De Reiziger
J. Chr. de Vries
Voor mijn oom ‘Hier is de Reus’ Leo
Ik was die ik zal zijn.
— Amenhotep III, over de godheid van het volk met de schuifelende voeten.
Feit: Ik heb Reid Zieger eenmaal ontmoet, in levende lijve wel te verstaan; dat was op 17 februari 1999. Op de kop af 273 maanden later ontving ik een bericht van Taunis Haas, waarin hij verhaalde over een merkwaardige geschiedenis met diezelfde Zieger. De aanleiding voor deze geschiedenis betreft de nakende eindigheid van het schaakspel, iets wat wij theoretisch al lang wisten, maar waar wij op het praktische vlak nog geen antwoord op hadden gegeven. Het is een complexe materie, waar wij alleen via een omweg vat op kunnen krijgen. Dat deze omweg, zoals veelal het geval bij Haas, tamelijk ongeloofwaardig is, maakt haar desalniettemin niet minder noodzakelijk. Maar ook voor Haas was de geschiedenis raadselachtig, hij kon geen verklaring geven die haar waarachtig zou kunnen maken; ‘Het enige wat mij vermag,’ zoals hij in het begeleidende bericht schreef, ‘is verslag doen van mijn ontmoeting met Zieger. En het is aan U het op waarde te schatten.’ Ja, zoek het maar uit, typsich Haas, maar wie ben ik om de meetlat van de waarheid te leggen langs de verhalen die tot ons komen?
Zieger is zonder twijfel een daadwerkelijk bestaand persoon. Zoals ik hierboven schreef heb ik hem eenmaal ontmoet, maar daarna heb ik niets meer van hem vernomen. Hij leek na die ontmoeting in rook te zijn opgegaan. Haas had diezelfde ervaring, zo schreef hij in zijn bericht, maar hij had wel een verklaring voor die verdwijning, ‘Hoe ongelooflijk deze verklaring ook is,’ schreef hij, ‘het is de enige verklaring die ik kon vinden die steekhoudend is. Soms is het fantastische onze enige bestaansgrond.’
Het beste is Haas het woord te geven.
JCdV — Bonnemort, 17 november 2021
Het Schaakspel
Taunis Haas
Van alle ontmoetingen die ik mocht meemaken, is die met Reid Zieger de meest fantastische, in de letterlijke zin van het woord. Tot op de dag van vandaag heb ik geen idee wat ik ervan moet vinden, behalve dan dat het ongelofelijk was. We troffen elkaar bij toeval, hoewel dit woord na onze ontmoeting voor mij een nieuwe betekenis zou krijgen. Toeval en toekomst, begrippen die in elkaars verlengde liggen: dat wat je toevalt en dat wat je toekomt. Het is geen toeval dat het Frans twee woorden kent voor ‘toekomst’: futur en avenir; het eerste is de toekomst die we op een of andere wijze in onze macht proberen te krijgen; het tweede, dat letterlijk ‘wat komt’ betekent, verwijst naar wat concreet gaat gebeuren. Dat weten we pas achteraf. De Franse cultuur is in hoge mate formalistisch, voor allerlei publieke zaken, zoals een contract of belastingzaken, moet een overvloed aan persoonlijke gegevens worden ingediend, voor ieder aspect een apart formulier. Het is dus geen wonder dat het Frans twee begrippen kent voor ‘toekomst’, alles moet in een bureaucratisch kader geplaatst kunnen worden.
Toeval, of niet, Zieger en ik ontmoetten elkaar op een van de drie toernooien in de FIDE Grand Prix te Berlijn, in maart 2022. We stonden naast een speelbord waar twee schakers zojuist hun spel dat zij net beëindigd hadden aan het analyseren waren, terwijl zij met flitsende handbewegingen de stukken heen en weer schoven. Toen de schaker die met zwart had verloren de stukken weer razendsnel een aantal zetten terug zette, om een nieuwe variant te tonen, riep de man die pal naast mij stond: ‘Nein!’ Iedereen rond het bord keek verschrikt op, de speler die de zet wilde uitvoeren hield zijn arm met het bewuste stuk als verstijfd in de lucht. ‘Entschuldigung!’ vervolgde de man, ‘Het paard moet naar F6.’ Er viel een lange stilte, de hand met het paard bleef in de lucht hangen. Mijn buurman noemde nog een aantal zetten, die op de paardzet zouden moeten volgen, en zweeg even plotseling als hij gesproken had. De andere speler schudde zijn hoofd, hij beeldde zich de zettenreeks in, en opeens viel zijn mond open. Hij keek zijn tegenstander aan, die kennelijk hetzelfde had gezien als hij, want hij zette het paard inderdaad op het voorgestelde veld. Even later gingen de stukken weer als een razende heen en weer op het bord, onder luid commentaar van beide spelers. Toen gebeurde er iets verbijsterends: mijn buurman liep weg van het bord, hij had kennelijk zijn interesse in de analyse verloren. Ik zag hem naar de bar lopen en daar een whiskey bestellen. Ik aarzelde. Aan de ene kant was ik nieuwsgierig hoe die voorgestelde variant zou aflopen, maar aan de andere kant was ik nog nieuwsgieriger naar die merkwaardige figuur waar ik net naast had gestaan. Ik liep naar de bar, bestelde eveneens een whiskey, en ging naast de man op een barkruk zitten. ‘Bent u niet benieuwd naar de afloop van uw suggestie?’ vroeg ik hem. Hij keek mij even afwezig aan, en zei: ‘Nee.’ Ik keek hem vragend aan, en toen pas maakte hij oogcontact. Hij nam een slok van zijn whiskey en zei: ‘Ik weet al hoe dit afloopt. Het is remise. De opgave van zwart was een fout.’
We stelden ons aan elkaar voor en raakten in gesprek. Uiteraard spraken wij even over de partij waarvan we zojuist de analyse hadden bijgewoond, maar al gauw ging het over het schaakspel als zodanig. Zieger was aanvankelijk wat stug in zijn conversatie, maar gaandeweg werd hij losser, en uiteindelijk sprak hij op levendige toon, met zeer veel passie. Ik maakte mijzelf wijs dat het niet de whiskey was, die wij inderdaad in toenemende mate nuttigden, maar dat mijn commentaar, en bij wijlen weerwoord, hem beviel. De partij van zoëven interesseerde hem nauwelijks, hij zei dat hij die van begin tot einde al kende; dat wil zeggen met het einde vanaf de door hem voorgestelde paardzet. Toen ik hem vroeg hoe hij die partij kende, en hoe dat eigenlijk mogelijk was, want de partij was bij mijn weten nog nooit gespeeld, antwoordde hij dat die partij inderdaad nooit gespeeld was, althans niet tijdens een wedstrijd, maar dat hij hem toch al gezien had; en bovendien zet voor zet had onthouden. Zieger bleek een fotografisch geheugen te hebben. Zo kwamen wij over het schaakspel zelf te spreken, en over de raadselachtige figuur van Uwe Krilz. Zieger vroeg of ik enig idee had hoeveel mogelijke schaakspelen er zijn. Oneindig veel, zei ik op goed geluk, maar daar was hij het beslist mee oneens. Het zijn er inderdaad gigantisch veel, legde hij uit, maar het is een eindig aantal. Er zijn verschillende schattingen gemaakt, die allemaal getallen opleveren van minstens 43 cijfers, oplopend tot een aantal van wel 123 cijfers, getallen waar we geen naam voor hebben. Behalve die eerste dan: het ‘Shannongetal’, vernoemd naar Claude Shannon.
Zieger gaf college: Shannon schatte in 1950 het aantal mogelijke schaakstellingen op 1043, een 1 met 43 nullen dus. Het aantal stellingen is overigens niet hetzelfde als het aantal mogelijke partijen, omdat een specifieke stelling op verschillende manieren in een bepaalde partij tevoorschijn kan komen. Daarom is het aantal mogelijke partijen veel groter. Een schatting die op dit moment wordt aangenomen is dat het om een aantal van minstens 10123 partijen gaat.
“Dat is in de praktijk toch eigenlijk oneindig veel?” vroeg ik verbijsterd.
