De Noodlottige

parabels

De Noodlottige

J. Chr. de Vries

Voorwoord

Elke geschiedenis heeft haar eigen geschiedenis die op haar beurt weer haar eigen geschiedenis kent, een schier eindeloos recursief proces van de geschiedenis van de geschiedenis van de geschiedenis, dat teruggaat tot aan de oerknal. Tenminste, als we voetstoots mogen aannemen dat die knal naast de ruimte ook de tijd in werking zette. Zonder tijd en ruimte geen geschiedenis, althans, zo lijkt het.


Mijn geschiedenis omvat voor een deel de geschiedenis van mijn ouders, het grootste deel direct, maar het deel voor mijn geboorte alleen via de verhalen, en die zijn uit de aard der zaak incompleet. De geschiedenis van mijn grootouders is nog incompleter, ik heb er maar drie meegemaakt. De geschiedenis van mijn overgrootouders ken ik alleen, voor een zeer klein deel, uit enkele verhalen. Van mijn overovergrootouders weet ik niets. Van mijn kinderen en kleinkinderen zal ik de geschiedenis kennen tot aan mijn sterfdag.


Alle geschiedenissen overlappen elkaar trapsgewijs, direct of indirect. De richting ervan is terug in de tijd. Wij overzien, net als de Angelus Novus van Klee, zoals Walter Benjamin in zijn laatste tekst Über den Begriff der Geschichte (Geschichtsphilosofische Thesen) zo treffend uitbeeldde, de keten van geschiedenissen met onze rug naar de toekomst. ‘Zie niet om!’ — want omkijken is gevaarlijk, zoals de vrouw van Lot ondervond bij de vernietiging van Sodom en Gomorra, en Orpheus toen hij Hades verliet met zijn Eurydike. Maar wij doen niet anders, alleen in onze dromen en visioenen zijn wij in staat onze blik naar de toekomst te wenden, voortgestuwd door de storm van vernietiging. “Dat, wat wij vooruitgang noemen, is deze storm.” Of wordt met het ‘omkijken’ soms de toekomst bedoeld?

— JCdV, Bonnemort, 9 december 2023

De Noodlottige

Bijna een maand nadat ik het bericht van de tragische dood van Taunis Haas in mijn briefkastje bij de ingang van mijn terrein had gevonden, het was een druilerige dag half maart 2022, vond ik weer een bericht: er lag een ‘colis’ op mij te wachten op bij La Poste in Le Bugue. Het pakket zou daar twee weken blijven liggen. Ik besloot het meteen op te halen, ik verwachtte geen pakket en was benieuwd wat het was. Het was kennelijk te groot voor mijn briefkastje, anders was het daar wel in gelegd. Ik reed er in de middag heen, het bleek een tamelijk groot pakket te zijn, en was, tot mijn grote verrassing, afkomstig van Taunis Haas. Aan de adressering herkende ik zijn minitieuze handschrift.


Het pakket bevatte een verzameling aantekeningen, manuscripten, mappen en enkele brieven. Nadat ik verschillende teksten vluchtig had doorgebladerd begreep ik dat tenminste een deel ervan afkomstig moest zijn van zijn ruim tien jaar eerder opgedoekte website. Ik had een brief verwacht, waarin Haas een en ander aan mij zou uitleggen, maar het enige bericht aan mij bleek een geel Post-it-velletje te zijn waar mijn naam op stond en een verwijzing naar de titel van het laatste lied van Schubert’s ‘Winterreise’: An Herrn De Vries, meinen Leiermann. Het velletje was geplakt op een manuscript dat bovenop de stapel teksten lag, dat als titel had: ‘De Noodlottigen’.
 De auteur van het manuscript was Otto Godenlied, een schrijver waarvan ik nooit had gehoord. Dat was op zichzelf niet zo vreemd aangezien het manuscript nooit was uitgegeven. De reden daarvan zou ik pas later achterhalen. Haas had de volgende paragraaf aangestreept:

