De Ware Leugen

detectives

De Ware Leugen

J. Chr. de Vries

Al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt haar wel.
— Het Grote Boek der Tegeltjeswijsheden van de Chinese Keizer

Op een zonnige voorjaarsmiddag zat Rudi Bistpelz met zijn vriend Steinerd Prok op het terrasje van een Wein- und Bierstube op een eilandje in de rivier de Pegnitz in Nürnberg. Prok, inspecteur van recherche in Regensburg, logeerde een weekendje bij Bistpelz, een publicist, niet alleen om samen wat bij te praten, maar ook om over oude, curieuze zaken te spreken, vooral cold cases waren een liefhebberij van Bistpelz. Hun bestelling, een droge, witte Riesling was net geserveerd, toen een man op hun tafeltje afliep. Hij schudde Prok de hand en zei ‘Alles goed?’ waarna Prok antwoordde dat in ieder geval de wijn zeer goed was.

“Dat was Dennis Koege, een freelance publicist en kennis van mij. Hij schrijft voor tijdschriften als Die Zeit, Die Welt en soms ook voor de Süddeutsche Zeitung,” zei Prok nadat Koege verder was gelopen. “Meer dan oppervlakkige kennissen zijn we overigens niet.”
Omdat Prok peinzend voor zich uit zat te kijken vroeg Bistpelz: “Alles goed?”, waarop Prok diens grimas op gelijke wijze beantwoordde.
“Ik word altijd een beetje kniftig van dat soort vragen, hoezo ‘alles goed?’ — wat is dat nou voor idiote, onmogelijke vraag?”
“De vraag is natuurlijk of het wel een vraag is,” antwoordde Bistpelz, “ik denk van niet. Het is gewoon een groet.”
“Een groet in de vorm van een leugen dan,” mopperde Prok. “Zeg gewoon ‘ik hoop dat het goed met je gaat’.”
In vino veritas,” zei Bistpelz, en hij nam een flinke slok van zijn Riesling.
“Gezondheid!” zei Prok, ook een slok nemend.
“Volgens mij stoor je je hieraan vanwege je licht-autistische inslag,” zei Bistpelz. “Je hebt de neiging alles letterlijk te nemen.”

En zo kwamen de beide mannen te spreken over de begrippen leugen en waarheid.
“Wanneer wordt waarheid een leugen?” vroeg Prok.
“Wanneer wordt leugen een waarheid?” riposteerde Bistpelz.
“Dat laatste kan niet,” antwoordde Prok, “waarheid kan niet uit een leugen geboren worden.”
“Daar ben ik nog niet zo zeker van,” zei Bistpelz. “Misschien heb je gelijk, maar laten we de verschillende mogelijkheden bekijken. Daartoe moeten we eerst onderscheid maken tussen leugens en waarheden zonder meer, en leugens die zich voordoen als waarheid, en eventueel het omgekeerde. Van dat laatste ben ik als gezegd niet zeker, maar vanuit een logisch gezichtspunt moeten we dit ook onderzoeken.”

“Oké, eerst de leugen zonder meer,” stelde Prok voor. “Een verdachte van een misdaad, die wordt verhoord en die geen schuld wil bekennen, zal zich van een dergelijke leugen willen bedienen. Sterker nog, daar heeft hij wettelijk zelfs het recht toe. Niemand is bij wet verplicht zijn schuld te bekennen. Dus mag je liegen. Aan de rechercheurs om zijn schuld aan te tonen.”
“Het omgekeerde is ook helder. Als ik beweer: ‘Ik drink hier met Steinerd een glas Riesling,’ dan is dat een waarheid zonder meer. Deze twee vormen zijn dus oninteressant voor ons, het gaat ons nu om de mengvormen van leugen en waarheid.”
“Goed, we beginnen met het gemakkelijkste, een leugen die zich voordoet als een waarheid. Daarbij is het dus niet meteen duidelijk dat die waarheid eigenlijk een leugen is. Er is een gezegde dat heet ‘de waarheid liegen’, politici zijn er goed in.”
“Volgens mij bedoel je het fenomeen van de drogreden. Je gebruikt een argument dat geldig lijkt, maar het is dat niet.”
“Inderdaad zijn de drogredenen daar een goed voorbeeld van, maar er zijn ook wel andere gevallen te vinden van ‘de waarheid liegen’. Bijvoorbeeld vleierij, mooipraterij, niet ter zake doende complimentjes maken, afleidingsmanoeuvres als flirten, lief glimlachen en iets afdoen met een grapje.”