“Nein!” zei hij weer. Het is wel gruwelijk veel, meer dan bijvoorbeeld het aantal atomen in ons heelal, dat wordt geschat op een 1 met rond de 80 nullen, maar het is en blijft eindig. “Maar laat ik u mijn verhaal hierover vertellen, dat maakt veel duidelijk.”
Dat ‘duidelijk’ bleek wel erg hoog gegrepen, zo merkte ik al snel, maar buitengewoon curieus, en ook onthutsend, was het zeker. Een jaar of dertig na de schatting van Shannon, in de tijd dat de eerste computers op de markt kwamen, begon een mysterieuze figuur aan een onmogelijk project: het in kaart brengen van alle mogelijke schaakstellingen, om zo een programma te maken dat altijd de sterkste zet vindt in een schaakspel. Deze figuur, Uwe Krilz genaamd, bouwde eigen computers, weliswaar gebruikmakend van computerhardware die op de markt verkrijgbaar was, maar aangevuld met eigen hardware en software. De machines die hij ontwierp waren sneller en krachtiger dan de commerciële computers. Het programma dat hij ontwikkelde kon bovendien voortdurend aangepast worden aan de nieuwste hard- en software. Krilz kon tegelijkertijd, terwijl zijn machines aan de stellingen werkten, zijn nieuwe, snellere versies verder ontwikkelen. Krilz werkte bovendien met een zogenaamde ‘batch’ van 128 parallel geschakelde computers, waardoor hij de beschikking had over een enorme rekenkracht. In de loop der tijd, werd die rekenkracht exponentieel groter, vanwege de toenemende snelheid en kracht van de processoren. De snelheid van een computer kan worden weergegeven met zogenaamde ‘flops’, een afkorting die staat voor floating point operations per second, berekeningen per seconde dus. Eén megaflops betekent een miljoen van die berekeningen per seconde. Waar een computer in de jaren ’80 een snelheid kon bereiken van ongeveer 100 megaflops, moest die snelheid dertig jaar later al uitgedrukt worden in terraflops, een miljoen keer zo snel dus. In 2020 beschikte de snelste computer ter wereld over een snelheid van 512 petaflops, dat wil zeggen 512 x 1015 berekeningen per seconde.
Het duizelde mij. Ik probeerde vat te krijgen op Ziegers betoog. Die Krilz was dus bezig met alle mogelijke schaakpartijen op een rij te krijgen in zijn computersysteem. Als dat eenmaal gelukt was, dan zou deze computer alle partijen kunnen winnen. Of toch niet? Hoe dan ook, het was kennelijk een hele klus, want hij was er al een halve eeuw mee bezig. Waarom duurde dat zo lang? Die computers waren blijkbaar supersnel, een biljoen berekeningen per seconde! Met die snelheid had hij toch al die partijen al lang in kaart kunnen brengen? Wat zag ik over het hoofd? Steeds meer vragen tolden door mijn kop. Ik zette een paar vragen op een rij en begon Zieger te bestoken.
“Waarom duurt het zo lang om al die partijen in dat computersysteem te krijgen, die Krilz is er al een halve eeuw mee bezig?”
Ik zag Zieger een meewarige blik op mij werpen. Hij nam een flinke slok whiskey voor hij antwoordde.
“Laten we een klein rekensommetje maken.” Hij nam nog een slok. “Uitgaande van de snelste computer van tegenwoordig, dus die trage exemplaren van de tientallen jaren ervoor niet in aanmerking nemende, wat dus een sterk geflatteerd beeld geeft… goed, uitgaande van die 512 petaflops, komen wij uit op 512 x 1015 berekeningen per seconde. Als we bedenken dat 1 uur bestaat uit 3600 seconden, een dag uit 24 uur, en een jaar uit 365 dagen, wat leidt tot het totaal van 3600 x 24 x 365 seconden — afgerond 3,5 x 107 seconden — dan lost die supercomputer per jaar 3,5 x 512 x 107 x 1015 berekeningen op, oftewel ongeveer 1,8 x 1022 berekeningen. Voor die 1043stellingen is bijna 1021 jaar nodig. En dan hebben wij alleen nog maar alle mogelijke stellingen op een rij. Maar daar moet dan nog een waardeoordeel aan verbonden worden om de winnende partij te verkrijgen. U ziet: Krilz werd geconfronteerd met een gigantisch probleem.”
“Het is dus onmogelijk,” concludeerde ik. “Maar waarom zou je dit überhaupt willen? De huidige schaakcomputers zijn al zo sterk dat professionele schakers er de grootste moeite mee hebben om te winnen; of zelfs remise te maken.”
“Het ging Krilz natuurlijk niet om het winnen, om het strijdelement.” Zieger had zijn meewarige blik weer opgezet. “Het ging hem om iets anders: het schijnbaar oneindige in kaart te brengen, om daarmee dat wedstrijdelement radikaal te elimineren.” Hij schonk zijn glas weer vol. “Alle valse romantiek die aan het schaakspel kleefde moest er finaal van worden afgekrabd.”
Ik keek hem enkele ogenblikken vertwijfeld aan. De schrikbarende cijfers lieten mij verder koud, ik begreep de essentie: het schaakspel was een eindig spel, dus vanaf de eerste zet zou wit winnen, of remise maken, welk van deze twee was mij nog niet duidelijk, maar zonneklaar was dat de spanning er volledig af was. De tragiek van deze hele onderneming was evenwel dat niets van deze theorie ooit in de praktijk bewezen zou kunnen worden, het zou voor eeuwig een hypothese blijven — 1021 jaar scheen mij namelijk een eeuwigheid toe. Zou ons zonnestelsel wel zo lang blijven bestaan, vroeg ik mij opeens bezorgd af.
“Het is dus allemaal onbegonnen werk,” concludeerde ik. “Stel de computer zou tegen zichzelf spelen: wit en zwart zijn dan volledig tegen elkaar opgewassen, het spel blijkt een systeem dat zich ontrolt. Maar, dit gaat nooit gebeuren, dus zullen we er nooit achter komen of het uiteindelijk altijd tot winst voor wit leidt, of tot remise. Of misschien blijkt wel dat zwart altijd wint, omdat het voordeel van beginnen uiteindelijk een nadeel blijkt… Wat is de zin van deze exercitie?” Ik keek Zieger met een vertwijfelde blik aan. Hij wilde mijn glas bijvullen, maar ik schudde mijn hoofd en hield mijn hand ervoor, ik wilde het beetje helderheid waar mijn brein nog over beschikte intact laten. Hij haalde zijn schouders op.
“Zwart kan alleen winnen als wit een foute variant volgt, wat onmogelijk is vanwege de programmering,” zei hij ongeduldig, “het voordeel van de eerste zet is onomstreden.” Hij pauzeerde even, leek te aarzelen of hij ons gesprek wilde vervolgen. “Het verhaal is nog niet af,” zei hij tenslotte.
Hierop volgde een lang en nogal technisch betoog dat ik maar half begreep, de getallen van hiervoor denderden nog door mijn kop. Maar, wat ik eruit begreep, uiteindelijk hoefden niet alle stellingen onderzocht te worden. Hij legde uit dat het voldoende was één openingsvariant te vinden die tot winst of remise zou leiden, alle andere zouden dan niet meer hoeven worden uitgezocht. Wit kon immers altijd met dezelfde zet beginnen. Het aantal te onderzoeken stellingen zou hierdoor drastisch worden verminderd. Ook in de eindspelen was het aantal uit te zoeken stellingen minder groot. Uiteindelijk kunnen vele partijen tot dezelfde eindstellingen leiden, bijvoorbeeld van de twee koningen, met wit die de beschikking heeft over een overgebleven pion. Krilz was begonnen met alle stellingen in kaart te brengen die volgden op de openingszet E2-E4, een van de meest voorkomende openingen in het schaakspel. Bovendien had hij allerlei onzinnige tegenzetten buiten beschouwing gelaten, omdat duidelijk was dat die de zwarte stelling dermate verzwakten, dat winst voor wit onvermijdelijk was. Het ging er om de sterkste tegenzetten van zwart in kaart te brengen. Daar was hij inderdaad al een halve eeuw mee bezig geweest, en eigenlijk nog langer, maar dat deel van het verhaal bewaarde hij voor later. Om het probleem van het wegfilteren van de ‘onzinnige’ varianten te omzeilen, maakte zijn programma ook gebruik van de modernste schaakprogramma’s. Die wisten wel raad met de flauwekulvarianten. Het programma dat Krilz ontwikkeld had was dus hybride: het maakte enerzijds gebruik van ‘slimme’ programma’s, en anderzijds van die database met alle stellingen, gebaseerd op die ene openingszet. Wat restte was het probleem van winst voor wit, of remise.