  • Antoine-Quentin Fouquier-Tinville is een interessant geval vanwege mijn eerdere uiteenzettingen over het geheim en het taboe. Hij bevond zich op een plek in de geschiedenis waar geheimen en taboes elkaar raakten, sterker nog, op de meest fundamentele en indringende manier elkaar binnendrongen en vernietigden. Fouquier-Tinville was de openbare aanklager in de periode van de Terreur tijdens de Franse Revolutie; hij heeft volgens zijn eigen zeggen bijna tweeëneenhalfduizend ‘contrarevolutionairen’ naar de guillotine gezonden. In de Nationale Archieven van Frankrijk bevinden zich duizenden zogenaamde ‘laatste brieven’ van ter dood veroordeelden uit de Terreur; deze brieven waren gericht aan familieleden en vrienden, maar veruit de meeste ervan zijn terechtgekomen op het bureau van Fouquier-Tinville. In de brieven staan de meest uiteenlopende persoonlijke bekentenissen, laatste wensen, financiële adviezen en vaderlijke of moederlijke raadgevingen aan familie, kinderen en echtgenoten. Bijvoorbeeld die van de briljante chemicus Lavoisier en ook van Charlotte Corday, de moordenares van Marat. Bij de papieren van Fouquier-Tinville bevond zich een officieel rapport waarin in klare taal Lavoisier’s verdiensten worden opgesomd en zijn betekenis voor ‘het vaderland’ wordt geprezen. Het heeft niet mogen baten. In een van zijn laatste brieven schrijft hij:
    • Les événements dans lesquels je me trouve enveloppé vont probablement m’inviter les inconvénients de la vieillesse. Je mourrai tout entier, c’est encore un avantage que je dois compter au nombre de ceux dont j’ai joui…
  • [De vertaling van Taunis Haas luidt als volgt: De gebeurtenissen waar ik in verwikkeld ben geraakt zullen mij waarschijnlijk de ongemakken van de ouderdom doen ontlopen. Ik zal gezond van lijf en leden sterven, dat is nog een voordeel dat mij naast de vele andere ten deel is gevallen.]
  • Marie Charlotte de Corday d’Armont schrijft in een brief aan haar vader naar aanleiding van haar moord op Marat (zij stak hem dood in een badkuip):
    • Un tel attentat ne permet nulle défense. C’est pour la forme. (…) N’oubliez pas ce vers de Corneille: «Le crime fait la honte et non pas l’échafaud.»
  • [Een dergelijk misdrijf behoeft geen enkele verdediging. Het is voor de vorm. (…) Vergeet niet deze regel van Corneille: “Het misdrijf veroorzaakt de schande en niet het schavot.” — In de vertaling van Haas.]
  • Er zijn meer verslagen met woorden die getuigen van gelijke nobele geesten; geesten die zich niet te buiten gaan aan het opbiechten van geheimen en kleinzielige laatste pogingen het vege lijf te redden. Zoals de Girondijn Vergniaud, die het volgende over Charlotte Corday gezegd schijnt te hebben: “Zij doodt ons, maar zij leert ons tevens hoe te sterven.” Zelf is Vergniaud in 1793, nadat hij door Robespierre persoonlijk van verraad was beschuldigd, met eenentwintig andere Girondijnen op de guillotine terechtgesteld; zij zongen gezamenlijk de Marseillaise totdat de laatste man, te weten Vergniaud zelf, op het schavot aan zijn eind kwam. In hoog tempo werden taboes afgebroken, verzwolgen in een roes van verraad, geweld, bloeddorst en fanatisme, een bloedstollende herpositionering van waarden en normen. In de laatste momenten van de ter dood veroordeelden zien we, naast de getuigenissen van de nobele geesten, de onthullingen van hen die hun geheimen en principes meenden in te kunnen inruilen tegen hun naakte leven. Tijden van herwaardering, opstanden en bloed, brengen niet alleen het beste, maar zeker ook het slechtste in de mens naar boven. En nu Fouquier-Tinville zelf, de opperaanklager, de man op wiens bureau al deze geheimen verzameld werden. Ook hij is uiteindelijk het slachtoffer geworden van de revolutionaire orgie. Nadat Robespierre aan zijn eigen revolutie ten onder was gegaan probeerde Fouquier-Tinville nog zijn eigen lijf te redden, door afstand te nemen van diens opvattingen en zelfs mee te helpen aan zijn arrestatie. Het mocht niet baten, op 7 juli 1795 eindigde ook het leven van Fouquier-Tinville op het schavot. “Ik zal sterven omdat ik mijn land met teveel inzet gediend heb…” [avec trop de zèle]. 
 Interessante bijkomstigheid: Fouquier-Tinville verdiende als openbaar aanklager een jaarsalaris van exact zeshonderdzesenzestig livres [pond].*)
  • *) Olivier Blanc, La dernière lettre — Paris, 1984
  • Men kan moeilijk ontkennen dat hier niet sprake is van een of andere vorm van noodlot. Maar wat betekent dit? Noodlot vanuit het oogpunt van een of andere Godheid? Vanuit het oogpunt van — godbeware me — Revolutie? Van Gerechtigheid? Van Waarheid? Van Macht? … O, jazeker, van die laatste zeker. Hoewel, wat stelt die macht voor, als die het noodlot tot gevolg heeft? Het betreft dan kennelijk een gemankeerde macht. Macht kan falen, een revolutie ook, maar gerechtigheid en waarheid zijn onfeilbaar. Gerechtigheid en waarheid kunnen geweld worden aangedaan, ontkend worden, met voeten betreden. Maar dat is altijd door een macht, en nooit vauit de gerechtigheid of de waarheid zelf. In die zin is macht altijd de vader van het noodlot. Wacht! Ik begrijp nu de denkfout die ik maakte: macht streeft noch naar gerechtigheid, noch naar waarheid; althans, niet per se. Macht is amoreel — niet immoreel! Macht is daarmee de oorsprong van het noodlot, gerechtigheid en waarheid zijn dit nimmer. De revolutie, die zeker in dienst kan staan van gerechtigheid en waarheid, is uiteindelijk een articulatie van macht, of die macht nu faalt of niet. Dan rest de godheid. Vaak worden goden beschouwd als een articulatie van gerechtigheid of macht, maar dat is een denkfout. Goden zijn uiteindelijk niets meer of minder dan een metafoor voor macht. Als goden het noodlot beschikken, dan is dit vanwege hun macht. En falende goden zijn in dat geval slechts machten die het hebben afgelegd tegen een andere macht. De sterkste wint. Dat is hoe macht werkt.