“Er is een mooi voorbeeld van een drogreden die je goed onder het kopje ‘de waarheid liegen’ kunt plaatsen, deze drogreden luistert naar de fraaie naam: If-by-whiskey,” ging Prok verder. “De term is afkomstig uit een politiek debat, uit de tijd van de drooglegging in de VS. Een wetgever uit de staat Mississippi hield een betoog over de kwestie of het verbod op sterke drank gehandhaafd moest blijven, of niet. Hij begon met een reeks argumenten om bij het verbod te blijven. ‘Wanneer je whiskey zegt, en je bedoelt: het is duivels, ongezond, en dat het tot oeverloos geraaskal leidt, dat het een slecht voorbeeld is voor onze jeugd, en nog zo wat kwalijke zaken, dan is dat een goede reden voor het handhaven van het verbod.’ Daarna volgde een omgekeerde reeks argumenten. ‘Maar, als je zegt dat whiskey de olie is van een conversatie, dat het filosofische wijn is, dat het ons humeur doet verbeteren, dat ons aan het lachen maakt, dat het ons troost biedt in tijden van verdriet, dat de accijnzen ten dienste komen van onze gezondheidszorg, het onderwijs, ons wegennet en nog een aantal deugden, dan zeg ik, ik ben voor het opheffen ervan.’ Het is een retorische truc, door via een enerzijds-anderzijds de boel naar je toe te trekken; de retorica bezit een uitermate geschikte set instrumenten waarmee de waarheid gelogen kan worden.”
“Ja, heel mooi voorbeeld, inderdaad. Complottheorieën varen er ook goed bij. Vooral gegoochel met getallen is dan een zeer veelgebruikt hulpmiddel.”
“En dan zijn er nog de paradoxen en aporieën, zoals bijvoorbeeld die van Zeno. Die pijl die zijn doel nooit bereikt, of Achilles die niet kan winnen van de Schildpad. Geponeerde waarheden die na enig logisch nadenken uiteindelijk leugens blijken te zijn.”
“Zijn die aporieën van Zeno eigenlijk ooit definitief ontkracht?” vroeg Bistpelz peinzend. “Ik dacht dat het onweerlegbare paradoxen bleken te zijn.”
“Nee, het zijn overigens geen paradoxen maar aporieën. Het verschil daartussen is dat een paradox een onoplosbare tegenspaak behelst, en een aporie een niet op te lossen argumentatie. Die aporie van Achilles en de Schildpad is ongeldig, omdat Zeno meende dat de som van een oneindig aantal waardes ook oneindig is, maar dat is niet zo. De afstand die de schildpad moet overbruggen is namelijk een eindige afstand. Denk aan het verschil tussen het getal 1 en 2. Ertussen kun je een oneindig aantal kleine waardes bedenken, met achter de komma een oneindig aantal nullen. Je hebt dan weliswaar een oneindig aantal van die nietige waardes nodig om de afstand van 1 naar 2 te overbruggen, maar die afstand is en blijft desondanks eindig, namelijk 1.”

Bistpelz bleef peinzend kijken. “Juist. Ik geloof je op je woord, maar echt begrijpen doe ik het nog niet. Ik begrijp er in ieder geval uit dat wat eerst een als waarheid vermomde leugen was, inmiddels een leugen zonder meer is geworden.”
“Dat is inderdaad een zeer ware conclusie.”
“Fijn! Dan kunnen we nu over naar het problematische geval: waarheid vermomd als leugen.”
“Nou ja, jij meent dat deze vorm mogelijk is, ik denk eerlijk gezegd dat dit niet zo is. Kom maar op!”

