De Vinder

parabels

De Vinder

J. Chr. de Vries

Ruim een maand na de onverwachte ontmoeting met mijn oude vlam Hedy Pogélosç spraken we weer af om samen te lunchen in Le Bugue, in het restaurant met uitzicht op de Vézère. Ik had een fijne herinnering aan die eerste ontmoeting, maar ik was toch wat nerveus om haar weer te zien, ik was bang dat ik te hoge verwachtingen had. Ik hoopte dat ik niet nog een keer verliefd op haar zou worden, de bakvissentijd had ik achter mij gelaten — of toch niet? Ze zat al aan een tafel bij het raam toen ik het restaurant binnenliep. Ik vond haar nog steeds erg aantrekkelijk. 


Na de gebruikelijke uitwisselingen van nieuwtjes en roddels kwam het gesprek terecht op haar werk. Ze was werkzaam als psychotherapeut in het Academisch Ziekenhuis in Leiden, waar ze woonachtig was. Hier in Frankrijk had ze een tweede huis gekocht in het dorpje Paunat, niet ver van Le Bugue. Omdat ze richting de pensioengerechtigde leeftijd ging had ze kunnen bedingen minder te werken, zodat ze meer tijd in de Dordogne kon doorbrengen. Via haar werk in het ziekenhuis kwam ze regelmatig in de psychiatrische inrichting Endegeest in Oegstgeest. Op een gegeven moment begon ze te vertellen over een bijzondere vrouw die in deze inrichting was opgenomen.


“Deze vrouw, laat ik haar Rozeke de Vriend noemen, wat uiteraard niet haar echte naam is, had mijn interesse opgewekt. Ze woonde daar intern, en was als borderline bestempeld, een wat mij betreft problematische aanduiding.” Ze pauzeerde even om onze glazen bij te vullen. Ik maakte daar gebruik van om te vragen wat die aandoening ‘borderline’ precies inhoudt. Ik kende alleen de term.


“Er worden, even kort door de bocht, twee soorten mentale aandoeningen onderscheiden, neuroses en psychoses,” ging ze verder, “In het eerste geval gaat het om angststoornissen zoals bijvoorbeeld pleinvrees, smetvrees, of vliegangst. In het tweede geval, dat van de psychoses dus, heeft de persoon in kwestie de grip op de realiteit verloren. Borderline is, de naam zegt het eigenlijk al, het gebied tussen die beide aandoeningen in, het is een grensgebied; althans, in de tijd dat die naam gemunt werd. In de nieuwste versie van het handboek over psychische stoornissen, DSM-5, wordt de stoornis strakker gedfinieerd. Maar ik heb daar toch nog steeds problemen mee.”


“En die DSM-5, wat is dat precies? Ik heb er wel over gehoord, maar ik heb mij er nooit in verdiept.”


“De term staat voor Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, en de ‘5’ slaat op de versie ervan, het is de meest recente. Er worden allerlei classificaties van pyschische stoornissen opgesomd, die je als therapeut kunt gebruiken om een diagnose te stellen en daar vervolgens een behandeling voor te bepalen. Als je dat handboek niet te letterlijk neemt kun je er inderdaad wel iets aan hebben, maar al die stempels kunnen ook gevaarlijk zijn voor een goede behandeling. Je ziet dan de mens achter het probleem niet meer, en evenmin houd je dan voldoende rekening met andere dan psychische factoren, zoals sociologische, economische, politieke of juridische factoren die evengoed van invloed op iemands gedrag en welbevinden kunnen zijn. Je moet als therapeut altijd een goede balans zien te vinden. Vooral op het gebied dat als borderline wordt aangemerkt kunnen die andere factoren een grote rol spelen.”

Ons gesprek bleek zich geleidelijk aan te ontpoppen als een college over de geschiedenis van de psychologie, ze was onstuitbaar. Ik herinnerde dit mij uit de tijd dat we samenwoonden, ze las alles van Foucault en antipsychiaters als Laing en Berke; ze was een heftige pleitbezorger van radicale veranderingen op het gebied van de psychiatrie. De tijden waren intussen sterk veranderd, maar de sporen van de jaren zestig waren nog duidelijk voelbaar bij haar. Maar misschien waren ook bij haar oude herinneringen wakker geworden. Toen ze even de tijd nam om een slok wijn te nemen zag ik mijn kans schoon haar monoloog te onderbreken.


