Het Ding in Zichzelf

parabels

Het Ding in Zichzelf

J. Chr. de Vries

Men moet zich het vijfde ding voorstellen als iets waardoor ieder wezen kenbaar is en waarachtig bestaat.
Plato — Zevende Brief

Feitelijk of Fictief?

Welbeschouwd heb ik heel mijn leven als docent Ethiek in de kunsten aan de School voor Journalistiek geworsteld met de vraag naar hoe het authentieke en het apocriefe zich niet alleen tot elkaar, maar ook tot hun mogelijke onderwerp verhouden. Wat is waarheid, is de onderliggende vraag, aan welke condities moet iets — bijvoorbeeld een stelling, een visie, of een uitspraak — voldoen wil zij als ‘waar’ gekwalificeerd kunnen worden. De stelling 1 + 1 = 2 is waar, daar hoeven we niet moeilijk over te doen, maar we moeten wel de context ervan aangeven: het is waar binnen het numerieke systeem. 1 appel + 1 appel = 2 appels, is op zichzelf ook waar, maar als de ene appel groter is dan de andere, dan kan bij het delen ervan onmin ontstaan; onze zintuiglijke ervaring stelt de grenzen. De stelling dat, als we een kristallen glas loslaten het aan stukken valt, is inderdaad waar wanneer wij op een stenen vloer staan, maar niet als we bijvoorbeeld in bed liggen. Een ontmoeting die ik onlangs had met twee oud-studenten van mij stelde het probleem weer op scherp. Ik besloot Haas hiervan verslag te doen in een brief, het schrijven zou mijn denken slijpen, en wie weet zou hij mij van een kritisch en vruchtbaar commentaar voorzien. Of niet. Bij Haas weet je nooit of en hoe hij reageert. Hieronder het inhoudelijke deel van mijn brief, alle begroetingen, beleefdheden en prozaïsche mededelingen heb ik weggelaten, die zijn voor deze tekst niet aan de orde. Af en toe kan het geen kwaad zich te beperken tot het feitelijke en het fictieve over te laten aan de verbeelding van de lezer.

Het Ding in Zichzelf — Brief aan Taunis Haas

Toeval komt van boven, dacht ik tijdens een gesprek dat ik had met Casper den Tweeph, een oud-student van mij die ik op de boekenmarkt op de Korte Poten in Den Haag onverwachts tegen het lijf was gelopen. We hadden elkaar al enkele jaren niet meer gezien of gesproken, en besloten wat te drinken op het terras van De Posthoorn, op een klein stukje lopen vanaf het stalletje waar wij elkaar troffen. Het valt ons toe, en vallen gaat doorgaans van boven naar beneden. Of iemand het uit een hemel naar beneden heeft geworpen, of dat het een of ander natuurverschijnsel betreft, of — en dat is ook een serieus te overwegen optie — dat het niet bestaat, daarover zijn de wetenschappers en theologen het nog niet eens. Als het dus niet van onderen komt, peinsde ik verder, dan bevindt het zich in ieder geval niet in onze fundamenten; onze wortels.

“U doelt op onze onverwachte ontmoeting?” vroeg Casper toen ik hem deelgenoot had gemaakt van mijn bescheiden overpeinzingen. Ik antwoordde dat het fundamentelere kwestie betrof. Even ervoor had hij gesproken over een onderzoek waaraan hij bezig was, een merkwaardige geschiedenis rond de raadselachtige figuur van Matthiam Scuëde, een negentiende eeuwse wiskundige en publicist. Capser onderzocht de theorie die Scuëde had geschreven over de hypothese van Christoph Meiners, dat de ‘Zevende Brief’ van Plato als apocrief beschouwd moest worden. Het toeval waar ik op duidde was een ontmoeting van enkele dagen voor het treffen met Casper, met diens oud-medestudent Zoe Stederdronk. Ook zij was bezig met een studie naar Christoph Meiners, maar vanuit een andere invalshoek: die van de slavernij en het racisme.

Enkele dagen terug, op 1 juli om precies te zijn, liep ik door het Oosterpark in Amsterdam, waar ik Zoe tegenkwam tijdens de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij in ons land, op 1 juli 1863. Ook wij hadden elkaar al enkele jaren niet meer gezien of gesproken. Ze was verbaasd mij daar te zien, ik stond niet bekend om mijn politieke stellingnames of handelingen. Ik legde haar uit dat ik op weg was naar Artis, eens in de zoveel tijd wil ik namelijk olifanten in levenden lijve bewonderen. Ik heb een zwak voor deze reuzen, geen idee waarom. We spraken kort met elkaar, ze vertelde over haar onderzoek, en wilde graag een keer met mij afspreken om erover van gedachten te wisselen.

“Echt iets voor Zoe,” had Casper opgemerkt. Hij doelde op haar politieke activisme, met name op het gebied van racisme. Zoe was van Surinaamse afkomst, ze had een vader met Ghanese en een moeder met Hindoestaanse wortels. Ik herinnerde mij de soms felle discussies tussen de twee. ‘Jij hebt gemakkelijk praten als witte hetero-man,’ zei Zoe als de argumenten even stokten. ‘Dat is een tu-quoque,’ riposteerde Casper dan. ‘Helemaal geen jij-bak,’ zei Zoe dan fel. ‘Jouw argumenten articuleren precies dat koloniale denken, het zit in je systeem ingebakken!’ En zo verder. Maar het had hun collegialiteit nooit in de weg gestaan, en evenmin haar waardering voor mij als docent, ondanks het feit dat ze mij hetzelfde verweet. Hoewel ik probeerde in de discussies geen partij te kiezen, moet ik toegeven dat ik de opvattingen van Zoe soms erg steriel vond, te recht in de leer.’

