Kunst, Amusement, Sport en Spel
De Olympische Spelen in Parijs zijn afgelopen zomer voor Nederland succesvol verlopen. Tijdens deze Spelen zagen we in de media de roep om meer geld voor de podiumkunsten, met name de muziek, waarvan de jeugdige beoefenaars immers ook ‘olympische’ ambities hebben, terwijl het merendeel van de amateurorkesten en -koren vlak voor die Spelen waren wegbezuinigd. Er gaat veel subsidiegeld om in de sport, maar er dreigt in ons land ook op die sport te worden bezuinigd. De kans dat het protest hiertegen iets gaat opleveren is, na het succes van de Spelen, vele malen groter dan dat er ooit nog iets bijkomt voor de podiumkunsten.
Hoewel de vergelijking tussen kunst en sport in deze oproep op zichzelf begrijpelijk is, om opportunistische redenen, gaat zij uiteindelijk mank. In zowel kunst als sport is er sprake van een spelelement, en spelen is een essentiele menselijke handeling. Maar het verschil tussen kunst en andere handelingen waarbij het spelen centraal staat, is dat in sport en spel de regels vastliggen tijdens het spelen. Tijdens een potje schaak kunnen de zetmogelijkheden van de diverse stukken niet opeens veranderd worden; in het voetbal kan tijdens de wedstrijd niet opeens het buitenspel worden afgeschaft, of besloten worden de wedstrijd verder met twee ballen te spelen. De 110 meter horden wordt niet tijdens de wedstrijd met enkele meters uitgebreid. Cabaret zonder grappen is ondenkbaar. Amusement moet het hebben van de voorspelbaarheid van de regels. In de kunst ligt dit anders: het bedenken van de ‘spelregels’ is onderdeel van de artistieke handeling. In die handeling worden de spelregels voortdurend aan de orde gesteld, in twijfel getrokken, zwaar overdreven, omgekeerd, of totaal genegeerd.
Uiteraard zijn er altijd regels. Een klassieke viool heeft vier snaren, met de G-snaar als laagstklinkende. Dat is, net als de schaakzetten, een gegeven. Die snaar kan overigens wel worden aangepast, bijvoorbeeld door die G te verstemmen tot een Fis. Dat kan zelfs tijdens het spelen. Maar, zou je kunnen stellen, het schaakspel kan ook worden aangepast. Zo is er bijvoorbeeld het ‘snelschaak’, waarbij de (gemiddelde) tijd voor een zet aanzienlijk is ingekort. Het hiervoor genoemde verschil blijft desondanks gelden, de aanpassing van bepaalde regels in een sport of spel, is uitsluitend bedoeld om de amusementswaarde op te schroeven. Het moet allemaal sneller en flitsender.
Aan amusement, sport en spel is een financieel belang gekoppeld. De regels dienen dit belang. Aan kunst die het amusement niet als doel heeft is geen financieel belang gekoppeld, de regels zijn er uitsluitend om het kunstwerk te dienen. Kunst kan amusementswaarde hebben, maar het is geen voorwaarde. De amusementswaarde is dan onderdeel van het artistieke concept. Kunst die schoonheid, emotie of publieksbereik beoogt, is echter een vorm van amusement. Daar is niets mis mee, zolang het beestje maar bij de naam genoemd wordt.
Er is sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw een steeds grotere druk ontstaan op de kunstsubsidie van de diverse overheden, met name rond de tijd van Rick van der Ploeg, Medy van der Laan, Ronald Plasterk en Halbe Zijlstra. De locale overheden volgden de lijn van de overheid. Het ‘grote publiek’ was vervreeemd geraakt van de kunst, het werd voor de bewindvoerders steeds lastiger de subsidiëring te rechtvaardigen. De razendsnelle ontwikkeling van de technologie heeft hier ook een grote rol in gespeeld.
Er wordt steeds minder gelezen, jongeren houden zich vooral bezig met digitale media, uitsluitend gericht op amusement. Het moet allemaal flitsend, elke diepgang dient angstvallig vermeden te worden, snelheid en korte termijn is het devies. En ja, dat amusement heeft zeker aantrekkingskracht, bovendien is het niveau vanwege die technologie soms verbluffend hoog geworden. Het is verleidelijk als de Sirenes. En net zo dodelijk.