Bistpelz concentreerde zich op zijn wijnglas. Dat was leeg. De karaf inmiddels ook. Hij wenkte de ober, en vroeg om een nieuw karaf Riesling. “Ik moet er even over nadenken,” gaf hij als verklaring voor zijn zwijgen. Dat ‘even’ besloeg uiteindelijk vijf volle minuten. “Een leugen om bestwil,” kwam er uit. “Dat is een leugen die er is om de waarheid te dienen.”
“Hmm,” reageerde Prok, “dat zie ik eerlijk gezegd niet één-twee-drie. Het lijkt mij eerder een leugen om de waarheid te verdoezelen. Het is vooral een vorm van hypocrisie. Je hebt een dodelijke ziekte, en je zegt dat het wel meevalt.”
“Dat kan inderdaad, maar wanneer het beter is voor die ander, bijvoorbeeld een klein kind dat nog te jong is om de waarheid te verdragen, dan is het een leugen om bestwil, een leugen die goed bedoeld en daarom dus waar is.”
“Ook bij een klein kind zie ik niet in waarom je de pijnlijke waarheid zou moeten verbloemen, je kunt een dodelijke ziekte, bijvoorbeeld van een van de ouders, best op het niveau van een kind uitleggen. Daar is geen leugen voor noodzakelijk.”
“Maar hoe zit het dan bijvoorbeeld met seks? Moet je een kind echt alles vertellen? Dingen waar het zich nog op geen enkele manier een voorstelling bij kan maken, waar het gewoon nog te jong voor is. Wat is daar mis mee?”
“Volgens mij kies je dan voor een leugen, en ontwijk je iedere vorm van waarheid. Een pedagogische leugen is geen waarheid.”
“Er zijn heus wel gevallen te bedenken waarbij het verbloemen van de waarheid een deugd is. Als iemand bijvoorbeeld niet meer in staat is de waarheid te bevatten, moet je die werkelijk te allen tijde confronteren met de waarheid? Iemand die dement is bijvoorbeeld, is vaak niet meer in staat om bepaalde waarheden te begrijpen. Dan lijkt een leugen om bestwil een uitkomst.”
Prok staarde een tijdje in zijn glas, nam een slok en zei: “Ja, oké, er zijn vermoedelijk wel enkele situaties te bedenken, maar dat zijn uitzonderingen. In verreweg de meeste gevallen gaat het bij dit soort leugens om een vorm van schijnheiligheid.”
“Een ander geval dan: de leugen uit onwetendheid.” Bistpelz priemde met zijn rechter wijsvinger in de lucht. “Vanwege die onwetendheid is het dan strikt genomen geen leugen. In vroeger tijden dachten de mensen dat de aarde plat was. Dat werd ook als waarheid verkondigd. Er zijn dus waarheden die in de loop van de tijd, vooral dankzij de wetenschap, tot leugens getransformeerd werden.”
“Dat is hetzelfde als bij die aporieën van Zeno, de zogenaamde waarheden werden achterhaald.”
“Wat als je je iets niet herinnert?”
“Dan is er dus sprake van een mankement.” Prok dacht even na. “Ik weet niet of ik dan over waarheid zou spreken, ik zou het eerder een vergissing noemen. Dat betreft dan niet een echte leugen, in ieder geval niet een moedwillige.”
“Goed, de leugen om bestwil valt wat jouw betreft af, op wellicht enkele uitzonderingen na, die er feitelijk niet echt toe doen,” zei Bistpelz, “dan is er nog één andere optie die we kunnen bekijken, namelijk dat geval van ‘Hoe gaat het’.
“Huh? Dat zie ik niet direct,” zei Prok, “die moet je me even uitleggen.”
“Denk even na. Het is een groet of een vraag. Een ervan is waar.”
“Ja, nou èn? Dat is toch geen kwestie van een waarheid versus een leugen?”
“Je bent kort van memorie. Je noemde die vraag een ‘groet in de vorm van een leugen’.” 