Ze waren beiden zeer intelligent, en bovendien gezegend met een flinke dosis gevoel voor humor, ik denk dat dit ervoor zorgde dat de discussies nooit uit de hand liepen. De vraag van Casper verbaasde mij dan ook niet: “Kan ik daar bij zijn, bij die afspraak van u met Zoe?” Ik antwoordde dat ik dat juist had willen opperen. Ik stelde voor om bij mij thuis, tijdens een etentje in de tuin af te spreken, het was mooi, zomers weer, en waarom zouden wij niet het nuttige met het aangename verenigen? En zo geschiedde. Ongeveer een week later zaten we gedrieën aan de tuintafel in comfortabele, van kussens voorziene stoelen; een flinke parasol bedekte de tafel grotendeels, zodat ieder kon kiezen om in de schaduw, of juist de zon te zitten. We begonnen onze bijeenkomst ’s middags om een uur of vijf. Ik had gekoelde wijn, frisdranken, spuitwater en borrelhapjes klaargezet. Casper en Zoe hadden allebij een rugzak meegenomen met materiaal van hun onderzoek, boeken en schriften, en uiteraard de onvermijdelijke laptops. Ik had een soort agenda gemaakt, een lijst met punten die aan bod zouden kunnen komen, maar zonder dat dit de discussie in een keurslijf zou dwingen. Het waren meer uitgangspunten, vertrekpunten voor een zoektocht. Ik was niet van plan om tot afgeronde conclusies te komen, die moesten ze allebei maar voor zichzelf maken. Ik was geen docent meer. Als eerste punt had ik voorgesteld dat ze beiden hun onderzoek zouden introduceren. Kort, niet te diepgaand, en zeker niet gedetailleerd, maar vooral om een indruk te krijgen om welke onderwerpen of problemen het precies ging. Daarna zouden we de raakvlakken benoemen.

In haar inleiding vertelde Zoe dat zij tijdens haar onderzoek naar de wortels van het racisme in West-Europa op de hiervoor genoemde Christoph Meiners was gestuit. Deze Duitse filosoof en geschiedkundige uit de tweede helft van de achttiende eeuw, was een overtuigd polygenist, dus iemand die de overtuiging heeft dat de verschillende mensenrassen geen gemeenschappelijke bron hebben, zoals bijvoorbeeld de Christelijke monogenistische leer dat stelt, waarbij alle mensen afstammen van Adam en Eva. Het probleem van het polygenisme is dat het bepaalde rassen boven andere stelt, en daarmee de kiem legt voor rassenhaat en racisme. Meiners was redacteur van het anti-Kantiaanse tijdschrift Philosophische Bibliothek. Die anti-Kanthouding is overigens complex, stelde Zoe, omdat Kant er zelf vrij lang racistische opvattingen op nahield, die hij pas aan het einde van zijn leven herzag.

“Misschien iets om straks te bekijken, maar ik moet er wel op wijzen dat ik geen expert ben op het gebied van Kant.” Ze spreidde haar handen om aan te geven dat ze klaar was met haar inleiding, en pakte haar glas voor een slok.

“Dat het Christendom een monogenistische leer voorstaat maakt die leer voor mij nou niet erg acceptabel,” zei Casper, “maar die andere leer is ook niet jofel.”

“Hallo!” riposteerde Zoe, “Op non sequiturs zitten we niet te wachten.”

Ik schudde mijn hoofd, ik wist precies hoe dit gebakkelei zich verder zou ontwikkelen, dus ik kapte het resoluut af. Ik merkte ook hoe ik na al die jaren lesgeven nog steeds niet begreep waar dat gekift vandaan kwam; zo intelligent zijn, en dan toch je overgeven aan dat inproductieve gekissebis. Wat was dat toch? Jeugdig baltsgedrag?

Casper vertelde dat hij de naam van Meiners was tegengekomen in een essay van Giorgio Agamben over de ‘Zevende brief’ van Plato, waarin deze over Het Ding in Zichzelf schreef. Meiners stelde dat de brief apocrief was. Agamben noemde het jaartal 1783, wat zou kunnen wijzen op de tekst Geschichte des Luxus der Athenienser von den ältesten Zeiten an bis auf den Tod Philipps von Makedonien van een jaar eerder. Casper had die tekst nog niet gelezen omdat Meiners niet zijn aanvankelijke onderzoeksonderwerp was, het ging hem in eerste instantie om de kwestie van dat ‘Ding’. Maar toen was hij op een tekst van Matthiam Scuëde gestuit, waarin het tot apocrief bestempelen van die zevende brief door Meiners het onderwerp was. Kort daarna had hij mij ontmoet, “En nu zitten we hier gedrieën in de tuin te dineren,” sloot Casper zijn inleiding af.

Ik stelde voor om deze twee punten te bespreken, dus het ‘Ding’ van Plato en de kwestie van het tot apocrief verklaren van de tekst van Plato over dat ‘Ding’. Hebben die twee punten iets met elkaar te maken? ‘En of dat racisme van Meiners hier mee te maken heeft,’ had Zoe aangevuld. Zo kwamen wij tot drie thema’s: Het Ding in Zichzelf, Apocrief versus Authentiek en het West-Europese racisme. En uiteraard de vraag wat het gemeenschappelijke raakvlak tussen deze thema’s zou kunnen zijn, mits daar sprake van was, want dat was — in ieder geval voor mij — nog geen uitgemaakte zaak. Zoe had hier een meer uitgesproken opvatting over, zij meende dat het racisme beslist een rol speelde in deze kwestie. Casper hield zich op de vlakte.

