De Omkering
— J. Chr. de Vries
Een God op een troon is voor de dwazen; een God in een huis is voor de daklozen; een God in een boek is voor de geleerden; een onzichtbare zwijgende God is voor de gelovigen.
— Het Grote Boek der Tegeltjeswijsheden van de Chinese Keizer
Ik zat in mijn tuin een curieuze tekst te lezen die ik te leen had gekregen van George Bruijsols. Hij had mij enkele dagen geleden uitgenodigd voor een borrel. Op een gegeven moment hadden we het over het godsbewijs. Ik weet niet meer precies hoe we bij dit onderwerp aanbeland waren, maar het had te maken met de huidige twee oorlogen die in de wereld woedden, de inval van Poetin in Oekraïne, en de aanval van Hamas op Israël, met de brute inval in Gaza als gevolg, de zoveelste escalatie van het conflict in dit van godverlaten oord van de wereld. Daarna spraken we over posts op de diverse digitale media, waar gesteld werd dat die hele zich oneindig herhalende ellende bewijst dat God niet bestaat. Dit leidde weer tot het onderwerp van de drogredeneringen. Dit weet ik nog precies, ik zei dat dit een schoolvoorbeeld was van de drogreden van de valse premisse, door eerst te stellen dat God een soort Sinterklaas is, die moet zorgen dat de wereld een veilige plek is, vervolgens constateren dat de wereld geen veilige plek is, en dat Sinterklaas zijn werk dus niet doet, en tenslotte concluderen dat Sinterklaas, en dus God, niet bestaat. Toen stond George op, zei dat hij onlangs een interessant boek op de kop had getikt op een antiquarische boekenmarkt en liep zijn huis in om het boek te pakken. George is een gepensioneerde bibliothecaris die boeken verzameld. Toen hij weer de tuin in kwam zei hij dat ik het boek mocht lenen. De tekst is vermoedelijk uit de tweede helft van de negentiende eeuw, er staat geen datum van uitgave in.

Le Silence de Dieu
— Eugénie le Nothon
Voor oorspronkelijke Franse tekst: klik hier
René de Narea, een wijsgeer uit de sofistische school, en Eugène Hostindons, een theoloog met reformatorische achtergrond, voeren de volgende dialoog:
Hostindons — God bestaat, en dat is aantoonbaar.
Narea — Dan zullen we eerst de gedaante van God moeten vaststellen, via zijn eigenschappen.
Hostindons — Bedoelt u daarmee Zijn kenmerken, in uiterlijke, of juist innerlijke zin, of beide?
Narea — Ik bedoel in iedere denkbare zin.
Hostindons — Dus, als voorbeeld: God is groot.
Narea — In zowel letterlijke als figuurlijke zin?
Hostindons — Uiteraard, God is zowel groots als omvangrijk, wat betekent: alles overkoepelend en omvattend.
Narea — Maar dan zeg ik: God is tevens alles, dus hij is ook klein.
Hostindons — Ja, inderdaad. God is zowel groot als klein. Dat is het Goddelijke Wonder.
Narea — Hoe kan God zowel groot als klein zijn? Het is een van beide.
Hostindons — Nee, Hij kan beide zijn, zowel groot als klein, in een voortdurende transformatie.
Narea — God is dus voortdurend in beweging?
Hostindons — Inderdaad, God is het bewegen zelf.
Narea — Dus, dan is God niet bewegingsloos?
Hostindons — God is het voortdurende bewegingsloze bewegen.
Narea — Aha, voortdurend, dus hij staat niet een tijdje stil? Hij slaapt ook niet?
Hostindons — Jawel, God slaapt, want God is alles, maar God waakt terwijl Hij slaapt.
Narea — Droomt God als hij slaapt, en heeft hij daarbij wel eens een nachtmerrie?
Hostindons — God kent alle dromen van alle mensen, en ook hun pijnen en demonen.
Narea — Dus hij heeft zelf geen pijnen en demonen, hij kent en herkent ze.
Hostindons — Inderdaad, Hij heeft weet van alles.
Narea — Maar dan is hij dus niet alles. Hij ziet of hoort hooguit alles.