De meest gangbare opvatting is dat correct spel altijd tot remise moet leiden. Het beginvoordeel is te klein om winst te claimen. Maar er zijn wel degelijk tegengeluiden, dus om tot een definitief oordeel te komen moest het project van Krilz worden afgerond. Dat is uiteindelijk gelukt, maar daarvoor was een andere technologie nodig. Andermaal verwees Zieger naar een nieuw aspect in zijn verhaal over het schaakspel, en wederom maakte hij een omtrekkende beweging. Het was mij niet duidelijk of hij dit deed om de spanning erin te houden, of dat er een andere reden voor was; hij leek nerveus over iets, onzeker. Hij bemerkte mijn taxerende blik, toverde een glimlach op zijn gezicht en ging onverdroten door met zijn betoog. Hij vertelde dat uiteindelijk de verlossende conclusie bereikt werd: het voordeel van de eerste zet is niet significant. Krilz had de openingszet E2-E4 volledig uitgewerkt, en remise was altijd het resultaat. Dat zei nog niet direct iets over andere openingszetten, bijvoorbeeld de andere, eveneens zeer veel gespeelde variant: D2-D4; maar op de keper beschouwd deed dit er niet toe, wanneer de computer E2-E4 speelt en dit perfect afwikkelt, wordt het altijd remise. Met andere woorden, zwart kan nooit winnen. Krilz was overigens met de variant D2-D4 ook al zo ver gevorderd, dat hiervoor een zelfde conclusie kon worden verwacht. Andere openingsvarianten waren sowieso minder perspectiefrijk voor wit. “Uiteraard,” benadrukte Zieger, “uitgaande van de computer die speelt, dus het perfecte spel. Wanneer mensen schaken, spelen er andere factoren een rol, fysieke, psychologische — dan is van alles mogelijk. Het ging Krilz puur om de theoretische materie. De mens was irrelevant.”
Een tijd lang had Zieger voor zich uit zitten staren. We hadden wat borrelhapjes besteld, en een fles spuitwater om de whiskey mee af te wisselen. Plotseling draaide hij zich naar mij toe, keek mij enkele ogenblikken doordringend aan, alsof hij een besluit moest nemen. Dat bleek inderdaad het geval. Woorden schieten mij te kort om wat er volgde goed weer te geven, ik werd volledig overrompeld, en mijn gedachten schoten heen en weer tussen ongeloof, verbijstering, wanhoop, maar ook was er sprake van fysieke reacties, ik werd enerzijds half onpasselijk, maar anderzijds ook bijkans euforisch, het was alles bij elkaar volstrekt extatisch. Ik moet toegeven dat de schrijfstijl van mijn verslag van de ontmoeting met Zieger hierdoor ernstig beïnvloed werd. Het is nogal inconsistent, soms was ik in staat tot een zakelijke omschrijving ervan, maar ik kon af en toe een overdadig gedetailleerde weergave van onze conversatie niet voorkomen — alles, mijn schrijfstijl, mijn denkvermogen, mijn leven tenslotte… alles leek zowel zinloos als allesomvattend en verklarend. Maar, zo hield ik mijzelf als laatste strohalm voor, vermoedelijk was er weinig meer aan de hand dan een ietwat te grote hoeveelheid genuttigde whiskey. Misschien gold dat ook wel voor hem, hoopte ik opeens. Dat inzicht beviel mij dermate goed, dat ik voor enige momenten meende alles weer onder kontrole te hebben.
“Goed,” begon hij, “zoals ik al zei is er nog een aspect verbonden aan deze geschiedenis. Ik moet eerlijk zeggen dat ik aarzel om erover te spreken, het is dermate ongeloofwaardig, dat het bijna een grap lijkt, alleen geen erg geestige.” Hij wachtte even, keek weifelend naar de whiskey, zonder die aan te raken.
“Hebt U enig idee hoe oud ik ben?” vroeg hij opeens. Verrast door deze plotselinge wending keek ik hem een poosje niet begrijpend aan. Hij tuurde naar de whiskey die hij in zijn glas liet rollen. Omdat ik bang was dat hij zijn verhaal niet meer wilde voortzetten, sloeg ik er maar snel een slag naar:
“Een jaar of 40?”
“44, om precies te zijn.” Hij keek mij weer aan. “Tenminste, op dit moment.”
Nogal wiedes, dacht ik. Leeftijd is altijd een bepaald, concreet moment.
“Ik ben niet alleen 44 jaar oud, bedoel ik.” Hij was zonder op mijn reactie te wachten doorgegaan. Hij keek mij met een vreemde blik aan. “Ik ben namelijk eigenlijk 113 jaar oud.” Hij zweeg nu langer, om te kijken hoe ik zou reageren.|
“113 jaar oud,” was het enige wat ik kon uitbrengen.
“Ja, ongelofelijk hè?” Er vormde zich een glimlach om zijn lippen, maar zijn ogen lachten niet.
“U ziet er nog jeugdig uit voor uw leeftijd,” probeerde ik.
“Ik begrijp uw reserve, maar gun mij de tijd het uit te leggen. U zult er geen spijt van krijgen.”
Ik maakte een armgebaar om aan te geven dat hij zijn gang kon gaan. Waarom ook niet? Wat had ik te verliezen? Daar zou ik snel genoeg acher komen.
“Laat ik bij het begin beginnen.” Zieger nam nu wel een slok van zijn whiskey. Ik besloot zijn voorbeeld te volgen. “Die figuur, Uwe Krilz, heeft aan nog een project gewerkt, een heel ander project, althans op het eerste gezicht, maar uiteindelijk zijn beide projecten op symbiotische wijze met elkaar verbonden. Deze man was een typische homo universalis.”
Zieger begon uit te leggen hoe de wetenschap in relatief korte tijd twee ontdekkingen had gedaan — of uitvindingen, het is maar hoe je het bekijkt. De eerste, in 2038, was een genetische technologie die de leeftijd van de mens met een significant aantal jaren kon verlengen, zonder de fysieke aftakelingsprocessen waar we tot op heden, dat wil zeggen 2022, mee geconfronteerd worden. Eeuwig leven was het nog niet, maar een leeftijd van enkele eeuwen kwam in zicht. Ouderdomskwalen als dementie, artrose en andere ongemakken, werden verledentijd. De meeste kankersoorten waren voorgoed uit de wereld. Er waren wel nieuwe ziektes opgedoken, maar die werden snel medisch onder kontrole gebracht. Natuurlijk gingen er nog mensen op relatief jeugdige leeftijd dood, ongevallen werden door de nieuwe technologie niet voorkomen. Bovendien was deze technologie niet voor iedereen weggelegd, hij kwam, zoals ook voorspeld, vooral ten goede aan de rijken. Hij was dus rijk, begreep ik, maar ik onderbrak zijn betoog niet voor zoiets triviaals…
De tweede ontdekking — of uitvinding, het verschil zou irrelevant blijken in de loop van zijn verhaal — was die van het tijdreizen. (Ja, u leest het goed.) De technologie van genetische manipulatie had geleid tot een technologie die tijdreizen mogelijk maakte. Niet zoals meestal het geval is in science fiction verhalen of films, maar op een veel kleinere, intiemere schaal. De mens kon reizen in zijn eigen verleden, dus terug in de tijd, maar niet vooruit; de toekomst was, vooralsnog, onbereikbaar, althans via die technologie. Uiteraard worden we wel steeds ouder. Het tijdsgebied werd dus met de jaren groter. Het verleden had overigens ook een limiet, je kon niet verder terug dan je geboorte.
