Het Gedroomde Verhaal
— J. Chr. de Vries
O God, I could be bounded in a nut shell and count myself a king of infinite space,
were it not that I have bad dreams.
— Hamlet, Act II, Scene 2, line 273
— Uit het dagboek van Dr. Arturo Kruezéle
Ajien
“16 april 1949 — Vanochtend had ik een afspraak met Doron Keerez, een bevriende Joodse archeoloog die al jaren onderzoek doet naar een van de oudste gebouwen ter wereld, een tempelcomplex dat ligt in Zuidoost-Turkije, genaamd Göbekli Tepe. De schattingen van de ouderdom liggen in de buurt van 10.000 jaar, een tijdsvak dat bekend staat als het Neolithicum. We hadden afgesproken aan het einde van de ochtend, in de Italiaanse koffiebar Faréle op de Avenida Calle Juan de Garay, niet ver van de kust.
Vermoedelijk omdat we ons op de ‘Calle Garay’ bevonden kwam opeens het verhaal ‘De Aleph’ van Borges ter sprake, dat onlangs was gepubliceerd. Doron vertelde dat hij gedroomd had dat er een tweede Aleph bestond, die zich zou bevinden in een van de monolitische pilaren zoals Borges die beschrijft in zijn Postscriptum van 1943. Bestaat die Aleph in het binnenste van een steen? Heb ik hem gezien toen ik alle dingen zag en ben ik hem vergeten? Ons brein is ontvankelijk voor vergetelheid. Er zou, volgens Doron, dat wil zeggen de gedroomde Doron, zich ergens in de Göbekli Tepe een vierkante plaquette bevinden waarmee men zich toegang tot de Alpeh kan verschaffen, mits men weet hoe de 59 heilige veelhoeken precies op die plaquette te plaatsen. De veelhoeken bevinden zich in een verborgen ruimte naast de pilaar. De veelhoeken kunnen op één manier op het vierkant geplaatst worden. Dit moet geschieden volgens het Principe van het Bolyai-Gerwien Theorema. Boron legde uit dat dit theorema bewijst dat een specifieke combinatie van veelhoeken omgevormd, of ingepast, kan worden in een rechthoek dat dezelfde oppervlakte heeft als de som der veelhoeken.”
Sjien
“21 april 1949 — Ik liep met Toine tussen de pilaren van Göbekli Tepe, op zoek naar die ene pilaar van Doron, de pilaar met de echte Aleph, en niet die ‘valse’ van de Calle Garay. Op mijn opmerking dat het jammer was dat zijn moeder er niet bij kon zijn knikte hij afwezig. ‘Beatriz’, zei hij even later, maar zonder een spoor van emotie te tonen. Toine toonde nooit emotie, hij was weinig spraakzaam, en kon lastig in het gezelschap verkeren van meer dan twee personen. Hij ging niet naar school, maar kreeg privélessen van een docent die ik had ingehuurd en bij ons thuis liet komen. Hij had een onvoorstelbaar goed geheugen, en zijn grootste liefhebberij was het leggen van puzzels, de stukken omgekeerd, met de achterkant van de afbeelding naar boven. Hij legde de puzzels in een oogwenk in elkaar, zonder aarzelen, en zonder fouten.
Opeens stonden we voor de magische plaquette. Toine haalde zonder aarzeling een koperen kist met de 59 veelhoeken onder een steen naast de pilaar vandaan. Hoe hij wist dat de kist daar verborgen was ging mijn verstand te boven. Hij pakte alle veelhoeken uit de kist, ze waren eveneens gemaakt van koper: driehoeken, trapezia, en ruiten, die hij een voor een en trefzeker zodanig op het vierkant plaatste, dat alle stukken precies op het oppervlak pasten. Ik hoorde een zwaar, schuivend geluid, en het vierkant bewoog langzaam opzij. Er verscheen een opening met een steile, stenen trap, die naar een kleine ruimte onder de pilaar leidde. Ik pakte mijn zaklamp en liep behoedzaam de trap af, tot ik mij in het midden van de ruimte bevond.