Wat is de essentie van het amusement, wanneer is iets ‘amusant’? Laten we hiertoe het cabaret nader bekijken. Er is in de eerste plaats de ‘humor’, dat wil zeggen de lach-of-ik-schietgrappen. Het liefst gebaseerd op flauwe woordspelletjes, want die snappen we moeiteloos. Snelheid is een onvoorwaardelijk vereiste. Maar daarnaast is ook de ‘gevoelige snaar’ van belang, even een moment van bezinning, altijd in combinatie met een sentimentele chanson. ‘Een lach en een traan’ doet wonderen. Er wordt uiteraard gespeeld met de grenzen van het betamelijke, die grenzen zijn echter zorgvuldig afgebakend, het zal mooit over echt de schreef gaan. Het moet gezellig blijven, nietwaar, een avondje uit. De kassa moet blijven draaien. Cabaret, en in algemene zin het amusante, moet comfortabel zijn. Het mag verwijzen naar pijn, maar het mag nimmer echt pijn doen. De risico’s zijn namaakrisico’s. We doen alsof we iets riskeren, maar we weten diep van binnen allemaal beter. Deze ‘humor’ dient niet verward te worden met de romantisch-idealistische ironie. Daar is de ernst waarachtig. In het amusement is de ernst gespeeld, zonder gevaarlijk, of tenminste verontrustend te worden. Deze uitgangspunten van de amusementsindustrie zijn leidend voor het kunstbeleid geworden. Publieksbeleid, risicoloos vermaak, verdienmodellen, het zijn allemaal fenomenen afkomstig uit het amusementsdomein, die tegenwoordig het kunstbeleid bepalen.
Niet alleen vanuit rechtspopulistische kringen werd de aanval op de kunst geopend, maar ook vanuit de cabareteske hoek werd de kunst verweten dat zij niet instaat was ‘haar eigen broek op te houden’. Carabetiers laten zich er maar al te graag voorstaan op hun ‘kritische’ en ‘progressieve’ uitgangspunten, dat oogt lekker, want dat hoort bij het vak. En het publiek kan hier ook wat mee, ‘Oef, die carabetier ging eigenlijk over de schreef, maar dat was leuk. Toch?!’ Het is een vorm van gentrificatie.
Maar ook vanuit linkse kringen werd de aanval op de kunst geopend, bijvoorbeeld op de klassieke, westerse muziek. Want die muziek is gebaseerd op de ‘kolonialistische, witte cis-genderman’ cultuur. Bach en Beethoven zijn witte mannen die leefden in een kolonialistiche maatschappij. Het genie dat aan hun werk wordt toegedicht is niet van artistiek-inhoudelijke aard, maar voornamelijk mogelijk gemaakt door de burgelijke cultuur. Hun genie is in feite het product van een machtsstructuur. Exclusief artistiek talent bestaat niet. Stellen dat Beethoven of Bach componisten van uitzonderlijk hoog niveau zijn is uit den boze, een overkoepelend, universeel kwaliteitsoordeel is uitsluitend een politiek, en niet een artistiek oordeel.
Het gevolg van dit politieke vertrekpunt is dat kunstenaars alleen op zichzelf kunnen worden beoordeeld, wat in feite een vorm van egalitarisme behelst. Smaakoordelen kunnen uiteraard ook binnen dit egalitaristische systeem worden geveld, maar uitsluitend op persoonlijke basis, het smaakoordeel is ‘normatief’. Zo hoor of lees je tegenwoordig om de haverklap dat een compositie of een roman ‘saai’ is, of juist ‘opwindend’, of ‘urgent’, of nog bonter: ‘te lang’. Stel je voor dat je bij een schilderij zou zeggen dat ‘het te groot’ is!
Bij dit soort persoonlijke oordelen hoeft men een roman niet meer in schrijftechnische termen, en een compositie niet meer in muzikale termen te beoordelen, want dergelijke oordelen vergen oordeelscriteria van een overkoepelend niveau, en dat moet nu juist vermeden worden. We zien hierdoor een overeenkomst tussen beide uitgangspunten, de rechtse en de linkse — wat deze termen hier ook mogen betekenen — in beide gevallen blijkt een universeel artistiek smaakoordeel niet mogelijk (of gewenst). Vanuit de rechtse hoek is de macht van het getal (publieksbereik!) doorslaggevend, vanuit linkse hoek het politieke aspect van het smaakoordeel. In beide gevallen leidt dit tot een smaakoordeel dat louter persoonlijk is.
Dat de opvattingen over kunst uit rechtse en linkse hoek naadloos op elkaar passen moge duidelijk zijn als we de gehanteerde criteria nader bekijken. De afgelopen periodes stonden met name de zogenaamde codes ‘inclusie en diversiteit’, ‘fair practice’ en ‘fair pay’ in het brandpunt van de subsidievoorwaarden. Het zijn typisch linkse uitgangspunten, met als resultaat dat de artistieke inhoud daaraan ondergeschikt is gemaakt, wat maakt het gehonoreerde werk naadloos past in de opvatting van rechts: het grote publiek bepaalt welk werk wordt uitverkozen. Linkse doctrines veroorzaken rechts kunstbeleid. De enige kunst die nog gesubsidieerd kan worden is pseudo-kunst. Links en rechts: lood om oud ijzer.
Er is de ‘rechtse hemel’, gebaseerd op de macht van de markt, en de ‘linkse hemel’, gebaseerd op de politiek van een egalitaristische macht. In de hemel is geen pijn, alles is jofel, iedereen blij & gelukkig. Maar zonder pijn geen is er geen gevoel, er is uitsluitend de kilte van het gevoelloze, daarom ik trek mij liever terug in warmte van de hel.
— Cornelis de Bondt, 24 augustus 2024