Labyrint-Ari[10c]

Labyrint-Ari[10c]

J. Chr. de Vries

Wanneer ik de gele deur weer achter mij gesloten heb, loop ik snel een lange, smalle gang door. De gang wordt verlicht door gele toortsen, waardoor mijn schaduw op de wanden wordt geprojecteerd. Ik luister of ik de deur achter mij hoor opengaan, geen idee hoe graag mijn achtervolger mij te pakken wil krijgen. Maar dan moet hij snel zijn, want ik loop zo hard als de oneffen grond mij toestaat. Aan het einde van de gang kom ik op een T-splitsing, linksaf gaan leidt in een nog donkerder gang, omdat de afstand tussen de toortsen groter is. Rechts van mij kom ik ook in een gang, maar in de verte schijnt een blauwachtig licht. Dat ziet er veelbelovender uit dan die donkerte links. Achter mij blijft het stil, ik denk dat mijn achtervolger het heeft opgegeven. Als ik de rechtergang uit ben kom ik tot mijn verbazing op een perron van een metrostation. Ik zit toch op een schip?? Of heb ik op een of andere miraculeuze wijze het schip verlaten. Ik hoor geraas in de tunnel van de metro, even later verschijnt er een treintje dat uit slechts twee wagonnetjes bestaat. Het treintje vermindert vaart en stopt precies voor de plek waar ik sta. Er klinkt een belsignaal en de deuren van de beide wagons schuiven op. Beide wagons zijn leeg, ik ben de enige passagier. Als ik op een bank ben ga zitten klinkt het signaal weer, de deuren schuiven dicht, en de trein rijdt weg. Op dat moment komt mijn achtervolger alsnog het perron op, maar te laat. Ik zie hem vertwijfeld zijn armen omhoog doen, hij baalt overduidelijk.

De rit duurt ongeveer een uur, is mijn inschatting. Er worden onderweg een aantal verlaten perrons gepasseerd, maar de trein stopt nergens. Ik denk na over wat ik allemaal heb meegemaakt en ontdekt, waarbij ik eerder minder dan meer over het Labyrint heb opgestoken. Die malle boot sloeg echt alles, want is het wel een boot? Je moet ‘schip’ zeggen, eikel! Zegt Ana geïrriteerd in mijn hoofd. En dan nu deze metro. En mijn geheugen is nog steeds defect, verder terug dan de laatste uren gaat het niet. En Ana, zou die in de tussentijd iets hebben opgestoken, of is het voor haar eenzelfde rampenfonds?

De trein rijdt een station binnen, en stopt naast een van de perrons. Dit is kennelijk het eindpunt, want het spoor loopt hier dood. Ik stap uit en loop naar de stationshal. Daar neem ik de lift omhoog, beneden heb ik het wel gezien. De lift stijgt naar de enige verdieping die aangedaan wordt. De lift komt opnieuw uit bij een gang; ik word tureluurs van al die gangen eerlijk gezegd, maar ja, het zal mijn lot wel zijn. Ik ben in ieder geval ontsnapt aan die zeeman, dat is ook wat waard. De gang komt uit bij een andere lift, die verder omhoog voert.

Als ik de lift uitstap zie ik dat ik op bekend terrein verkeer: terug bij ‘Af’. Moedeloos laat ik mijn schouders zakken. Mijn geheugen slaat op hol, ervaar ik een déjà vu? Alles komt mij bekend voor, zelfs mijn gedachten, maar tegelijkertijd lijkt alles nieuw en onverklaarbaar. Bekend en tegelijkertijd onverklaarbaar, dat zijn mijn sleutelbegrippen. Tevergeefs kijk ik of ik Ana ergens zie.