Hostindons — Omdat God het menselijke soeverein overstijgt.
Narea — Welnu, dan is God dus geen mens. Ik herhaal mijn vorige constatering: u geeft toe dat God niet alles is.
Hostindons — Dat is een kwestie van het perspectief. God heeft zijn Zoon naar de mens gestuurd, om mens te worden, en om als mens te sterven. Daarmee is de mens onderdeel van het Goddelijke geworden, en dus is God wel degelijk alles.
Narea — U noemt dit een kwestie van perspectief, men zou het ook als een kwestie van retoriek kunnen bestempelen, want opeens komt zijn zoon om de hoek kijken. Is die zoon nu een deel van God, of is hij een aparte entiteit?
Hostindons — Beide. De Vader en de Zoon vormen, samen met de Heilige Geest, een Drie-Eenheid. Zij bestaan dus tegelijkertijd als aparte en gedeelde substantie. Dat is voor ons mensen iets wat lastig voorstelbaar is; het Goddelijke is voor ons een Mysterie.
Narea — Samenvattend: God is zowel groot als klein, in een voortdurende, eeuwige bewegingsloze beweging, hij overstijgt als God de mens, maar is via de zoon tevens mens; hij is dezelfde als de zoon, maar ook is hij zijn vader. Hij is alles.
Hostindons — Inderdaad. Daarmee is Hij een Mysterie.
Narea — Dus als God alles is, dan is hij één ding niet, namelijk niets.
Hostindons — Als God alles is, dan is Hij ook niets, het niets maakt deel uit van het alles. Zonder niets bestaat er geen alles, zonder alles geen niets. Dat toont ons het Goddelijke Mysterie, dat voor ons mensen niet te bevatten is.
Narea — Maar als het goddelijke mysterie voor de mensen niet te bevatten is, dan is God voor hen dus niet aantoonbaar.
Hostindons — Inderdaad, God bestaat, maar dat is niet aantoonbaar, de mens is al te nietig om het Goddelijk Mysterie te doorgronden.
Narea — Maar als het bestaan van God niet kan worden aangetoond, hoe kan deze nietige mens dan weten dat hij bestaat?
Hostindons — Door het geloof. De enige manier.
Narea — Geloven is geen weten, het is een inbeelding, het product van de verbeelding.
Hostindons — Geloven is wel degelijk een vorm van weten, alleen niet op rationeel niveau, maar daarboven uitstijgend en fundamenteler: op zielsniveau.
Narea — Maar als ik dat geloof niet vermag, dan kan ik ook van god geen weet hebben, dan bestaat hij niet.
Hostindons — Dan bestaat Hij niet voor u, maar dat niet-bestaan is in dat geval uitsluitend het product van uw verbeelding.
Narea — In dat geval staan uw verbeelding, en het mijne, tegenover elkaar. Er is geen grond om de ene boven de andere te stellen. De volgende conclusie is dan onvermijdelijk: noch het bestaan van God, noch het niet bestaan, kan worden aangetoond.
Hostindons — Er moet een belangrijke kanttekening aan uw conclusie worden toegevoegd: uw verbeelding is een negatieve, de mijne is een positieve.
Narea — Dat is inderdaad de kracht van verbeelding, je kunt alles bij elkaar verzinnen, en het is aan de ander het te ontkrachten, wat inderdaad een negatieve discipline is. Een waanidee ontkrachten is lastig, omdat je gedwongen wordt in de termen van dit waanidee te formuleren. Als je zegt ‘God bestaat niet,’ dan geef je in feite door het noemen van het begrip ‘God’ zijn bestaan al toe. Je loopt voortdurend achter de feiten aan. Het ‘alles’ is benoembaar, maar het ‘niets’ is onbenoembaar.
Hostindons — Daarom is God alles en niets.
Narea — Wanneer God niets is, bestaat hij niet, en dat kan niet worden aangetoond.
Hostindons — Hij is zowel alles als niets, wat alleen via het geloof begrepen kan worden, en dat geloof kan worden aangetoond.
Narea — Ongetwijfeld. Waanideeën zijn zo oud als de mensheid, en het bestaan ervan zal door geen mens in twijfel worden getrokken.
Hostindons — Maar een gebrek aan ideeën is eveneens zo oud als de mensheid, maar dergelijke ideeën kunnen logischerwijs niet worden aangetoond.
Narea — Is een gebrek aan een idee niet veruit te prefereren boven een waanidee?
Hostindons — Liever een waanidee dan een gebrek.
Narea — Dus een waanidee is een gebrek.
Hostindons — Ik bedoel uiteraard een gebrek aan een idee. Liever een gebrek dan niets.
Narea — Dan dus liever ook een god met een gebrek dan helemaal geen god?
Hostindons — Die vraag is niet relevant, want God kent geen gebrek. God is onfeilbaar.
Narea — Als God alles is, dan moet hij tevens een gebrek hebben, dunkt mij.
Hostindons — Dat heeft hij: in zijn alomvattende onfeilbaarheid heeft hij een gebrek aan gebrek. Dit is het ‘niets’ in zijn ‘alles’.
Narea — Welnu, dan is dit gebrek een negatief gebrek, en is de constructie van uw verbeelding gebaseerd op een negatief element.
Hostindons — In het alles ligt zowel het positieve als het negatieve besloten. In uw zogenaamde ‘niet-god’ bestaat alleen het negatieve.
Narea — En daarom meent u dat uw god superieur is aan mijn niet-god.
Hostindons — Uw niet-god ontbeert het positieve.
Narea — Dit negatieve is uitsluitend een articulatie van de afwijzing van een waanidee. Het positieve is vervolgens wat rest: de mens.
Hostindons — Alsof de mens niet lijdt aan een gebrek. De mens zonder God is bij uitstek de articulatie van een gebrek.
Narea — De mens als gebrek bestaat tenminste, en is bovendien aantoonbaar. Dat is meer dan wij van uw god kunnen zeggen.
Hostindons — Als ik in uw redenering zou meegaaan, uitsluitend als gedachtenexperiment, dan is dat ‘niet-bestaan’ van God desondanks onderdeel van zijn Mysterie, want dit ‘niet-bestaan’ maakt deel uit van het ‘alles’. In dat geval bestaat God in Zijn ‘niet-bestaan’.
Narea — In dat geval is God niet meer dan een abstractie. Wanneer wij terugkeren naar het begin van onze discussie, naar mijn vraag over wat de eigenschappen zijn van God, dan zult u moeten toegeven dat al die eigenschappen puur theoretisch zijn. Er is geen fysieke eigenschap te benoemen. Als God wandelt, dan is dit in onze verbeelding, en als hij slaapwandelt, dan is dit in onze dromen. Als hij spreekt, dan horen wij niets dan het geluid van de wind of de zee, die we hooguit via onze verbeelding tot de ‘stem van God’ kunnen transformeren. God is een door de mens geconstrueerde abstractie.
Hostindons — Maar de mens is geschapen naar Zijn beeld. Daarmee bestaan alle menselijke eigenschappen noodzakelijkerwijze in Hem, dus ook de fysieke.
Narea — Het woord ‘beeld’ zegt het: zijn ‘menselijke eigenschappen’, fysiek of anderszins, zijn het product van verbeelding. Ze zijn niet reëel.
Hostindons — Ze zijn reëel in de verbeelding. Ook de mens kan niet bestaan zonder verbeelding, het menselijke wordt juist daardoor bepaald.
Narea — Zeker, maar de verbeelding is essentieel in ons bestaan vanwege het feit dat zij gekoppeld wordt aan de reële werkelijkheid.
Hostindons — Ook liefde, die we in onze reële werkelijkheid ervaren, is het product van onze verbeelding, zij kan echter niet via bepaalde, vastomlijnde begrippen worden aangetoond. Liefde is niet meetbaar, want er is geen maatstaf voor, er bestaat geen eenheid van liefde.
Narea — Nee, maar als ik verliefd ben staat mijn lichaam op zijn kop, dat is wel degelijk aantoonbaar: ik eet slecht, ik slaap nauwelijks, ik kan maar aan één iemand denken; verliefdheid leidt tot gedrag dat men als ‘waanzinnig’ zou kunnen omschrijven.