Bistpelz ging er even voor zitten. Hij schonk zijn glas weer bij, nam een slok, en stak van wal. “Als die zinsnede een echte vraag is, dan is die vraag op zichzelf ‘waar’. En dan verwacht de vraagsteller een waar antwoord. Bijvoorbeeld: ‘Het gaat heel goed met mij, want zus & zo.’ Of: ‘Het gaat heel slecht met mij, moet je nu eens horen…’ Of: ‘Het gaat redelijk goed met mij, alleen dit gaat wat minder, maar dat gaat juist beter dan verwacht.’ Dit is recht toe recht aan. Allemaal ‘waarheid’. Nu de andere optie: de zinsnede is geen vraag, het is een groet in de vorm van een vraag. De bedoeling is dus helemaal niet dat je die pseudovraag als een echte vraag gaat beantwoorden, dat levert alleen maar een pijnlijke situatie op. De persoon van de groet verwacht alleen maar een tegengroet. Dat kan in allerlei vormen, bijvoorbeeld via een tegenvraag: ‘Best goed, en met jou?’; dit is evenmin als vraag bedoeld. Of bijvoorbeeld: ’Het gaat heel goed!’ Dit is net zo’n leugen als de verwachting dat de zinsnede een echte vraag zou zijn. Het is dus een spel, waarbij zowel de steller van de pseudovraag, als degene die hem beantwoordt, weet dat het allemaal een ‘leugen’ is, in dienst van de begroeting.”
“En die begroeting, en het besef daarvan, dat is dan waarheid?” concludeerde Prok peinzend.
“Ja, waarheid vermomd als leugen,” beaamde Bistpelz.
“Ik begrijp je redenering, maar ik verwacht toch iets grootsers, iets fundamentelers, als het om de begrippen waarheid en leugen gaat.”
“Tja, tegen retorische begrippen als drogredeneringen en de aporieën van Zeno kan ik niet op natuurlijk,” zei Bistpelz met gespeelde wrevel.
Prok negeerde de theatrale pose van zijn vriend volkomen, en gaf een nieuwe draai aan hun gedachtewisseling: “Ik moet opeens denken aan een merkwaardige zaak van jaren geleden. Geen echte cold case, maar wel iets dat er in de buurt van komt.”
“Heeft het met deze kwestie van vervlochten waarheid en leugen te maken?” vroeg Bistpelz.
“Dat weet ik nog niet, misschien wel…”

Bistpelz zag dat Prok aan het nadenken was, en liet hem maar even zijn gang gaan. Hij wenkte de ober en bestelde wat olijven, worst en kaas. Hij wachtte tot de ober terug kwam met de bestelling en zei: “Laat maar horen!”
“Ik zal die zaak eerst beschrijven, althans voor zover ik die paraat heb.” Prok nam een stuk worst, kauwde er bedachtzaam op, nam een slok wijn, en begon daarna zijn relaas. “Het ging om een uiterst curieuze zaak, die er eerst uitzag als een normale moord — voor zover het woord ‘normaal’ tenminste van toepassing is. Een crime passionel. Een man had zijn rivaal vermoord. Ik moet even nadenken hoe het ook al weer zat… Ook de namen… Wacht, ik kom er wel op.” Er verschenen diepe rimpels boven zijn wenkbrauwen. “Ik weet het weer,” zijn ogen lichtten op, “het betrof Adolf  Teze  en Ramon Wesel.”
Maar meteen zweeg hij weer, Bistpelz zag Prok weer diep in zijn geheugen graven.
“Neem je tijd,” zei Bistpelz, “geen haast!”
Prok knikte, en opeens klaarde zijn gezicht helemaal op, hij wist het allemaal weer. “Het ging om een vrouw, Dinfa Moralens genaamd. Zij was de minnares van Adolf Teze, maar zij was vreemd gegaan met Ramon Wesel. Die twee waren goede vrienden, wat zeg ik, boezemvrienden. Ze kenden elkaar al van kinds af aan. Teze had zijn vriend betrapt met zijn minnares, en was des duivels, hij vond het onvergeeflijk. Wesel had enorme wroeging, hij begreep de kwaadheid van zijn vriend volkomen, hij wilde alles doen om het weer goed tussen hen te maken, maar daar was geen beginnen aan. Teze was onvermurwbaar, op geen enkele manier kon zijn vriend dit goed maken. En zijn verradelijke minnares al evenmin. Om een lang verhaal kort te maken, beide rivalen besluiten tot een duel. Met pistolen dus, het was voor Teze een erezaak, en Wesel wist niet hoe er onderuit te komen, dus hij ging erin mee.” Prok pauzeerde even, voor een nieuw stukje worst en een slok wijn. Maar ook om zijn gedachten te bepalen. “Kijk,” ging hij verder, “de eerste versie van deze kwestie is gebaseerd op de conclusie van de eerste verhoren, tot en met de definitieve veroordeling door de rechtbank.” Hij pauzeerde weer, om te kijken of Rudi hem nog volgde. Deze knikte. “De uitkomst van het duel was dat Teze een kogel door zijn hoofd kreeg, en op slag dood was. De rechter oordeelde ‘moord met voorbedachte rade’. Dat Wesel ingestemd had met het duel werd hem zwaar aangerekend.”
“Maar was het wel moord met voorbedachte rade?” vroeg Bistpelz. “Het was een duel, die zijn al een tijd lang verboden, dat weet ik ook wel, maar dat vind ik toch iets anders dan moord. Het slachtoffer heeft er immers mee ingestemd.”
“De aanklacht van de officier van justitie was dat het om moord met voorbedachte rade ging, de rechtbank ging daarin mee.”
“Is hij daar dan niet tegen in beroep gegaan? Deze aanklacht lijkt mij juridisch gezien aanvechtbaar, maar ik ben geen jurist.”
“Mijn verhaal was niet af, ik wilde dit juist gaan vertellen. Maar nee, hij is niet in beroep gegaan, en dat maakte dat deze zaak een soort cold case voor mij werd, hoewel niet vanuit formeel oogpunt.” Prok stak een plakje worst in zijn mond. Even later vervolgde hij: “Ik vond het ook vreemd dat hij niet in beroep ging. Wesel is uiteraard psychisch onderzocht, en de psychiater zei dat de man weliswaar leed aan een enorm schuldgevoel, ‘wroeging’ was het woord dat hij bezigde, maar ook dat hij volledig toerekeningsvatbaar was. Dat hij niet in beroep ging had met die wroeging te maken. Dat was overigens tegen het advies van zijn advocaat in. Wesel vond echter dat hij de maximale straf verdiende, om iets van zijn schuld bij zijn dode boezemvriend in te lossen. Voer voor psychologen dus, maar ik kon er als politieman niets mee.”
“Ben je die cold case, of welk etiket je er ook op zou willen plakken, daarna verder gaan uitzoeken?” vroeg Bistpelz.
“Noem de rode lap cold case en Rudi gaat er als een stier op af,” grijnsde Prok. “Ik ga het uitleggen.”
Bistpelz zette zijn beide handen naast zijn voorhoofd, maakte hoorntjes van zijn wijsvingers en begon trapbewegingen met zijn voeten te maken.
Prok moest er zowaar een beetje om lachen. “Ik ga verder,” zei hij, “de eerste jaren had ik geen tijd om mij verder in die zaak te verdiepen. De man had bekend zijn vriend in dat duel te hebben doodgeschoten, en de vraag of het nu wel of niet ‘met voorbedachte rade’ was, had niet mijn hoogste prioriteit, zoals je wel zult begrijpen.”

