Bint [1979/1980]

Dit werk beschouw ik als mijn eerste ‘volwassen’ werk. Ik heb ervoor een aantal stukken geschreven, maar die zie ik als typische leerwerken van een jonge compositiestudent. Bint heb ik ook als student geschreven, het schrijfproces was buitengewoon moeizaam, maar opeens lukte er iets. Dat is overigens een merkwaardige geschiedenis. Het grootste deel van 1979 werkte ik aan Bint, de groep Hoketus had mij om een stuk gevraagd. Dit zou het derde stuk na het stuk van Louis Andriessen worden, het stuk ‘Hoketus’ waar de groep naar vernoemd was. Het tweede stuk was ‘Tam Tam’ van Diderik Wagenaar, uit 1978/1979. Voor mijn stuk kon ik over tien musici beschikken, twee toetsinstrumenten waren uit de groep gehaald omdat Andriessen niet meer wilde meespelen, en het aantal moest uiteraard even blijven vanwege de twee gelijke groepen waarin het ensemble gesplitst werd. De druk lag voor mij hierdoor hoog, ik wilde dat het stuk naast deze twee werken overeind zou blijven staan. De vorm van het ensemble was zeer dwingend, vanwege de spiegelstructuur in de opstelling, en vanwege de bijzondere bezetting. Op een zeker moment had ik voldoende materiaal en besloot dit met de groep door te nemen. Ze speelden een aantal korte fragementen, en we bespraken de technische problemen. Die waren er nauwelijks, en de groep vond het materiaal zeer veelbelovend. Weer thuis achter mijn schrijftafel was ik echter behoorlijk gedeprimeerd, ik ‘hoorde’ geen stuk, alleen materiaal. Ik besloot een reflectieronde te organiseren, niet alleen een gesprek met mijn compositiedocenten, Jan van Vlijmen en Louis Andriessen, maar ook met andere docenten, zoals Diderik Wagenaar en Dick Raaijmakers, als ook met enkele van mijn collegastudenten.

Nadat ik mijn lijst had afgewerkt zat ik in mijn werkkamer te peinzen over hoe verder te gaan. Ik begreep wel de essentie van het probleem; al het materiaal klonk goed, dat had ik gehoord, maar leidde niet tot een consistent stuk. Opeens kreeg ik een beeld, ik noem het een visioen, en geen droom, want ik was wakker. Ik zag een groep van ongeveer twaalf monniken in grijs-bruine habijten, ze liepen in een traag maar gestaag tempo van mij weg; ik zag hun ruggen, maar hun gezichten dus niet, als die al zichtbaar waren geweest, want ze droegen kappen. Ze liepen tussen enorme zuilen, waarvan ik de toppen niet kon waarnemen, zo hoog waren ze. Ik kon daardoor ook niet zien of die zuilen zich in een enorme kathedraal bevonden, of dat het ergens buiten was. Het visioen duurde slechts enkele seconden, maar het gaf mij meteen een glasheldere oplossing voor mijn vormprobleem. Ik wist precies welk materiaal ik zou gebruiken, en de overgrote meerderheid gooide ik weg, hoe mooi die fragmenten op zichzelf ook waren. Ik wist ook dat de structuur gebaseerd zou zijn op twee ongelijke klokken, gebaseerd op de bovengenoemde akkoorden, en met een metalen klank. Ik hoefde het nu alleen nog maar op te schrijven, en dat ging relatief snel. In januari 1980 was het stuk af. Het visioen gaf mij een praktische oplossing, maar geen theoretisch antwoord. Het zou jaren duren voordat ik hier zicht op kreeg. Dat de zuilen klokken werden is uiteraard anekdotisch.

De film is een registratie van het afscheidsconcerten van Hoketus in Frascatie, Amsterdam, 1986.

Gerard Bouwhuis, Cees van Zeeland – piano
Paul Koek, Hans van der Meer – slagwerk
Huib Emmer, Jeanette Yanikian – basgitaar
Peter van Bergen, Jan-Willem van der Ham – saxofoon
Patricio Wang, Ricardo Mendeville – panfluit
Piet Nieuwint – geluidstechniek