Hier onderbrak ik hem wel: “Je kunt dus reizen in je verleden, maar niet meer terug naar je eigenlijke tijd?” Ik vermoed dat er teleurstelling op mijn gezicht was te lezen, want hij begon te lachen.
“Jawel, je kunt heen en weer in je eigen leven, en dus ook weer terug naar het moment van vertrek, je eigenlijke ‘heden’,” antwoordde hij.
“En uw ‘heden’ is dus wanneer precies? Ergens in de volgende eeuw?” Ik probeerde zo serieus mogelijk te klinken.
“2093, om precies te zijn, dus nog in deze eeuw.” Hij negeerde mijn begrijpelijke ongeloof.
“En waarom kun je eigenlijk niet verder terug dan je geboorte? Ik zou wel een gesprek willen voeren met Philidor, of desnoods Max Euwe…”
Hij ging niet in op mijn poging grappig te zijn, op ernstige toon legde hij uit dat het tijdreizen alleen in je eigen leven kan plaatsvinden. Het moment van geboorte is dan dus de grens. Er waren theorieën dat het zelfs mogelijk moest zijn terug te reizen tot het moment van conceptie, of in ieder geval niet al te lang erna, maar het terugreizen naar het moment van geboorte werd sterk afgeraden, en was inmiddels bij wet verboden. Vooral vanwege ernstige ongelukken die gebeurd waren tijdens eerdere pogingen. Met name bij zogenaamde ‘regressietherapieën’ was het even in de mode geweest, met catastrofale gevolgen.
“Je moet goed begrijpen dat je bij het tijdreizen de leeftijd aanneemt van de tijd waar je naartoe reist. Daarom zie ik er nu uit als een 44-jarige. Als ik terug zou gaan naar het tijdstip van mijn geboorte, dan ben ik daar dus in de gedaante van een baby.”
Allerlei vragen brandden op mijn lippen, maar hij maakte een afwerend gebaar, en zei dat het beter was als hij zijn verhaal ononderbroken kon vertellen. Mijn hand reikte als antwoord naar mijn whiskeyglas.
Hij legde eerst uit dat tijdens die reis, je brein, en dus je verstand, geheugen en herinneringen, niet beïnvloed werden. Dus op dit moment, met mij in Berlijn, als 44-jarige, had hij de beschikking over alle kennis die hij had als 113-jarige. Dit was een van de redenen waarom er een kritische grens was bij het te ver teruggaan in je leven. Niet alleen, om het probleem van het geboortetijdstip beter te begrijpen, omdat je op dat moment wel over de kennis beschikt om terug naar het heden te reizen, maar niet over de fysieke kracht om dat daadwerkelijk te doen. Het risico is dan dus dat je vast komt te zitten. Men vermoedde dat de kritische grens ligt bij het moment waarop onze hersenen volwassen zijn geworden. Dat moment kan per persoon verschillen, maar rond het 18de levensjaar werd als een veilige grens beschouwd. Die grens lag nu wettelijk vast. Desondanks gebeurden er toch ongelukken. Ook iemand die naar zijn 18de jaar terugreist in zijn leven, kan daar een auto-ongeluk krijgen bijvoorbeeld. Op dit punt werd het tijdreisfenomeen interessant, want men begreep steeds beter dat ons tijdsbegrip aan een fundamentele herwaardering toe was. Al in 2049 publiceerde Krilz een hypothese die ons denken over het tijdreizen in een compleet nieuw licht stelde. De hypothese kwam voort uit de vraag wat er zou gebeuren als de persoon die teruggaat in de tijd, zichzelf ontmoet. Is dit mogelijk?
Het antwoord was zowel lucide, elementair als verbijsterend: Ja, dat was een onvermijdelijke voorwaarde. Maar niet zonder dramatische consequenties. De reden hiervoor was de grondwet voor het reizen in de tijd: de tijd, of beter gezegd, het leven in een bepaalde tijd, kon door dit reizen niet worden beïnvloed. Men kan de geschiedenis niet veranderen; alles ligt fundamenteel vast. Met andere woorden, elke potentiële verandering die teruggaand in de tijd zou worden uitgevoerd, zou op dat specifieke moment al gebeurd zijn, de verandering had als het ware al plaatsgevonden, en per saldo veranderde er dus niets. Alles wat gebeurt, en gebeurd is, vormt één onlosmakelijk geheel, waarbinnen weliswaar verschillende perspectieven mogelijk zijn, zoals een blad aan een boom vanuit verschillende ooghoeken kan worden aanschouwd, maar het blad blijft het blad, de gebeurtenis de gebeurtenis, het leven het leven, en de tijd de tijd. De persoon die terugreist naar zichzelf loopt het risico te sterven. In één klap verklaarde Krilz’ theorie onverklaarbare dodelijke ongevallen, catastrofale gebeurtenissen, vroeggeboortes met dodelijke afloop, en ook de zogenaamde ‘wiegendood’. Het spreekt vanzelf dat de reacties op Krilz’ theorie zeer heftig waren. Immoreel! Een klap in het gezicht van de ouders die met een dergelijk drama geconfronteerd werden! Fundamentele pijn is altijd onverdraaglijk, maar de waarheid is zelden comfortabel. Na ongeveer een decenium van grimmige, soms zelfs geweldadige protesten tegen deze theorie, kwam uiteindelijk het besef dat zij onontkoombaar was. In 2071 was het eerste prototype gereed. De mens kon terugreizen in zijn verleden, maar daar niet ongelimiteerd rondstruinen. Hij moest volstrekt evenwichtig zijn, en de juiste, goed uitgebalanceerde distantie betrachten. Het was een kwestie van een verfijnde techniek.
Zieger zag dat ik tijd nodig had een en ander tot mij door te laten dringen en te verwerken. Hij stelde voor om ergens wat te gaan eten, aan mij de keuze. Ik vond alles best. Eten, niet eten, wat was de zin daarvan nog, vroeg ik mij gelaten af. Hij zag mijn teneergeslagen blik, en hoopte mij op te beuren met een smakelijke maaltijd. We besloten tot sushi. We zochten een goed Japans restaurant uit.
“Tijd voor vragen, zo lijkt mij,” vervolgde hij.
“Daar moet ik dan wel even over nadenken,” zei ik peinzend.
“Neem je tijd.”
De ober kwam met de kaart, en we bestelden zonder omhaal een variëteit aan sushi. En een flinke fles saké. Ik nam wat tijd om na te denken, en toen de eerste sushi-hapjes kwamen stak ik van wal.
“Onnodig om uit te leggen dat ik niet meteen de beschikking heb over een goede structuur in mijn vragen,” begon ik mij te verontschuldigen. Hij wuifde het nonchalant weg. “Het komt dus aan op de techniek die je toepast als je teruggaat, als ik het goed begrijp,” ging ik door. “Hoe kun je dat weten? Hoe doe je dat, of beter gezegd, hoe weet je dat je op een bepaald moment twee vormen van je wezen vertegenwoordigt? Ben je je daar van bewust?”
“Dat is inderdaad de crux. Dat kun je niet altijd weten, dus dat verklaart waarom het soms fout gaat. Maar dat is eigenlijk onnodig. Een kwestie van risicoafweging. Hoe leg ik dit het beste uit?” Hij dacht even na. “Laten wij eerst dat risico onder de loep nemen,” beantwoordde hij zijn eigen vraag.
Hij keek even of ik hem nog volgde, en ging verder: “Het is niet anders dan in het leven dat je tot nu toe gewend was, ook daar is er sprake van risicoafwegingen. In een auto reizen op de snelweg draagt altijd een bepaald riscio in zich. Daar doen we eigenlijk nooit moeilijk over. In een vliegtuig stappen —meestal gaat het goed, maar soms gaat het goed fout.” Hij nam een hap fugu, kogelvis. “En nu maar hopen dat de kok nog leeft, die moet het eerst geproefd hebben, om te bewijzen dat hij hem goed heeft bereid.”