Bistpelz die inmiddels zijn handen weer bij de worst en zijn wijnglas had, knikte braaf ‘ja’. Hij maakte cirkelbewegingen met de vork in zijn hand, waaraan hij net een stukje worst had geprikt, om aan te geven dat Steinerd verder moest gaan.
“Jaren later, ik weet eerlijk gezegd niet meer hoeveel, stuitte ik bij toeval weer op die zaak. Dat kwam trouwens door die kennis van mij, Dennis Koege, die mij straks kwam begroeten. Die was bezig met een artikel over een andere juridische moordkwestie, en vroeg mij ernaar. Over toeval gesproken… Hoe dan ook, ik ging mij er weer in verdiepen, en toen trof ik iets merkwaardigs aan. Het pistool van de gedode vriend, die Adolf Teze, bleek één patroon meer in de houder te hebben dan die van Ramon Wesel. Het stond in één enkel zinnetje, ergens weggestopt tussen heel veel andere feiten. De beide, identieke, pistolen waren zogenaamde Glock’s, type 32. Dit pistool heeft standaard dertien patronen in het magazijn. Omdat Wesel zijn kogel had afgevuurd waren er in zijn pistool nog elf patronen in de houder, en één in de loop. Twaalf in totaal dus.
Teze had twaalf patronen in de houder, en één in de loop, hij had dus nog alle dertien. Met andere woorden, Teze had geen schot gelost. Dat wisten we natuurlijk al, want er was geen andere afgevuurde kogel gevonden. Maar wat we nog niet wisten was waarom hij niet had gevuurd. Was hij te traag geweest? Ik besloot een gesprek met Wesel aan te vragen. Dat werd toegestaan, en ook Wesel had geen bezwaar; misschien dat de jaren van eenzame opsluiting zijn schuldgevoel wat had doen afnemen, ik weet het niet, maar ik vroeg hem uiteindelijk op de man af waarom Teze niet had geschoten.
Hij vertelde uitgebreid over de procedure die ze hadden bepaald voor het duel. Ze hielden allebei het pistool gericht op het voorhoofd van de ander, met de loop tussen de ogen. Ze zouden aftellen, van drie, naar twee, naar één, en dan zouden ze beiden tegelijk vuren. Het was een gezamenlijke zelfdoding. Althans, dat was het plan, maar toen hij vuurde, hoorde hij bij zijn vriend alleen een klik. Hij begreep er niets van, en was zodanig van de kaart, dat hij er verder niet over na kon denken. Tijdens de voorbereiding van de rechtszaak had hij er uiteraard wel over nagedacht, maar hij was zo overspoeld door schuldgevoel, dat hij die kwestie liet rusten. Ook tegen zijn advocaat sprak hij er met geen woord over.”
“Allemachtig, wat een verhaal zeg!” Bistpelz keek zijn vriend verbijsterd aan. “Maar hoe kom je tot een dergelijke beslissing, er voor kiezen samen te sterven? En dan op zo’n dramatische wijze? Dan was er toch bij allebei de mannen een steekje los?”
“De psychiater concludeerde van niet, althans bij Wesel. Aan Teze’s psychische gesteldheid viel niets meer te onderzoeken. Maar hij heeft wel iets gezegd over de reden voor dat duel. Teze was ten einde raad vanwege het verraad van zijn minnares. Hij was tot over zijn oren verliefd op haar, en dacht dat zij de vrouw van zijn leven was. Dinfa was echter een totaal andere vrouw dan die in zijn fantasie, ze was alles behalve een monogaam type, en ze neukte er lustig met jan en alleman op los. Wesel was slechts één van haar andere minnaars. Teze heeft dit echter niet onder ogen willen zien. Hij had niets meer om voor te leven. Maar hij wilde ook wraak nemen, op Wesel, en op Dinfa. Vandaar dat duel. Hij dood, dan Wesel ook dood. Dat hij daarmee Dinfa helemaal niet zou pijnigen, was niet tot hem doorgedrongen.”
“Maar waarom was dat ene pistool niet afgegaan, was het defect? Of was Teze te traag, ging het mis met aftellen?”
“Dat wist Wesel ook niet. Hij begreep het niet, en kon of wilde het niet verder uitzoeken. Ik begreep het zelf ook pas later, nadat ik weer wat tijd had om erover na te denken. De enige verklaring die ik kon bedenken was dat die klik betekende dat er geen patroon in de loop zat. Het ding was niet geladen. Teze heeft zeker afgedrukt, dat kun je zien aan die patroon die daarna wel in de loop bleek te zitten. Dit kan maar één ding betekenen: Teze heeft opzettelijk zijn eigen pistool niet geladen. Hij wilde dat alleen hij zou sterven. Wesel moest blijven leven.”
“Dát was zijn wraak,” begreep Bistpelz, “Teze wilde dat Wesel zou blijven leven, in de wetenschap dat hij dan voor moord zou worden gearresteerd en tot vele jaren gevangenschap zou worden veroordeeld, waarin hij uiteindelijk zou smoren in zijn wroeging en schuldgevoel.”
“Precies! En dat is ook gebeurd. Wat Wesel betreft dan, Dinfa is gewoon met haar leventje verder gegaan, ze is niet eens bij het proces tegen Wesel geweest. Ze wilde niet in de rechtszaal getuigen, en heeft alleen een schriftelijke verklaring afgelegd.”