We besloten eerst wat te eten, en we gebruikten dit genoegen om een volgorde van punten voor onze discussie te bepalen. Het eerste punt zou het ‘Ding’ van Plato zijn. Omdat geen van ons drieën voldoende expertise had op het werk van deze oude Griekse reus, en geen van ons zich dus kon aanmatigen een gefundeerde omschrijving te formuleren van deze kwestie van het ‘Ding’, besloten we uit te gaan van Scuëde’s theorie. Of die nu correct was of niet, maakte voor ons onderzoek naar de raakvlakken niet direct uit. Althans, dat vermoedden wij. Een intrigerend element van ons plan was dat een van de punten, namelijk apocrief versus authentiek al in dit uitganspunt besloten lag. Wij konden namelijk niet met zekerheid vaststellen of deze theorie van Scuëde feitelijk was of fictief, een deugdelijke voorstelling van Plato’s ‘Ding’, of een (op zichzelf interessant) fantasme. Na wat discussie kwamen wij tot de slotsom dat dit een voordeel was. Of onze aanpak de wetenschappelijke toets der kritiek moeiteloos kon weerstaan was wellicht twijfelachtig, hoewel dit aspect ook weer als een element van datzelfde uitgangspunt kon worden beschouwd, als ‘wetenschappelijk’ staat voor ‘authentiek’ en ‘interpretatie’ voor ‘apocrief’; het ging in beide gevallen over de mate van consistentie van onze redenaties. Wat mijzelf betreft, ik had geen enkele wetenschappelijke pretenties, ik was geïnteresseerd in het verhaal waarvan ik hoopte dat het onder ons ‘leergesprek’ lag verborgen. Wat de twee er verder mee wilden was aan hen. Uiteraard hadden wij elk onze eigen beweegredenen voor ons samenzijn met elkaar uitgewisseld, geen van ons had hier problemen mee. Deze brief aan U is daarmee gebaseerd op mijn persoonlijke interpretatie.

To Pragma Auto

Scuëde omschreef Plato’s kwestie van het ‘ding in zichzelf’ [in het Grieks: to pragma auto] als volgt: In de bewuste ‘zevende brief’ geeft Plato — apocrief of niet — het voorbeeld van een cirkel. Er zijn vijf aspecten (volgens Scuëde gebruikt Plato de term ‘dingen’, maar wij zouden hier vermoedelijk de term ‘aspecten’ of ‘begrippen’ hanteren) die ten opzichte van elk ‘Ding’ kan worden begrepen. Het moge duidelijk zijn dat wat voor de cirkel geldt, eveneens voor alle denkbare objecten of begrippen geldt, dus ook bijvoorbeeld: figuren, mensen, handelingen, opvattingen, of verhalen.

  1. De naam — in dit geval ‘cirkel’.
  2. De definitie — in dit geval ‘een gesloten lijn waarvan elk punt dezelfde afstand heeft ten opzichte van een ander punt: het ‘middelpunt’.
  3. De afbeelding — bijvoorbeeld een tekening van een cirkel.
  4. Alle beschikbare kennis over dit onderwerp — in dit geval meetkundige en wiskundige kennis, maar ook de betekenis daarvan voor de mens.
  5. Het ding in zichzelf — hierin komen de vorige vier punten samen, zij vormen een symbiotische relatie en maken het ‘Ding’ tot iets dat wij kunnen kennen, toepassen en ervaren als een waarachtig ‘wezen’.

Opgemerkt moet worden, aldus Scuëde, dat Plato dit vijfde punt niet wilde formuleren. In de brief, die een commentaar is op Dionysius II, die op dat moment de machthebber is van de Griekse kolonie Sicilië, schrijft hij: [Er] bestaat geen werk van mijn hand, noch zal dat ooit bestaan, dat handelt over deze zaken. Alleen met de juiste intelligentie en bekwaamheid is het mogelijk het ‘vijfde ding’ op adequate wijze te begrijpen en toe te passen. Dat is niet iedereen gegeven, en het formuleren van deze materie doet derhalve eerder kwaad dan goed.

Er is overigens een interessante parallel met een uitspraak van Socrates in Plato’s dialoog Phaidros te trekken. Plato legt Socrates in zijn dialoog de volgende woorden in de mond (over authentiek of apocrief gesproken!):

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken, Phaidros, dat schrijven helaas vergelijkbaar is met de schilderkunst; want de creaties van de schilder lijken zich te gedragen als het leven, maar toch, wanneer je ze een vraag stelt, hullen zij zich in een plechtig stilzwijgen. En hetzelfde kan gesteld worden over oraties. Je zou denken dat zij intelligentie bevatten, maar als je iets te weten wilt komen en je bevraagt ze, dan geeft de spreker altijd hetzelfde antwoord. En wanneer ze zijn opgeschreven, dan buitelen deze teksten in het rond, tussen hen die ze al dan niet begrepen hebben, en ze weten niet wie zij al dan niet van repliek zouden moeten dienen: en, als zij worden misbruikt of mishandeld, dan hebben zij geen ouder om hen te beschermen; en zij kunnen zichzelf niet beschermen of verdedigen.

Wat is hier aan de hand? vraagt Scuëde zich af in zijn tekst. Socrates keert zich tegen geschreven tekst, dus hij heeft zelf nimmer een woord geschreven, wij kennen zijn opvattingen voornamelijk via zijn leerling Plato, die ze wel heeft opgeschreven. Maar Plato wilde kennelijk niet alles opschrijven, sommige zaken waren taboe, net zoals het punt van dat ‘vijfde ding’. Tegen het formuleren van de eerste vier ‘dingen’ was daarentegen kennelijk geen bezwaar. De vraag waar Scuëde zich voor gesteld zag, was wat het principiële verschil was tussen het laatste en de vier eerste ‘dingen’. Hij moest hiertoe een omtrekkende beweging maken.

Ik heb besloten om in deze fase van mijn brief het verslag over de bijeenkomst met Casper en Zoe zo afstandelijk mogelijk te houden. Zo feitelijk mogelijk, zo U wilt. Niet alleen vanwege de soms wel erg puberale confrontaties tussen de beide oud-studenten, die niet alleen mij stoorden, maar waarvan ik heel zeker weet dat U daar ook niet op zit te wachten. Voorlopig zijn beiden daarom even buiten beeld, totdat — wanneer dit verhelderend mocht werken — ik ze weer tevoorschijn tover. We zullen zien, dat wil zeggen, op dit moment weet ik dit zelf niet. Maar ik doe dit ook om in de bespreking van de complexe onderwerpen zo ter zake mogelijk te blijven.

Terug naar Scuëde: het verschil tussen de eerste vier en het laatste aspect (of ‘ding’). De omtrekkende beweging waar ik over sprak betreft de — in onze tijd nog immer — gebezigde dichotomie tussen ‘vorm’ en ‘inhoud’. We moeten ons hierbij realiseren dat Scuëde leefde in de negentiende eeuw, en dus nog geen kennis had van latere bedenkingen bij deze dichotomie.

Scuëde brengt de eerste drie aspecten (‘dingen’) onder in het concept vorm. Wat betreft het derde ‘ding’ is dit duidelijk, een afbeelding is goed als een vorm te beschouwen. Met het eerste aspect, de naam, zullen we evenmin veel moeite hebben. Maar het tweede ‘ding’ behoeft enige uitleg. Wanneer je, zoals Scuëde om begrijpelijke reden doet — vanwege Plato — de definitie van de cirkel als uitgangspunt neemt, dan is het te billijken om dit als een element van de vorm te beschouwen. Maar als je bijvoorbeeld de definitie van de mens als uitgangspunt zou nemen, dan wordt het tamelijk problematisch.

Een dergelijke definitie zou uitsluitend de ‘buitenkant’ betreffen, dus eigenlijk precies wat Plato deed, volgens de overleveringen via Diogenes Laërtius, in zijn hoofdstuk over Diogenes de Cynicus:

Plato defineerde de mens aldus: De mens is een tweebenig dier zonder veren, en werd zeer geprezen om deze definitie; vervolgens plukte Diogenes een haan kaal en gooide hem in Plato’s school, zeggende: “Zie hier Plato’s mens”. Daarop werd aan de definitie het volgende toegevoegd: Met brede platte nagels.

(Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat dit Diogenescitaat afkomstig was van Casper. Ik kende het wel, maar had het niet met deze kwestie in verband gebracht.)

Enfin, wij zullen tegenwoordig geen genoegen nemen met een dergelijke oppervlakkige definitie, de typisch menselijke, psychische eigenschappen moeten in de definitie worden opgenomen. Scuëde overweegt dit argument overigens wel, maar niet met de ‘mens’ als object in gedachten. Hij stelt dat het vierde aspect valt onder het concept ‘inhoud’, en dat alle elementen die niet onder de definitie vallen, in dit vierde ‘ding’ aan bod komen. Hij zou dus hoogstwaarschijnlijk de psychische elementen in dit vierde aspect onderbrengen.

En dan komt Scuëde’s grote truc: het vijfde aspect maakt dat het hele concept van de dichotomie van vorm en inhoud plotseling werkt. Hij onderzoekt eerst of beide begrippen afzonderlijk kunnen bestaan.

Laten we pogen iets meer te weten te komen over een mogelijke relatie tussen vorm en inhoud. Kunnen zij naast elkaar bestaan, dus los van de ander? Wat inhoud betreft lijkt mij dit onmogelijk, zonder vorm bestaat er geen inhoud. Een tekst is al vorm, de taal waarin de tekst gesteld is, is vorm. Het papier, de inkt, het boek is vorm.

Maar nu het omgekeerde, bestaat er vorm zonder inhoud? Een lege wijnfles zou je vorm zonder inhoud kunnen noemen. Tenzij je stelt dat de lucht in de fles nu de inhoud is, met andere woorden, er is altijd inhoud, alleen niet altijd in overeenstemming met de (gesuggereerde) vorm. Dit lijkt te leiden tot een vicieuze cirkelredenering, maar wanneer wij het begrip context aan die wijnfles verbinden, dan hebben wij een gereedschap in handen om die cirkel te doorbreken. De wijnfles suggereert een inhoud bestaande uit wijn. Lucht voldoet niet aan dit criterium, dus de lege wijnfles heeft geen inhoud. Maar wat nu als wij een wijnfles gevuld met melk aantreffen, daarvan zullen we zeker niet zeggen dat die leeg is. Een kleine verplaatsing van ons perspectief biedt dan echter de oplossing: beide flessen zijn gevuld met een vergelijkbare vloeistof, te weten een stof die drinkbaar is. In plaats van een wijnfles of melkfles betreft het dan een ‘drankfles’. Maar wij moeten deze kwestie nog nader onderzoeken.

