaan? En waarom was het, zoals hij had gezegd, ‘alleen maar een grapje’? Was dat echt alleen maar onhandigheid van hem, of zat er iets anders achter, iets kwaadaardigs? Leo kon er geen vat op krijgen. Zijn vermogen tot analyse, reflectie en relativering begaf het geheel, hij geraakte in een staat van apathie. Hij kon maar aan één ding denken: stoppen met alles.

“Zijn conclusie was onvermijdelijk: hij zou gaan naar het einde van de wereld, en daar stoppen met alles — met name eten en drinken, de rest zou dan vanzelf volgen. Maar dit leidde wel tot een probleem, want waar, of wat, was het ‘einde van de wereld’? De top van de Mount Everest? De Noordpool, of de Zuidpool? Of moest dit punt zich ergens op de evenaar bevinden? Hij kwam er niet uit. Er kleefden ook teveel practische bezwaren aan, de top van de Mount Everest zou hij in de staat waarin hij verkeerde nooit kunnen bereiken, en dat gold ook voor de beide Polen, veel te koud. Hij overwoog de evenaar nog een tijdje, maar opeens kreeg hij een lumineus idee: het einde van de wereld was niet een specifiek, objectief bestaand punt, het kon iedere plek zijn die hij wilde! Hij zou zelf dat punt bepalen. Met zijn laatste krachten bekeek hij op zijn laptop de kaart van de wereld, en zag in een flits de naam die het moest zijn: Timboektoe. Er was een vliegveld net buiten de stad. Hij bestelde een enkele reis en ging op weg. Vanaf het vliegveld liep hij de woestijn in. Hoever hij gelopen had wist hij niet, hij zakte opeens in elkaar, kroop in de ricthing van een zandheuvel, trok een streep in het zand, en zei: ‘Tot hier en niet verder’. Hij wikkelde een handdoek om zijn hoofd ter bescherming tegen de zon. En zo wachtte hij op de onafwendbare dood. Hij had geen idee hoe lang dit zou gaan duren, maar het maakt hem niet uit. Zonder voedsel zou het snel gedaan zijn.

“Hij had geen enkel besef van tijd meer, hij wist niet hoelang hij bij die heuvel gelegen had, maar opeens werd de lucht donker, een windvlaag kwam op uit het westen, de vlaag zwelde aan tot een storm, hij voelde hoe hij de lucht in werd geslingerd, het zand striemde in zijn gelaat, daarna verloor hij het bewustzijn. Hij kwam bij, en lag in een bed, met een infuus in zijn arm. Hij bevond zich kennelijk in een ziekenhuis. Er kwam een verpleegster op hem af, hij kon niet verstaan wat ze zei. Ook de arts die daarna bij zijn bed kwam kon hij niet verstaan. Hij voelde zich weer wegglijden in een zwarte leegte. De dagen gingen voorbij, langzamerhand kreeg hij zijn krachten weer terug. Op een dag stond er een man aan zijn bed, die zei dat hij werkzaam was op de Nederlandse ambassade in Bamako, de hoofdstad van Mali. Deze man zorgde ervoor dat hij weer terug naar Nederland werd gevlogen. Zijn huisarts liet hem gedwongen opnemen in een psychiatrische inrichting. Hij verzette zich niet tegen de voorgestelde medicatie, het maakte hem allemaal niet meer uit.”

“Gaat dit verhaal nog verder?” vroeg Hedy, “ik bedoel, komt er nog een conclusie?”

“Ik bedenk het waar je bij staat.”

“Maar je verhaal is dus niet af?”

“Nee, ik ben er nog aan bezig. Daartoe moest ik jou eerst weer zien.”

“Aha, het gaat dus toch over mij, al doe je nog zo je best je achter je artistieke besognes te verschuilen.”

Ik keek haar grijnzend aan. “Laten we een digestief bestellen, dan kunnen we jouw verhaal verder afwikkelen. Benieuwd naar de conclusie…”

— § —

IV — Het Einde van de Tijd

“Er zijn, zoals je zult verwachten, de nodige overeenkomsten tussen het verhaal van Vere en dat van jou. Maar ook verschillen.

