Hoe gaat het?
— J. Chr. de Vries
Twee kennissen komen elkaar tegen op straat, laten we hen Kees en Gidon noemen. Zij kennen elkaar van hun werk, de club, of misschien komen ze elkaar af en toe tegen in de kroeg. Ze zijn geen echte vrienden, maar mogen elkaar graag. Ze hebben elkaar al een tijdje niet gezien, druk met werk, vakantie, ziekte, gedoe — zoals dat gaat in het leven.
Dan zegt Kees tegen Gidon: “Hee, hallo Gidon, lang niet gezien. Hoe gaat het?”
Dan antwoordt iedereen: “Ja, goed, en jij?”
Maar dat antwoordt Gidon niet. Hij denkt: als Kees nou Alles goed? had gevraagd, dan had ik weg kunnen komen met het antwoord dat ik de hoofdprijs in de nationale loterij weer niet heb gewonnen, dat ik morgen naar de tandarts moet, dat mijn zeventien jaar oude poes vorige week is overleden, maar dat het voor de rest best goed gaat. Kees vroeg echter niet of ‘Alles goed’ was, maar ‘Hoe gaat het?’, en dan antwoordt Gidon: “Is dit een vraag of een groet?”
Nu heeft Kees een probleem. Als hij zou kiezen voor het meest comfortabele antwoord, ‘een groet’, dan zou hij daarmee aangeven dat hij geen interesse heeft in het wel en wee van Gidon, en dat is onbeleefd, of zelfs onaardig. Maar als hij zou antwoorden: ‘een vraag’, dan zou Gidon kunnen zeggen dat het niet zo best met hem gaat, of zelfs slecht. Dan moet hij dat hele verhaal van Gidon aanhoren, en daar zit hij nu eerlijk gezegd niet echt op te wachten.
Gidon intussen, begrijpt met welk dilemma hij Kees heeft opgezadeld, en probeert een uitweg te vinden uit de aldus ontstane impasse.
“Meestal wordt het als groet bedoeld,” gaat Gidon snel verder. “Maar ik vind dat lastig, ik ben zelf geneigd het als een vraag op te vatten. Dat zal wel komen door mijn licht autistische inslag, waardoor ik de dingen vaak letterlijk neem.”
“Aha, je speelt de waarheidskaart,” zegt Kees.
“Ik ben er niet zo zeker van dat waarheid te spelen is,” antwoordt Gidon. “Alles kan een spel zijn, je kunt het hele leven als een spel beschouwen.”
“Het sterven is onderdeel van het leven, dus dan is sterven ook een spel.”
“Ik zei niet: leven is een spel, maar: je kunt het als zodanig beschouwen.”
Gidon moet hier even over nadenken. “Sterven als spel, dat lijkt mij geen pretje.”
“Waarom zou een spel altijd prettig zijn?”
“Dat is toch de reden van het spelen, dat het aangenaam is? En leerzaam. Leren is fijn. Nieuwsgierigheid is een deugd.”
“Dat ben ik met je eens,” zegt Kees, “maar dat iets een deugd is wil nog niet zeggen dat het geen pijn zou kunnen doen. En sterven lijkt mij een pijnlijke handeling. Dat beschouwen als een onontkoombaar, nutteloos gegeven, een bijkomende eigenschap, lijkt mij onverdraaglijk. Sterven is niet iets wat je overkomt, maar iets wat je zelf doet; het is een tragische handeling.”
“Dit gesprek treedt behoorlijk buiten haar gangbare oevers,” meent Gidon, “dat kan toch niet de bedoeling zijn van een terloopse begroeting?”
“Meestal niet, het is onnodig. Een dergelijke wending ligt eigenlijk al in die begroeting van het ‘Hoe gaat het’ opgesloten,” zegt Kees. “In veel gevallen vermomt de leugen zich als waarheid, maar in een spel kan de waarheid zich als leugen vermommen.”
— Bonnemort, 6 oktober 2023