Hoe zit het bijvoorbeeld met de vacuumpomp van Robert Boyle? Op het eerste gezicht lijkt die leeg, maar er bevindt zich wel een gas in, of eigenlijk een combinatie van verschillende gassen, namelijk lucht. Als de bol van dit apparaat echter vacuum gepompt wordt, dan zouden we kunnen zeggen dat die echt leeg is. Dan is er alleen de vorm. Het verschil tussen lucht en luchtledig kunnen wij echter alleen waarnemen als wij, zoals Boyle talloze malen deed, er een vogeltje in stoppen. Zolang er lucht in zit blijft het fluiten, maar als we de bol leegpompen, dan stopt het vogeltje daar op een gegeven moment mee.

Dat is de dus de oplossing van het probleem, het ingenomen perspectief, de gekozen context, bepaalt de inhoud van de vorm. De fles is derhalve nooit ‘vol’ of ‘leeg’ zonder een toegevoegde context van de waarnemer. Maar, en hiermee is onze cirkel rond, zonder fles kan de waarnemer geen inhoud waarnemen. Maar dan kunnen wij nog een stap zetten: vorm en inhoud vormen kennelijk een geheel, zij kunnen niet zonder elkaar, hoewel de een van hen (de vorm) wel kan zonder de ander (de inhoud), kan de ander (de inhoud) niet zonder de een (de vorm). Met andere woorden, wanneer er sprake is van inhoud, dan is er sprake van vorm; de dichotomie van vorm en inhoud lost op wanneer er sprake is van inhoud.

Na deze vaststelling kon Scuëde tot de volgende stelling komen: vorm kan op zichzelf bestaan, maar inhoud niet. Op het moment dat inhoud aan de vorm gekoppeld wordt, verdwijnt de dichotomie tussen beide begrippen. De dichotomie van vorm en inhoud lost op wanneer er sprake is van inhoud.

Het ‘vijfde ding’ had precies deze functie. Door de eerste vier aspecten op elkaar te betrekken, wordt het onderscheid tussen alle vijf ‘dingen’ opgelost — aufgehoben, is de term die hij gebruikt, dus niet alleen opgelost, maar ook naar een hoger niveau getild — verheven dus. Dit maakt het ‘vijfde ding’ bijzonder, en volgens Scuëde is precies dit de reden van Plato’s terughoudendheid erover te schrijven; want dit schrijven is feitelijk het toepassen van dit ‘vijfde ding’ op zichzelf. Dat is voor Plato een taboe, het gaat voorbij de grens van wat gezegd (of geschreven) mag worden. Het zou de Ziel verstoren.

Apocrief versus Authentiek

Scuëde zag zich nu voor het volgende probleem gesteld: enerzijds had Plato het schrijven over het ‘vijfde ding’ taboe verklaard, anderzijds had hij er wel over geschreven in de bewuste ‘Zevende brief’. Betekende dit dat deze brief om die reden als apocrief beschouwd moest worden? Dat, omdat Plato had geschreven dat hij er nooit over zou schrijven, de echtheid van de brief wel ongeloofwaardig moest zijn. Scuëde kwam uit bij een publicatie van Christoph Meiners, de hiervoor genoemde Geschichte des Luxus… etc. uit 1783, waarin Plato’s brief (mogelijk) als apocrief wordt aangeduid. Maar Scuëde kon in de tekst van Meiners geen direct verband vinden tussen dat taboe van Plato en de apocriefverklaring. Toch betekende dit niet dat in de theorie over het ding in zichzelf niet de reden besloten lag tot deze verklaring. Vormde de theorie van Plato om de een of andere reden een gevaar voor Meiners agenda? Dus voor zijn agenda van het polygenisme, en het hieruit voorkomende racistische gedachtegoed. Wat het eerste punt betreft, het polygenisme, vond Scuëde — naar eigen zeggen — inderdaad concrete aanwijzingen, in een inmiddels verloren gegane brief uit 1783, van Meiners aan Edward Long, een Britse polygenist en voorstander van de slavernij. In deze brief stelt Meiners dat de theorie van het ‘vijfde ding’ gevaarlijk is voor de theorie over de diversiteit in afkomst van de mensheid, vanwege de symbiothische eigenschap ervan. Plato’s theorie zou het fundament onder het polygenisme wegblazen. Het tot aprocrief verklaren was een strategische zet, zonder enige historische onderbouwing. Het merkwaardige is, zo stelde Casper — deze kwestie betrof immers zijn onderzoek — dat Scuëde niet benoemt of racistische motieven hier ook een rol speelden.

Op dit punt in onze discussie stelde Zoe dat zij dit helemaal niet merkwaardig vond. Zij had zich in de dagen voor onze tuinbijeenkomst verdiept in de figuur van Scuëde. De eerlijkheid gebied mij te zeggen, dat vanaf dit moment ons gesprek een intrigerende wending nam.

