Lectori Salutem
— J. Chr. de Vries
I
En nu maar hopen dat u deze brief in goede orde ontvangt, ik wil namelijk enkele kwesties met u bespreken, dat wil zeggen: ik spreek en u luistert. Of niet, dat is aan u. Ik ben niet verantwoordelijk voor uw doen en laten. Maar, het moet gezegd zijn: de kwesties die ik aan u wil voorleggen betreffen ons beiden, en zijn niet vrijblijvend.
Voelt u zich aangesproken? Dat is de ultieme vraag, maar laat ik daar niet op vooruitlopen, en beginnen bij de meest concrete kwestie, die van de betekenis van de kunst. Ik heb hier eerder al over geschreven, dus ik zal proberen niet teveel in herhaling te vallen. Het gaat mij hier nu om twee aspecten die met de kunst te maken hebben: de kunstenaar aan het werk, en de wijze waarop dit werk gefinancierd wordt; met andere woorden, het artistieke en het juridische aspect.
Ik zie u voor mij uitlopen, een slanke, rijzige verschijning, gekleed in een lange, bordeaurode jurk, afgezet met twee gouden biezen, vanaf de schouders tot over uw billen, ze accentueren uw figuur magnifiek. U doet mij aan een cello denken. “C’est de bizarre,” zegt u, terwijl u naast mij aan het tafeltje op het terras plaatsneemt. Aan uw tongval te horen bent u een Duitse. Een ober zet twee glazen witte wijn voor ons neer, we proosten; ik ben de precieze woorden vergeten. Ik herinner mij wel dat ik u vraag wat er zo vreemd is. “Dat ik soms niet weet of ik droom of dat ik mij in de dagelijkse realtiteit bevindt, die twee werelden lopen soms op onnavolgbare wijze door elkaar heen,” antwoordt ze.
Het is een herkenbaar probleem, denk ik. Misschien droom ik nu zelf wel. Maar voordat ik haar kan vragen of we ons beiden in dezelfde droom bevinden, stelt ze een vraag: “Ik zie u wel naar mij kijken, vindt u mij mooi?”
“Dat is een ingewikkelde kwestie. Wanneer u een kunstwerk bent, dan zou ik de vraag bevestigend beantwoorden, want dan is het mensenwerk, maar wanneer we beiden dromen, dan heeft uw verschijning een goddelijke (want natuurlijke) oorsprong, dan zou ik u ‘subliem’ noemen.”
“En als ik de vraag herformuleer: Vindt u mij aantrekkelijk? Maakt dit de kwestie minder complex? De vraag wordt dan persoonlijk.”
“Het schone kan inderdaad tegelijkertijd ook aantrekkelijk zijn, maar een onpeilbaar diepe afgrond kan eveneens een onweerstaanbare aantrekkingskracht op ons uitoefenen.”
Haar goudgroene, amandelvormige ogen kijken mij aan met een gretige intensiteit. Een katachtig roofdier dat mij wenst te verslinden. Er zijn twee soorten vrouwen: katten en honden. Bij mannen zou ik die soorten eerder prinsen en boeren noemen. Ik ben een boer.
Ik had mijn blik een korte tijd afgewend, en wanneer ik de moed weer heb opgevat haar aan te kijken blijkt ze verdwenen. Haar glas staat leeg op tafel. Ik sta op en loop naar het kleine strandje bij de rivier. Twee zwanen laten zich met de stroom meevoeren, met duizelingwekkende snelheid verdwijnen ze uit zicht. Ik loop in gedachten terug naar mijn auto, en zie de ober gehaast naar mij toelopen, hij zegt dat ik de rekening nog moet betalen. Hoe kan ik dat vergeten zijn? Heb ik die katachtige dame nu wel of niet ontmoet? Het lege glas schijnt te suggereren van wel.
“Nu we het toch over de rekening hebben, ik meende dat die een belangrijk aspect van uw kwestie over kunst was…”
“Nee maar, daar bent u weer.” Ik vraag mij af waar ze zo plotseling vandaan komt, besluipt ze soms haar prooi?
“Net als u bewonderde ik die zwanen, wat een magnifieke vogels zijn dat.” Ze neemt mijn arm en leidt mij naar een houten bankje met uitzicht op de rivier. “Dit is een fraaie plek,” ze wijst naar de twee bruggen die haaks op elkaar staan, beide overspannen hun eigen rivier, die in elkaar overvloeien op de plek waar de zwanen aan hun tocht waren begonnen. “De perfecte metafoor voor uw kwestie over kunst, vindt u niet?” Ze kijkt mij aan met haar onpeilbare kattenogen.
“Beeldspraak is, net als schoonheid, nimmer volmaakt. Het is een abstractie, het laat iets te raden, dat is de reden waarom het werkt.” Even maakt ik contact met haar ogen, en ik vraag mij af of die wél perfect zijn. Zou dat haar subliem maken? Er is onmeetbaar veel te raden aan haar blik, maar is dat perfectie? Ze reageert niet, zelfs geen oogwenk, dus ik vervolg: “Of deze metafoor van de beide rivieren werkt, weet ik niet. Er is iets voor te zeggen, zowel het artistieke als de financiering zijn als een stroom te beschouwen, maar is die plek waar beide stromen samenvallen vergelijkbaar met een expressie van kunst? Ligt de financiële stroom besloten in die expressie? Met andere woorden, is die van fundamenteel belang, gezien vanuit het oogpunt van de artistieke stroom? Natuurlijk kun je stellen dat zij zonder dat geld niet kon worden verwezenlijkt.”
“Dat lijkt op de conclusie die u ooit trok over de kwestie van vorm en inhoud, wanneer er sprake is van inhoud, dan lossen vorm en inhoud in elkaar op. De beide rivieren lossen op in elkaar. De metafoor is dus geldig.”
Dat ze die tekst kent verrast mij. Is ze alwetend? “Laten we vanaf de andere kant beginnen. Een kunstenaar maakt een werk, een roman, een schilderij, een beeld of een orkestwerk, maakt niet uit. De roman wordt niet uitgegeven, het schilderij en het beeld blijven in het atelier van de kunstenaar, en het orkestwerk wordt niet gespeeld. Is er dan sprake van kunst?”
“Dat lijkt op die parabel die u schreef, over een vlucht flamingo’s op een onbewoond eiland in de Pacific tijdens een zonsondergang, waar niemand is om ernaar te kijken. Uw conclusie was dat er dan geen sprake is van schoonheid, omdat er geen enkel mens aanwezig is om haar te bewonderen. In die zin genereren de voorbeelden die u noemt geen schoonheid. Is er dan sprake van kunst? Niet als het scheppen van schoonheid een voorwaarde is om iets tot kunst te kunnen bestempelen.”
“Het is dan tenminste kunst in potentie. Aan alle artistieke voorwaarden is voldaan. Er is alleen nog een zak geld nodig om die schoonheid zich te laten openbaren. Net zo goed als er een geschikte ruimte nodig is, muziekinstrumenten en muziekstandaards, tafels, stoelen, musici, baliemedewerkers, papier en drukinkt. Maar laten we wel wezen, ik heb nog nooit een zak geld schoonheid zien creëren.”
“Maar die zak geld is dan kennelijk wel een noodzakelijke voorwaarde om die creatie van schoonheid tot stand te kunnen brengen.”
Ze is net zo snel weer verdwenen als ze verschenen was. Ik kijk om mij heen, maar zie geen spoor van haar. Ik denk na over wat we nu bereikt hebben in onze kleine zoektocht naar de kunst en haar financiering. Nog niet bijster veel. Ik begrijp ook niet waarom ze steeds weer verdwijnt, dat helpt niet. Of is dit alles slechts een product van mijn verbeelding? Droom ik? Zijn dromen een vorm van verbeelding? Ik besluit om mijn zoektocht verder in mijn eentje voort te zetten, ik ben niet van haar afhankelijk. En u bent er immers nog wel, nietwaar? Wij zijn niet alleen.
Een probleem bij het toekennen van subsidies aan de kunst ontstaat uit de voorwaarden die aan die financiering gesteld worden. Die kunnen van verschillende aard zijn, maar het zijn welbeschouwd allemaal rechstbelangen. Daar is op zichzelf niet zoveel tegen, iedere instantie die geld doneert zal zich daarvoor dienen te verantwoorden, zeker als het overheden betreft. Een private filantroop heeft misschien slechts te maken met zijn boekhouder, maar kan tenslotte zelf beslissen wat hij met zijn geld doet. En uiteindelijk zijn er de voorwaarden die verbonden zijn aan het strafrecht. De vrijheid van de kunstenaar is altijd aan bepaalde grenzen gebonden. Dat is van alle tijden.