“Maar er zijn toch universele emoties, als angst, blijdschap en verliefdheid, die ieder mens kent ongeacht de cultuur of tijd waarin hij of zij leeft? Ik neem niet aan dat hier verschil van opvatting over bestaat bij de diverse psychologen of psychiaters.”


“Uiteraard. We hebben onze instincten, en we ervaren die primaire emoties waar we ons ook bevinden. Maar, het gevaar van het oerwoud is niet gelijk aan dat van de jungle van de stad. Om een roofdier dat ons bedreigt te weerstaan zijn andere technieken nodig dan de gevaren in het verkeer. Als ik in de stad langs een stel geparkeerde auto’s fiets, dan moet ik er op bedacht zijn dat een bestuurder opeens vlak voor mijn neus zijn portier opent, waardoor ik daar bovenop knal. Met andere woorden, onze instincten zijn biologisch bepaald, maar wat we ermee doen is bepaald door wat we onszelf geleerd hebben in een bepaalde sociale context. Dat maakt dat het vak gecompliceerd is, en niet terug te brengen tot een receptenboek.”


“Ik herinner mij een interessante kwestie die iemand mij voorlegde: is het onderbewuste door Freud ontdekt, of heeft hij het uitgevonden?”


“Om het historisch zuiver te houden, de term is afkomstig van Pierre Janet, en Freud heeft diens theorie verder uitgewerkt. Maar de vraag is zeker interessant. Want stel dat je zegt dat het een uitvinding betreft, dan hadden de mensen voor Janet, of Freud, geen onderbewuste. De term is dan een instrument geworden, een onderdeel van de taal. Die stelling pleit dan tegen de praktijk van die DSM’s. Aan de andere kant, hoe kunnen we dit zeker weten? Ook in eerdere teksten komt de term al voor. Ik denk in ieder geval dat de sociale context een belangrijke factor is, die niet genegeerd mag worden. Mijn mentor zei ooit tegen mij: ‘Psychiaters gebruiken, net als economen, liever elkaars tandenborstel dan elkaars theorieën’.”


“Dr. Zeele?” vroeg ik.


“Nee, niet Zeele, iemand anders,” zei ze aarzelend. Ik voelde dat ze geen zin had om zijn naam te noemen. Zou ze soms een relatie met die man hebben gehad, vroeg ik mij af. Ik betrapte mij erop dat ik jaloers werd.


Ze keek mij aan met een peilende blik die ik nog van vroeger kende. “Ahh, je bent jaloers!” stelde ze vast.


Ik keek haar beschaamd aan, ik voelde het bloed in mijn wangen gloeien. “Ja, sorry, stom van me. En ook onbegrijpelijk.”


“Emoties zijn vaak onbegrijpelijk, ze vinden niet plaats op rationeel niveau. Iedere psycholoog zal je duidelijk maken dat als je kind bang is voor die tijger onder zijn bed, het volstrekt zinloos is om te zeggen ‘je hoeft niet bang te zijn’.”


We verdiepten ons een tijdje zwijgzaam in het nuttigen van de maaltijd, ieder in onze eigen gedachten, met vermoedelijk hetzelfde onderwerp: onze verloren relatie. Ik aarzelde of ik er met haar over wilde spreken, het leek mij zinloos, er was teveel tijd tussen gaan zitten. Misschien bij een andere gelegenheid, als ik meer grip had op wat de zin ervan zou kunnen zijn.


“Dat is dus waar we het over hadden,” verbrak ze de ietwat pijnlijk geworden stilte. “We doen de dingen die we doen, we begrijpen ze vaak niet, althans niet op het niveau dat we ervan eisen, en er zijn geen pasklare oplossingen.”


We voelden elkaar tenminste nog wel goed aan. Dat was zowel fijn om te merken, als ook pijnlijk en tragisch. “Het betekent in ieder geval dat er een waardevol element was in onze relatie,” vervolgde ik mijn gedachten hardop. Ze knikte begrijpend.