  • Wat is noodlot dan anders dan slachtoffer zijn van een onwelgezinde macht? Daar is niets spectaculairs aan, niets tragisch, niets heroïsch — het is platvloers, goedkoop en banaal. Of onnozel, dat zou ook het geval kunnen zijn, dat het dus niet domme pech betreft, maar onvermogen; gebrek aan talent. Maar dan is de noodlottige alsnog slachtoffer van een of andere godheid, aangezien deze de noodlottige kennelijk opgezadeld had met een te geringe hoeveelheid talent. Het nadeel van deze verklaring is dat macht zich dan buiten ons afspeelt, we hebben er, hoezeer wij ook oefenen om ons erin te bekwamen, of de goden trachten te plezieren of anderszins hun gunsten af te dwingen, geen enkel zicht op. In dat geval is er geen vrije wil, alles is voorbeschikt.

  • Het Hôtel des Invalides wordt bewoond door noodlottigen, het is onmetelijk groot. Desondanks zijn een aantal van de noodlottigen eenzaam; namelijk, wanneer zij zich van hun toestand bewust zijn. In de meeste gevallen is dit niet het geval, de meeste noodlottigen zijn onnozel, wat wil zeggen dom, maar zonder zich daarvan bewust te zijn. Zalig de onnozelen, vervloekt degenen die ermee moeten omgaan.

Behalve de met potlood aangebrachte verticale lijnen langs de bovenstaande paragraaf van het manuscript had Haas verder geen nader commentaar toegevoegd.