“De conclusie bijvoorbeeld, die is anders. Of beter gezegd, die ontbreekt daar dus niet.” Ze nipte aan haar glas met cognac.

“Ook Theo zocht naar een speciale plek om zich van het leven te beroven, maar die plek ging niet over de ruimte, maar over de tijd. De manier waarop hij zijn leven wilde eindigen was gelijk aan die van Leo, stoppen met eten en drinken, maar hij wilde dit doen op een plek waar de tijd stil zou staan. Dat kon maar op één plek, te weten op de 180ste lengtegraad, daar waar de tijd een dag verspringt. Er is één plek waar dit kan, op een van de Fiji-eilanden: Taveuni. De meridiaan loopt daar dwars overheen. Hij zocht een verlaten plek aan de noordkant van het eiland, en ging daar precies op de meridiaan liggen, om, net als jouw Leo, te wachten op het einde.

“En ook in het geval van Theo grepen de natuurgoden in. Onverwachts kwam er een vloedgolf opzetten, de weerkundigen begrepen later niet waar die vandaan kwam, maar Theo werd door de golf de zee in getrokken. Hij kwam terecht in een enorme onweersbui, en werd getroffen door de bliksem. Hij werd opgepikt door de bemanning van een vissersboot, die hem naar een ziekenhuis bracht in de hoofdstad Suva. Daar bleek dat hij door de bliksem zijn gezichtsvermogen was kwijtgeraakt. Een medewerker van de Nederlandse ambassade in Wellington, Nieuw Zeeland, zorgde tenslotte voor de repatriëring naar Nederland. Daar werd hij opgenomen in het oogziekenhuis in Rotterdam.

“Hij verbleef enkele weken in het ziekenhuis, vanwege een uitgebreid onderzoek naar zijn blindheid. Uiteindelijk was de conclusie dat die definitief was. Op een dag hoorde hij een bekende stem, Elvira stond aan de rand van zijn bed. Ze vertelde hem dat ze in de krant had gelezen wat er met hem gebeurd was, hij was, zij het slechts tijdelijk, een beroemdheid geworden. Het was niet erg lastig om uit te vissen in welk ziekenhuis hij verbleef. Ze nam hem mee naar haar eigen huis, en de verliefdheid kon zich nu ontwikkelen tot een volwassen liefdesrelatie. Ze had ook een spiegelende zonnebril voor hem gekocht.”

Hedy nam nogmaals een slok van haar cognac. “Dit is een conclusie, ze waren nu immers gelijkwaardig. Eind goed al goed.”

“Tja,” zei ik, “wat je zegt…” Ik dronk mijn cognac leeg, en bestelde er nog eentje. Hedy deed wat rustiger aan.

“Je vindt het geen conclusie,” suggereerde Hedy.

“Nee, allesbehalve,” antwoordde ik, “het is een pasklaar einde van een verhaal, verder niets.”

“We vernemen niets over wat er zich tussen de beide geliefden heeft afgespeeld,” ging ik verder, “niets over wat de betekenis is van al dat gedoe met die blindheid, het geeft geen analyse, geen opvatting over verliefdheid ten opzichte van wat ik ‘volwassen liefde’ zou noemen, kortom het verschil tussen eros en wat de Grieken aanduiden met de term pragma. Dat is waar we in onze liefdesrelaties mee te maken hebben, dat is waar de romans en opera’s bol van staan. Mijn verhaal evenmin, dat geef ik toe, maar ik gaf al aan dat ik besef dat dit ontbreekt. Ik ben daar wel nieuwsgierig naar.”

— § —

V — Illusie

We hadden besloten de conversatie te verplaatsen naar mijn huis, dat op slechts drie minuten rijden van het restaurant lag. Ik stak een aantal houtblokken aan in de vuurplaats, bestaande uit een cirkel van rotsblokken. Ik had behoefte aan een sigaar, Hedy stak een cigaret op. Verder had ik een fles port opengemaakt. We zaten ieder op een stoel voorzien van drie kussens.

