Karkas [1981/1983]

Voor het componeren van Karkas heb ik voor het eerst gebruik gemaakt van een computer. Mijn vader had een administratiebedrijf waarin hij werkte met grote mechanische rekenmachines, printers, ponsmachines, sorteermachines, en vanaf de vroeg-jaren ’80 een IBM-mainframe, de eerste computer die op de markt kwam die niet met tapes werkte maar met twee trommels die ieder zeven harde schijven bevatte. Hij zag mijn continue rekenwerk en zei op een dag dat ik dat beter met een computer kon doen; die konden dat niet alleen ongelofelijk veel sneller dan ik dat met de hand kon, maar de berekeningen waren ook foutloos. Toen ben ik mij in de PLI-taal gaan verdiepen en maakte mijn eerste programma’s.
    

Karkas gaat verder waar ik met Bint gebleven was; in plaats van twee klokken gebruikte ik er nu vier. (Anekdote: Ik herinner mij dat ik over de titel nadacht en daarover sprak met Gerard Bouwhuis, ik vertelde dat, terwijl Bint gaat over de kwint, dit nieuwe stuk zou gaan over de kwart. Toen zei Gerard: “Bart.” En nog een andecdote, weer met Gerard. Ik had een solo voor hem in gedachten, en daar wat schetsen van gemaakt. Ik liet hem die zien om te bekijken of het speelbaar was. Ik was toen allesbehalve tevreden met de harmonie; ik wilde wat anders dan Bint, en experimenteerde met intervallen die ik in die tijd verfoeide: tertsen en seksten. Hij speelde het door en zei: “Wat een goeie akkoorden!” Zo leerde ik luisteren via de oren van een ander. Die merkwaardige chromatische ‘kruisen’ in Stockhausen’s Inori leerde ik zo mooi vinden; ik noemde ze ‘broodkruimeltjes op een gestructureerde tafel.’)
    

Ik probeerde handmatig een recursieve canonstructuur te ontwerpen, die met name de harmonie moest regelen. Net als in Bint komen de verschillende klokken in Karkas om de zoveel slagen bij elkaar, op die momenten moesten de klokken hetzelfde akkoord laten horen, dus de klok die sneller liep moest teruggrijpen op een eerder akkoord van een langzamere klok; maar de reeks akkoorden voor alle klokken moest strikt canonisch zijn. Dit was het moment waarop mijn vader mij de computer aanbeval. In plaats van handmatig die canonreeks te ontwerpen, kon ik nu met de computer het principe erachter programmeren, zodat het bij alle getalscombinaties zou werken. Dat heb ik gedaan, en in de volgende werken, met name in de cyclus Het Gebroken Oor, maar later incidenteel ook nog wel, heb ik daar dankbaar gebruik van gemaakt. Ook heb ik een eenvoudig notatieprogramma geschreven, voor een 7-naalds-printer. Muzieknotatieprogramma’s bestonden toen nog niet. Een deel van de slagwerkpartij is daarmee genoteerd. Dat was een hele klus. Een vioolsleutel was te groot, en moest in drie delen geknipt worden, daar waren drie printregels voor nodig.
    

Het stuk is pas twintig jaar nadat het af was uitgevoerd, tijdens het Holland Festival in 2002. Daarna nog eenmaal in het Warschauer Herfstfestival in 2010, als afsluiting van het Chopinjaar. Dat had te maken met de video die Dries Verhoeven en ik in 2002 erbij hadden bedacht: een ontploffende vleugel in slowmotion, opgenomen met een speciale camera die 1000 beelden per seconde kon draaien, en daarna uitgerekt tot de lengte van het stuk, een uur, en achterstevoren afgedraaid. Het eindigt dus met een enorme vuurbal waaruit de vleugel tevoorschijn komt.

Performers Holland Festival 10 juni 2002: students from the conservatories of The Hague, Amsterdam, and Rotterdam, conducted by Etienne Siebens; sound engineering: Jan Panis.

Line-up: