Het Unieke Verhaal

parabels

Het Unieke Verhaal

J. Chr. de Vries

In de jaren ’90 trof ik Pascal-Wedt op gezette tijden in Paviljoen Richter, een uitspanning in de tuin van het Haagse Gemeentemuseum. Soms spraken wij af in de loop van de ochtend, om een uur of elf, dan dronken wij steevast Salzburger Kaffee, een koffiecocktail op basis van Kahlúa en vanillesuiker; maar meestal troffen we elkaar aan het eind van de middag, met rode port en een bittergarnituur. Gedurende zijn professionele leven was Pascal-Wedt taalwetenschapper, op latere leeftijd, de tijd dat ik hem leerde kennen, hield hij zich bezig met het verzamelen van manuscripten; hij reisde de wereld rond, struinde overal antieke boekenmarkten af, en bezocht vele veilinghuizen. Teruggekomen van een van zijn ‘rooftochten’, zoals hij dat noemde, hoewel hij zich bij mijn weten altijd braaf aan de wet hield, belde hij mij vroeg in de ochtend op. “Han-Peeter hier!” Zijn stem klonk opgewonden. “Ik ben iets fantastisch op het spoor! Laten we elkaar straks treffen in het paviljoen!” Dat kon ik onmogelijk weigeren. Ik had eigenlijk een controle-afspraak met de tandarts, maar ik ben nooit te beroerd een goed excuus uit de weg te gaan. Die ochtend, in de nazomer van 1992, zaten wij aan onze vertrouwde Kaffee, Pascal-Wedt leek bijkans te stuiteren van opwinding. Pascal-Wedt had een lezing bijgewoond van Reilort Schtraufer in de vestiging van het veilinghuis Christie’s in Zürich. De lezing ging over een verloren gegane tekst van Kafka. Hij kende deze Oostenrijkse literatuuronderzoeker al een aantal jaren, voornamelijk via correspondentie. Schtraufer beweerde dat hij een getypte kopie had van de tekst. De authenticiteit van die tekst moest overigens nog wel bewezen worden.

Het verhaal dat Pascal-Wedt mij vervolgens vertelde was net zo complex als dat het wonderlijk was, om niet te zeggen ongeloofwaardig; maar dat hield ik wijselijk voor mij, ik wilde hem niet meteen voor het hoofd stoten. De tekst zou afkomstig zijn uit Kafka’s Blauwe Octaafschriften, een losse pagina die aan het derde schrift was toegevoegd. Deze pagina was via de nalatenschap van Kafka’s vriend Max Brod terecht gekomen bij een uitgeverij in Amsterdam; deze Uitgeverij Verlaat Exil publiceerde in de eerste helft van de twintigste eeuw met name Duitstalige literatuur van Joodse schrijvers. Van Brod werden enkele manuscripten vertaald en uitgegeven. In het eerste jaar van de bezetting werd het complete archief van de uitgeverij door de nazi’s geroofd en afgevoerd naar Berlijn. Na de oorlog kwam het archief na een rondreis via ondermeer Dresden, Moskou en Potsdam uiteindelijk in 1991 weer terug in Amsterdam. Maar die bewuste pagina zat daar niet meer bij.

“Dit heeft die Schtraufer dus allemaal in zijn eentje uit zitten vissen!” In Pascal-Wedts stem klonk een mengeling van afgunst en verbijstering. “Daar is hij jaren mee bezig geweest. En nu denkt hij dat hij weet waar die ontbrekende pagina is. Dan kan hij eindelijk aantonen dat het om een echte Kafka-tekst gaat.” Het verhaal bleek steeds ingewikkelder te worden. Toen eenmaal gebleken was dat de bewuste pagina zich niet in het terugekomen Brod-archief bevond, is Schtraufer de geschiedenis van die uitgeverij gaan napluizen. Al vrij snel stuitte hij op de figuur van Menkert Hansen, een schrijver die de uitgeverij eind jaren dertig geleid heeft, tot zijn vlucht naar de Verenigde Staten in 1940.

