Herzl’s Tannhäuser

hybride

Herzl’s Tannhäuser

J. Chr. de Vries

Beglückt darf nun dich, o Heimath, ich schauen.
— Richard Wagner, Tannhäuser, Akt III

Inleiding

De media staan nu bol van informatie, mis-informatie, meningen, scheldpartijen over en weer, vanwege de strijd tussen Hamas en Isaraël, op het moment dat Gaza praktisch is weggevaagd, de Israëlische gijzelaars nog niet allemaal zijn teruggekeerd en de Palestijnse bevolking wordt uitgehongerd.

Of, en hoe, het hiermee te maken heeft weet ik niet, maar ik vond gisteren een obscure tekst van Taunis Haas in het pakket dat hij mij bijna twee jaar geleden na zijn zelfgekozen dood heeft toegezonden. [Zie: De Noodlottige.] Ik was nog niet eerder toegekomen aan het verder onderzoeken van alle teksten, maar iets dreef mij gisteren naar het pakket. De tekst is buitengewoon speculatief, en ik moet toegeven dat ik geaarzeld heb om hem te publiceren, maar aan de andere kant is hij lang voor het drama in Gaza geschreven, het is in die zin dus geen politieke stellingname, eerder een illustratie van de complexitieit van deze materie in het Midden-Oosten. Het is wel begrijpelijk waarom Haas deze tekst indertijd heeft teruggetrokken. Hij heeft geen spoor van bewijs gevonden voor zijn hypothese. Dat staat overigens los van andere teksten die oorspronkelijk op zijn website stonden.

De tekst is uit 2011, en dat is precies het jaar waarin Haas zijn website off-line haalde, en daarmee ook deze tekst. Was de tekst wellicht de primaire reden om de site te verwijderen? We zullen het nooit weten, want we kunnen het hem niet meer vragen. Wellicht speelde zijn Duitse nationaliteit een rol, zelfs vandaag de dag ligt alles wat er over de staat Israël gezegd wordt uitermate gevoelig in Duitsland. De minste kritiek op Israël leidt al snel tot beschuldigingen van antisemitisme.

— § —

Herzl’s Tannhäuser — door Taunis Haas

Vanaf 1933 werd in Nazi-Duitsland een beleid uitgevoerd om het vertrek van Joden naar Palestina te stimuleren, de Judenemigration. Zo was de zogenaamde Ha’avara-Abkommen ingesteld, een overeenkomst tussen de Zionistische Vereinigung für Deutschland en het Duitse ministerie van economische zaken. Via deze overeenkomst konden Duitse Joden naar Palestina emigreren, met behoud van een deel van hun vermogen. Dit laatste was noodzakelijk vanwege de Britse voorwaarde dat immigranten over voldoende financiële middelen beschikten. In de jaren ’33 tot ’39 hebben tussen de vijftig- en zestigduizend Joden van deze overeenkomst gebruikt gemaakt. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 leidde tot het stopzetten van deze regeling.

In 1937 vertrekt Adolf Eichmann samen met Herbert Hagen naar Haifa, in het door de Britten gecontroleerde deel van Palestina. Beiden doen dit in opdracht van de de SD [Sicherheitsdienst]), een onderdeel van de SS [Schutzstaffel]. Hagen was zijn superieur. Ze moesten contact leggen met Zionisten over de emigratie van Duitse Joden naar Palestina. De Britten stonden dit contact niet toe, omdat hun papieren niet in orde waren. Eichmann en Hagen reisden verder naar Caïro, waar ze spraken met Feivel Polkes, een afgevaardigde van de Haganah, een zionistische Joodse paramilitaire organisatie. Dit leidde niet tot een overeenkomst. Het is zeer de vraag of Heinrich Himmler, leider van de SS, hiervan afwist. De leider van de SD, Reinhard Heydrich, mogelijk wel, maar daar zijn geen bewijzen voor.

In 1938 krijgt Eichmann de leiding over de door hem in Wenen opgerichte Zentralstelle für jüdische Auswanderung, een bureaucratisch apparaat dat werkte aan de ‘snelle en totale verwijdering van Joden uit Oostenrijk’ via (afgedwongen) emigratie. Dit leidde ondermeer tot het zogenaamde Madagaskar-Plan.

