Grensoverschrijdend Gedrag

commentaren

Grensoverschrijdend Gedrag

Afgelopen week werden de media overspoeld met de beschuldigingen van ‘grensoverschrijdend gedrag’ van de internationaal geroemde Nederlandse dirigent Jaap van Zweden.

Een onderzoeksprogramma van de Nederlandse omroep heeft er een aantal jaren onderzoek naar gedaan, en de conclusies van een vijftigtal, overwegend anonieme klachten deze week naar buiten gebracht. Van Zweden heeft in een ander programma hierop via een videoboodschap gereageerd. Hij onderkent dat hij perfectionistisch is, en daarom vaak een “intense” manier van repeteren hanteert, die soms als onaangenaam kan overkomen, maar hij stelt ook dat de kritiek die hij uit nooit persoonlijk bedoeld is, en altijd gericht is op het eindresultaat, het concert.

Het als ‘grensoverschrijdend’ bestempelde gedrag is allesbehalve gelimiteerd tot de persoon Van Zweden, ik ken vele voorbeelden van dirigenten, musici, en ook leidinggevenden, die er eveneens een ‘intense’ communicatiemethode op nahielden. Zo herinner ik mij een masterclass (ergens in de jaren ’80) die op tv werd uitgezonden van de beroemde zangeres Elisabeth Schwarzkopf, de zangstudenten die als proefmodel dienden stonden trillend op het podium. In de tijd dat ik begon met mijn studie was een autoritaire lesaanpak nog heel gewoon, en pas vanaf eind jaren ’60, begin jaren ’70, kwam hier geleidelijk aan verandering in. Bovendien was ik gezegend met een aantal docenten die niets met die aanpak te maken wilde hebben (of die daar wellicht geen talent voor hadden), die begrepen dat het verkrijgen van kennis een persoonlijk proces is, dat het beste met een flinke hoeveelheid empathie gediend wordt. Ook een dosis humor doet wonderen.

Er is ook een andere kant, waar ik bijna niets over hoorde. En dat is wel noodzakelijk voor een goed totaalbeeld.

Ik denk dat er heel wat dirigenten zijn, vooral in het begin van hun carrière, die verhalen kunnen vertellen over hoe ze door met name gerenommeerde orkesten werden ‘getest’. Expres een foute noot spelen om te kijken of de dirigent dat hoort. Flauwe grapjes met elkaar uithalen, die de concentratie verstoort. Tijdens een repetitie van een werk van mij, toen de dirigent apart met een bepaalde sectie uit het orkest repeteerde, zaten enkele andere musici handeltjes te drijven met elkaar. Tijdens een repetitie van een ander stuk zat de concertmeester opzettelijk de boel te traineren, omdat het stuk hem niet beviel. De dirigent zei later tegen mij dat hij hem wel zou kunnen wurgen. Orkestleden die in een pauze naar mij toekwamen om even uit te leggen dat ze mijn muziek helemaal niets vonden. Midden in een maat opstaan, omdat het op de minuut af koffiepauze is.

Ook tijdens het lesgeven word je als docent geconfronteerd met problemen die specifiek zijn voor met name het werken met grotere groepen, zoals: te laat komen, langdurig geklets, getuur op mobieltjes, huiswerk of voorbereidingen niet gedaan hebben, duidelijke onverschilligheid etaleren jegens de les, die alleen gevolgd wordt voor het behalen van het diploma vanwege de daarvoor benodigde studiepunten. Het was schering en inslag.

In mijn geval ging het om theorielessen, dat waren altijd bijvakken, die door de studenten vaak als minder belangrijk werden beschouwd dan de hoofdvakles. Dit was een van de redenen waarom ik naar andere vormen ben gaan zoeken, zoals de esthetiekklas ‘De Techniek van de Schoonheid’, het laboratorium de ‘Research Concert Cycle’ en de studio ‘Het Atelier’, waar studenten de opzet mede bepaalden.

Wanneer één persoon tegenover een groep staat, is er altijd sprake van een specifieke groepsdynamiek. Het is een al te comfortabele positie voor de zogenaamd kritische onderzoeker om, wanneer er iets mis gaat, die ene persoon als schuldige aan te wijzen. Het proces is veel groter dan die ene persoon. Maar daar malen die programmamakers niet om, die willen scoren vanwege hun kijkcijfers of, in het geval van de geschreven media, de verkoopcijfers. Wanneer je een werkelijk adequate analyse wil maken van de — in dit geval — klassieke muziekpraktijk, dien je alle factoren die in de analyse een rol spelen te betrekken. Dus ook de onderzoeksmethode, de rol van de ingehuurde (psychologische) deskundigen, welke informatie hadden zij, in hoeverre zijn zij deskundig op het terrein van die muziekpraktijk, wat zijn de belangen van alle betrokkenen, niet alleen binnen de zaak als zodanig, maar ook wat betreft het onderzoek en de presentatie ervan. Niet het gedrag van één persoon moet centraal staan, maar de praktijk waarin hij functioneert als geheel.