Schtraufer vermoedde dat deze Hansen de bewuste pagina had meegenomen op zijn vlucht. Hij zocht uit waar de schrijver had gewoond en het bleek dat hij na een verblijf van dertien jaar in New York, waar hij het Amerikaanse staatsburgerschap wist te verwerven, terugverhuisd was naar Europa, naar Rome om precies te zijn. Zestien jaar later is hij wederom verhuisd, dit keer naar Zwitserland, naar een klein gehucht in de buurt van Bazel. Daar woont de inmiddels hoogbejaarde man nu nog. Schtraufer heeft hem daar eind 1991 opgezocht, en zo kwam hij aan de kopie van de tekst waarover hij tijdens zijn lezing in Zürich had gesproken. De tekst is een kort verhaal, hoewel je het eigenlijk meer een plot dan een verhaal zou moeten noemen; de titel ervan is: ‘Een alledaagse verwisseling’. Deze titel is verwant aan een titel uit die Blaue Oktavhefte, van 21 oktober 1917: ‘Eine alltägliche Verwirrung’, een vergelijkbaar kort verhaal (of plot) over twee figuren, genaamd A en B, die in een vreemd soort misverstand verzeild raken over hun ontmoeting in H. De zoekgeraakte pagina zou aan dit gedeelte zijn bijgevoegd, dat was althans de mening van Schtraufer. Het verhaal leek er een variant op te zijn, of beter gezegd, een kruising tussen een variant van de tekst uit de Blaue Oktavhefte en het verhaal van de ‘Gedaanteverwisseling’ van twee jaar daarvoor. Zijn theorie was, dat Kafka — wellicht slechts enkele dagen later — deze variant had geschreven; maar omdat hij al verder was gegaan met zijn aantekeningen, was er geen ruimte meer op die pagina in het schrift, en dus heeft hij er noodgedwongen een losse pagina aan toegevoegd.

De verhaal- of plottekst luidt als volgt (Pascal-Wedt gaf mij een fotokopie van de pagina die, zoals hij vermoedde, door Hansen was uitgetypt):

Een alledaagse verwisseling
Franz K., een jurist werkzaam aan het Oostenrijkse keizerlijke hof, was vanuit de stad B. op dienstreis naar het slot H. in A. De heenreis had twintig uur geduurd. Na een — tot zijn verrassing — verkwikkende slaap werd hij ’s ochtends om 7 uur gewekt door een lakei, met de woorden: ‘Herr Kaiser, de koets staat voor u gereed om u naar B. te brengen.’ Tijdens de rit moet K. in slaap zijn gevallen, maar niet lang volgens K.’s indruk, want nog voor het middaguur was hij al in de stad B. Nadat hij daar de volgende ochtend wederom door een lakei werd gewekt, met de woorden: ‘Herr Käfer, de koets staat voor u gereed om u naar het slot H. te A. te rijden,’ herinnerde hij zich opeens dat hij niet de jurist Franz Kaiser was, maar de schrijver Jozef Käfer. Na voor de derde nacht op rij een aangename nachtgerust te hebben genoten, werd hij uit zichzelf wakker. Hij stond op, liep naar het raam, keek enkele ogenblikken uit over de stad W., en ging vervolgens naar de badkamer. Hij bekeek zich in de spiegel, en sprak toen op zachte, doch besliste toon: ‘Aha, ik dacht het al, Ich bin der Kaiser Franz Jozef K.’.

“De verwijzingen zijn duidelijk, niet?” stelde Pascal-Wedt. “de namen, de plot en afkortingen…” Hij keek mij doordringend aan, hij verwachtte kennelijk commentaar.
“Misschien iets teveel…?” probeerde ik aarzelend.
“Precies!” Pascal-Wedt priemde met zijn vinger in de lucht.

Hij wilde er niet teveel meer over kwijt, alleen dat er een vreemd luchtje aan deze geschiedenis kleefde. Hij zei dat hij de volgende dag weer op reis ging. Hij keek mij met een raadselachtig glimlachje aan, maar zei verder niets. Een week later belde hij mij laat in de avond weer op.
“Ha!” riep hij triomfantelijk, “Beet! Laten we morgen afspreken in dat eetcafé op de Korte Voorhout.” Hij doelde op De Posthoorn, meer een café dan een restaurant, maar je kon er inderdaad een hapje eten. We spraken af om 7 uur ’s avonds. Dat wordt een kipsateetje, dacht ik zonder al teveel enthousiasme, maar ik was wel benieuwd naar zijn wederwaardigheden.

