Het Laatste Verhaal
Actus Tragicus
— J. Chr. de Vries
De Messias komt wanneer hij niet meer nodig is; hij komt niet op de laatste dag, maar de dag erna.
— Franz Kafka, Blaue Octavhefte, III
Op de laatste As-woensdag van de vorige eeuw kreeg ik bezoek van een mij onbekende jongeman, die zich voorstelde als Reid Zieger. Hij vertelde mij dat hij mijn adres had gekregen van de Duitse musicoloog en publicist Taunis Haas, die ik goed kende. Zieger had eveneens de Duitse nationaliteit, hij was — in ieder geval toentertijd — woonachtig in Nürnberg. Zieger vertelde een geschiedenis die mij eerlijk gezegd ongeloofwaardig voorkwam, maar uit beleefdheid, ook in de richting van Haas, besloot ik hem aan te horen.
Zijn relaas luidde als volgt: Zieger was voor zaken in Genève geweest en had daar bij toeval een oude vrouw ontmoet die beweerde de huishoudster te zijn geweest van Jorge Luis Borges, en wel tot aan zijn dood. Zij was aanwezig bij zijn sterfbed. De volgende dag, toen zij weer het huis inging om voorbereidingen voor Borges’ begrafenis te treffen, vond zij de dictafoon waarop Borges zijn teksten insprak, ingeschakeld naast zijn bed. Dit bevreemdde haar zeer, zij was ervan overtuigd dat het apparaat de vorige dag uitgeschakeld was, eigenlijk de hele voorafgaande week al. Zij schakelde het apparaat uit, en hield zich bezig met de voorbereidingen. Aan het einde van de dag dacht zij weer aan de dictafoon. Zij had die diverse malen gehanteerd om teksten van haar werkgever uit te typen, ze sprak vloeiend Spaans. Na lang aarzelen schakelde zij het apparaat in, spoelde het terug en luisterde naar wat duidelijk de stem van Borges was. De tekst was een verhaal, het ‘Laatste Verhaal’ van de meester. Kennelijk, of schijnbaar, één dag na zijn dood opgenomen. Het is ongetwijfeld apocrief, maar ik wil het desalniettemin niet achterhouden.
— Bonnemort, 2 maart 2022
Het Laatste Verhaal
Mijn naam weet ik niet, maar ik heb vele namen. Ik ben de tel kwijtgeraakt. De naam Albino was een veelgebruikte, precies vierhondernegentig maal werd ik hiermee aangesproken. Maar ook noemde men mij ‘de gehoornde’ (tweehonderddrieënzeventig maal), ‘de vaandrager’, ‘de fluisteraar’, ‘de kluizenaar’, ‘de gevleugelde’ (één maal), ‘de naamloze’, ‘de ziener’ (veertien maal) en ‘de onzichtbare’ (elf maal); maar nimmer ‘de krijger’, ‘de reiziger’ of ‘de tien beren’.
De naam die mijn moeder mij gaf kreeg ik toen ik de taal nog niet machtig was. Mijn moeder stierf voor mijn eerste verjaardag. Ik heb haar blikken in mij opgezogen zonder daar woorden aan te kunnen geven. Ik heb het grootste deel van mijn leven gezocht naar mijn vader, aan wie ik geen enkele herinnering had. Alles wat ik over mijn ouders te weten ben gekomen was gebaseerd op de verhalen die mij verteld werden door mijn opvoeders en leermeesters. Ik raakte bezeten van de verhalen, ik wilde alle verhalen leren kennen, daarom besloot ik op zoek te gaan naar de enige ouder waarvan ik kon hopen dat die nog in leven zou zijn. Ik meen mijn vader uiteindelijk gevonden te hebben, in de onmetelijke kelders van de Keizerlijke Bibliotheek, maar hij herinnerde zich niets van mij. Hij klaagde dat zijn verhalen hem waren afgenomen, zijn geheugen was geplunderd, zijn herinneringen in rook opgegaan, daarom kwam ik niet voor in zijn verhalen. Ik vroeg mij af of hij dit letterlijk bedoelde, of dat hij doelde op de afwezigheid van de boeken; de bibliotheek was geheel leeg en verlaten. Er lagen zelfs geen restanten, lossen bladzijden of kaften. Alleen as. Evenmin klonk er enig geluid.