In 1939 is er een deportatieplan om Joden via Madagaskar af te voeren. Eichmann stuurde in 1938 een commissie naar Madagaskar om de mogelijkheden hiernaar te onderzoeken. Madagaskar viel onder Frans bestuur. Het eigenlijke plan was om van het eiland een Duitse kolonie te maken. Toen Duitsland een deel van Frankrijk had bezet, werd de rest van het land bestuurd door de Vichy-regering, die met de Nazi’s collaboreerde. Het plan is uiteindelijk nooit uitgevoerd, omdat de Vichy-regering er niet aan wenste mee te werken, uit vrees de kolonie aan Duitsland te verliezen. Bovendien bleek het praktisch onuitvoerbaar omdat de Britse marine daar het overwicht had op zee. Grootschalige verscheping was onhaalbaar. Na de deelname van Japan aan de oorlog, vielen de geallieerden het eiland binnen, om te voorkomen dat de Franse regering er een Japanse marinebasis zou creëren. Langzamerhand begonnen zich de contouren te vormen van wat uiteindelijk de ‘Endlösung’ zou gaan heten, de totale vernietiging van de Joden. De eerste gaskamers werden eind 1941 in gebruik genomen.


— § —

Met de ‘Endlösung’ komt er een einde aan het plan om Joden met de hulp van zionisten uit Duitsland en door Duitsland gecontroleerde landen te verwijderen. De rest van deze gruwelijke geschiedenis is bekend. Maar die Judenemigration behoeft nog een nadere uitwerking.

Er is een intrigerende hypothese denkbaar over deze kwestie, en die begint bij Theodor Herzl, de grondlegger van het zionisme, de stroming binnen de Joodse gemeenschap die streeft naar een eigen Joodse staat, ‘Zion’. Het eigenaardige aan deze kwestie is de bewondering van Herzl voor Richard Wagner, een magistrale componist, uitvinder van het zogenaamde ‘Gesamtkunstwerk’, kunst die verschillende kunstdisciplines binnen één totaalwerk verenigt.

Keerzijde van Wagner is diens antisemitisme, dat met name tot uiting kwam in een beruchte tekst, ‘Das Judenthum in der Musik’, uit 1850. Het lijkt mij aannemelijk dat Herzl die tekst gekend heeft, of tenminste afwist van het bestaan ervan, maar ik heb er geen direct bewijs voor gevonden. In ieder geval niet in diens dagboeken. Het weerhield hem niet van zijn adoratie.

Vooral de opera Tannhäuser was voor Herzl niet alleen uitermate aantrekkelijk, maar zelfs essentieel. Hij heeft er vele voorstellingen van bijgewoond. Deze opera heeft als belangrijk thema de spanning tussen de zinnelijke, aardse en de heilige, religieuze liefde. Tannhäuser is een zanger, een kunstenaar die enerzijds wordt aangetrokken door het avontuur, en anderzijds door religieuze en rationele contemplatie. De zinnelijke liefde beleeft hij met Venus, de heilige liefde met Elisabeth. Hij verlaat de laatste en geeft zich over aan de eerste, in de Venusberg. Wanneer hij later Elisabeth weer tegenkomt tijdens zangwedstrijd aan haar hof, dan bezingt hij de zinnelijke liefde van Venus, en iedereen begrijpt dat hij Elisabeth bedrogen heeft. Elisabeth voorkomt dat hij ter dood wordt veroordeeld, in ruil voor boetedoening. Tannhäuser maakt een pelgrimstocht naar Rome om absolutie van de Paus te verkrijgen. De Paus weigert dit en verdoemt hem voor eeuwig. Via Elisabeth verkrijgt hij andermaal vergiffenis en zijn ziel wordt gered. Ze gaan natuurlijk wel allebei dood, zoals dat hoort in een opera.

De overeenkomst tussen hem en Tannhäuser is Herzl niet ontgaan: beiden gingen naar Rome om een beroep op de Paus te doen. Tannhäuser voor zijn boetedoening, Herzl voor hulp voor het stichten van zijn Zion. In beide gevallen werd dit beroep afgewezen.

In zijn dagboeken maakt Herzl een verwijzing naar beide onderwerpen: “De Exodus onder leiding van Mozes heeft hetzelfde verband met [ons] project als de vastentijd van Hans Sachs heeft met een Wagner opera. Ik ben tot alles bereid: klagen voor de vleespotten van Egypte, dansen rond het Gouden Kalf en ook [acceptatie van] de ondankbaarheid van hen die ons het meest verschuldigd zijn.”

Ook verwijst hij twee dagen eerder, nadat hij de opera wederom gezien heeft, naar zijn droom van de nieuwe Joodse Staat.