“Het was geen verloren tijd,” zei ze tenslotte. “Maar, en hiermee komen we in feite weer terug op ons eerdere onderwerp, het kan ook zijn dat het reflecteren op een bepaalde tijd maakt dat die een zekere waarde krijgt. Niet de tijd zelf heeft die waarde, a priori bedoel ik, maar de betekenis die we eraan verlenen. — Nou ja, het is een opvatting.”


We hadden apéritif en plat binnen genuttigd, maar het weer was gelukkig opgeklaard, en de zon was in vol ornaat tevoorschijn gekomen. We zeiden tegen de ober dat we het dessert buiten wilden nemen, wanneer de zon scheen was het meteen een stuk warmer. Hedy zette een zonnebril op, wat ik betreurde, want nu kon ik haar niet goed in de ogen kijken.

“Ik had die vrouw in Endegeest als patiënt. Ik zag haar één keer in de week, in die instelling,” zei Hedy.


Vroeger zou ze ‘cliënt’ gezegd hebben, dacht ik, maar ik zei het niet hardop, want ik wilde haar liever niet onderbreken.


“Een keer wilde ze niet naar de ruimte komen waar ik mijn patiënten zag, en iemand van het personeel kwam mij vertellen dat ze haar kamer niet uit wilde. Dus ging ik naar haar toe. Ze kroop op handen en voeten door haar kamer, kennelijk op zoek naar iets, ze keek onder haar bed, onder de tafel en de twee stoelen die er stonden, ze verplaatste spullen om daarachter of eronder te kijken; ze leek mij in het geheel niet te zien. Dus ik vroeg haar wat ze aan het zoeken was. Pas na enig aandringen antwoordde ze: ’Dat weet ik pas als ik het vind’, zonder mij aan te kijken. Er viel verder geen woord met haar te wisselen, dus liet ik haar verder alleen.


“Een week later wilde ze nog steeds niet naar de behandelruimte komen, dus zocht ik haar weer op in haar kamer. Ze lag op haar bed, maar dit keer negeerde ze mij niet. Toen ik vroeg of ze gevonden had wat ze zocht, knikte ze. ‘Wat heb je dan gevonden?’ vroeg ik. Na enig nadenken zei ze, zonder mij aan te kijken: ‘Dat kan ik niet zeggen.’ — ‘Waarom niet? Of wíl je het soms niet zeggen?’ — Toen ze mij antwoordde keek ze me wel aan: ‘Ik kan niet voor jou bepalen wat je moet zoeken of vinden.’ Daarna wilde ze niet meer met mij spreken.


“Weer een week later kwam ze uit zichzelf naar de behandelkamer, ze was in een goede bui, bijna vrolijk zelfs. Ze zag er ook goed verzorgd uit, niet in de afgetrapte trainingsbroek die ze anders droeg, maar een fleurige halflange rok en een donkerblauw jasje. En een hoedje! Ze keek me aan als ze sprak, en reageerde direct, zonder aarzeling op mijn vragen. 


“‘Kennelijk heeft datgene wat je gevonden hebt je goed gedaan,’ zei ik. Ze knikte enthousiast. ‘Ja, dat kun je wel zeggen.’ Ik wilde niet vragen wat dat ‘datgene’ dan inhield, ze moest zelf beslissen of ze mij er meer over wilden vertellen.


“We spraken nog een tijdje door, voornamelijk over praktische zaken, zoals haar medicatie en over wat ze zou gaan doen als ze weer op zichzelf kon wonen. Vlak voordat ik de sessie met haar wilde afronden kwam ze uit zichzelf met het antwoord op de vraag die ik haar niet hardop had willen stellen: ‘Ik ben erachter gekomen dat ik niets kwijt ben.’”

“Mooi!” zei ik. “Ze was op zoek naar een inzicht. Wel curieus dat ze die onder haar bed probeerde te vinden.”


“Nee, dat vind ik helemaal niet vreemd,” antwoordde Hedy, “ze wist immers niet waar ze naar op zoek was. Het kon van alles zijn, of het iets concreets was, of een bepaald idee of een inzicht, dat wist ze op dat moment nog niet. De meeste theorieën zijn uiteindelijk vormen van praxis, dat vergeten de meeste mensen weleens, met name wetenschappers en juristen.”


“Ja, dat vind ik ook,” zei ik met, ik vrees, een verliefde glimlach, “onze lunch is er een uitstekend voorbeeld van.”

Bonnemort, 22 april 2024