Alle verhalen zijn al verteld, ontelbare malen. Over de dieren, de Aap, de Beer en de Coyote; over de bomen, de Doodsbeenderenboom, de Eik en de Fijnspar; over Grappen, Herders, Imkers en Jagers; over Ketels, Leder en Manden; Natheid, Openheid, Popsterren, Querulanten, Raadsels, Stupiditeiten, Tafels, Uren, Vrouwen, Wolken; over Xenos, Yin & Yang, Zeno. Over de Geharnaste Man; de Soldaat die thuiskomt; de Broeder die zijn Broeder doodt; de Vriendin die haar Vriendin bedriegt met haar echtgenoot; over de Zoon die zijn Vader doodt; de Moeder die haar Kinderen doodt; de Man die wedijvert met zijn Goden. Over Geboden, Verboden, Goed & Kwaad; over de Alfa en de Omega, de Aleph en Zahir.
Ik vroeg de man, waarvan ik meende dat hij mijn vader was, naar zijn naam. Hij mompelde iets onverstaanbaars, hief voor het eerst zijn gebogen hoofd en richtte zijn ogen op mij. Ik zag dat hij blind was. ‘Met de roof van alle 343.000 boeken is ook het licht in mijn ogen gedoofd,’ sprak de man. ‘Mijn naam is Hsiang,’ vervolgde hij. Zijn stem was schor, maar tevens kraakhelder. Ik herkende die naam niet. Zijn hoofd zakte weer op zijn borst, hij bleef vele minuten zwijgen. Ik besloot te wachten tot hij weer zou spreken. Ik bestudeerde zijn gezicht. Hij was oud, afgetakeld, en had een verweerde huid, vol rimpels. Het weinige, witte haar dat hij nog had, hing in dunne slierten tot op zijn schouders. Ik zocht, voorzover dat mogelijk was in zijn gebogen positie, naar tekenen van herkenning, de vorm van zijn gezicht, zijn neus, oren en mond. Ik zag er geen overtuigend bewijs van, maar evenmin van het omgekeerde.
‘Wat is uw naam, en wat is het doel van uw bezoek?’ vroeg hij opeens.
‘Ik ken mijn naam niet, en vermoed dat u mijn vader bent,’ antwoordde ik.
De man leek in slaap gesukkeld te zijn, ik hoorde een licht gesnurk, zijn hoofd wiegde licht op zijn borst. Net toen ik hem nogmaals wilde vertellen wat mij naar hem gevoerd had, sprak hij weer:
‘Ik ken uw naam niet, en ik weet evenmin iets van een zoon.’ Hij richtte zijn hoofd weer op. ‘Maar niets is onmogelijk.’
Ik vertelde hem over de verhalen die mij verteld waren over mijn verleden, en hoe die mij bij hem gebracht hadden. Ik zei dat ik hoopte het allesverklarende verhaal te vinden, mijn naam en mijn geschiedenis.
‘U wilt een geschiedenis kennen die nog niet verteld is, het laatste verhaal,’ sprak de man waarvan ik hoopte dat hij mijn vader was. Hij stond op, ging met kleine, wankele passen cirkels lopen, en begon te oreren. Soms in heldere zinnen, maar vaker in onverstaanbaar of warrig gemompel. Uit zijn betoog maakte ik op dat er schier oneindig veel verhalen zijn, die uiteindelijk variaties zijn op enkele archetypes. Tot die conclusie was ik zelf al gekomen, maar ik besloot hem hier niet op te wijzen, in de hoop dat hij uiteindelijk iets zou zeggen wat ik nog niet wist. Tijdens een van zijn heldere momenten zei hij dat ik, om het Laatste Verhaal te kennen, moest beginnen bij het begin, bij het Eerste Verhaal. ‘Beide verhalen, zei hij, ‘zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, het ene kan niet zonder het andere.’ Daarna sprak hij weer in onverstaanbare, onsamenhangende flarden.