Ik bekeek de ruimte voor enkele ogenblikken, zij was leeg. Daarna strekte ik mij uit op de trap, en vlijde mijn hoofd voorzichtig op de negentiende trede, en knipte de lamp uit. Ik sloot mijn ogen, en deed ze weer open. Nu kom ik bij de onzegbare kern van mijn tekst; hier begint ook míjn wanhoop als schrijver. Iedere gedachte, en dus iedere herinnering, vormt zich in een spervuur van woorden, die via een alfabet van symbolen tot stoffelijke waarheid stollen. Words, words, words. Profeten en kabbalisten strooien in een vergelijkbare trance met aporieën: om het goddelijke en oneindige aan te duiden, spreekt Zeno over een pijl die nooit zijn doel bereikt; en Moses Cordovero over de oorspronkelijke vorm van de Torah, als een ongedefinieerde tekst die bestaat uit het totaal van alle mogelijke combinaties van het Hebreeuwse alfabet, de heilige taal; Moshe Idel daarentegen, meent dat het eerder te vergelijken is met het schrijftablet van Aristoteles, waarop niets is geschreven; Diogenes de Cynicus antwoordde een man die tegen hem zei, Jij weet niets, al ben je filosoof: ‘Zelfs al doe ik maar alsof ik wijs ben, dan is dat al filosofie’; Sigwind de Kuische heeft het over ‘Een vuur zo heet als het onbeweeglijke ijs’; Kelvin avant la lettre.
Precies in het negende uur verscheen de ‘ware’ Aleph, in de ongetwijfeld door de goden vervaardigde heilige monoliet van Göbekli Tepe.
Tot mijn verbijstering vulde de ruimte zich met licht, een voortdurend van kleur wisselend licht dat een bijna ondraaglijke gloed verspreidde. Ik moest mijn ogen samenknijpen om het licht te verdragen. Tegen mijn verwachting in zag ik geen beelden, alleen vloeiende lichtschakeringen.
Midden in de ruimte, recht voor mijn ogen, zag ik opeens een inktzwarte bol, met een diameter van twee tot drie centimeter; hij deed wel denken aan de Aleph, maar bleek eerder het tegendeel ervan te zijn, het leek alsof hij al het licht in zich aan het opzuigen was. Het licht van de ruimte werd geleidelijk aan wat zwakker, en de bewegingen van de lichtschakeringen kregen meer en meer een richting, ze leken in de zwarte bol te vloeien, zoals het water in een leeglopend bad het riool in geslurpt wordt. De afwisselingen in de kleurschakeringen werden minder gevarieerd, de roodachtige en blauwachtige kleuren werden dominanter. Maar niet alleen het licht in de ruimte veranderde, ik merkte ook dat ik steeds meer moeite had om mij een oordeel te vormen over wat er gaande was. Mijn gedachten werd minder concreet, ik kon steeds minder woorden vinden, een van de laatste gedachten die ik nog vorm wist te geven was dat mijn herinneringen vervaagden. Ik voelde dat ik mijn ogen moest sluiten, om aan de zuigende kracht van het ‘zwarte gat’ te ontkomen, maar mijn hersens wisten niet meer hoe mijn oogspieren te bedienen. Ik had geen kontrole meer over mijn spieren, ik kon mijn handen niet meer bewegen, ik voelde mijn benen niet meer, ik wilde roepen, Toine waarschuwen dat hij moest maken dat hij weg kwam, maar onmiddellijk was ik hem vergeten, ik was Beatriz vergeten, ik was mijzelf aan het vergeten. Was dit een vorm van sterven? Of was ook de dood zelf in het zwarte vacuum gezogen? Langzaam werd alles zwart, het licht was weg, en de bol eveneens.”