De worst was op, Bistpelz prikte een olijf op een stukje kaas en stak het in zijn mond. Prok volgde zijn voorbeeld. Beiden zwegen een poosje, nadenkend over wat de mogelijk consequenties konden zijn van dit verhaal voor hun kleine onderzoek naar het verband tussen waarheid en leugen. Bistpelz verbrak als eerste de stilte: “Waar leidt dit uiteindelijk toe, qua waarheid en leugen?”
“Ik realiseer mij nu opeens dat ik vanwege die korte begroeting van Dennis Koege op dat verhaal van Wesel kwam, dat zat kennelijk ergens in mijn onderbewuste verstopt. Zeker nadat jij weer terugkwam op die begroeting, als voorbeeld van een ‘ware leugen’. Toen Koege mij er later nogmaals naar vroeg, nadat ik met Wesel gesproken, wist ik wat er zich werkelijk had afgespeeld. Ik herinner mij nu trouwens ook wat hij toen zei als commentaar: Het uur van de waarheid ondergedompeld in een leugen, zo noemde hij het.” Prok onderbrak zichzelf even voor een slokje wijn. “Maar nu wat betreft je vraag. Of deze exercitie echt ergens toe leidt weet ik niet, het zal uiteindelijk wel Spielerei zijn, maar ik ga proberen het uit te leggen.”
“Voordat je dat doet heb ik nog een vraag,” onderbrak Bistpelz hem, “heeft jouw ontdekking gevolgen gehad voor Wesel? Strafvermindering bijvoorbeeld.”
“Inderdaad,” bevestigde Prok, “er kwam een nieuw proces, zijn vonnis werd omgezet in doodslag, wat betekende dat hij een lagere straf kreeg, en vanwege het voorarrest en de reeds gezeten jaren werd hij onmiddellijk op vrije voeten gesteld. Daar heeft hij overigens niet erg lang gebruik van gemaakt, nog geen zes maanden na zijn vrijlating heeft hij een einde aan zijn leven gemaakt.”
“Pfff,” zuchtte Bistpelz, “wat een drama. Met een pistool, als ik dat vragen mag?”
“Helaas niet, hij heeft een trein uitgezocht…”
“Nou ja zeg! Wat een onterechte klootzak, dan spoor je toch echt niet, als je mij deze flauwe woordspeling wilt vergeven.”
Prok negeerde het foute grapje en vervolgde onverstoorbaar zijn betoog: “Ik zal trachten in mijn slotpleidooi aan te tonen dat in het verhaal van de twee zelfdoders de waarheid vermomd was als een leugen. Het duel was duidelijk bedoeld als een zuivere articulatie van wat wij het uur van de waarheid zouden kunnen noemen. Als beide pistolen gelijktijdig waren afgegaan, wat de aanvankelijke bedoeling was van beiden, dan had deze waarheid zich voltrokken. Maar een van de mannen koos ervoor deze waarheid te vervangen door een andere waarheid, door die nieuwe waarheid te verbergen achter een leugen. Die tweede waarheid was die van de wraak.”
“Maar was die tweede waarheid wel ‘waar’? Waarom was dat niet simpelweg een leugen?”
“Omdat dit zijn eigen uur van de waarheid inluidde, dat lijkt mij geen leugen.”
“Maar dan zou je het ook een geval van ‘de waarheid liegen’ kunnen noemen.”