Bij paperassen uit het pakket stuitte ik, naast een merkwaardige tekst getiteld ‘Labyrint’, op een map waarop een etiket was geplakt met de titel “Stasi-Archief”. Enkele teksten uit de map vermeldden de naam Otto Godenlied, inclusief de titel van diens tekst ‘De Noodlottigen’. Er stond bovendien een verwijzing in naar een tekst met biografische gegevens. Godenlied bleek van Nederlandse afkomst. Hij was in oktober van 1977 naar Oost-Duitsland gevlucht, na betrokkenheid bij de ontvoering van de Duitse werkgeversvoorzitter Hanns Martin Schleyer onder leiding van Angelika Speitel van de Rote Armee Fraktion. In september van 1977 werd Schleyer korte tijd in Scheveningen gevangen gehouden door Speitel en haar medeontvoerders. Godenlied, die toen woonachtig was in Den Haag, zou een auto hebben gehuurd in de Trompgarage aldaar, om Schleyer naar Brussel te vervoeren. De politie was de ontvoerders echter op het spoor, maar de arrestatie mislukte, er volgde een schietpartij over en weer, waarbij een politieagent zwaar gewond raakte. Speitel en Godenlied wisten te ontkomen, Godenlied vluchtte naar Oost-Berlijn. Daar vroeg hij politiek asiel aan, dat in begin 1978 werd toegekend, waarna hij een betrekking in de beruchte Stasi-gevangenis Hohenschönhausen in Berlijn kreeg als beheerder van de archieven. Dat leidde uiteindelijk tot een uitzichtloos leven, ook letterlijk, zijn kantoor had geen vensters.


In het Stasi-archief vond ik verder nog een brief van Godenlied, gericht aan zijn moeder. De brief was kennelijk nooit verzonden, hij bevatte geen postzegel noch een poststempel. Ik vermoed dat de inhoud van de brief reden was voor het censureren ervan.
De brief was met blauwe inkt geschreven, in het Nederlands. Ik citeer er alleen drie, voor mijn tekst relevante fragmenten uit.

— Berlin, Hohenschönhausen, 1988


Lieve Mama,

Eindelijk, na al die jaren, heb ik de moed gevonden u te schrijven. Of deze brief u daadwerkelijk bereikt kan ik niet met zekerheid zeggen, de brief zal zeker door de Stasi worden gecensureerd. Misschien worden er delen uit zwart gelakt, of wordt de brief zelfs in zijn geheel niet verzonden. Ik kan alleen maar hopen dat hij u bereikt. Maar zelfs als dit onverhoopt niet het geval blijkt te zijn, dan heb ik er toch geen spijt van dat ik hem geschreven heb; het zou, integendeel, de perfecte metafoor van mijn volslagen betekenisloze en noodlottige leven articuleren. Gerechtigheid uiteindelijk.
[…]
Ik heb geen moment spijt dat ik Nederland, dat land van gezelligheid, spruitjes en geraniums, achter mij heb gelaten. Maar anders dan de vos, heb ik zowel mijn haren als mijn streken verloren. En vooral mijn idealen. Wat een desillusie, dit zogenaamde Marxistische land, waar verreweg de meeste inwoners noodlottigen zijn, en waar de gratis voorzieningen van gas, licht, water, maar ook gezondheidszorg en onderwijs, die noodlottigheid lijkt te benadrukken. Waarom zou je een prijskaartje hangen aan iets wat irrelevant is, en feitelijk onbestaand?
[…]
Ik werk in een kaal kantoortje, eenzaam achter een stalen bureau dat is weggestopt tussen enorme rijen grauwe archiefkasten, waar het enige licht afkomstig is van flikkerende felle blauwwitte neonlampen, aangezien vensters ontbreken. Niemand kent mij, ik heb geen vrienden, laat staan een relatie. Alles wat ik meende te ontketenen in Nederland is volstrekt betekenisloos gebleken. Wat laat ik na, anders dan een groot vacuüm? Hoewel, ‘groot’? Die leegte is hooguit een onbeduidende, minuscule nietigheid. Welke betekenis heb ik uiteindelijk bijgedragen aan de geschiedenis?

