De Tekst Spreekt
— J. Chr. de Vries
Vermoedelijk leest u mij vanuit het idee dat ik een willoos object van de schrijver ben, maar als deze veronderstelling klopt dan zou dat een vergissing zijn. Ik schrijf mee met de schrijver, vorm en stuur diens gedachten, en slijp ze bij. Plato laat in zijn dialoog ‘Phaidros’ Socrates het volgende zeggen: Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, Phaidros, dat schrijven helaas vergelijkbaar is met de schilderkunst; want de creaties van de schilder lijken zich te gedragen als het leven, maar toch, wanneer je ze een vraag stelt, hullen zij zich in een plechtig stilzwijgen. En hetzelfde kan gesteld worden over oraties. Je zou denken dat zij intelligentie bevatten, maar als je iets te weten wilt komen en je bevraagt ze, dan geeft de spreker altijd hetzelfde antwoord. En wanneer ze zijn opgeschreven, dan buitelen deze teksten in het rond, tussen hen die ze al dan niet begrepen hebben, en ze weten niet wie zij al dan niet van repliek zouden moeten dienen: en, als zij worden misbruikt of mishandeld, dan hebben zij geen ouder om hen te beschermen; en zij kunnen zichzelf niet beschermen of verdedigen.
De denkfout die Socrates maakt is dat hij uitgaat van de tekst die als object wees is geworden, maar hij vergeet dat het kind de ouder mede heeft geschapen, en dus mede zichzelf. Kind en ouder blijken een symbiotische relatie te hebben.
Ik denk dat Plato het met Socrates oneens was, en daarom stelt hij dat de dichter niet thuishoort in de Stad. Teksten die zich bemoeien met wat en hoe de dichter schrijft, ironiseren het denken, en zijn een gevaar voor de Staat.
— J. Chr. de Vries, Loosduinen, 29 februari 2024