Hostindons — De grote filosoof uit de Griekse oudheid Socrates noemt dit, in Plato’s dialoog Phaidros, niet voor niets ‘manikē’, ’Goddelijke Waanzin’.
Narea — Ja, maar daarbij had hij niet uw God op het oog, de Grieken hadden er sowieso meerdere, en het voornaamste verschil met de mens was hun onsterfelijkheid. Voor de rest hadden ze vooral menselijke eigenschappen, ze werden verliefd en waren jaloers.
Hostindons — De Griekse goden zijn inderdaad het product van menselijke verbeelding, en dus vertonen ze menselijke eigenschappen. En Socrates leefde eeuwen voordat God Zijn Zoon naar ons stuurde, dus hij kon daar geen weet van hebben. Toch betekent dit niet dat God niet aan het werk was in deze wijze man. Gods wegen zijn immers ondoorgrondelijk, en Hij werkt in ons, zonder ons.
Narea — Voor Socrates was God een niet-bestaande god. En zelfs al zou u gelijk hebben dat God onafhankelijk in ons werkt, dan zou dit alleen zin hebben als wij met dat werk instemmen, en dus daar op zijn minst weet van hebben. Voor Socrates was dit een onmogelijkheid. Hij bevond zich nu eenmaal buiten de noodzakelijke tijdspanne. God bestond niet voor hem.
Hostindons — De beperkingen van tijd en ruimte golden zeker voor Socrates, zoals voor alle mensen, doch deze gelden niet voor God.
Narea — Maar dan houdt God zich afzijdig van de meeste mensen. Alleen de ‘uitverkorenen’ komen in aanmerking voor het ervaren van zijn aanwezigheid. Daarmee is hij hooguit leider van een sekte. Terwijl ik meende dat u hem een universele betekenis wilde toekennen.
Hostindons — Het is niet aan u om te spreken voor God, om betekenis te willen, of kunnen geven aan Zijn werk. U bent uitsluitend verantwoordelijk voor uw relatie tot Hem, iets anders is u niet gegeven. U bent op de hoogte van Zijn bestaan, en het is aan u daarmee te doen wat goed is. Dat wil zeggen: wat goed is voor u.
Narea — Dan zijn we weer terug bij het begin van onze discussie, ik ben namelijk helemaal niet op de hoogte van Gods bestaan, omdat ik hem nergens hoor, zie, ontmoet — noch in een fysieke, noch in een intellectuele gedaante. Alles wat ik over God hoor komt van u, of mensen als u, maar niet van hemzelf. Het is uitsluitend indirect. God is onaantoonbaar.
Hostindons — Maar dat is toch echt uw eigen beslissing en verantwoordelijkheid. Als u zich voor God zou openstellen dan toont Hij Zich aan u. En zeker, dit hebben we ook eerder besproken, het is een kwestie van geloof. Een weten op zielsniveau.
Narea — Dit is een herhaling van zetten. Dat ‘weten op zielsniveau’ van u is niet meer dan een uitnodiging om uw fantasie met mij te delen, om dezelfde verbeelding te creëren en die gezamenlijk te celebreren. Echter, die verbeelding is louter menselijk.
Hostindons — In feite geeft u hiermee aan dat u mij wantrouwt, of niet ernstig neemt. Ik probeer u niet van het bestaan van God te overtuigen uit een vorm van eigenbelang, ik heb uitsluitend het goede met u voor, en probeer u alleen maar op uw verantwoordelijkheid te wijzen. Ik zie uw blinde vlek, het is mijn plicht dit met u te delen.
Narea — Ik ben ongevoelig voor emotionele chantage. Als u een blinde vlek bij mij constateert, dan zult u die vlek moeten aantonen, en kunt u niet van mij verlangen dat ik die zelf aantoon, vanuit een of ander onbestemd geloof. Want uiteindelijk komt dat neer op het creëren van een vicieuze cirkel. Ik moet om een bepaald geloof te verkrijgen dit geloof geloven.
Hostindons — Ik zou zelf het woord ‘vicieus’ niet gekozen hebben, zoals ik zei, ik heb uitsluitend het goede op het oog.