Taw
“22 april 1949 — Ik voelde een hand op mijn wang, een licht strijken, ik wilde mijn ogen opendoen, maar ik wist niet hoe. Ik voelde een tweede hand, beide handen omvatten teder mijn hoofd. Ik hoorde een stem die zacht mijn naam noemde, de stem van Beatriz. Langzaam drong het tot mij door dat in ieder geval mijn oren nog werkten. Ik voelde hoe Beatriz mijn gezicht met haar handen zacht een beetje opzij draaide, ik voelde haar naar mij kijken, ze had haar gezicht nu vlak voor het mijne, ik tuitte mijn lippen, ik wilde haar lippen proeven. Ik bewoog mijn handen, draaide ze een kwartslag naar beide kanten, ik deed hetzelfde met mijn voeten. Mijn spieren leken nog te functioneren. Mijn gedachten kregen weer vorm, zij het enigszins krachteloos en ongericht. Enerzijds wilde ik mijn handen om haar gezicht vouwen, maar tegelijkertijd verlangde ik ernaar mijn ogen te openen om mijn geliefde aan te kijken. Wat hield mij toch tegen? Ik voelde tranen uit mijn ogen vloeien, over mijn wangen kruipen, in mijn hals een piepklein stroompje vormend. Ik kon geen geluid maken, ik huilde zwijgend. Ik probeerde mijn mond te openen, maar ik kon alleen een slechte imitatie van een vis geven. Ik wil ademen, ik wil een vis zijn schoot er door mijn hoofd. Ik probeerde mijn ellebogen naast mijn zij te schuiven, zodat ik mij tenminste rechtop kon duwen, maar ik had de kracht niet, mijn hoofd zakte terug op het kussen, de handen van Beatriz bleken opeens verdwenen, zonder dat ik het had gemerkt. Ik ontspande mij weer, alles werd geleidelijk aan donker. Toen was alles zwart.”
Tesha
“30 april 1949 — Pas nu ben ik in staat op te schrijven wat er gebeurd is, nadat ik weer met Doron had afgesproken in de Italiaanse koffiebar op de Calle Garay. Door hem te vertellen wat ik had meegemaakt kon ik er eindelijk vat op krijgen. ‘Meegemaakt’ is eigenlijk niet het meest precieze woord, want het betrof een droom. Maak je dromen mee?
Dat vroeg ik Doron, en hij vond van wel, mits je je dromen net zo serieus nam als je wakkere leven; of met evenveel korrels zout, want al te serieus kan dodelijk zijn. ‘Heb ik die Aleph te serieus genomen?’ vroeg ik.
‘Mijn gedroomde verhaal over die ‘echte Aleph’ in Göbekli Tepe bedoel je?’ Hij grinnikte.
‘Ja, dat was natuurlijk ook een droom.’
‘Dat jij ook droomde over de Aleph is opvallend, kennelijk raakte mijn droom iets bij jou. Maar beschrijf eerst je droom.’
Toen ik mijn droom beschreef besefte ik opeens dat ik mij weinig herinnerde van het tempelcomplex. Ik kon de pilaar niet goed beschrijven, ik herinnerde mij de vorm niet, noch de kleur, maar ook de direct ruimte er omheen niet. Hoe de ruimte onder de pilaar er precies uitzag wist ik ook niet meer, en zelfs niet in welke staat het koper van de plaquette en de veelhoeken verkeerde. Ik meen mij een groene kleur te herinneren, maar dat kan ik er ook later bij verzonnen hebben. Dat is altijd het probleem met dromen, wat doe je ermee als je wakker bent, wijzig je ze?
‘Je werd wakker doordat je de handen van Beatriz voelde,’ concludeerde Doron nadat ik mijn droom zo zorvuldig mogelijk beschreven had.
‘En omdat ik haar stem hoorde. Ze noemde mijn naam. Heel duidelijk, alsof ze echt naast mijn bed stond; of zat.’
‘Dat droomde je dus: je droomde dat je wakker werd, maar je was in feite nog aan het dromen. Dat was je redding. Je beschreef dat al je herinneringen aan het verdwijnen waren, en ook dat je geen kontrole meer had over je spieren. Je wist niet eens meer hoe je je ogen moest sluiten, dus andersom ook niet. Je was vergeten hoe je wakker moest worden, en toen heb je een miraculeuze list verzonnen: Beatriz. Je had haar nodig om wakker te worden.’
‘Toen ik uiteindelijk echt wakker was, herinnerde ik mij drie woorden, die ik ergens in mijn droom gezien meende te hebben, maar ik herinner mij niet meer waar, en evenmin hoe ze eruitzagen. Misschien heb ik ze alleen gehoord, want ik herinner mij de klanken. Het waren Hebreeuwse woorden, de eerste klonk als Ajien, de tweede als Sjien, en de laatste als Taw.’