Scuëde, zo betoogde Zoe, was, als een van de weinige niet-adellijke personen, benoemd tot ridder in de Deense Orde van de Olifant [Elefantordenen]. Zoe had zich in die Orde verdiept, en had daar — niet tot mijn verbazing — een racistisch element in gevonden: het embleem, het kleinood van de orde, dat is geborduurd is op de blauwe lint waaraan de zilveren ster is verbonden, bestaat uit de afbeelding van een witte olifant met daarop een rode kasteeltoren, en een zwarte, of in ieder geval gekleurde, olifantenberijder, gezeten op de kop van de olifant. Deze man is beslist een slaaf, concludeerde Zoe; het embleem is racistisch. Ze toonde een afbeelding van het kleinood, en haar conclusie leek mij lastig te ontkennen.

“Maar nu komt het!” Zoe wilde kennelijk de spanning wat opvoeren. “Maar eerst een vraag aan Casper: wat is de bron van die tekst van Scuëde waar je steeds naar verwijst? Volgens mij heb jij geen brontekst van Scuëde tot je beschikking, alleen secundaire bronnen, of vergis ik mij?”

Casper gaf toe dat dit het geval was, hij had de voornaamste informatie gehaald uit een biografie over Scuëde van de hand van de graaf Ebe Edison. Verder was er een briefwisseling tussen Scuëde en diens vriend en vertrouweling, de predikant Karl Theodor Phintgod.

“Dat maakt jouw uiteenzetting apocrief, nietwaar?” Het was geen vraag, Zoe stelde het vast.
Casper legde daarop uit dat in de biografie wordt verwezen naar de tekst, getiteld To pragma auto, van Scuëde, waarin deze zijn theorie over Plato en Meiners uiteen had gezet. Deze tekst is verloren gegaan. Dus de enige bron waarin concrete fragmenten staan van de tekst is die biografie. In de briefwisseling wordt overigens ook naar diezelfde tekst verwezen. De tekst heeft ongetwijfeld bestaan, aldus Casper. Daarnaast is er nog een brief van Scuëde aan Karl Ludwig Büchner, een Duitse arts, filosoof en natuurwetenschapper. Karl Ludwig heette voluit Friedrich Karl Christian Ludwig Büchner; hij was trouwens de broer van Georg Büchner, die wij kennen van die opera van Alban Berg die is gebaseerd op Büchners, overigens onvoltooide, drama Woyzeck.

“Die Karl Ludwig Büchner is wel een ommetje, maar relevant genoeg om even de tijd voor te nemen. Hij heeft ergens halverwege de negentiende eeuw een boek geschreven, Kraft und Stoff, waar ik een Nederlandse vertaling van heb gelezen, uitgegeven door de Roode Bibliotheek in Amsterdam,” vertelde Casper verder. “Het boek is een poging om de (negentiende eeuwse) ‘mythe van de ziel’ te ontkrachten. Geheel in de lijn van Darwin.” Het boek, zo legde Casper verder uit, is een pleidooi voor de materie, Büchner keert zich tegen het ‘spiritualisme’; ‘kracht’ zonder ‘stof’ is onbestaanbaar. Een lijvig boek, met hoofdstukken die titels hebben als: Onvergankelijkheid der stof, Onvergankelijkheid der kracht, Onveranderlijkheid der natuurwetten, De hemel – waarin het godsbegrip aan de kaak wordt gesteld: Waar de godsdienst ons leert, dat wij bestemd zijn om na het leven op aarde ‘in den hemel te komen’, daar leert ons de sterrenkunde dat wij midden in dien hemel zijn.

Casper vervolgde: “Een voor ons interessant hoofdstuk is De hersenen en de ziel. Na een uitvoerige beschrijving van de menselijke hersenen, overigens in vergelijking met die der dieren, komt de schrijver tot de conclusie dat de ziel niets anders is dan een aanduiding van het totaal van eene gansche reeks van werkzaamheden der hersenen en het daarmee samenhangende zenuwstelsel. Er volgt een beschrijving van proeven op dieren, waarvan de hersenen schijfje voor schijfje worden verwijderd, om aan te tonen dat er beslist geen ziel in te bekennen is; deze dierproeven zouden de toets der kritiek van Aktiegroep Lekker Dier zeker niet kunnen doorstaan. Büchner moet duidelijk niets hebben van wat hij noemt de ‘spiritualistische’ theoriëen over de ziel, waarin de ziel een soort zuiver geestelijk, onstoffelijk wezen is. Aan het slot van het hoofdstuk komt de schrijver bij, wat hij de laatste wanhoopssprong der spiritualisten noemt. Ik citeer:

Dit alles is misschien de aanleiding geweest tot een laatste wanhoopssprong der spiritualisten, namelijk de zoogenaamde klaviertheorie, volgens welke de ziel zich tegenover de hersenen in dezelfde verhouding bevindt als een klavierspeler tegenover zijn instrument. Een klavier dat gelijktijdig met zijn meester groeit, leeft, ziek wordt en sterft, omdat ontstemdheid hem ongeschikt maakt tot nadenken nadat de meester zich heeft teruggetrokken — dat alles is toch zoo’n zonderling verschijnsel, dat hier het woord wanhoopssprong zeker niet overdreven mag heeten.

De vertaler voegt hierbij nog de voor ons zeer interessante noot aan toe – voor den hollandsche lezer, die wellicht de toespeling van Büchner niet zou begrijpen. Casper dronk eerst zijn glas leeg en vulde hem rustig weer bij, voordat hij met de anekdote op de proppen kwam.