“Goed, wat hebben we nu uiteindelijk?” Hedy nam een trek van haar cigaret en beantwoordde vervolgens haar eigen vraag: “Verliefdheid betekent blind zijn. Dat is op zichzelf niets nieuws. Interessant aan de beide spiegelverhalen is dat de blindheid in jouw verhaal een keuze is, en in het verhaal van Drijsch een speling van de natuur. Beatriz kiest voor de blindheid, die is in haar visie noodzakkelijk om de illusie van manikē vast te houden, een manier om de tijd te manipuleren. Bij Elvira, en in tweede instantie Theo, is er geen keuze, de blindheid overkomt hen. Is er in hun geval sprake van een illusie?”

“Hoe zit het met die ‘keuze’? Is er sprake van een keuze als Beatriz bepaalt het masker te willen ophouden? En was het een — al dan niet verkeerde — keuze van Leo als hij haar het masker via een list afneemt? Misschien was hij slachtoffer van een betovering? Beatriz kiest ervoor om daarop onmiddellijk uit zijn leven te verdwijnen. Je zou dat trouw aan de illusie kunnen noemen, en tegelijkertijd verraad aan de waarheid. Het is altijd fout, de ene kant op, of de andere.”

“Tja, je bedoelt: bestaat ‘de vrije wil’?” peinsde Hedy, “is dat je uiteindelijke vraag?”

“Uit welk probleem wordt deze vraag geboren?”

“Goh, je gaat op je oude dag nog poetisch worden,” grijnsde Hedy. “Maar ik ben heus niet achterlijk, ik snap ook best dat het begrip ‘vrije wil’ geen bepalend lidwoord duldt, en dat het een complex concept is, waar heel verschillend over wordt gedacht. Ik weet ook niet of het in dit verband een relevant uitgangspunt is om de beide verhalen te vergelijken.”

“Nee, dat denk ik ook niet,” geef ik toe. “Maar er is volgens mij wel degelijk sprake van keuzes, even los van de vraag hoe vrij die zijn. Beatriz kiest voor illusie, betovering, en zij wil daar trouw aan blijven. Ik weet niet of Leo die illusie bewust wil opheffen, maar hij wil wel meer dan alleen een fantasie; hij ervaart wat er tussen hen aan het ontstaan is als een roeping. Hij wil meer dan een statische toestand. Dat is eveneens een keuze, maar een die recht tegen die van Beatriz ingaat. Dat is tragiek. De manier waarop hij zijn waarheid articuleert is natuurlijk aanvechtbaar, een stomme truc is niet de manier waarop je waarheid dient. Maar waarom zou hem dat niet vergeven kunnen worden?”

“Bedoel je dat Beatriz de functie van het masker had moeten uitleggen?” vroeg Hedy. “Dat ze er eerst stevig over hadden moeten onderhandelen? Dat zou toch het einde van die illusie betekend hebben. Je gaat de clou van een mop ook niet uitleggen. Dat is dodelijk. Hier had ze de keuze niet, Leo had de functie van het masker moeten aanvoelen — ik zeg niet eens ‘begrijpen’. Of hij had erop moeten vertrouwen dat zij daar een goede reden voor had. Verliefdheid is een spel.”

“Mee eens, daarom noem ik het ook tragisch. Onhandigheid speelt vaak een rol in dergelijke kwesties.” Ik schonk onze glazen weer vol. “Volgens mij zijn we er wat betreft mijn verhaal wel uit, het betreft een dramatische keuze tussen ‘illusie’ en ‘waarheid’, waarbij een van de beide uitgangspunten moet worden opgegeven. Maar hoe zit het met het verhaal dat jij vertelde? Was daar — ergens — sprake van een keuze? En was die keuze vergelijkbaar existentialistisch? De ‘blindheid’ was daar geen keuze, maar een opgelegd noodlot.”

“Ja, inderdaad, er is hierdoor sprake van een omkering, waar de eerste keuze, namelijk het afzien van blindheid, de liefde onmogelijk maakte, daar maakte het noodlot (in dit geval de afwezigheid van een keuze), via de opgelegde blindheid, die liefde juist mogelijk.”

