Het Failliet van het Kunstbeleid

commentaren

Het Failliet van het Kunstbeleid

De laatste tijd horen en lezen we steeds meer klaagverhalen over hoe het ‘cultuurbeleid’ van de overheid en kunstinstellingen met name vanwege de ‘woke-ideologie’ failliet aan het gaan is. Het gevaar komt dan vooral uit linkse hoek, omdat elke subsidieaanvraag langs de meetlat van ‘diversiteit en inclusie’ wordt gelegd.

Voordat ik dieper op deze wat mij betreft veel te gemakkelijke stellingname inga, stel ik voor dat we nu eindelijk een keer spreken over waar we het echt over hebben: kunstbeleid. Het gaat hier niet over cultuur in bredere zin, maar cultuur in de zin van wat ik ‘zuivere kunst’ wil noemen, dat wil zeggen kunst waar de artistieke kwaliteit voorop staat.

Nu over het klaagverhaal van de ‘woke-ideologie’. Er zijn zeker een opvattingen te vinden over met name de klassieke muziek, waarin gesteld wordt dat bijvoorbeeld Beethoven ‘Beethoven’ is geworden omdat hij een West-Europese witte man was. Dat soort uitlatingen noem ik niet ‘woke’, maar ‘pseudo-woke’. Niemand die werkelijk iets van de klassieke muziek begrijpt zal zo’n onnozele stelling verdedigen, maar iedereen, naar ik mag hopen, zal vinden dat racisme en uitsluiting moet worden bestreden.

Het probleem van het subsidiebeleid ten aanzien van de kunst is dat er een veel groter gewicht wordt toegekend aan de randvoorwaarden, dan aan waar het werkelijk over zou moeten gaan: de artistieke kwaliteit. En inderdaad, de laatste jaren zijn de voorwaarden van ‘diversiteit en inclusie’ in de mode, maar nog niet zo lang geleden ging het over ‘cultureel ondernemerschap’ en ‘publieksbereik’. Dat zijn in de eerste plaats voorwaarden die uit rechtse hoek komen, ze hebben alles te maken met het neoliberalisme, dat al in de jaren ’90 ook door de zogenaamd linkse Partij van de Arbeid werd omarmd. We herinneren ons nog de staatssecretaris voor cultuur Rick van de Ploeg. En later Medy van der Laan, die namens D66 het ondernemerschap verder op de kaart zette. En dan uiteraard Stef Blok en zijn zetbaas Halbe Z., die meenden dat de kunst helemaal niet gesubsidieerd zou moeten worden. Het woord ‘woke’ was toen nog lang niet in zwang.

Waar komt de steeds grotere nadruk op randvoorwaarden nu echt vandaan, van links of rechts, of is er iets anders aan de hand? Ja, reken maar! Kunst is ‘elitair’! Die aantijging komt van zowel links als rechts. In de klassieke muziek begon deze klacht al in het begin van de vorige eeuw, de muziek van met name Arnold Schönberg c.s., en later rond Pierre Boulez en Karlheinz Stockhausen, werd als onbegrijpelijk en dus elitair ervaren, in brede lagen van de bevolking. In de beeldende kunst gebeurde iets dergelijks met de zogenaamde ‘abstracte kunst’. Bedoeld werd non-figuratieve kunst, want ook ‘Het meisje met de parel’ van Vermeer is een vorm van abstractie.

En zo kwam ergens rond de jaren ’80 de roep dat muziek weer ‘mooi’ moest zijn. Weg met al die ‘valse noten’! — Bedoeld werd dissonanten. Nicolaus Harmoncourt schrijft in Die Musik in unserem Leben [1980] over het probleem van het ‘comfort en gemak’ dat zich in ons moderne leven genesteld heeft. We willen op een comfortabele manier muziek consumeren.

Aangezien muziek niet langer in het middelpunt van ons leven staat, is dit allemaal veranderd: nu het als een ornament wordt beschouwd, wordt gevoeld dat muziek in de eerste plaats ‘mooi’ moet zijn. Het mag ons in geen geval verstoren of opschrikken. De muziek van nu kan aan deze eis niet voldoen, omdat het, net als alle kunst, minstens de geestelijke en intellectuele toestand van zijn tijd weerspiegelt, en dat geldt ook voor onze huidige tijd. Maar oprecht omgaan met onze geestelijke en intellectuele toestand kan niet enkel mooi zijn: het heeft invloed op ons leven en is daardoor verontrustend. Dit heeft geleid tot de paradoxale situatie dat mensen zich van hedendaagse kunst hebben afgekeerd, omdat het verontrustend is, misschien wel noodzakelijkerwijs. In plaats van confrontatie zochten we alleen schoonheid, om ons te helpen de banaliteit van het dagelijks leven te overstijgen. Zo werd kunst in het algemeen, en muziek in het bijzonder, eenvoudigweg decoratief en wendde men zich tot historische kunst en oude muziek, omdat men daarin de schoonheid en harmonie kon vinden die men zocht.

[Nederlandse vertaling van Engelse vertaling van Mary O’Neill, in Baroque Music Today: Music as Speech. Towards a New Understanding of Music (Portland, OR: Amadeus Press, 1988), pp. 11-13.]

Zo werd de druk op het subsidiebeleid groter en groter, omdat het maatschappelijk belang van kunst door steeds meer mensen niet meer wordt ingezien. En dan wordt het een ‘linkse hobby’. En dus werden er in steeds grotere maten aanvullende eisen gesteld aan de kunstsubsidies. Staatssecretaris Ronald Plasterk voerde daarom de eis in dat kunstinstellingen ongeveer 20 procent eigen inkomen moesten genereren. “Ik kan niet uitleggen waarom de Nederlandse Opera wel, en de Rollingstones geen subsdie krijgen.”

Hier hebben wij het echte probleem van het kunstbeleid te pakken, en dat probleem raakt dus ook aan de kunst zelf. Laten we ophouden om een klein aantal peudo-wokers als zondebok te benoemen, en focussen op wat het werkelijke, onderliggende probleem is: namelijk een mix van het neoliberalisme en de zich steeds sneller voortschrijdende technologie, waardoor het grootste deel van onze samenleving vervreemd is geraakt van de kunst. Misschien moeten we beter nagaan in hoeverre we nog leven in de tijd van het romantisch idealisme — hebben we die echt achter ons gelaten, en zo ja, wat is er dan voor in de plaats gekomen?

Wellicht moeten we nieuwe mythes maken, mythes waarin we dat romantisch idealisme op een andere wijze omarmen, of er juist een antwoord op vinden. Het zelfde geldt voor de razende technologie, we moeten de tsunami van data die we over ons heen krijgen veel beter leren filteren. En juist de kunst is hier een uitermate geschikt medium voor, we hoeven niet eerst een academisch onderlegde theorie te formuleren, we gaan zingen, spelen, schilderen, schrijven, installaties maken, en welke andere vormen we ook kunnen creëren.

We moeten in ieder geval vooruit. Niet omlaag, maar omhoog. In het madrigaal Cease sorrows now laat Tomas Weelkes de muziek chromatisch stijgen bij de zin: “Yet whilst I hear the knolling of the bell / Before I die, I’ll sing my faint farewell”.

— Cornelis de Bondt, 2 oktober 2024