Ik maakte een grimas, en volgde zijn voorbeeld. “Laten we kijken of ik het goed begrijp. Ik reis terug naar mijzelf, bijvoorbeeld in het jaar 1999. Ik was toen 46 jaar oud, maar ik ‘ontmoet’ mijzelf als 68-jarige. Wat gebeurt er dan? Weet ik dat? Wat gebeurt er in mijn denken, voelen, wezen?”
“Dat is dus afhankelijk van die techniek waarover ik sprak. Als je als onervaren tijdreiziger zoiets onderneemt, dan kan dit serieus fout aflopen. Je krijgt een ervaring die lijkt op MPS, het syndroom van meerdere persoonlijkheden. Of je raakt in een trance, vergelijkbaar met een LSD-trip of iets dergelijks, met uiteindelijk een mogelijke dodelijke afloop. Voor de buitenwereld lijkt dat dan een ongeval, of een onverklaarbare ziekte, maar in werkelijkheid ben je slachtoffer van een ondoordachte daad, waar je zelf verantwoordelijk voor bent, dat wil zeggen, de ‘ik’ uit het heden. Je moet je dus goed voorbereiden, en precies weten wat je gaat doen, en waarom. Je moet de beide tijdselementen van je ‘ik’ goed en trefzeker in balans brengen.”
“Wat ervaar ik dan, als ik dit op adequate wijze doe?”
“Je ervaart een moment van luciditeit. Je ‘weet’ opeens meer dan je dacht dat je wist. Vergelijkbaar met een inval, een briljant idee, noem het wat mij betreft ‘inspiratie’; iets wat op de een of andere manier ‘van buiten’ lijkt te komen. Sommige mensen zouden het een ‘goddelijke inval’ noemen. Iedereen heeft deze ervaring op gezette tijden. Het is niet anders dan je al ervaren hebt.”
“Maar zijn al die invallen dan in feite ontmoetingen met een ‘ik’ uit de andere tijd?”
“Nee, dat hoeft helemaal niet. Ook als je niet tijdelijk samenvalt met een ‘ik’ uit een andere tijd kun je die ervaring hebben. We kunnen altijd invallen, ideeën, inspiratie hebben, los van het tijdreizen. Dat doet er uiteindelijk helemaal niet toe. Alles is namelijk al het geval.”
“Maar weet ik na zo’n tijdservaring dat ik tijdelijk ben samengevallen met een latere ‘ik’?”
“Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt. De ervaring van die latere ‘ik’ valt op symbiotische wijze samen met de ervaringen van je eerdere ‘ik’. Je hebt dus wel de kennis van je latere ‘ik’, maar zonder een vorm van gespletenheid te ervaren. Maar dat laatste is wel mogelijk, het is een risico waar nog geen afdoende oplossing voor is gevonden.”
Ik dacht een ogenblik na. Hij zweeg, en genoot zichtbaar van een nieuwe hap sushi. “Het doet mij denken aan dat begrip ‘synchroniciteit’ van Jung. Heeft dat ermee te maken?”
Hij wachtte tot hij zijn mond leeg had, en antwoordde: “Ja, dat kan, maar niet per se. Niet alles op dit gebied is al goed uitgezocht.”
Berlijn was op het moment van mijn ontmoeting met Zieger niet mijn woonplaats, ik verbleef gedurende het schaaktoernooi in een hotel. Toen ik na onze maaltijd weer terug was op mijn kamer probeerde ik alles te doordenken, op een rij te krijgen en een plek te geven. Vooral dat laatste was lastig. Dat kon alleen als ik hem geloofde. Maar als ik hem niet geloofde, wat was er dan in hemelsnaam gebeurd deze dag? Had ik een toekomstige ‘ik’ ontmoet? Het idee leek tegelijkertijd zowel aanlokkelijk als verschrikkelijk. Ik wist eigenlijk niet of ik het verhaal wel wilde geloven. Vermoedelijk niet. Maar ik kon het idee niet van mij afzetten.
Het verhaal van Zieger was trouwens nog wel even doorgegaan, wij hadden tot laat in de avond gesproken. Zieger kon alle twijfels, tegenargumenten en vragen adequaat pareren, ik kon er geen enkele bres in slaan. Op alles had hij een overtuigend antwoord. “Wat nu als ik een voorwerp uit de toekomst meeneem naar het verleden, de nieuwste mobiel of iets dergelijks, dan zou dat toch een overtuigend bewijs zijn van dit hele verhaal?” Zo werkte het dus niet. Het tijdreizen was geen materiële kwestie, er werd geen materie vervoerd, er bestond niet zoiets als een tijdmachine. Het bleek een mentaal proces te zijn, wat iets met onze genetische structuur te maken had, en met energievelden, maar van Ziegers technische uitleg begreep ik tittel noch jota. Toen ik hem zei dat ik geen enkel spoor of gevoel had van een ontmoeting met een latere ‘ik’, zei hij dat die er mogelijk nooit geweest is. De technologie kon heel wel na mijn dood zijn gemaakt.
“Dus geen eeuwig leven voor mij?” had ik gelaten gevraagd. Toen was hij weer over dat begrip ‘synchroniciteit’ begonnen. Het is complex, zei hij, want anders dan bij het reizen in het eigen verleden, betreft dit een symbiotische relatie tussen meerdere personen. Hij was er daarom eerder niet verder op doorgegaan, maar nu voelde hij zich verplicht er toch iets meer over te zeggen. Wat voor de meerdere ‘ikken’ van één persoon geldt, dat het geen veranderingen in het leven tot gevolg heeft, gold ook voor de relaties tussen mensen, dus voor wat Aristoteles ‘bios’ had genoemd; het sociale leven, kort gezegd. Oppervlakkig, in letterlijke zin, dus van de buitenkant beschouwd, zijn er wel veranderingen aan te wijzen: wij vervoeren ons per auto of vliegtuig, en Aristoteles te voet of te paard. Dergelijke veranderingen, ontdekkingen of uitvindingen, vinden uiteraard plaats. Het gaat erom dat die processen niet los kunnen staan van de tijd. Al deze processen liggen in de kiem reeds vast.
Toen ik opmerkte dat dit de theorie van de ‘determinatie’ bevestigde, had hij geantwoord dat dit oppervlakkig gezien zo leek, maar in werkelijkheid niet het geval was. Want er was nog steeds sprake van een vrije keuze, en een vrije wil. Je kunt besluiten, als de mogelijkheid zich aan je voordoet, om terug te reizen naar een bepaald moment in je verleden; maar je hebt ook de keuze van een ander moment, en ook de keuze om het juist niet te doen. Alles ligt op een bepaalde manier vast, maar tegelijkertijd is het aan ieder van ons te kiezen wat wij kiezen, te doen wat wij doen, of na te laten.
De wereld, het leven, de geschiedenis, had er totaal anders uit kunnen zien. Maar desalniettemin zullen we nooit de geschiedenis kunnen herschrijven; ons ontdoen van Hitler bijvoorbeeld, want dat vereist materiële condities, die onbestaanbaar zijn in het tijdreizen. We kunnen echter wel teruggaan in ons verleden, met de kennis van een latere tijd, en daarmee dat verleden voeden, zodat er een symbiose ontstaat met die latere tijd. Nogmaals, dat is geen verandering in materiële zin, omdat de zogenaamd ‘gewijzigde’ toestand stante pede de huidige is geworden. Een verandering is altijd een verandering ten opzichte van iets. Dat ‘ten opzichte van’ is bij een tijdreis niet aan de orde.
Echt begrijpen wat hij zei deed ik niet, ik stelde dus maar een vraag in de hoop er althans iets van te begrijpen, al was het maar om erachter te komen hoe serieus ik dit hele verhaal moest nemen. “Stel: ik rijd mijzelf in 1999 te pletter tegen een boom. Kan ik dan met mijn voortschrijdende inzicht van 2022 terug naar 1999 om dit te voorkomen?”
“Nee,” zei hij, “want als je in 1999 kwam te overlijden, dan ben je er in 2022 niet meer. Nog even afgezien van het feit dat het tijdreizen in 2022 nog niet bestond. Maar los hiervan, als je het ongeval had overleefd, dan zou je inderdaad terug kunnen naar een moment vóór dat ongeval, en iets gedaan kunnen hebben waardoor dat ongeval nooit had plaatsgevonden. Maar dan heeft het ook nooit bestaan. Dat is de crux! Dat is het probleem van die als-dan-vragen, ze bestaan niet!” Hij zag mij vertwijfeld kijken, maar wachtte tot ik zou antwoorden.