Liefde maakt blind, kunnen we nu dus constateren, we hebben samen een kolossaal cliché weten te produceren. Proficiat!” Ik grijnsde even.

“Juist… ” — wederom de tong van Hedy — “voor jou was onze relatie, wat die ook voorstelt, per slot van rekening een cliché.”

“In zijn onvolprezen ‘Zelf Schrijver Worden’ houdt Gerard Reve een gepassioneerd betoog over het Cliché en de Kitsch. Het cliché, zo stelt hij, is niet, zoals gewoonlijk wordt omschreven, een ‘afgesleten’ woord of uitdrukking, het is niet ‘versleten’, doch ‘gemunt’. Kitsch en cliché gaan hand in hand, geen kunstwerk kan bestaan zonder beide stijlfiguren, de muziek van Ravel is daar het sublieme voorbeeld van. De uitspraak ‘In de lengte- en breedtegraden komen tijd en ruimte samen’ is een cliché. Je tong uitsteken is eveneens een cliché. Ons hele gesprek van vanavond staat er bol van. Is ‘illusie’ niet uiteindelijk een amalgaam van cliché en kitsch?”

Hedy kneep haar lippen even op elkaar, dacht even na, en zei: “Hmm… laten we beginnen bij die ‘illusie’. Is alles in en aan ons leven dan een illusie? Is er niets ‘echt’, of ‘waar’? Alles uitsluitend begrepen in een of andere context, die dan ook nog eens geconstrueerd is? Dat zou dan toch een gesublimeeerde vorm van armoede zijn, vind je niet?”

“Alles is een illusie, de tijdzones, zomertijd en wintertijd, de lengte- en breedtegraden, allemaal contructies die de illusie dienen,” antwoordde ik.

“Dus de Griekse denker Hipparchos, die in de tweede eeuw voor onze jaartelling dat concept formuleerde, was zelf ook een illusie?”

“Ilussies worden gestoeld op feiten. Ik zeg niet dat er geen feitelijkheden bestaan. Als we ons evenwicht verliezen dan vallen we. Maar feiten zijn op zichzelf nog niets, die krijgen betekenis door de relaties die wij eraan verbinden. ‘Illusies’ zijn constructies, met een wetenschappelijke bedoeling, of ter lering en vermaak, maar hoe dan ook verzonnen. Of, om Reve te citeren: ‘Bestaat niet ons gehele leven, die generale repetitie die nooit wordt opgevoerd, uit cliché en voor de rest uit, soms ook nog slechte, kitsch?’”

“Dan was onze relatie, welke vorm die ook gehad mag hebben, dus een ‘illusie’.”

“Ja, in zeker zin was dat zo.”

“Waarom maakt het dan uit wat die vorm was? Het was wat het was, het had een andere vorm kunnen krijgen, maar dat idee is dan eveneens een illusie.” Hedy nam een slok van haar port. “Is dit dan de finale conclusie?”

“Nee, want we kunnen toch wel iets meer zeggen over een ‘illusie’ behalve het feit benoemen dat het een constructie is.”

“Ik zeg ook niet dat een illusie vrijblijvend is, natuurlijk is er sprake van een of andere inhoud,” zei Hedy geïrriteerd.

“Ik wist toch niet dat je boos zou worden,” zei ik met een grijns.

Hedy deed er wijselijk het zwijgen toe.

“In beide verhalen is er sprake van een illusie,” zei ik in een poging het probleem samen te vatten. “In dat van mij wordt die doorbroken door Leo, met het afnemen van het masker. In het verhaal dat jij vertelde wordt de illusie door de natuur, de Goden zo je wilt, opgedrongen. De kernvraag is dus: Wat doen wij met die illusie? Je kunt hem ten goede of ten slechte gebruiken, lijkt mij. Je moet dus een beetje opletten, niet bang zijn, maar wel op je hoede. En zo zijn we dus weer terug bij mijn eerste vraag, Waarom zijn we indertijd uit elkaar gegaan?