“’s Avonds de opera ‘Tannhäuser’. Ook wij zullen zulke prachtige schouwburgen hebben — de heren in avondkledij, de dames zo weelderig mogelijk gekleed. Ja, ik wil gebruikmaken van de Joodse liefde voor luxe, naast alle andere middelen. Dit bracht mij opnieuw aan het denken over het verschijnsel van de menigte. Daar zaten ze urenlang, opeengepakt, roerloos, lichamelijk ongemakkelijk — en waarvoor? Voor iets ongrijpbaars, iets wat Hirsch niet begrijpt: voor klanken! voor muziek en beelden! Ook ik zal plechtige processiemarsen laten componeren voor grote feestelijke gelegenheden.”

In de tweede paragraaf van Das Judenthum in der Musik staat een intrigerende zin: “In zuiver politieke zin zijn wij met de Joden nooit in werkelijk conflict geraakt; we gunden hun zelfs de oprichting van een Koninkrijk Jeruzalem, en moesten in dat opzicht eerder betreuren dat de heer von Rothschild te vernuftig was om zich ooit tot koning van de Joden te laten kronen — terwijl hij er, zoals bekend, de voorkeur aan gaf om ‘de Jood der koningen’ te blijven.” Deze zin wekt de suggestie dat er sprake van is geweest om een Joodse Staat te stichten, vanwege de gehanteerde vorm van de verleden tijd.

In de uitgebreidere versie van 1869 voegt Wagner, die hij deze keer onder zijn eigen naam schrijft, en niet Karl Freigedank, nog de volgende zinsnede over Rothschild toe: “Als via de Joden het geld tot heerschappij is gekomen, hebben zij ons ook beheerst met het meest onnatuurlijke product van de moderne geest: de journalistiek. […] Rothschild, de rijkste én tegelijk onafhankelijkste man van deze tijd, is tevens de meester van de publieke opinie.” Kennelijk is het eerste citaat een vorm van bijtende ironie, maar wel een die in een mysterieus verband staat met de veel latere poging (1895) van Herzl om de Rothschild-familie in te schakelen voor zijn zionistisch project. Zowel baron Albert de Rothschild in Wenen, als baron Edmond de Rothschild in Parijs wezen Herzl’s plan af [‘Ik geef geen geld aan dromen. Ik steun kolonisten, geen politici.’] In zijn dagboek schrijft Herzl: “Met Rothschild heb ik geen enkele kans, tenzij ik hem dwing. Hij moet inzien dat hij voor de keuze staat: het zionisme leiden of verdwijnen.”

De kwestie Wagner versus Herzl roept de vraag op of voor Herzl de idee van een Joodse Staat al eerder was geopperd. Dat was inderdaad het geval, en wel door Leon Pinkser in zijn tekst Autoemancipation, Mahnruf an seine Stammesgenossen, en door Moses Hess in diens Rom und Jerusalem. De tekst van Pinkser is uit 1882, en die van Hess uit 1862, dus beide nog steeds jaren later dan de tekst van Wagner uit 1850. Het is daarmee onwaarschijnlijk dat Wagner de idee van een eigen Joodse Staat ergens eerder had gelezen. De suggestie ervoor — ironisch bedoeld of niet — komt waarschijnlijk uit Wagners eigen brein.

Zowel de kwestie Wagner versus Herzl als die van de Judenemigration versus Endlösung staat bol van ongerijmdheden. Tegelijkertijd valt er in beide kwesties (zoals hierboven al aangestipt) een verleidelijke hypothese te ontdekken: De antisemiet Wagner is de uitvinder van het zionisme. Ook als Wagners suggestie ironisch bedoeld was, dan nog kan Herlz hem serieus hebben genomen, en haar wellicht zelfs als uitdaging beschouwd hebben. Voor Herlz was vooral het groeiende antisemitisme in Europa de voornaamste reden om een eigen Joodse Staat voor te stellen, een argument dat we ook lezen in de teksten van Hess en Pinkser. De uitwerking van deze idee van een eigen staat heeft bij al deze schrijvers verschillende nadrukken, maar de overeenkomsten zijn groot. Herzl heeft de tekst van Hess pas in 1901 gelezen, dus nadat hij zijn ‘Judenstaat’ al had geschreven — althans, dat schrijft hij in zijn dagboeken. “Wat een verheven, edele geest! Alles wat wij geprobeerd hebben, staat al in zijn boek. Alleen hinderlijk is zijn Hegeliaanse terminologie. Prachtig het Spinozistisch-Joodse en nationaalsentiment. Sinds Spinoza heeft het Jodendom geen groter geest voortgebracht dan deze vergeten vervaagde Moses Hess!” en verderop: “Ik zou Der Judenstaat niet hebben geschreven indien ik Hess’ Rom und Jerusalem eerder had gekend.” Maar feit blijft, Wagner kende deze teksten niet.