Narea — Noem het paradoxaal, of recursief, of wat u maar wilt, het gaat erom dat u iets onmogelijks van mij verlangt.
Hostindons — Ik verlang niets van u, ik wijs alleen maar ergens op. Het is aan u om er al dan niet iets mee te doen. Dat is een keuze die u in vrijheid kunt maken. Ik wens u daar het beste bij.
Narea — En als ik ervoor kies om niets te doen met die ‘blinde vlek’ van mij, is dat slecht voor mij?
Hostindons — Dat is uiteindelijk niet aan mij om te beoordelen, dat oordeel is uitsluitend voorbehouden aan God. Ik kan u slechts het beste toewensen. Ik kan wel voor u bidden, zo u dit zou wensen, maar ik vermoed dat u hiervoor past.
Narea — Dat vermoedt u zeer terecht, het zou mijn argumentatie buitengewoon inconsistent maken, alsof het voor mij alleen maar scherts is.
Hostindons — Als u dat zo voelt dan zou ik dat betreuren, ik meen dat u zeer serieus bent in uw argumentaties.
Narea — Goed. Laat ik dan nu proberen een conclusie te formuleren. We hebben vastgesteld dat niet iedereen in het bestaan van uw God gelooft. Voor een deel van de mensheid geldt dit uit overtuiging, voor een veel groter deel uit onwetendheid, men maakt deel uit van een heel andere cultuur dan de Westerse waarin wij leven, en waarin dit geloof is ontstaan. Voor een nog vele malen grotere groep mensen, namelijk uit het verleden, geldt dat uw God in die tijd niet bestond. Socrates kon niet weten van de Zoon, omdat die simpelweg nog niet geboren was. De kerk die uw geloof heeft gesanctioneerd dateert uit het begin van onze jaartelling, het jaar 325 AD om precies te zijn, dat is minder dan tweeduizend jaar geleden. Daarvoor bestond uw God niet op dezelfde wijze als waar u nu in gelooft. Uw God is ontstaan uit een eerdere god, die beschreven werd in de Tenach, een veel ouder boek dan de Christelijke teksten. En die god uit de Tenach is weer ontstaan uit eerdere goden: berggoden, vuurgoden, oorlogsgoden en watergoden. De god van Noach is een watergod, die van Mozes een berggod, vuurgod en oorlogsgod. Al deze goden werden verenigd tot één abstracte god, waarvan de naam niet genoemd mocht worden; de god ‘die is, was en zal zijn’. En, zo waag ik daaraan toe te voegen: de god die ‘niet-is’.
Hostindons — Uw verbeeldingskracht is grenzeloos. Voor iemand die het bestaan van God ontkent heeft u zich daar wel zeer in verdiept.
Narea — Ik heb nooit beweert dat ik uw geloof niet interessant en intrigerend vind. Maar laat mij eerst mijn betoog afmaken.
Voor verreweg de meeste mensen, zowel in de huidige tijd, als in het verleden, is uw God een god die ‘niet-is’. Hij wordt of bewust ontkent, of het concept ervan is totaal onbekend. Gods bestaan wordt door een specifieke mens bepaald, dus niet door de mensheid als geheel, uitsluitend door een individuele mens. God bestaat alleen als deze mens het besluit neemt dat hij bestaat. Zijn ‘bestaan’ komt dan voort uit een beslissing aangaande het ‘niet-bestaan’. God wordt aldus geschapen door de mens, naar diens beeld. In feite doelde u hierop, toen u zei: Het is niet aan u om te spreken voor God, om betekenis te willen, of kunnen geven aan zijn werk. Dit geldt omgekeerd dus ook voor u. De betekenis die u hecht aan uw godsbegrip, is net als dit zo is bij de liefde, een individuele kwestie, die zich uitsluitend afspeelt in uw relatie met uw God. Dit betekent dat God in universele zin niet bestaat, maar wel dat hij in potentie zou kunnen bestaan. Alles wordt immers geboren uit het niets. Als God aantoonbaar zou bestaan, dan zou het geloof in zijn bestaan vernietigd worden, omdat dit geloof dan een feitelijk weten is geworden. Gods niet-bestaan is een voorwaarde voor het geloof.
