Het Sublieme

Lemma's

Het Sublieme

Cornelis de Bondt

Een voorstel: Als het schone humaan is, dan is het sublieme goddelijk (of ‘natuurlijk’). In dit onderscheid staat de mens tegenover de natuur. Voor mij is de mens een waarnemer en een protagonist ten opzichte van de natuur. God en natuur zijn synoniem. ‘God’ is de bron van die natuur. Ik bedoel hier niets religieus mee, het is een zuiver abstract begrip, een ijkpunt. De merel is een gegeven uit de natuur, haar articulaties zijn net zo subliem als de overhellende rotsblokken of de donder en bliksem. Ik kan het gezang van de merel met dezelfde onlust ervaren als het onweer, of met dezelfde lust. Ik kan het ritme van de donderslagen om net zulke muzikale redenen bewonderen als het gezang van de merel. Het gevaar van onweer is voor mij niet de essentie achter de onlust, het is namelijk reëel gevaar: een bliksemschicht kan dodelijk zijn. Dat is niet de onlust waar Kant uiteindelijk op doelt. Het is niet het doodsgevaar waar de bliksemschicht haar verhevenheid mee oproept, maar de mateloosheid ervan. Die mateloosheid is evengoed aan de orde bij het gezang van de merel. En andersom, een buitengewoon verfijnd geconstrueerd wapen, een kris of een pistool waarvan het heft of de kolf op kunstige wijze met parelmoer is ingelegd, kan net zo dodelijk zijn. Het onderscheid dat Burke kan maken tussen rotsige bergketens die subliem zijn, en een glooiend gazon dat schoon is, is dan niet gebaseerd op het angstaanjagende van die bergketens, en het lieflijke van het gazon, maar op het feit dat de bergketens ons door de natuur zijn gegeven, en dat het gazon door de mens is aangelegd.


Vanuit dit uitgangspunt kunnen wij Kants problematische onderscheid tussen het schone en het verhevene een andere, en hopelijk meer werkbare richting geven, door in beide gevallen de rede te betrekken. Bij het schone, dat nu direct op de kunst is betrokken en niet op de natuur, speelt ons oordeelvermogen via de verbeeldingskracht een spel met de rede zodanig dat het werk een ideaal is om het volmaakte te bereiken. Het sublieme is niet idealistisch, het is het geraakt worden door het volmaakte. Hierbij moeten wij uiteraard de kanttekening (dit is niet bedoeld als flauwe woordspeling…) maken dat met het ‘volmaakte’ niet iets bedoeld wordt als een meetbaar concept waarvan de graad van volmaaktheid kan worden afgemeten; we volgen hier nog steeds Kants begriploosheid van het verhevene. De natuur is als geheel een onmeetbaar gegeven. Het gezang van de merel — als sublieme ervaring — is niet te meten. Allerlei aspecten van deze vogel kunnen uiteraard wel gemeten worden, ook in zijn gezang, maar niet het verhevene ervan. Met andere woorden: waar kunst een streven is naar het volmaakte, is het sublieme een confrontatie met het volmaakte. Hieruit volgt dat het naïeve geen onderdeel van de kunst kan zijn. Het naïeve hoort bij het sublieme. Een wonderkind dat de sterren van de hemel speelt is vergelijkbaar met de merel. We kunnen ons er over verwonderen, maar een uitdrukking van schoonheid geeft het ons niet. Het schone is gebaat bij onvolmaaktheid, zoals Burke aangaf in zijn opmerking dat vrouwen dit goed begrijpen, door hun schoonheid te onderstrepen met het voorwenden van zwaktes: They learn to lisp, to totter in their walk, to counterfeit weakness, and even sickness.

— Cornelis de Bondt, Loosduinen, 17 maart 2024