“Büchner refereert namelijk aan een verhaal dat ‘voor eenige jaren in de muzikale wereld de rondte deed’ over een dag met pianoexamens aan het conservatorium in Leipzig. Nadat de gehele dag een bepaald pianostuk door diverse examinandi ten gehore was gebracht, en nadat de laatste kandidaat zich van het instrument had verwijderd, begon de piano uit zichzelf, dus zonder bespeler, het bewuste stuk opnieuw, en op volmaakte wijze, ten gehore te brengen.”

“Echt alles aan jouw onderzoek is apocrief!” Zoe keek hem grijnzend aan.

Ik spreidde meteen mijn armen, als een ware scheidsrechter tijdens een bokswedstrijd. “Ik wacht nog steeds op het verband met Scuëde,” zei ik snel.

Casper keek ietwat teleurgesteld, maar vervolgde zijn betoog. Hij legde uit dat het verband de brief was die Scuëde aan Büchner had geschreven. Daarin vermeldde hij namelijk de titel van zijn tekst over Meiners, de tekst die dus verdwenen is. Maar desondanks is deze brief dus wel een van de bronnen waaruit blijkt dat de brief echt bestaan heeft. Büchner was gezien zijn opvattingen, die uiteraard alles met de theorieën van Darwin te maken hadden, overduidelijk een tegenstander van polygenisten zoals Meiners. Scuëde hoopte steun bij Büchner te vinden, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat Büchner hem ooit geantwoord heeft. “Ik moest aan die anekdote over de piano-examens in Leipzig denken vanwege ons onderwerp over authentiek versus apocrief,” voegde hij er als een soort van verontschuldiging aan toe.

“Die anekdote is zeker geestig,” stelde ik vast, “maar die hele uiteenzetting van Büchner zou je als een ontkenning van dat ‘vijfde ding’ kunnen beschouwen. Plato sprak in dat verband niet voor niets over de ziel.”

“Dat zou kunnen verklaren waarom Büchner hem nooit beantwoord heeft,” merkte Zoe op. Dat was ik met haar eens, maar Casper gaf het nog niet op.

“Je zou al die bewijsvoeringen en proeven toch juist kunnen zien als een toepassing van dat ‘vijfde ding’? Het bij elkaar brengen van alle andere aspecten, en dan tot een bepaalde conclusie komen. Het is nog maar de vraag of wat Plato onder het begrip ‘ziel’ verstaat gelijk is aan de negentiende opvatting daarvan waar Büchner naar verwijst.” We discussieerden hier nog een tijdje over door, maar op een gegeven moment kapte ik het af, het leidde niet tot iets bruikbaars voor ons onderwerp. Ik stelde voor om verder te gaan met de biografie van Scuëde, een andere, mogelijk interessantere bron voor diens tekst. Zoe maakte driftige gebaren met haar handen, ze had net haar mond volgepropt met wat nootjes, at die snel op, en zei:

“Dat wilde ik dus daarstraks nog kwijt! Maar toen kwam die uitvoerige uiteenzetting over Büchner ertussen.” Ik gaf met een handgebaar aan dat ze haar punt nog kon maken. Ze vertelde dat zij natuurlijk ook bij die biograaf was uitgekomen, en dat ze had gelezen dat het terugtrekken van de tekst mogelijk te maken had met de toekenning van die ridderorde. “Het staat er verhullend beschreven, maar ik lees eruit dat die toekenning de reden was voor het terugtrekken van die tekst. Heb jij daar meer informatie over gevonden?” Ze keek Casper verwachtingsvol aan.

“Jazeker,” antwoordde Casper, “maar merkwaardig genoeg niet via die biograaf. Maar wel bij die bevriende predikant, Phintgod, in een brief van Scuëde die aan hem is gericht.”

Er was iets vreemds met die biografie op dit punt, lichtte Casper toe, alsof het terugtrekken van die tekst over Meiners verdoezeld moest worden. Als hij die brief aan Scuëde’s vriend Phintgod niet had gevonden, dan was dit aspect onopgehelderd gebleven. En dat was puur toeval, hij vond de brief in een antiquarisch boek, op internet had hij er niets over gevonden. In die brief schrijft Scuëde over een ‘onmogelijk dillema’ waar hij zich voor gesteld zag; hij vraagt zijn vriend om raad. Op zekere dag kwam hem, via via, ter ore dat de commissie van de Ridderorde van de Olifant overwoog om de Orde aan hem uit te reiken, maar daar kleefde nog een probleem aan; twee problemen, liever gezegd. Het eerste probleem was zijn religieuze achtergrond, hij was Rooms Katholiek van huis uit, en de Orde kan alleen uitgereikt worden aan personen met een Protestants geloof. Dit probleem was oplosbaar. Scuëde was zeker geen praktiserend katholiek, en een overgang naar een protestantse kerk vond hij niet zwaarwegend genoeg om bezwaar tegen te maken, gezien het belang van de onderscheiding. De predikant, die van protestantse huize was, zou hem daar zeker bij kunnen helpen. Het andere probleem lag gevoeliger.

“En dit zul jij zeker interessant vinden, Zoe!” zei hij tegen haar met een grijns. “Jouw opmerking over het racistische element in het embleem van de Orde was een schot in de roos.” Het bleek, zo vervolgde hij, dat hier een gevoelige snaar verborgen lag, en de tekst van Scuëde zou als kritiek op de Orde kunnen worden opgevat, omdat de tekst — in ieder geval impliciet — stelling nam tegen het racisme van Meiners.

