Het Eeuwige Verhaal

parabels

Het Eeuwige Verhaal

J. Chr. de Vries

Omega Punt

De waarheid is dat ik nooit heb kunnen lezen,
Maar ik troost mij met de gedachte
Dat het verbeelde en het gebeurde inmiddels hetzelfde zijn.
— El guardián de los libros [De bewaker van de boeken] – Jorge Luis Borges

In het najaar van 1994 ontving ik een brief van Taunis Haas. De precieze datum herinner ik mij niet meer, maar wel dat het een brief betrof die per post besteld werd; het is in onze tijd bijna niet meer voorstelbaar, maar e-mail en internet bevonden zich toen in de beginfase.

Haas’ brief bevatte een enthousiaste beschrijving van een uiterst merkwaardig boek dat hij had gelezen, van Frank J. Tipler: The Physics of Immortality. Het was net gepubliceerd.

Ik had Haas anderhalf jaar eerder ontmoet op een boekenbeurs in Duitsland, en sindsdien hebben wij elkaar bij vlagen brieven geschreven. Ik zou ons geen ‘vrienden’ willen noemen, daarvoor was er te weinig empathie tussen ons; we correspondeerden uitsluitend over kwesties die ons aan het hart gingen, maar nooit over persoonlijke zaken.

Het boek van Tipler begint als volgt: Dit boek beschrijft de Omega Punt Theorie, welke een toetsbare natuurkundige theorie geeft van een alomtegenwoordige, alwetende, almachtige God die elk van ons in de verre toekomst ooit zal doen opstaan ten einde ons voor eeuwig te laten leven in een verblijfplaats die op alle wezenlijke punten de joods-christelijke hemel is. Dat klinkt als de tekst van een godsdienstwaanzinnige, maar Tipler is een gerenommeerd wis- en natuurkundige. Hij studeerde aan het fameuze Massachusetts Institute of Technology, met als specialisatie de algemene relativiteitstheorie van Albert Einstein. Om zijn theorie te ondersteunen staat het boek vol met wiskundige formules, waar ik als leek weliswaar niets van begrijp, maar die voor terzake kundigen goed te controleren zijn. De wiskundige aspecten laat Haas in zijn brief buiten beschouwing, het gaat om het achterliggende idee van het eeuwige nu.

Het Eeuwige Verhaal

Uitgangspunt voor Tiplers Omega Punt is de bigbangtheorie, de theorie die het ontstaan van onze kosmos verklaart uit een eerste moment, de Big Bang. Vanaf dat moment is ons universum gaan uitdijen; dit proces is nog steeds aan de gang, en zal nog miljarden jaren duren. Maar er komt een moment dat deze expansie stopt, en dat het proces zich in tegengestelde richtging gaat voltrekken: het universum zal geleidelijk aan inkrimpen, en uiteindelijk oplossen in het oorspronkelijke niets.


Tijdens dit krimpproces zal de druk en de temperatuur in ons heelal toenemen, hoe dichter bij de oorspronkelijke kern, hoe hoger. Dit betekent dat op enig moment het leven op Aarde onmogelijk gaat worden. We zullen moeten verkassen naar de buitere regionen van ons universum. Dit is het eenvoudigste probleem om op te lossen. We gaan namelijk een zogenaamde Von Neumann-machine bouwen, een apparaat dat al onze informatie, technieken en kennis, meeneemt naar een plek verder verwijderd van de kern van ons universum, en daar alles weer opbouwt. Een van de prettige eigenschappen van die machine is dat hij zichzelf kan dupliceren. Dat is handig, omdat we op deze wijze stapsgewijs steeds verder van de kern kunnen komen. We kunnen onze maatschappij keer op keer herbouwen. Omdat we miljarden jaren de tijd hebben, zal onze techniek zonder twijfel toereikend zijn. De chips die gebruikt worden in computers zijn in enkele jaren tijd beduidend kleiner en krachtiger geworden. De ontwikkeling van onze technologie vindt plaats in een zich toenemend versnellend proces. In 1990 voorspelde Raymond Kurzweil dat de grens tussen het humane en de technologie zal vervagen, in zijn boek The Age of Spiritual Machines.