‘Dat zijn letters! Geen woorden, maar letters zoals je die bijvoorbeeld opzegt in een alfabet, in dit geval inderdaad het Hebreeuwse. Ajien is de zestiende letter, te vergelijken met de ‘O’ uit ons Latijnse alfabet. Sjien, de eenentwintigste letter, wat wij de ’S’ noemen, en Taw is de tweeëntwintigste en laatste letter, onze ’T’. Behalve dat ze de letters van het alfabet zijn, dragen ze ook een betekenis, die verbonden is met het Joodse Heilige Schrift. Ajien betekent zoiets als tijd, of toekomst; Sjien vuur, en Taw waarheid of voltooiing. Dat lijkt van toepassing te zijn op je droom, maar dat kan natuurlijk projectie zijn.’
Doron legde vervolgens uit dat de letters bovendien een getal vertegenwoordigen. Het Hebreeuwse schrift is zoveel meer dan ons Latijnse alfabet. Toen kreeg ik een ingeving: ik vroeg of de drie letters gezamenlijk, in welke combinatie dan ook, een nieuw woord vormden, zonder toegevoegde andere letters, en dus ook zonder extra klinkers, wat in het Hebreeuws voortdurend gebeurt omdat die niet geschreven worden.
‘Er zijn zelfs vier combinaties die werken,’ zei Doron, ‘bijvoorbeeld de combinatie in de volgorde van het alfabet, Ajien, Sjien en Taw, levert het volgende woord op: Eshet, en dat betekent zoiets als solide massa. Dat is wel heel toepasselijk: jouw monoliet!’
‘Kan het inderdaad ‘monoliet’ betekenen?’ vroeg ik.
‘In taal kan alles, net als in dromen,’ antwoordde Doron. ‘De letters Taw, Ajien en Sjien, vormen het woord Toaas, wat ‘gefabriceerd’, ‘vervaardigd’ of ‘geschapen’ betekent. En de omkering daarvan, Sjien, Alien, Taw, maakt het woord Shaa’t, wat ‘het uur van’ betekent.’
‘Het uur U,’ zei ik enthousiast, ‘het uur van de waarheid. Wat een toeval!’
‘Of projectie, het is net als met de I Tjing, als je lang genoeg zoekt vind je altijd een passende verklaring. Maar ik wil de pret niet drukken. Als je wilt zou je kunnen zeggen dat de bovenstaande drie combinaties Shaa’t – Toaas – Eshet het volgende uitdrukken: De in het uur van de waarheid geschapen monoliet. Daar kun je mee voor de dag komen!’
Ik negeerde zijn scepsis. ‘Je zei net dat er vier combinaties waren die een nieuw woord opleveren, wat is de laatste?’
‘Ja, dat is waar ook, de laatste is Taw, Sjien, Ajien, en dat geeft het woord Tesha, en dat betekent ‘negen’.’
Ik keek hem hoofdschuddend aan. “Je zult het wel weer esotherische nonsens vinden, maar die droom die ik je net vertelde was negen dagen geleden, en het is vandaag op de kop af negen jaar geleden dat mijn Italiaanse liefde Beatriz Faréle haar uur van de waarheid beleefde, precies om negen uur in de ochtend.’ Hij zweeg, misschien was dit uit beleefdheid. Daarom ging ik maar verder: ‘Bestaat er volgens jouw toeval in een droom? Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit in een droom iets toevalligs heb meegemaakt, alles gebeurde altijd met een vanzelfsprekende reden, ook al kon die raadselachtig en wonderlijk zijn.’
‘Ik ben geen expert op dit gebied, maar ik vermoed dat dromen niet dialectisch zijn. In dat geval is toeval volgens mij niet mogelijk, omdat de tegenstelling tussen rationeel en irrationeel niet bestaat in een droom. Alles is dan mogelijk en vanzelfsprekend.’
‘Maar er is de waarheid van de droom, en de waarheid van het leven waarin wij dromen. Mogelijk bestaat het toeval niet in onze dromen, maar wel in ons concrete leven. Dan zijn de verbanden die we trachten te signaleren niet meer dan pogingen dat toeval te bezweren, in een hopeloze en tragische poging aan het zwarte gat van de dood te onstnappen.’