Prok dacht na. Bistpelz vulde hun glazen bij met het restant uit het karaf. ‘Tijd om af te ronden,’ concludeerde hij.
“Ik zal het uitleggen,” zei Prok tenslotte. “Het verschil tussen ‘de waarheid liegen’ en ‘de waarheid vermomd als leugen’ is dat in het eerste geval de leugen het doel is, en in het laatste geval de waarheid. De politicus die een of ander doel voor ogen heeft en daarvoor een gelogen waarheid, zoals een drogreden gebruikt, is niet geïnteresseerd in waarheid, maar uitsluitend in zijn politieke doel, waarvoor de leugen, die drogreden in dit geval, het instrument is. Teze wilde wraak nemen op Wesel, daarvoor gebruikt hij een leugen, namelijk een zogenaamd eervol duel, maar dit duel was een leugen, hij plande in plaats daarvan zijn zelfdoding met Wesel als wapen. Daarmee was hij verlost van zijn lijden en kon hij bovendien wraak nemen op zowel Wesel als Dinfa, althans, dat was zijn bedoeling. Dit was zijn waarheid. Zijn leugen stond in dienst van zijn, tragische, waarheid.”
“Dat is dan wel een negatief voorbeeld, omdat deze negatieve waarheid bestaat uit zowel de dood als de wraak.” meende Bistpelz.
“Er schijnt  een beeld te bestaan van de Romeinse God Genius, God van leven en dood, met een brandende toorts in zijn hand. Houdt hij de toorts omhoog, dan staat dat voor het leven, houdt hij hem omlaag, dan voor de dood.”
“Ken je die Wet uit Het Grote Boek der Tegeltjeswijsheden van de Chinese Keizer?”
“Nee,” antwoordde Prok, “ik geloof het niet.”
“Hij luidt aldus: De opwaartse zeggingskracht die waarheid ondervindt wanneer ondergedompeld in leugen, is even groot als de massa van de verplaatste hoeveelheid leugen.”

— J. Chr. de Vries, Viechtach, 16 augustus 2016