Van 1933 tot 1941 heeft Adolf Eichman zich ingezet voor de zogenaamde Judenemigration, de gestimuleerde of afgedwongen emigratie van Joden uit Duitsland en de door de Nazi’s bezette landen. Het opmerkelijke en tegelijkertijd erbarmelijke aan dit streven is dat hij hiervoor steun zocht, en deels vond, bij de zionisten — zij vonden parallelle belangen, die uiteindelijk strandden in de politieke chaos van die tijd.

Dat deze wederzijdse belangen niet uitgespeeld konden worden is net zo’n gruwelijk gegeven als de plannen op zichzelf. Enerzijds zou je kunnen denken: wat als het hen gelukt was, zou de Holocaust dan niet hebben plaatsgevonden? Maar, anderzijds, tegen welke verschrikkelijke prijs?

In een interview van Günter Gaus met Hannah Arendt uit 1964 verwijst Gaus op een gegeven moment naar haar Lessinglezing [1959], waarin zij spreekt over een vorm van warme medemenselijkheid die ontstaat binnen een volk dat leeft in ballingschap. In de jaren ’40 was Arendt geen voorstander van het vormen van een eigen natie-staat (naar West-Europees model) zoals het zionisme dat voor ogen stond. “De Zionisten lopen het gevaar de fouten van de Europese natiestaten uit de negentiende eeuw te herhalen, die leidden tot chauvinisme en vijandschap. Alleen een bi-nationale oplossing, die gelijke rechten voor Arabieren en Joden garandeert, kan vrede verzekeren.” — [Zionism Reconsidered (1944)]

In de Lessinglezing zegt ze: “We betalen duur voor die vrijheid, en we moeten beseffen dat die vorm van menselijkheid de bevrijding nog geen vijf minuten overleeft.” In het interview met Günter Gaus antwoordt ze echter wel dat het zinloos (of wellicht zelfs onmogelijk?) is de geschiedenis van de stichting van de Joodse Staat terug te draaien, teneinde die medemenselijkheid en solidariteit van ballingschap terug te winnen. Immers, hoe warm en noodzakelijk ook, die is niet automatisch houdbaar binnen een (overgeleverde?) politieke structuur — voor die vrijheid en politieke realiteit betaal je een prijs: “Je moet een prijs betalen voor die vrijheid, maar ik kan niet zeggen dat ik die graag betaal.” Ik vraag mij trouwens af of ze met die ‘vrijheid’ eigenlijk niet ‘banale’ vrijheid bedoelt…

— § —

Heil, Hitler, Himmler, Heydrich, Herbert Hagen, Haifa, Ha’avara-Abkommen, Haganah, Herzl, Hess, Heinrich, Heimat, Holocaust, Hannah, Hamas, 88… Haas! Ha! Veel moeite kost het niet om namen, begrippen of ideeën te vinden die op een of andere wijzen met elkaar corresponderen — maar om consistente causaliteiten vast te stellen is een ander verhaal. De schoonheid die een dergelijke constructie oplevert is zonder twijfel verleidelijk. Maar vaak lijkt het te mooi om waar te zijn. De vraag is: Bestaat de mogelijkheid ook dat iets te lelijk is om waar te zijn?

Naschrift

Met ‘Heinrich’ doelt Haas op Heinrich von Ofterdingen, de andere benaming van Tannhäuser. De laatste lijst namen toont wat mij betreft Haas’ onvermogen om tot een afgewogen conclusie te komen; hij liep vast. Daar was hij zich kennelijk van bewust, gezien het aantal woorden van zijn laatste paragraaf: 88. Het getal dat naar ‘Heil Hitler’ verwijst, de letter ‘H’ is de achtste letter van het alfabet en wordt door neonazi’s vaak als symbool gebruikt. Met dit aantal woorden doorbreekt Haas zijn veelvuldig, en welhaast manisch gebruikte aantal van 273 woorden voor paragrafen of blokken tekst. Het is zonder twijfel een combinatie van ironie en zwartgalligheid.

Ik vind zijn hypothese speculatief en obscuur, maar tegelijkertijd te verleidelijk om te negeren. Zoals ik eerder aangaf zou dit de reden geweest kunnen zijn om de tekst terug te trekken, en wellicht zelfs zijn hele website. Alsof hij in alles gefaald had. ‘Alles of niets’ is heel wel als een levensmotto van Haas te beschouwen. Het gaat mij hier hier niet om een psychologische analyse, maar om de constructie die hij in zijn tekst voor ogen had. Was dat inderdaad een hopeloze onderneming?