Ik probeerde het nogmaals: “Maar in mijn herinnering wel, dat was immers de reden om terug in de tijd te gaan.”
“Nee, als je dat ongeval weet te voorkomen, dan verdwijnt die herinnering.”
“Dus als ik dan terugkeer in het ‘heden’, dan weet ik niet meer waarom ik die tijdreis gemaakt heb?”
“Inderdaad, dan is die reden vermoedelijk vervangen door een ander gevoel, ervaring of idee.”
“Dan is er toch iets veranderd!”
“Nee, de toestand is niet veranderd, maar wel anders. Je herinnert je die herinnering zelfs niet meer, die is gewoon weg, die is er feitelijk nooit geweest. Er is een ander ‘heden’, maar niet een veranderd ‘heden’. Er is maar één ‘heden’. Je moet het concept ‘tijd’ anders denken.” Hij keek mij aan met een welhaast machteloze blik, maar gaf nog niet op: “Denk aan de theorie en de wetten van Newton. Als je vanuit de theorieën van Einstein of Bohr denkt, dan gelden de wetten van Newton niet, althans niet in het universum, of in onze microkosmos. De natuurwetten zijn door de laatsten op een ander niveau gebracht, in een ander perspectief geplaatst, maar dat betekent nog niet dat de wetten van Newton als zodanig niet meer geldig zijn. Als je struikelt, dan val je.”
“En hoe zit het dan met de dialectiek? Kunnen Kant, Hegel en Marx nu wel of niet overboord worden gekieperd?”
Zieger zuchtte. “Het is zoveel gecompliceerder dan dát! Ik probeerde net uit te leggen dat de wetten van Newton in ons dagelijks leven nog steeds geldig zijn. Hoe zou dit anders kunnen? Uiteraard geldt het principe van oorzaak en gevolg waar Kant over sprak onverminderd.
Zittend op de rand van mijn bed in de hotelkamer probeerde ik alles wat Zieger had betoogd te begrijpen. Het ging om het perspectief. Hier op aarde gelden bepaalde wetten, zoals de zwaartekracht, maar in het heelal gelden andere wetten, althans volgens Einstein. In ons dagelijks leven, in onze wijze van denken of debatteren, maken we gebruik van dialectische principes. Dat in het grotere geheel, bij het tijdreizen, deze principes niet geldig zijn, althans niet op dat niveau, doet daar niets aan af. Dit kon ik volgen. Maar dat een verandering in het verleden uiteindelijk geen verandering was, dat het feitelijk niet gebeurd was, daar kon ik mijn vinger niet achter krijgen, althans niet deze avond.
Ik herinnerde mij nu dat hij ook had beweerd dat iets dergelijks ook mogelijk moest zijn op het gebied van ‘bios’, dus in de relatie tussen twee, of zelfs meerdere, personen. Hij zei wel dat hij moest toegeven dat hier nog vrij weinig over bekend was. Dat had met die ‘synchroniciteit’ van Jung te maken. Kennelijk konden twee of meer individuën iets teweegbrengen, dat ieder van hen afzonderlijk niet voor elkaar hadden kunnen krijgen, terwijl, en dit is cruciaal, ieder van hen geen weet had van elkaar. Dat leek inderdaad enigszins op die invloed van de latere ‘ik’ op de eerdere. Er lijkt sprake te zijn van meerder ‘ikken’, maar feitelijk is er maar één. Zoiets moet het zijn, bedacht ik.
Aan het einde van ons lange gesprek waren wij weer aangeland bij de aanleiding ervan, het schaakspel, en daarmee het project van Uwe Krilz. Zieger gebruikte het als metafoor, in een laatste poging mij te overtuigen.
Vlak voordat de ober ons in vriendelijke termen duidelijk maakte dat de tent nu toch echt ging sluiten, vertelde Zieger mij een laatste anekdote, die te maken had met hoe hij Krilz had leren kennen.
Krilz had een belangrijk deel van zijn schaakprogramma gereed, hij maakte zijn theorie, die inmiddels onderdeel van zijn praktijk was geworden, met veel poeha wereldkundig. Er volgden schaaktweekampen tussen de wereldkampioen en de computer van Krilz, maar diens computer mat zich ook met andere hooggekwalificeerde schaakgrootmeesters; behalve tweekampen werden er ook toernooien georganiseerd, en tevens simultaanseances. In verreweg de meeste gevallen leidde de spelen naar winst van de computer, in een enkel geval leidde het tot remise, als de menselijke speler zich had overtroffen. Geen enkele maal werd de computer verslagen. Na enkele jaren van wedstrijden tegen de computer waren de meesten het erover eens: Krilz had zijn pleidooi gewonnen.
“En nu komt het mooie,” had Zieger gezegd, “Krilz had de technologie van het tijdreizen aan zijn schaakprogramma verbonden, een zet van verbluffende schoonheid!” Ik had Ziegers stralende gezicht nog helder voor de geest. Krilz ging terug in de tijd om zijn schaakprogramma te upgraden, met de kennis en ervaring uit 2071 verbeterde hij het programma in 2027, waardoor het analyseprocess exponentieel versneld werd!”
“Maar dat kon toch niet!” riep ik uit, “Je kon toch geen materiële veranderingen aanbrengen?”
Zieger lachte uitgelaten en legde geduldig uit dat dit ook niet het geval was. Krilz kon inderdaad geen materiële aanpassingen aanbrengen, hij kon geen processoren of andere hardware, of discettes met software mee terugnemen naar 2027, maar hij kon wel de kennis die hij had opgedaan in 2071 gebruiken!
Toen ik hem ongelovig aankeek ging hij in rap tempo verder. Krilz moest het in 2027 doen met de hardware uit die tijd, maar hij kon die wel met de ervaring uit 2071 sterk verbeteren. Dat moet je niet zien als een zet simpele handelingen, hij ging niet aan zijn programma’s en computers zitten sleutelen. Het is veel magistraler: op het moment dat hij in de gedaante van zijn nieuwe ‘ik’ in 2027 aan zijn project werkte, was die nieuwe kennis de kennis die hij in 2027 al had! Je moet het niet zien als twee ‘ikken’; de ‘ik’ uit 2027 was een nieuwe versie die de oorspronkelijke had vervangen, niet veranderd, maar hij was ervoor in de plaats gekomen. De oude had nooit bestaan! Onze taal schiet hier tekort. De Krilz van 2071 reist terug naar zijn eerdere ‘ik’ van 2027. Op dat moment wordt die ‘ik’ van 2027 gevoed door die van 2071, en is de ‘ik’ van 2027 een andere versie, slimmere als je wilt. Maar niet een versie waaraan gesleuteld is. De ‘ik’ blijkt opeens een andere vorm te hebben aangenomen, een vorm die niet — en dat is waar onze taal tekort schiet — niet anders is dan de eerdere, want die eerdere is er nooit geweest. De tijd werkt anders dan onze taal toestaat.
Doordat Krilz dit principe begreep kon hij zijn schaakprogramma in een exponentiële versnelling brengen, door heen en weer te reizen. Want de ‘ik’ in 2071 was bij terugkeer uit 2027 eveneens een ‘andere ik’, maar zonder het bewustzijn hiervan, dat moet je goed begrijpen! Er waren geen twee ‘ikken’ die met elkaar vergeleken konden worden.
Ik probeerde het nogmaals op een rij te krijgen. “Hoe kon hij dan weten dat hij die versnelling kon aanbrengen met dat tijdreizen, als hij zich niet bewust was van die verandering in zijn ‘ik’?” Dat leek mij een logische vraag, maar Zieger lachte erom. Er kwam zelfs een licht spottende grijns op zijn gezicht. Misschien was dat bluf, had ik overwogen, mij de suggestie geven dat ik het allemaal niet snapte, om daaraan zijn autoriteit te ontlenen. Maar hij ging onverdroten door met zijn uitleg.
