Kant’s Antinomie van de Smaak
— Cornelis de Bondt
In zijn Kritiek van het Oordeelsvermogen, in paragraaf 56 en 57 over de ‘antinomie van de smaak’, komt Kant terug op een eerdere vaststelling (uit de eerste paragrafen) dat het smaakoordeel niet gebaseerd is op begrippen. Daarom kun je ‘goede smaak’ dus nooit aantonen of bewijzen. Maar tegelijkertijd kun je er wel met anderen over van gedachten wisselen, over smaak kan niet gedebatteerd worden, maar wel getwist, zegt hij, en dus kan dit niet zonder reden zijn, er moet een grond zijn waarop die ‘twist’ betekenis kan krijgen. Maar dan, zo stelt Kant, is het smaakoordeel juist wél gebaseerd op begrippen. Dat is de antinomie.
Kant legt vervolgens uit hoe die these (‘het smaakoordeel is niet gebaseerd op begrippen’) en de antithese (‘het smaakoordeel is wel gebaseerd op begrippen’) tot een synthese kunnen leiden. Hij maakt daartoe onderscheid tussen twee soorten begrippen: enerzijds bepaalde (verstands-)begrippen, en anderzijds een onbepaald begrip, namelijk dat van het bovenzintuiglijke. Met dit onderscheid kan de antinomie worden opgelost. Kant vat het als volgt samen: de these moet luiden dat het smaakoordeel niet op bepaalde begrippen is gebaseerd; en de antithese dat het wel op een onbepaald begrip is gebaseerd, te weten dat van het ‘bovenzintuiglijk substraat van de verschijningen’. Dat wil zeggen van de dingen die boven de alledaagse zintuiglijke ervaringen uitstijgen. Zoals bijvoorbeeld ook begrippen als ‘ziel’ en ‘god’. Er is kennelijk volgens Kant een of andere gemeenschappelijke grond, of bewustzijn, dat maakt dat we het collectief eens zijn over wat mooi is, en wat lelijk, maar we hebben geen poot om op te staan om dit aan te tonen. Kant noemt die gemeenschappelijke grond Gemeinsinn.
Kant zegt letterlijk dat we ‘niet meer kunnen doen dan de tegenspraak tussen die these en die antithese op te heffen.’ De smaak wordt op deze wijze opgevat als een ‘louter reflecterend esthetisch oordeelsvermogen’, waarbij ‘de beide met elkaar in tegenspraak schijnende uitgangspunten met elkaar worden verenigd omdat ze beide waar kunnen zijn.’ — Wat ook genoeg is, voegt hij daar nog aan toe.
Dat betekent ook dat we het smaakoordeel als mensheid delen, zoals we ook de begrippenparen liefde en haat, en leven en dood delen. Er is dus iets wat wij delen, wat ons tot mensen maakt. Dat is heel veel! Het betekent ook dat het smaakoordeel de volstrekte willekeur van het getal voorbij gaat, al kunnen we het oordeel niet met ons kennisbegrip hard maken, we hoeven ons niet neer te leggen bij de wetten van de markt, die overigens wel tot dat kennisbegrip behoren.
‘Wat ook genoeg is’, zegt Kant. Ik ga verder: wat fundamenteel is. Het artistieke kwaliteitsoordeel oordeelt over een artistieke handeling of een kunstwerk. Kunst stijgt uit boven de verstandsbegrippen. Een artstiek oordeel dient dit dan ook te doen. Een louter rationeel artistiek smaakoordeel zou net zo onzinnig zijn als een godsbewijs. Het beroep dat wij volgens Kant moeten doen op een onbepaald begrip is niet geboren uit armoede, maar een noodzakelijke voorwaarde om iets zinnigs te kunnen zeggen over kunst. En het is zeker niet zo dat wij daartoe geen beroep kunnen doen op bepaalde begrippen. In het oordeel over een kunstwerk of artistieke handeling kan heel wel gebruik worden gemaakt van rationele technieken en analyses. Dit heb ik uitgewerkt in het lemma Het Artistieke Oordeel.
— Cornelis de Bondt, Loosduinen, 11 september 2024