Labyrint-Ana[04b6]
— J. Chr. de Vries
De trap maakt verschillende wendingen, het blauwe licht wordt met elke wending wat sterker. Na de laatste wending stap ik in een zaal binnen, van, pak ‘m beet, dertig vierkante meter, de zaal is vierkant. In een gang, die begint in de hoek aan de rechteroverzijde, zie ik het blauwe licht komen dat ik onderaan de trap al zag, maar nu behoorlijk sterker.
Ik hoor opeens een ‘ping’, het geluid lijkt te komen uit de gang. Ik loop naar de gang en zie aan het uiteinde de lift die ik meen al eerder te hebben gezien. De deur gaat voor mijn neus dicht, met nogmaals datzelfde ping-geluid. Het is evident dat er niemand is uitgekomen, de lege gang loopt bij de lift dood. Ik zag ook niemand in de lift. Ik ga met mijn rug tegen de deur naast de lift zitten. Wat heeft dit te bekenen? Waar liften zijn, zijn mensen. Ik neem niet aan dat die lift voor de Demon is bedoeld. Of wel? Zou hij daar in passen, dat zou betekenen dat hij minder groot is dan ik mij had voorgesteld. Nu ik hier over nadenk, begin ik opeens aan van alles te twijfelen. Ik word mij nu bewust van hoe weinig ik eigenlijk weet van dit Labyrint. Bestaat die Demon wel? Of heeft iemand mij dat op de mouw gespeld. Wie was dat dan? Ik herinner mij hier niets van. Sterker nog: ik herinner mij helemaal niets. Ari is in mijn herinnering van mij weggelopen, een trap omhoog, nadat we voor de zoveelste keer onenigheid hadden. Althans, dat is wat ik mij herinner. Of heb ik mij dat ingebeeld?
Is alles hier het product van mijn verbeelding? Die kat zeker niet, die heb ik gezien, en langs mijn been voelen strijken. Deze lift is toch zeker echt?! Dan moet ik weer denken aan dat merkwaardige gevoel dat ik in sommige ruimtes eerder ben geweest. Er is zeer zeker iets mis met mijn geheugen, en de eerste prioriteit is uit te vinden wat precies. Daarvoor lijkt het mij van belang om te proberen Ari te vinden, als hij tenminste hier in dit Labyrint bestaat.
Waar is Ari? Boven mij; dat vermoed ik in ieder geval. Maar misschien is het verstandig om eerst omlaag te gaan met die lift, kijken hoe diep het Labyrint is. Onder in de krochten vind ik wellicht ook antwoorden op mijn vragen.
Ik druk op de knop om de liftdeur te openen, in de hoop dat er zich opnieuw niemand in bevindt. De deur opent zich met de ‘ping’ en ik stap de lift binnen. Omlaag, dat is het beste, besluit ik, terug naar ‘af’, ik moet een andere route in dit Labyrint zient te vinden. Die kat bleek een kat in de zak. Ik zet het voorspelbare antwoord van Ari uit mijn hoofd, die heeft niks met katten. Hij vindt mij een kat. Maar wat heeft hij dan met mij, een haat-liefdeverhouding? Dat is dan wederzijds! Ik krijg hem niet uit mijn hoofd, zoveel is duidelijk.
Wanneer de lift beneden aankomt zie ik dat ik in dezelfde gang ben terecht gekomen als waar ik mijn onderzoekingstocht begon. Ik ben terug bij ‘af’. Maar ik heb nu wel meer informatie dan de eerste keer, spreek ik mijzelf moed in.