“Ik ben die Hansen gaan opzoeken!” Hij keek mij verwachtingsvol aan. Ik knikte met een aanmoedigende glimlach. Hij stak enthousiast van wal, terwijl ik op een stukje kipsaté begon te kauwen. “Wat schetst mijn verbazing, toen ik Hansen vertelde over mijn ontmoeting met Schtraufer, en vertelde over die kopie van dat Kafka-verhaal die hij van hem had gekregen, en hoe betreurenswaardig het was dat hij niet de beschikking meer had over die vermiste pagina uit dat Blauwe Oktaafschrift… — ‘Doch!’ had Hansen verontwaardigd geroepen,” hier zweeg Pascal-Wedt even, “we spraken in het Duits hè…” na mijn ongeduldig handgebaar ging hij snel verder: “Dus, wat zegt hij? Dat hij dat manuscript weldegelijk ook in zijn bezit had, en dat hij het aan Schtraufer had meegegeven!” Pascal-Wedt keek mij aan met een blik vol verbijstering en woede. “Die Hansen is een oude man, bijna seniel, en die heeft dat manuscript zonder pardon meegegeven aan die oplichter van een Schtraufer!”
“Ik weet niet wat ik hoor!” was het enige wat ik uit kon brengen.
“Nee, dat wist ik ook niet!” Hij had wat pindasaus op zijn overhemd gemorst, maar had dit niet door, hij ging verder met zijn relaas. “Op de dag van die lezing, toen hij zei dat het manuscript verdwenen was, had hij het al in zijn bezit!”
“Waarom heeft hij dit dan niet gewoon gezegd?” Ik was ook verbijsterd.
“Dat zal ik je uitleggen.” Hij keek mij triomfantelijk aan, Sherlock die zijn huisarts uitlegt hoe de vork in de steel zit. “Dat heeft te maken met dat manuscript. Hansen heeft er mij een kopie van laten zien. Hij was tenminste nog wel in zoverre bij zinnen dat hij, voordat hij het aan die zwendelaar meegaf, er een fotokopie van heeft gemaakt. Hij heeft daar voor mij nog een kopie van gemaakt, een kopie van een kopie dus, maar dat maakt voor het begrip van dit alles niets uit.” Hij haalde een vel papier uit de aktetas die hij bij zich had. Ik had mij al afgevraagd waarom hij die had meegenomen. “Goed,” zei hij, terwijl hij mij indringend aankeek — hij veegde de tafel schoon, haalde een papier uit een map, en legde hem met een dramatisch gebaar voor mij neer, “zie hier!”

Ik keek enkele seconden verbijsterd naar het vel papier, mijn mond zakte kennelijk open, want hij zei ‘Je zit hier niet bij de tandarts!’ en toen pas drong tot mij door waar ik naar keek: een blanco vel papier. “Dit is een blanco vel papier!” zei ik volstrekt overbodig.
“Bijna goed,” zei hij, “maar kijk nog eens goed.”

Ik pakte het vel papier op, en bestudeerde het van dichtbij. Nu pas zag ik het: er had oorspronkelijk wel een tekst gestaan, een geschreven tekst, maar die was bijna volledig uitgewist. Vermoedelijk was de tekst met potlood geschreven, en daarna met een vlakgom uitgewist, maar dat viel niet met zekerheid te zeggen, omdat het feitelijk een kopie van een kopie betrof. Als de tekst met inkt was geschreven, dan moest die zijn weggekrast. Maar dan zou je sporen, beschadigingen wellicht, in het papier moeten zien.

“Ik kan niet zien of de gewiste tekst met potlood of inkt is geschreven,” zei ik, terwijl ik hem het vel teruggaf.
“Hansen vertelde mij dat die tekst met inkt was geschreven, en later met een chemisch middel was bewerkt, waardoor de tekst onleesbaar is geworden. Het enig wat nog enigszins leesbaar is, is de titel, vermoedelijk omdat die met een dikkere pen is geschreven.”
“Maar waarom hield Schtraufer dat manuscript achter? Ik neem aan dat hij het wilde veilen, dus het aankondigen ervan had voor een flink spektakel kunnen zorgen, en daarmee een flink bedrag voor het openingsbod.”
“Ja, ware het niet dat er een probleem was. Hansen vertelde mij dat de tekst op het manuscript aanzienlijk korter geweest moest zijn dan die uitgetypte versie. Er moest eerst nader onderzoek gedaan worden. Vingerafdrukken, DNA, enzovoorts.”
“En nu?” vroeg ik.
“Ik heb Schtraufer gisteren gebeld. Hij zei dat er nieuws is over een week of twee. Daar zullen we op moeten wachten. Hij was niet blij met mijn bezoek aan Hansen.”
We speculeerden nog een tijdje over deze merkwaardige kwestie, maar we moesten nog even geduld hebben.