“De theorie van die versnelling was geïncorporeerd in zijn tijdshypothese. Hij wist dat het niet anders kon zijn, dat de tijd per definitie zo werkte. Hij deed het gewoon, uit overtuiging. ‘De deugd vindt plaats in de handeling,’ schrijft Aristoteles ergens; ‘in het werk’, schrijft hij letterlijk: ‘ergon’. Het is lastige kost, dat begrijp ik, maar, en nu loop ik vooruit op mijn verhaal, die anekdote zal je alles duidelijk maken.”
Ik lag op mijn rug op het bed in mijn hotelkamer, en staarde naar het plafond. In het donker, ik had alle lampen uitgedaan. Ik probeerde vat te krijgen op de hele geschiedenis. Inderdaad schoot de taal tekort, ik kon het allemaal niet goed formuleren, maar ergens, op een of ander intuïtief niveau, voelde ik dat Zieger gelijk had. ‘Je kunt het vergelijken met het schaakspel,’ had hij tenslotte gezegd. Het spel voltrok zich zet voor zet, dat was het ene perspectief, maar desondanks lag alles al vast; dat was het andere perspectief. Dus ondanks die zettenreeks lag het eindresultaat al vast, en dus in de eerste zet besloten.
Daarna vertelde Zieger eindelijk de aangekondigde anekdote.
Zieger begon met te vertellen hoe hij contact opnam met Krilz. Die was op het hoogtepunt van zijn roem, hij had zijn ‘onoverwinnelijke’ computer Omega gedoopt, een verwijzing naar de Omega Point Theory van Tipler — maar dat is een ander verhaal. Zieger vertelde dat hij, uiteraard na Krilz uitgebreid gecomplimenteerd te hebben met zijn fantastische technologieën, hem uitdaagde voor een wedstrijd tegen Omega. Zieger kondigde doodleuk aan de computer met zwart te verslaan. Aanvankelijk had Krilz hem afgepoeierd, hij wilde hier zijn tijd niet aan verdoen. Maar Zieger gaf niet op, hij schakelde via enkele bevriende journalisten diverse media in, en daagde Krilz nu in het openbaar uit. Dit mediaoffensief werd een hype, en uiteindelijk gaf Krilz toe. Hij dacht niet dat hij iets te vrezen had van Zieger, maar de hype gaf hem mogelijkheden tot nieuwe financiële middelen. Verschillende grote bedrijven waren geïnteresseerd in een match. Zieger was overigens een zeer goed schaker, geholpen door zijn fotografisch geheugen zou hij het de computer zeker lastig kunnen maken; niet dat hij een schijn van kans maakte, maar hij zou wel een flink zettenaantal kunnen bereiken. Dat zettenaantal was inmiddels een graadmeter geworden voor de professionele schaakwereld. De ELO-ranking werd mede op grond van dit zettenaantal bepaald. Zieger had een zeer hoge rating. Zieger bedong dat hij de tijd en de plaats van het gevecht mocht bepalen, en dat de reguliere spelregels in acht zouden worden genomen, dat wilde ook zeggen het gebruik van de mechanische schaakklok. Krilz ging zonder problemen akkoord met de voorwaarden, hoewel hij verbaasd was over de tijd en de plaats, maar hij wist dat Zieger volstrekt kansloos was.
Die mechanische schaakklok is een apparaat met twee klokken, een voor wit en een voor zwart. Als de knop van wit wordt ingedrukt, gaat deze lopen en stopt de zwarte klok; en visa versa. Iedere speler zou 100 minuten denktijd krijgen, voor de eerste 40 zetten. Als de tijd van een van beiden voorbij was, ‘als de vlag viel’, voordat dit zettenaantal bereikt was, dan verloor deze speler. De scheidsrechter zou de klok van Omega bedienen, op aangeven van Krilz uiteraard.
Maar nu komt het (Ziegers ogen begonnen te glimmen toen hij mij dit vertelde): De match zou in 2027 gespeeld worden, op 2 augustus, in Casablanca, en beginnen om 7 uur in de ochtend, als het nog niet al te warm was. Dat was de reden die Zieger had gegeven voor het vroege tijdstip. Krilz had eerst tegengestribbeld, waarom niet gewoon in 2093? Waartoe al dat gedoe met tijdreizen? Maar toen Zieger hem de enorme voordelen voorspiegelde, de media-aandacht en dus extra geld, maar belangrijker nog: de computer in 2027 was lang niet zo snel als die in 2093, maar zou ongetwijfeld sterk genoeg zijn. Het was uiteindelijk het prototype van de laatste versie, en de match zou daar de celebratie van zijn. Zo zouden zijn twee projecten, zijn magnus opus, optimaal in het zonnetje worden gezet. Krilz was uiteindelijk overtuigd, en zo geschiedde. De voorbereidingen werden getroffen, Krilz en Zieger reisden naar 2027, en verder naar Casablanca. Zieger bereidde zich daar twee weken lang goed voor, deed dagelijks oefeningen in de gym, dronk geen druppel alcohol en prentte alle stellingen van de Capablancavariant in zijn geheugen. Hij was in topconditie.
De Capablancavariant, gebaseerd op de openingszetten E2-E4, C7-C6 staat bekend als een solide verdedigingsvariant. Zieger had hem helemaal uitgespit en varianten bedacht om Omega zo lang mogelijk aan het denken te zetten, en zoveel mogelijk zetten te halen. De versie van 2027 was lang niet zo snel als de nieuwste versie van 2093, maar snel genoeg uiteraard. Hij had zich goed voorbereid en de snelheid van Omega-2027 goed geanalyseerd. Het was zaak goed geconcentreerd te blijven, hij kon zich geen enkele fout veroorloven, alles kwam aan op een perfecte timing.
Op 2 augustus, precies om 7 uur in de ochtend, drukte de scheidsrechter de klok van Omega in, die speelde E2-E4, dat was uiteraard geen verrassing. De match vond plaats in het Grand Hotel Cassablanca. Zieger zat in de grote zaal op een podium, de computer, een flink uit de kluiten gewassen apparaat, stond ernaast. Krilz zat aan een tafel naast Omega, om haar te bedienen, en de scheidsrechter aan te geven welke zet gespeeld moest worden. Voor het podium waren tientallen rijen met stoelen geplaatst voor het publiek, dat in groten getale op was komen dagen. Aan de zijkanten naast het podium waren enorme, vertikale schaakborden geplaatst, waarop de zetten werden bijgehouden. Ook was er een televisieploeg met twee camera’s, die live verslag deed van de match. In een bijzaal waren twee internationale grootmeesters bezig om commentaar te leveren op de gespeelde zetten. Het publiek kon vrijelijk heen en weer lopen tussen de speelzaal en de analysezaal. Suppoosten letten erop dat iedereen zich muisstil hield, ‘No phones!’ Aan een bar werden speciale Omegacocktails geserveerd. Het was kortom kermis!
Het spel ontwikkelde zich gestaag, noch aan Ziegers, noch aan Krilz’ gezichtsuidrukking was iets af te lezen. Om iets na tien uur hadden de spelers de 38ste zet bereikt, met voor Omega nog drie minuten op zijn klok, en zeven voor Zieger. Zieger was aan zet. Hij dacht nog twee minuten na en deed toen zijn zet. Krilz nam rustig de tijd, en deed na een minuut zijn 39ste zet. Zieger leek na te denken. Toen gebeurde waar niemand rekening mee had gehouden: om 10 minuten over 10 viel de stroom plotseling uit. Zieger deed meteen zijn 39ste zet. Als je goed keek kon je een flauwe glimlach om zijn lippen zien. Hij leek niet verrast door de stroomuitval. Er ontstond rumoer in het publiek, Krilz trok bleek weg; Omega was door de stroomuitval niet meer aanspreekbaar. Na drie minuten viel wits vlag, de scheidsrechter liep naar de witte klok en drukte die uit. Krilz zag verbijsterd dat het onmogelijke gebeurd was, zwart had de partij gewonnen op kloktijd. Hij liep naar het bord, legde zijn koning om, gaf Zieger een hand, en ging vertwijfeld op een stoel zitten. Buiten was het donker geworden. Krilz stond eensklaps op, liep naar buiten en zag wat er aan de hand was: een totale zonsverduistering had niet alleen de stad in een schaduw gegoten, maar ook een drastische stroomuitval veroorzaakt. Opeens drong tot hem door wat er gebeurd was, hoe hij in de valstrik van Zieger was gestonken. Natuurlijk! Zieger had alles berekend, hij wist dat dit zou gebeuren, hij kende de geschiedenis. Krilz schudde zijn hoofd, maar opeens vormde zich een lach op zijn gezicht.