Dit was stap 1. Stap 2 is van een andere orde: wij zullen geconfronteerd worden met het feit dat we niet langer onze huidige fysieke staat kunnen handhaven, we moeten een andere vorm gaan aannemen: namelijk van een fluïde superbrein — het Omega Punt genaamd — door zich op het zich in de ruimte bevindende zogenaamde ‘Higgs-veld’ te projecteren, een veld dat uitermate geschikt is voor dataopslag.
 Een van de voorwaarden waaraan voldaan wordt, is het feit dat er weliswaar ontzaglijk veel verschillende DNA-combinaties mogelijk zijn, en daarmee evenzoveel verschillende mensen, maar dat dit aantal desalniettemin eindig is. Tipler berekende dat het aantal mogelijke verschillende hersenschakelingen leidt tot een aantal van 10.100.000.000.000.000.000 ‘mogelijke’ mensen. (Dat aantal is een getal met 19 nullen.) Voor het Omega Punt is dat een fluitje van een cent. Mensen ervaren dit als zijnde God en Hemel tegelijk. 


Maar, er is nog een derde stap noodzakelijk, en dat is het probleem van Gods eeuwigheid. Het superbrein heeft namelijk niet het eeuwige leven. Wanneer het unvisersum uiteindelijk implodeert in het niets, dan is alles voorbij, dan bestaat het Omega Punt niet meer. Tipler geeft echter een briljant antwoord op dit probleem. In het laatste moment voor de ultieme implosie heeft het licht de eigenschap zich een oneindig aantal maal te kunnen verplaatsen tussen twee punten. (Dit onderbouwt Tipler met zijn berekeningen.) Er kan dus een oneinige hoeveelheid informatie tussen alle verschillend mogelijke individuën worden uitgewisseld. Dit geeft ons het gevoel van eeuwigheid. Nu, in dit laatste moment van bestaan, ervaren wij ons vanwege die eeuwigheid, als God, wij hebben dan het eeuwige leven, welke wij ervaren in een eeuwig nu.

Mnemosyne en Lethe

Het verhaal van Haas heeft, ondanks zijn brille, een giftig addertje onder zijn gras, of misschien wel twee, of beter nog: een slang met twee (uiterst giftige) koppen, een Amphisbaena.


De eerste kop betreft het oneindig snelle geheugen, wat doet denken aan de rivier Mnemosyne, die volgens bepaalde bronnen stroomt in de onderwereld. In het Omega Punt hebben wij van deze rivier gedronken. Een oneinig snel geheugen is een absoluut geheugen. En dat is, zoals wij van Funes, de allesonthouder kunnen leren, een catastrofaal vermogen. Wanneer wij alles onthouden, dus niets meer vergeten, dan zullen wij alle bladeren aan de boom, in elke stand waarin de wind hen op ieder moment beweegt, als aparte objecten onthouden; wij missen dan het vermogen ze te herleiden tot bijvoorbeeld een ‘eikenblad’ of ‘kastanjeblad’. Wij missen dus het vermogen tot abstractie. Wij zullen onszelf niet meer herkennen.


De tweede kop is die van de stilte, wij zullen op elk moment alles horen, en dan niet in staat zijn te luisteren naar de stilte. Bestaat er nog een stilte voor de storm? Wat is muziek zonder stilte? In de muzikale ervaring is het vergeten van fundamenteel belang om muzikale verbanden te kunnen leggen, en om verrast te worden door bijvoorbeeld een onverwacht terugkerend gegeven. De schoonheid die wij ervaren wordt geboren uit onze kunst om te vergeten.


De God die Tipler voor ons bedacht heeft is geen ‘joods-christelijke god’ maar de godin Mnemosyne, waarnaar die rivier in Hades is vernoemd. Wij zullen na het drinken van haar water vermoedelijk smachten naar een slok uit de Lethe, een andere rivier in de onderwereld: de rivier van de vergetelheid.

— Den Haag, 29 februari 2002