“Als we uitgaan van wat je net concludeerde, moeten we proberen na te gaan of dat einde van die relatie een keuze was, of dat hij was afgedwongen, door die Goden van jou.” Ze dacht even na, en ging toen verder. “Ik denk, als we jouw verhaal volgen, dat ik dat masker zelf heb afgeworpen. Ik stond niet te popelen om die ‘pragmatische’ verhouding, waarvan ik vermoedde dat je die op het oog had, te ondergaan. Maskers zijn altijd tijdelijk. Misschien was ik er verslaafd aan. Niet alleen omdat ik eros aangenamer vind dan pragma, maar ook omdat ik het ervaren ervan goed kon gebruiken voor mijn vak. Of mijn ‘roeping’, zoals jij dat noemt. Niet alleen schrijvers hebben een roeping, therapeuten, artsen en bakkers ook.”

“Priemgetallen zijn ook een illusie, althans, volgens George Bruijsols, een legitieme blinde vriend van mij die hier in de buurt woont. Volgens hem zal er nooit een formule gevonden worden die het principe van die getallen kan formuleren. Dat komt omdat de reeks zichzelf opeet. Het getal 2, het eerste priemgetal, is ook het enige even getal in die reeks. Alle andere even getallen zijn er herhalingen van, alleen in veelvoud. Maar dat gelt ook voor het volgende priemgetal, de 3. En daarna voor de 5. Dit gaat tot in het oneindige door, de reeks is in die zin recursief, maar op een negatieve manier.”

“Een kannibaal dus,” concludeerde Hedy. “Fijne illusie!”

“Ja. Illusies zijn er in alle soorten en maten, creatief en destructief. En neutraal.”

Hedy keek peinzend voor zich uit. “Neutraal? Is dat mogelijk? Geef daar eens een voorbeeld van… De wet? Nou…, niet bepaald.”

We discussieerden een tijdje, opperden voorbeelden, die we steeds weer moesten verwerpen omdat er altijd wel ergens een belang aan was verbonden. ‘Water’, bijvoorbeeld, lijkt neutraal, totdat je erin dreigt te verdrinken. We neigden op een gegeven moment tot de conclusie dat een neutrale illusie niet bestaat, met als argument dat een illusie deels door onze verbeeldingskracht wordt gecreëerd. Maar toen kwam ik op de reeks van natuurlijke getallen. Die is neutraal, maar tevens een illusie; het is immers een constructie, en niet een product van de natuur. Je kunt er wel allerlei creatieve of destructieve handelingen aan verbinden, maar de reeks zelf is neutraal.

“Wat schieten we hier nu allemaal mee op?” vroeg Hedy fronsend. “Het leven is een illusie. Relaties zijn illusies. So what?

“Tja… Ik denk dat ik nu weet hoe mijn verhaal gaat aflopen,” antwoordde ik. Ik dronk mijn glas leeg, bij wijze van aanloop, en begon. “We waren gebleven bij Leo, die was opgenomen in een psychiatrische inrichting, in een staat van totale apathie. Hij had ervoor gekozen de waarheid te verkiezen boven de illusie, maar de manier waarop hij de waarheid aan de orde stelde was doortrapt. En waarheid verdraagt zich slecht met slinksheid.” — Ik zag dat Hedy wilde reageren, maar ik kapte haar af, ik wilde eerst mijn betoog afmaken. — “Ik weet wat je wilt zeggen, maar ik meen dat waarheid altijd zuiver is.”

Hedy maakte een welwillend gebaar met haar hand, en ik ging verder. “Er zijn meerdere opties denkbaar, ik zal er twee noemen. De eerste is al te toevallig, maar past wel in lijn met jouw verhaal. Beatriz blijkt als psychiatrisch verpleegkundige te werken in die inrichting waar Leo verblijft. Daar zich een of ander vervolg op hun eerste liefdeservaring laten ontwikkelen, zou een fout zijn. Dan wordt het een variant op het verhaal van Drijsch, de afgedwongen illusie. Maar wat wel zou kunnen is dat ze die slinksheid van Leo aan de orde stellen, eventueel ook die van Stefan, en dat er zo een nieuwe waarheid wordt ontdekt, namelijk een die op een zuivere wijze de illusie doorbreekt. De waarheid die Leo afdwong met een valse list, was hierdoor zelf een illusie geworden, namelijk de schijn van het ‘ware’. De bewustwording hiervan levert een nieuwe, andere waarheid op, die wel zuiver is. Ik moet toegeven dat dit wellicht een al te brave optie is, met te weinig venijn.