Het is lastig om precies in te schatten wat er allemaal gespeeld heeft in de voorbeelden uit het onderzoek, vooral omdat het overwegend anoniem is, en de klachten soms erg algemeen. Ik herinner mij ook dat ik na mijn tweede compositieles huilend op de fiets naar huis reed. Ik had de kritiek van mijn leraar niet verwacht, en kon die niet meteen plaatsen. Maar een dag later begreep ik zeer wel dat hij een punt had, dat ik iets had om verder uit te zoeken. En ik begreep ook dat het niet persoonlijk was bedoeld, hoewel ik het in eerste instantie wel als zodanig voelde.

Uiteraard moet het gedrag van iedereen in die praktijk bekritiseerd kunnen worden. Van Zweden heeft wel degelijk iets uit te leggen. Met name het voorbeeld van de zanger die aan hem vroeg een paar maten eerder met een bepaald fragment te beginnen — de reactie daarop van Van Zweden is onacceptabel. En onnodig. Het is dom. Ik heb nog nooit meegemaakt dat een dirigent weigerde aan een dergelijk verzoek uit het orkest te voldoen. Maar ook de rol van de directeur in deze kwestie is kwalijk. Die had de zanger en Van Zweden even apart moeten nemen, en dan was het volstrekt redelijke standpunt van de zanger ongetwijfeld ook door Van Zweden onderkend. Het is onbegrijpelijk dat dit niet gebeurd is. Het zou Van Zweden sieren als hij een stap verder zou gaan dan de vaststelling die hij deed in die video, namelijk dat de orkestmusici zich uiteraard veilig moeten voelen, en niet ziek thuis horen te zitten: “Het aanvoelen van wat er speelt in het orkest, hoort bij de taak van de dirigent.” Hij zou moeten aangeven hoe hij met dit kennelijke gegeven om wenst te gaan. En zo moeilijk is dat niet. Als je over een grens gaat, dan kun je daarop terugkomen, en je verontschuldigingen aanbieden. We maken allemaal fouten. Het ambacht van de kunsten is kwetsbaar, niet alledaags, en vaak zeer confronterend, omdat je op jezelf wordt teruggeworpen.

Als we de kwestie van het ‘grensoverschrijdend gedrag’ in de klassieke muzieksektor beter willen begrijpen, zullen ook de orkeststructuur zelf onder de loep dienen te brengen. De orkesten die de premières van Beethovens symfonieën speelden bestonden vermoedelijk uit 35 tot 50 musici.

Dat is de helft van wat tegenwoordig gebruikelijk is. Het is problematisch voor een dirigent om met een aantal van 80 tot 100 musici te werken, maar niet onmogelijk uiteraard. Maar het werkt autoritair gedrag van de dirigent wel in de hand. Zeker gezien de tijdsdruk, het aantal repetities is beperkt, wat vooral voor het instuderen van nieuwe stukken een groot probleem is.

Dan is er de kwestie van de sterallures van een aantal topdirigenten, die brengen daarmee aan de ene kant meer publiek mee op de been, want het ‘grote publiek’ houdt daar wel van, het is uiteindelijk een vorm van opera. Hiermee leveren deze dirigenten ook sponsoren, en daarmee dus geld. Dit geeft hen een machtspositie ten opzichte van de orkestdirecties, die menen op eieren te moeten lopen om het ego van deze dirigenten te ontzien — eieren dus, die men gekozen heeft voor het geld.

Het is mogelijk niet de belangrijkste reden, maar het heeft zeker mede geleid tot de noodzaak die componisten voelden om vanaf de jaren ’70 te zoeken naar alternatieven voor de orkestvorm. Ensembles zijn aanzienlijk kleiner en een democratischer aanpak is dan veel makkelijker. Sommige ensembles kozen er simpelweg voor zonder dirigent te werken, alle musici werkten samen aan de artistieke inhoud. Maar als er wel voor gekozen werd om met een dirigent te werken, dan moest die open staan voor een dialoog met de musici. Misschien helpt het als orkestdirigenten geregeld met ensembles werken, met musici die hun mond durven open te doen. Dat levert namelijk iets op wat niet alleen artistiek de moeite waard is, maar ook dat de dirigent iets leert over tweezijdige communicatie.

— Cornelis de Bondt, 24 mei 2025