Hostindons — Maar dit zou leiden tot de volgende stelling — wat God verhoede: God bestaat niet, en dit is bovendien niet aantoonbaar.
Narea — Dat is nog maar de vraag. Dat laatste bedoel ik. We moeten namelijk nog de ‘potentie’ van zijn bestaan bespreken.
Hostindons — Ik wilde u nog vragen wat u daarmee bedoelde. God bestaat niet, maar zou wel kunnen bestaan, hoe zit dat?
Narea — God heeft de potentie om te bestaan, maar op het moment dat hij bestaat, vernietigt dit het geloof, dus is het van fundamenteel belang voor dat geloof dat hij alleen in potentie bestaat, maar niet reëel. Die potentie is dus net zo fundamenteel, zonder die potentie is er geen geloof mogelijk. Om die potentie waar te maken dient God zich te distantiëren van elk teken dat op zijn bestaan zou duiden, alles wat duidt op een reëel bestaan van God moet door hem vermeden worden, en dit betekent dat God moet zwijgen. Dat is wat wij uit de Tenach kunnen leren, in het begin spreekt God aan de lopende band, maar gaandeweg het boek wordt hij steeds zwijgzamer, en uiteindelijk spreekt hij met geen woord meer. Hij laat anderen voor hem spreken, zoals u bijvoorbeeld. Hiermee, door dit zwijgen, wordt het geloof geboren. Elke bewijsvoering die moet aantonen dat God bestaat is een vorm van blasfemie. Het is de grootst mogelijke zonde tegen het geloof, en daarmee tegen uw God. Het spreekwoord is niet voor niets: spreken is zilver, doch zwijgen is goud. Zwijgen is spreken in potentie.
Hostindons — De volgende conclusie is onvermijdelijk: Het niet-bestaan van god, de ‘niet-god’, kan uitsluitend worden aangetoond in het zwijgen.
Narea — En dit leidt onvermijdelijk naar onze slotconclusie: God bestaat niet, en dit kan worden aangetoond, zoals wij net bewezen hebben.
Naschrift
George Bruijsols en ik zaten drie dagen later, aan het einde van de middag, weer in de tuin van zijn huis Chez Hilbert. Ik had hem het boek teruggebracht en hij nodigde mij uit om een borrel te blijven drinken. Hij was nieuwsgierig naar wat ik van het boek vond. Eerlijk gezegd wist ik nog niet goed wat ik van de tekst vond.
“Maar je vindt er toch wel íets van,” zei George. “We hebben vorige keer uitgebreid over het godsbewijs gesproken, je zou deze tekst als een antwoord daarop kunnen lezen, in de vorm van een ‘godsonbewijs’.”
“Nou ja, wel iets natuurlijk. Wat die Narea te zeggen had over de welhaast onmogelijke opgave een waanidee te ontkrachten vond ik wel treffend,” zei ik. “Religieuze teksten, complottheorieën, politieke meningen, kortom alles wat niet op feiten geverifieerd kan worden, kan op comfortabele wijze verkondigd worden, blijkt lastig te weerleggen te zijn, en het verspreidt zich als een mierenplaag. Je moet zelf mier worden om er tegenin te gaan, maar mieren zijn veel beter in het mierzijn. Het is de tragiek van de negatie.”
“Toch vond ik de oplossing daarvoor van Narea bijzonder elegant. Ik doel uiteraard op zijn concept van de potentie, een slimme manier om de negatie een positieve kracht te geven. Ken je trouwens dat Grote Boek der Tegeltjeswijsheden van de Chinese Keizer?”
“Dat heb jij indertijd aan mij gegeven.”
“Je herinnert je vast deze,” zei George grijnzend, “In het huis der ongelovigen slapen alle goden; in het huis der gelovigen zijn alle goden klaarwakker, ze maken een hels kabaal. De zeeman bevaart zwijgend de oceanen; de boer beploegt zwijgend zijn akker.”
— J. Chr. de Vries, Bonnemort, 12 oktober 2023