‘Dat theorema van Bolyai-Gerwien over de veelhoeken die precies op een rechthoek passen, is geen articulatie van het toeval, het is een bewezen mathematisch principe. Dat we dergelijke principes tot onze beschikking hebben voorkomt niet dat onze poging aan het zwarte gat te ontsnappen tragisch blijft, maar het maakt het niet per se hopeloos.’ Doron — nooit te beroerd voor een opbeurend praatje.”
— Bonnemort, 30 april 2019
Nawoord
Dit verhaal is ontstaan in een droom, een droom waarin ik mij verbeeldde dat ik wakker was, en bezig met het bedenken van een verhaal. Eerst was er de autistische jongen, die met metalen veelhoeken aan het puzzelen was op een koperen plaquette. Toen de stukken precies op de plaquette pasten, opende zich een ruimte. Niemand anders voor hem was dat gelukt. Daarna vroeg ik mij af, wat er zich in die ruimte zou bevinden. Ik dacht meteen aan de Aleph, maar meende tegelijkertijd dat het iets diametraal anders moest zijn. Al snel kwam ik op het idee van een minuscuul zwart gat. Een Anti-Aleph. Daarna viel ik in een droomloze slaap. Ik werd nog twee maal wakker die nacht, en moest beide keren weer aan dat verhaal denken. Toen ik de volgende ochtend opstond om te beginnen aan het verhaal, waarvan ik dacht dat ik het in grote lijnen in de nacht al had bedacht, werd het mij duidelijk dat ik niets had bedacht, ik had alles gedroomd. Het bleek lastig om de twee scènes uit te werken. Ik besloot eerst het verhaal van Borges te herlezen.
De Aleph begint met een citaat uit Hamlet: O God, I could be bounded in a nut shell and count myself a king of infinite space. Toen ik de tekst van Shakespeare erbij haalde, zag ik dat de zin die hier eindigt met een punt, in werkelijkheid verder gaat dan het woord ‘space’, met: were it not that I have bad dreams. Bovendien zag ik in de tekst dat dit citaat precies de 273ste regel was uit die 2de scène van de IIde akte.
Ik heb dankbaar gebruik kunnen maken van de kennis van twee oud-studenten: Yonatan R., die afkomstig is uit Israël, en Juan A. die oorspronkelijk woonde in Buenos Aires, de stad waar de Aleph zich afspeelt. Yonatan hielp mij met de uitspraak en betekenis van de woorden Ajien, Sjien en Taw, en met de betekenis van de vier mogelijke woorden die met deze drie letters gevormd kunnen worden zonder toevoeging van een extra klinker: Tesha (dat ‘negen’ betekent’), Shaa’t (dat ‘het uur van’ betekent), Toaas (dat ‘gefabriceerd’ betekent) en Eshet (dat ‘vaste massa’ betekent). Juan hielp mij met informatie over de stad Buenos Aires. De Avenida Calle Juan de Garay, de ‘Calle Garay’ in het verhaal van Borges, loopt door het centrum naar de monding van de Río de la Plata. Hij ligt in de buurt waar de immigranten uit Italië zich oorspronkelijk gevestigd hadden, het zuidelijke deel van het centrum, dat vroeger geleidelijk aan overging in de pampas. Hij vertelde ook dat de gedichten van de figuur Daneri taalkundig zeer humoristisch zijn. Hij vond de Nederlandse vertaling daarvan, in mijn uitgave, goed gedaan. Hij kan het Nederlands inmiddels zeer goed lezen, hij heeft zich dit eigen gemaakt door het lezen van de Statenvertaling en het werk van Gerard Reve.
Het viel mij op dat de ik-figuur uit De Aleph tot twee keer toe expliciet wordt aangesproken als ‘Borges’, daarmee suggererend dat hij die ‘ik’ is. Ik ken één ander verhaal waar hij dat doet: ‘De Ander’. Uiteraard blijft dat een problematische constatering, omdat een roman- of verhaalfiguur die sprekend op de schrijver lijkt, desalniettemin als een fictieve persoon moet worden beschouwd.
CdB — Bonnemort, 28 februari 2023