Uit een aanhangsel dat aan zijn biografie was toegevoegd bleek dat Godenlied een week na de val van de Berlijnse Muur een einde aan zijn leven had gemaakt. Hij had zich in zijn kantoor aan een archiefkast opgehangen. Kennelijk was het antwoord op de laatste vraag die ik hierboven uit zijn brief citeer: ‘niets’. Zelfs niet tragisch, zoals wij in zijn manuscript konden lezen. Dit betekent ook dat zijn zelfgekozen dood betekenisloos is. Het is geen uitdrukking van ongenoegen, kritiek, angst of machteloosheid, het is helemaal niets. Tenminste, vanuit zijn persoonlijk oogpunt beredeneerd. Want we zijn wel degelijk getuige van een geschiedenis, hoe klein ook, via die archieven van de Stasi. We zullen nooit te weten komen of Godenlied zich hiervan bewust was, in de brief aan zijn moeder is hier geen enkele zinspeling op te vinden. Wellicht, maar dit is uiteraard een vorm van hineininterpretieren, bevestigt het ontbreken van die zinspeling dat hij zelfs dat Stasi-archief als betekenisloos beschouwde, en dat het benoemen daarvan daarom betekenisloos was.

De overeenkomst met deze kwestie en die van Haas is helder, dat lijkt mij geen erg gewaagde veronderstelling. Beiden maakten een einde aan hun leven, Godenlied met een expliciete verwijzing naar het ‘noodlottige’, en Haas met een impliciete, via de verwijzing naar Godenlied. Toch is er ook een verschil, omdat de omstandigheden waarin Haas tot zijn ultieme beslissing kwam, beslist tragisch is te noemen, vanwege de dramatische liefdegeschiedenis die eraan vooraf ging. Als die noodlottig was, dan was die noodlottigheid van een andere orde.


Voor Godenlied was diens complete leven een mislukking, zijn zelfgekozen dood werd geboren uit ultieme, onverdraaglijke eenzaamheid. Bij Haas was dit anders, zijn leven had wel degelijk betekenis voor hem, alleen de gebeurtenissen die aan het einde daarvan plaatsvonden, de dood van zijn beide geliefden, en de onmogelijkheid van die liefdes, maakten het vervolg van zijn leven zinloos. Juist zijn ultieme daad gaf betekenis aan zijn leven. Zijn daad was een antwoord op de noodlottigheid die hem trof, en het beantwoorden van onmogelijke vragen is, ook in zijn mislukking, een betekenisvolle daad. De vraag is nu of Haas zich bewust was van het verschil van zijn interpretatie van noodlottigheid en die van Godenlied. Ik meen die vraag bevestigend te kunnen beantwoorden, vanwege de tweevoudige verwijzing naar Schubert’s Leiermann, eerst in de brief die hij mij zond, en daarna via het pakket; de oproep om in de dood de liederen te blijven zingen — Willst zu meiner Liedern deine Leier dreh’n? — want onze liederen zijn uiteindelijk de liederen der goden.

Nawoord

Wat is de betekenis van een geschiedenis die wel geschreven is maar uiteindelijk nooit gelezen wordt? Ik heb de geschiedenis van de zelfgekozen dood van Taunis Haas uitgebreid beschreven, maar desalniettemin besloten haar ongelezen te laten.*) Had ik die geschreven tekst niet beter kunnen vernietigen? Dat lijkt een legitieme vraag. Een geschiedenis kan echter niet ongedaan worden gemaakt, zeker niet omdat ik er onderdeel van was. Maar als een geschiedenis niet gelezen wordt, is zij dan wel geschreven? Wordt een tekst niet pas door het lezen ervan een geschreven tekst? Een ongelezen tekst is een tekst in potentie. Een ongelezen geschiedenis is een potentiële geschiedenis.

Bonnemort, 9 december 2023

*) Zie: De Gemeenschappelijke Grond