“Dan is er een tweede optie. Leo krabbelt geleidelijk aan weer op, omdat de medicatie goed aansloeg, hij is gaan sporten, werd fysiek sterker, en is het verhaal gaan opschrijven, waardoor hij een nieuwe roeping kreeg, hij werd schrijver. Of wie weet… hij ontdekte dat hij dat was. Hij wordt succesvol, en kan zich op enig moment een eenvoudig huisje in Frankrijk veroorloven, alwaar hij op een dag opeens oog in oog staat met Beatriz. Ze gaan uit eten en de verhalen komen los.”

Hedy schudde haar hoofd, met een flauwe glimlach. Echt geestig vond ze het niet, en dat was het natuurlijk ook niet.

“Ik heb een derde optie voor je,” zei ze nadat ze ook haar glas had leeggedronken, “de meest interessante,volgens mij.”

“Nou, laat maar horen,” zei ik welwillend.

“Goed. Met mijn optie zijn we meteen verlost van dat losse eindje met Stefan.”

Ik grijnsde. “Ik denk dat ik weet wat jouw alternatieve optie is, maar je mag hem zelf vertellen. Je vous emprie.

“Beatriz had Stefan overgehaald om dat verhaal van dat verkeersongeluk bij Leo op de mouw te spelden. Ze wilde hem onder druk zetten. Dat stelt die waarheidsvinding van hem wel op de proef, je zou kunnen zeggen dat zij hem, in ieder geval indirect, daartoe aangezet heeft. Ze kon natuurlijk niet weten dat hij via dat zogenaamde ongelukje haar van haar masker zou ontdoen, maar wel dat hij extra zijn best zou doen haar over te halen het masker af te doen. Dat geeft in feite aan wat die illusie uiteindelijk voor haar betekende. Het masker was slechts niet meer dan een — zeer tijdelijk — spel.”

— § —

Naschrift

Ik had Hedy afgezet bij een hotelletje in de buurt, want helemaal naar Paunat rijden zou gezien de hoeveelheid drank onverantwoord zijn geweest. Het hotelletje lag op twee kilometer afstand van mijn huis, die weg kon ik zelfs slapend zonder kleerscheuren afleggen.

In stilte genietend van een laatste sigaar en een glas spuitwater kwam er een vierde optie in mij op voor het slot van mijn verhaal. Ik handhaafde het voorstel van Hedy dat Beatriz Stefan in haar plannetje had weten te strikken, maar ik voegde er iets aan toe. Leo voelde namelijk aan dat er iets speelde tussen hen, hij wist wellicht niet precies wat, maar wel dat Hedy niet eerlijk was met haar preoccupatie met het masker. Alsof Hedy hem onbewust, of in ieder geval op een of andere dubbelzinnige wijze, hem had verleid het masker bij haar af te zetten. Zij wilde dat. Maar waarom? Was het een geraffineerd spel, zoals een kat doet wanneer hij een muis heeft weten te vangen? Of was het angst, dat het liefdesspel tussen beiden te hard van stapel liep? De conclusie was onontkoombaar dat het afdoen van de maskers een besluit van zowel Beatriz als Leo was, zij het op een gemaskeerde wijze. De ‘waarheid’ die hiermee aan het licht leek te komen bleek tenslotte een illusie, omdat het een gelogen waarheid was. Vriendelijker gezegd: een menselijk, al te menselijk misverstand.

Enkele maanden later zette Hedy haar huis in Paunat in de verkoop. Een half jaar later had ze het verkocht. ingeruild voor een chalet op de Veluwe. Als reden zij gaf aan dat ze de reisafstand naar Frankrijk niet meer kon opbrengen.

Bonnemort, 21 maart 2025