Ik meen dat hij één mogelijke plotlijn heeft genegeerd — bewust, of onbewust, dat weet ik niet en kan ik nu ook niet meer achterhalen. Deze lijn ontleen ik aan een bepaald element uit het Joodse Messianisme, zoals die terug te vinden is in de Kabbalistiche traditie: de formule van het als_niet. Giorgio Agamben bespreekt dit onderwerp in diens boek The Time That Remains uit 2005. We vinden deze formule vinden in de Eerste Brief van Paulus aan de Korinthiërs [I Kor. 7:29-32]:

Maar dit zeg ik, broeders, de tijd is tot rust gekomen; wat rest is, opdat zelfs zij die vrouwen hebben zijn als niet vrouwen hebbend, zij die wenen als niet wenen, zij die zich verblijden als niet verblijden, zij die kopen als niet bezitten, en zij die de wereld gebruiken als niet verbruiken. Want de gedaante van deze wereld vergaat. Doch ik wil dat gij zonder zorgen zijt.

‘Wenen als niet wenen’ moeten we niet lezen in de zin van ‘wenen zoals niet-wenen’, maar ‘wenen als_niet wenen’. Het betreft geen vergelijking tussen het wenen en het niet-wenen, het als_niet [in het Grieks: hōs mē] is een messianistische formule waarin het wenen in zijn tegendeel wordt opgeheven, doordat de tijd inkrimpt, oplost, of tot rust komt. De ‘tijd die ons rest’ verwijst in de messianistische opvatting niet naar ‘het einde der tijden’, dus naar wat er dan gebeurt, zoals in de Christelijke opvatting, maar naar het einde van de tijd zelf; de tijd ‘die tot rust komt’.

Laten we een poging wagen deze formule toe te passen op de tegenstelling tussen de Joodse Diaspora en Zion. Zoals Haas in zijn tekst stelt wijst Hannah Arendt er in haar Lessinglezing van 1959 en haar interview met Günter Gaus op dat die tegenstelling van existentiële aard is. De overgang van ballingschap naar de eigen natie-staat verandert die aard fundamenteel; de ‘vrijheid’ van de natie-staat heeft een prijs. De prijs die betaald wordt is het verlies van een warme onderlinge verbondenheid, die ‘met het verkrijgen van die vrijheid binnen vijf minuten is kwijtgespeeld.’ Deze verbondenheid is specifiek, want gevoed door het leven als (relatieve) buitenstaander.

De politieke structuur van de eigen natie-staat creëert de vrijheid ten koste van het verlies van die specifieke verbondenheid. De vraag is nu of die prijs alleen door de zionistische Joden (die dus leven in die staat) wordt betaald, of ook door de Joden die verkozen om in diaspora, als buitenstaander, te blijven leven. Het aantal Joden wereldwijd werd in 2024 geschat op een kleine 16 miljoen, het aantal Israëlische Joden op ongeveer 7 miljoen, rond de 45 procent van het totaal aantal Joden.

Wanneer alle Joden deze prijs betalen, dan is de volgende messiaanse als_niet-formule van toepassing: Joden zullen zijn als_niet Joden. De specifieke, onderlinge Joodse verbondenheid zal worden opgeheven in haar tegendeel, namelijk in de negentiende eeuwse praxis van de natie-staat. Wanneer alleen de zionistische Joden de prijs betalen, dan geldt mutatis mutandis hetzelfde voor de Israëlische Joden. In dit laatste geval is er een extra als_niet denkbaar: Diaspora-Joden zullen zijn als_niet zionisten-Joden. In al deze gevallen staat de Joodse Staat centraal.

De volgende vraag dringt zich op: Wat zouden de gevolgen kunnen zijn voor deze natie-staat, met name in het kader van de huidige ontwikkelingen in Gaza? Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst een andere vraag beantwoorden: Is er ten opzicht van de idee van de Joodse Staat ook een ‘als_niet’ te formuleren? Bijvoorbeeld: De Joodse Staat als_niet Natie-Staat?

Vanaf 1947, de VN-resolutie 181, zijn er verschillende voorstellen gedaan voor een zogenaamde ‘tweestatenoplossing’ — dat is geschiedenis, die ga ik hier niet herhalen. Maar, is het denkbaar dat het als_niet van de Natie-Staat zich oplost in een werkbare, moderne bi-nationale vorm?

— J. Chr. de Vries, Bonnemort, 18 augustus 2025