— TH, Berlijn, 17 november 2021
Naschrift
Elf maanden na het bericht van Haas ontving ik wederom een bericht van hem, kort dit keer. Maar het bevatte tevens een curieus bericht van Zieger, dat deze aan Haas had verstuurd. Dat wil zeggen, het bericht was een door Haas gekopieerde versie van een handgeschreven brief van Zieger. Vanwege dit nieuwe bericht herlas ik het eerste, en tot mijn spijt moet ik erkennen dat ik wat op het eerste gezicht een detail lijkt, maar bij nader inzien een fundamentele misser blijkt, over het hoofd had gezien. Het eerste bericht was gedateerd op 17 november 2021. In het bericht zelf gaat het over een ontmoeting van Haas met Reid Zieger in maart 2022, dus ongeveer vier maanden later. Mijn eerste gedachte was dat een van beide data op een schrijffout berustte; mijn tweede gedachte dat dit alleen de datum in de tekst van Haas zelf kon betreffen, omdat ik het bericht natuurlijk echt in november van het jaar ervoor had ontvangen. Toen ik echter op internet de data kontroleerde van het schaaktoernooi waar Haas en Zieger elkaar ontmoet hadden, bleek dat weldegelijk maart 2022 te zijn. Ik kon niet anders dan mijn derde gedachte de ruimte geven die zij kennelijk behoefde, zeker gezien de inhoud van die tekst: het tijdreizen. Ik moet erkennen dat ik de tekst van Haas, ondanks haar charme, geen moment serieus heb genomen. Zijn idee van tijdreizen leek mij eerlijk gezegd onzinnig. Maar de kwestie met bovenstaande data deed mijn aanvankelijke oordeel wankelen. De tekst van het laatste bericht gaf hier nog meer voedsel aan. Enfin, het finale oordeel is aan de lezer. Dat de goden met ons zijn!
— J. Chr. de Vries, Bonnemort, 17 oktober 2022
Omega Punt
Geachte heer Haas,
Het is al weer een jaar of vijf geleden dat wij elkaar troffen, hoewel… men zou ook kunnen spreken van enkele maanden, het is een kwestie van perpectief, nietwaar? Op het moment dat ik deze brief schrijf is het in ieder geval vijf jaar, maar het voelt als de dag van gisteren. Ik besef heel wel dat U mijn ideeën — laat ik deze term maar bezigen — moeilijk serieus kunt nemen; of, misschien wel serieus, maar niet waarheidsgetrouw. Van de datum onderaan deze brief zult U ongetwijfeld menen dat die gepostdateerd is, maar ik verzeker U dat dit niet het geval is. Bovendien zal ik U een optie aanbieden ter kontrole. De brief die U in Uw brievenbus vond is inderdaad in augustus 2022 geschreven, maar het betreft een kopie van het origineel. Dit oorspronkelijke exemplaar kon ik, zoals ik U in ons lange (doch zeer aangename) gesprek tijdens onze ontmoeting heb proberen uit te leggen, niet meenemen in mijn reis terug naar 2022 — geen materie, weet U nog? Dus heb ik dat in een postbus in het hoofdpostkantoor in Casablanca in bewaring afgegeven, onder postboxnummer 273; de code die U nodig hebt om de box te openen is: Uwe-Krilz; denkt U hierbij aan de hoofdlettergevoeligheid! Over vijf jaar kunt U het origineel van deze brief daar vinden. Ik meen dat dit voor U een afdoende bewijs zal zijn voor mijn beweringen. De brief is voorzien van een echtheidsclausule, ondertekend door een notaris. Voorts ben ik U nog een nadere verklaring schuldig over de gang van zaken rond de match met Omega, het verhaal van de anekdote waarover wij spraken.
Uiteraard was de zonsverduistering een truc van mij om Omega te verslaan. Dat was met de geëigende middelen uiteraard nooit gelukt, het ding is onverslaanbaar. Maar de mens zal altijd naar wegen zoeken de machine te ontregelen, voor de gek te houden, of anderszins van het koude kermis thuis te laten komen. Dat is van fundamenteel belang, zoals ook uit het vervolg van dit schrijven zal blijken.
Ik heb die truc uitermate zorgvuldig voorbereid. De datum was niet willekeurig gekozen, de plaats evenmin. Ik moest een zonsverduistering vinden waarbij daadwerkelijk de stroom voor langere tijd was uitgevallen. Vanuit 2093 was het niet moeilijk die datum en plaats te vinden. Maar er was nog een reden waarom het uitgerekend in 2027 moest plaatsvinden, dat was namelijk het jaar dat Krilz als uitgangspunt nam voor zijn programmeringproces via het tijdreizen. Dat middel van het tijdreizen heeft het programma uiteindelijk mogelijk gemaakt, vanwege het hierdoor voortdurend zichzelf cumulerende versnellingsproces. Krilz begreep dit, na een kort moment van teleurstelling, zeer goed. Hij was mij er uiteindelijk dankbaar voor. En terecht! Ik zal ook dit nader uitleggen.
Krilz wees mij erop dat hij door deze match tot het besef was gekomen dat de menselijke maat, de dialectische houding ten opzichte van de machine, van fundamenteel belang was. Krilz zag in mijn truc met de zonsverduistering de bevestiging dat de mens zich te allen tijde aan zijn lot wil onttrekken, of het naar zijn hand wil zetten, en bovendien dat de mens hier zeer bedreven in is. Immers, de theorie van de onveranderlijkheid van de geschiedenis is niet eenduidig. Het schaakspel laat dit op een metaforisch niveau fraai zien.
Dialectische procedés, en oorzaak-gevolgprocessen bestaan ook binnen de overkoepelende Omega Punt-constellatie. Zij zijn niet strijdig met elkaar, maar versterken elkaar. De wil om te ontsnappen aan de onveranderlijkheid der dingen is cruciaal; het is de ziel van het geheel. Op het allerhoogste niveau vormen die ontsnappingswil en die Omega Punt-wet een symbiose; beide lijken tegenstrijdig, maar zijn uiteindelijk één en hetzelfde.
Dan is er nog het aspect van de synchroniciteit, we spraken hier ook over. Er zijn twee lagen te onderscheiden: de synchroniciteit binnen één persoon, maar meerdere tijdvlakken (via het tijdreizen); en die tussen meerdere personen binnen één tijdvlak, maar op mogelijk verschillende plaatsen of ruimtes. De hele geschiedenis rond het Schaakspel, laat zien dat beide aspecten aan de orde zijn. Het tijdreizen is duidelijk, maar als we zien hoe de verschillende ontmoetingen, namelijk die tussen U en mij, en tussen Krilz en mij, met elkaar verbonden zijn, dan dunkt mij dit onontkoombaar.
Tot slot, en dit is wel de belangrijkste vaststelling, een inzicht dat Krilz met mij deelde. Het moment waarop Omega door mijn truc verslagen werd, veranderde iets in het denken van Krilz, bij inval, inspiratie of hoe U het noemen wilt, kwam er een lucide visioen in zijn brein, en uitgerekend dit visioen leidde 22 jaar later tot zijn hypothese over het tijdreizen. Het visioen is eigenlijk niet in woorden te vangen, het was een soort besef, maar tegelijkertijd een denkwijze, van hoe alles met elkaar samenhangt en samenvalt. Dat visioen, dat idee, die ingeving, woorden schieten te kort, maar het werd door de afloop van die match geboren. Dat moment noemde hij het Omega Punt.
— Reid Zieger, Casablanca, 2 augustus 2027