Later bleek dat Pascal-Wedt mij niet het hele verhaal had verteld, er was onmin ontstaan tussen hem en Schtraufer. Kennelijk wilde hij eerst uitzoeken of de bedenkingen die hij had tegen de theorie van Schtraufer op goede gronden berustte, voordat hij dit met mij besprak.

Drie weken later belde Pascal-Wedt mij weer op. We spraken weer af voor de volgende middag in Richter. De kwestie was opgelost, vertelde hij mij, terwijl ik voorzichtig beet in een bitterbal. Die was nog veel te heet, dus ik deponeerde de opengebeten bal snel terug op het bord. Er waren vinderafdrukken gevonden op het manuscript, en DNA-materiaal; voornamelijk van Brod, maar ook één afdruk die zeer vermoedelijk van Kafka was. Het handschrift op het manuscript, voorzover dat te analyseren was, leek inderdaad van hem afkomstig. De conclusie was nu, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, Kafka iets op papier had geschreven, maar dit nooit verder heeft uitgewerkt.

“En hier nu speelt mijn bijdrage een rol,” zei hij met nauwverholen trots, “ik had iets gezien in de tekst, een detail op het eerste gezicht, maar met verstrekkende consequenties. Die bevielen Schtraufer in het geheel niet, en hij nam mij dit zeer kwalijk. Ik wilde er de vorige keer niet met je over spreken, omdat ik het eerst goed wilde uitzoeken.” Hij wachtte even, om het dramatische effect van zijn verhaal te vergroten. “Omdat hij zo vijandig reageerde, vertrouwde ik het niet. Ik nam contact op met Christie’s en vertelde hen over de bemerkingen die ik had bij de theorie van Schtraufer. Ze waren daar dermate in geïnteresseerd dat ze mij uitnodigden voor een gesprek.”

Hij probeerde, ook tevergeefs, een hete bitterbal, en leegde zijn glas. “Ik reisde naar Zürich, alwaar zij voor mij een luxueuze hotelsuite hadden gereserveerd. Toen ik hen de volgende dag vertelde van wat mij in de uitgetypte tekst was opgevallen, vielen de schellen van hun ogen. In die tekst gaat het om de figuren Franz K. en Jozef K. En hoewel de achternamen in die tekst ook voluit genoemd worden, is de verwijzingen naar Kafka zelf aannemelijk, maar die naar Jozef K. totaal niet. De hoofdpersoon uit ‘Der Prozess’ bestond in 1917 nog niet, het boek is uit 1925. Dit was het ultieme bewijs dat Brod de tekst geschreven had.”

Of Kafka het bewuste vel in zijn Blauwe Schriften had bewaard zou nooit opgehelderd worden, dat kon ook Brods werk zijn. De uitgewerkte versie, waarvan in het manuscript vermoedelijk alleen een korte plot heeft gestaan, was van Brod, die had wel vaker ingegrepen in het werk van zijn vriend. Zowel de uitgetypte versie, als het manuscript zouden geveild worden. “En nu komt het mooie,” zei Pascal-Wedt, nadat hij met een ferme slok port een nog iets te hete bitterbal had weggespoeld, “het openingsbod voor de veiling van het manuscript is tien keer zo hoog als die van de uitgetypte versie. En die versie, zo is inmiddels ook duidelijk geworden, is niet door Hansen uitgetypt, zoals wij eerst aannamen, maar door Brod zelf.” Hij pauzeerde even om dit tot mij door te laten dringen. Ik proefde voorzichtig een nieuwe bitterbal. “Het is toch wonderlijk,” zo besloot hij zijn verhaal, “dat een leeg vel papier zoveel meer waard is dan de uitgetypte versie ervan.”

Den Haag, 11 november 1995