Om kort te gaan, Scuëde moest kiezen tussen de toekenning van de Ridderorde, en zijn tekst. Hij koos voor de Orde, en de tekst moest derhalve verdwijnen. Maar ook rigoreus, dus de biograaf mocht hier geen expliciete paragraaf aan wijden. En zo kwam er dus een omfloersde omschrijving te staan, waar niemand een buil aan kon vallen.

“Nou ja,” riep Zoe uit, “dit is toch niet te geloven! En dan nog ontkennen dat er sprake is van systemisch racisme, tot in de wetenschap aan toe!”

Om een nieuwe bokspartij te voorkomen, zei ik haar dat geen weldenkend mens het bestaan van racistische symptomen in alle lagen van onze maatschappij zal ontkennen, maar dat het wat ver ging om dit de hele wetenschap aan te rekenen. Het ging hier om een ridderorde.

“Als we die tekst van Scuëde als wetenschappelijk kwalificeren, dan ook in de wetenschap,” hield Zoe voet bij stuk.

“Maar wel in de negentiende eeuw, hè!” zei Casper.

“Ook in de huidige tijd vinden we ongetwijfeld bij sommige wetenschappers racistische tendensen, dat valt helaas niet te ontkennen, maar het polygenisme is evenmin de wereld al uit. En op de monogenistische opvatting van de Christelijke religie valt ook een en ander af te dingen. We zijn er nog niet!” besloot ik opgeruimd. “Maar, we zijn nu wel een stuk verder! Laten we proberen tot iets van een afronding te komen.”

We probeerden een korte samenvatting te maken, waarin we de drie punten van onze discussie de revu lieten passeren. Het ‘Ding’ van Plato was uitgebreid aan bod geweest. Hier waren geen misverstanden blijven liggen. De crux zat hem in de andere twee punten.
 Wat het punt over het racisme betreft, duidelijk was dat dit op een of andere wijze een rol had gespeeld in het tot apocrief verklaren van de brief van Plato, en ook in het verdoezelen van de poging haar als authentiek te bestempelen. De bewijzen waren echter indirect. Net als de brief waren de bronnen apocrief. Daarbij kan intussen wel aangetekend worden dat in de huidige tijd, zeker al sinds de vorige eeuw, de brief wél als authentiek wordt beschouwd. Casper vermeldde hierbij nog dat uit een brief van Phintgod aan Scuëde opgemaakt kan worden dat de laatste verwachtte dat binnen ‘niet al te lange tijd’ de brief als athentiek zou worden aangemerkt. Phintgod reageert kennelijk in zijn brief aan een opmerking van Scuëde waarin hij zegt dat deze gedachte uiteindelijk de doorslag gaf om voor de Orde te kunnen kiezen, en zijn tekst te laten verdwijnen. Zoe merkte op dat dit haar steunde om haar onderzoek verder te doen, Het racisme moet met wortel en tak worden uitgeroeid! zei ze. Daar was geen speld tussen te krijgen. Maar we zijn allemaal voor de ‘wereldvrede’ dacht ik daarbij, zonder het hardop te zeggen. De werkelijkheid is weerbarstig.

Hier, waarde Haas, eindigt mijn relaas over het ‘Ding’ van Plato en de discussie met mijn twee oud-studenten. Aan de kwestie van het racisme, systemisch of niet, wilde ik niet teveel tijd spenderen, die kwestie is te complex voor een etentje in de tuin. Ik heb zelf nog geen antwoord op het probleem dat, voor het analyseren ervan, methoden en technieken gebruikt moeten worden die zelf wellicht onderdeel daarvan zijn. Hoe kunnen we dit weten?

Naschrift

Tegen mijn verwachting in had Haas zich toch verwaardigd mijn brief te beantwoorden.

Lieber J. Chr.,

Dank voor Uw uitgebreide verslag van de ontmoeting met Uw twee oud-studenten. Zeer interessant! Ik wil slechts twee dingen kwijt: Is de gedachte bij U opgekomen dat de kwalificaties authentiek en apocrief uiteindelijk een symbiose vormen? Dat ‘vijfde ding’ brengt die symbiose tot stand. Dat was de reden dat Plato dit aspect niet wilde opschrijven. Dat was geen taboe, het was een constatering.

Die anekdote over de piano-examens, en die zin van Büchner over de ‘hemel’, laten dit prachtig zien. De religie en de verhalen enerzijds, de wetenschap anderzijds, beide vormen een symbiotisch geheel, wat ons mensen tot mensen maakt. Wie zou de mens zijn zonder zijn dromen?

Het andere ding betreft het (systemische) racisme. In mijn land hebben we daar de nodige ervaring mee opgedaan. De enige manier om erachter te komen of de methoden en technieken er vrij van zijn, is de praktijk. De geschiedenis herschrijven zou een dramatische fout zijn, maar haar opnieuw overdenken is noodzakelijk.

Hrz. Gr.,
—TH

Dromen zijn bovendien ook een essentieel onderdeel van ons fysieke stelsel, peinsde ik nadat ik de brief had gelezen. Zonder dromen kúnnen we niet leven, alleen al om puur fysieke redenen. Ik moest opeens denken aan een schilderij dat een tijdje terug bekend stond als het werk van een leerling van Rembrandt, maar dat opeens door allerlei experts als ‘authentiek’ werd verklaard. Het zelfde schilderij, dezelfde verf, hetzelfde linnen en dezelfde streken, maar het verschil tussen ‘authentiek’ of ‘apocrief’ was een fortuin. Misschien kleeft er aan het authentieke zelf wel een apocrief element.

Den Haag, 1 juli 2016