Het scheen mij toe dat hij soms in andere talen sprak, dode talen wellicht, ik voelde dat er sprake was van structuur, van een grammatica, maar de woorden en zinnen deden mij aan geen enkele mij bekende taal denken. Uit zijn betoog waarvan ik de taal wel verstond, begreep ik het volgende: Het Eerste Verhaal is geschreven in de taal uit de tijd van de Veertien Seizoenen. Deze seizoenen moeten niet in termen van tijdspannen gedacht worden, geen periodes, het zijn eerder ervaringen, toestanden, maar niet statisch. Een voortdurende stroom, met veertien uitzichten, of gezichten zelfs, maar tegelijkertijd ononderbroken. De taal waarin deze geschiedenis geschreven stond, bestond uit alle combinaties van het alfabet, wat een oneindige hoeveelheid oplevert, aangezien elke letter meerdere keren gebruikt kon worden. ‘JFILBA’ was een woord, maar ‘JJFILBA’ eveneens. En ook ‘AABBBFIIJJJJJL’. Na de tijd van de Veertien Seizoenen verviel de wereld in chaos. Om orde te scheppen veranderden de Goden de taal fundamenteel. De taal werd afgebakend in Geboden, Verboden, Plichten, Rechten, Liefde, Dood, het Goede en Kwade. Dit is de tijd van de oneindig variërende verhalen, van lachen en huilen, van geluk en verdriet, het is de tijd van de zich terugtrekkende Goden, want humor is Hen vreemd.
Toen ik hem vroeg waarom de Goden niet zouden kunnen lachen vormde zich iets als een glimlach op zijn gezicht, een meewarige glimlach. ‘Goden die lachen,’ sprak hij, ‘zijn Goden die sterven. Goden zijn onsterfelijk.’ ‘Maar Goden zijn almachtig, Zij doen wat Hun betaamt,’ probeerde ik te weerleggen. ‘Dat is waar,’ zei hij, ‘maar Zij behoeven niet alles te doen wat in Hun vermogen ligt. Goden willen niet sterven.’
De man, waarvan ik nu meende dat hij beslist mijn vader moest zijn, was vermoeid geraakt. Hij ging weer op de grond zitten, met de rug tegen een van de grote pilaren, zijn hoofd viel op zijn borst en hij viel in slaap.
Ook ik was kennelijk ingedut, toen ik wakker werd had ik geen idee hoe lang wij hadden geslapen. Mijn vader — ik besloot hem nu als mijn vader te beschouwen — was verdwenen. Ik ging naar hem op zoek, en vond hem in wat ooit de grote, centrale zaal van de bibliotheek moest zijn geweest. Hij zat op een houten bank, zijn handen op zijn knieën. Ik ging naast hem zitten, en wachtte tot hij zou spreken.
‘Het Eerste Verhaal,’ sprak hij op een gegeven moment, ‘heeft twee mogelijke vormen.’ Hij wendde zijn nietsziende ogen in mijn richting. ‘Enerzijds alle combinaties van het alfabet, maar anderzijds, zoals vooral de geleerden uit het Zuiden menen, een blanco boek.’ Hij moest mijn verbijstering gevoeld hebben, want ik had nog niets gezegd. ‘Ja,’ zei hij op een toon die mij verbazingwekkend vertrouwd in de oren klonk, ‘het is alles of niets.’
Daarna vertelde hij over het Laatste Verhaal. ‘Deze vertelling die nooit verteld is, kent geen publiek. Het kan namelijk niet verteld worden, het is voor ieder mens uniek, het is het verhaal van de laatste, tragische handeling.’
‘Het verhaal van de Dood?’ vroeg ik. ‘Maar daar zijn toch talloze verhalen over?’
‘Nee, het is het verhaal van het Sterven. Sterven doe je alleen, en je kunt er geen verslag van doen.’ Na enkele minuten vervolgde hij: ‘En jouw naam is gelijk aan de mijne.’
— JFILBA, Genève, 15 juni 1986