Het is aan de kunstenaar of hij aan die voorwaarden wil voldoen. Hij kan besluiten zijn werk binnen de pivate sfeer te houden, zoals Gesualdo di Venosa deed. Die had voldoende zakken geld tot zijn beschikking, kon componeren wat hij wilde, en was voorzien van uitstekende zangers om het uit te voeren. Maar zonder die zakken geld wordt het lastig voor die kunstenaar.
Uiteindelijk is de vraag welke voorwaarden de subsidieverlener wil opleggen, en in hoeverre die de artistieke expressie beïnvloeden. Die voorwaarden hebben de laatste decennia steeds meer politieke lading gekregen, de overheid stelt meer en meer de eis aan de toekenning van de gelden dat de kunst de maatschappelijke emancipatie bevordert, of tenminste aan de orde stelt. Ook moet de kunst een groter, en breder, publiek aanspreken. Die eis heeft uiteraard te maken met de behoefte van politici de subsidies te verantwoorden ‘richting de kiezer’.
“Dan is de werkelijke vraag dus: Waarom zou de overheid de kunst überhaupt moeten subsidiëren?” Ze zit opeens weer naast me.
Haar onverwachte verschijningen vergroten haar aantrekkelijkheid, bedenk ik mij. Omdat ze dit uit eigen wil doet, ze zoekt mij op. Het is een vorm van teasen. En ik trap erin. Voordat ik antwoord kan geven hoor ik de stem van een man:
“Dat moet de overheid dus juist helemaal niet doen! Laat de kunst zijn eigen broek ophouden, dat doe ik immers ook.”
Ik had de man met een half oog uit zijn patserige hagelwitte Mercedes zien stappen, ongetwijfeld een ondernemer, die denkt dat kunstwerken net zo verhandeld kunnen worden als wasmiddelen of broodjes aap. De man komt aan ons tafeltje zitten, en bestelt bier.
“Kunst wordt niet gemaakt met het oog op winstbejag, het gaat puur om de artistieke kwaliteit, en die kunnen we niet overlaten aan de markt,” probeer ik tegen zijn botte mening in te brengen. Wat volstrekt zinloos is, dat besef ik ook wel. Ik heb totaal geen zin in deze discussie, maar weet niet hoe die te vermijden. Onnozelheid is lastig te bestrijden.
“Er wordt heel veel kwalitatief hoogstaande kunst gemaakt, die juist vanwege die kwaliteit zichzelf prima terugverdient,” brengt de man in. “Neem nou die schilderijen van Rembrandt of Van Gogh, die leveren een godsvermogen op als ze verkocht worden. Of de cd’s van de Beatles of Madonna, die gaan als broodjes over de plank! Ook de blockbusters uit Hollywood, of zelfs ‘Bollywood’. De thrillers van Dan Brown, Karin Slaughter, dat Engelse echtpaar, hoe heten ze ook al weer, Nicci French, die lopen als een trein.”
Ik besef dat het geen enkele zin zou hebben om de man het verschil tussen hoogwaardige en populaire kunst uit te leggen, want hij had geen idee. Dit probleem was trouwens groter, omdat ook in zogenaamd progressieve kringen het verschil tussen ‘hoge en lage kunst’ afgedaan werd als een burgelijk instrument om de eigen cultuur te beschermen. Alles wordt door hen in termen van ‘macht’ gedacht. Beethoven is zo beroemd geworden omdat hij een witte man was. Dezelfde onnozelheid, alleen vanuit een ander perspectief.
De man zit intussen te flirten met de katvrouw, hij maakt erotisch getinte opmerkingen en strekt zijn hand uit om haar arm aan te raken, maar ze deinst terug, ze is hier duidelijk niet van gediend. Of het is vanwege deze ongewenste avances, of omdat ze het inhoudelijk met mij eens is, ze bijt de man toe dat ware kunst geen objecten betreft die je naar believen kunt kopen of verkopen, of zelfs zomaar beetpakken. “Ware kunst komt voort uit een voorbeeldige artistieke handeling. Die is subjectmatig, en niet, zoals uw ondernemerspraktijk, objectmatig. Dat verschil begrijpt u niet, en dat zult u ook nooit begrijpen.”
Of de man door haar antwoord is afgeschrokken, of dat ik hem op de een of andere wijze heb weggekeken, weet ik niet, maar ik zie dat hij, inclusief zijn patsermobiel, is verdwenen. De raadselachtige dame eveneens. Misschien heb ik het mij allemaal verbeeld. Als ik afreken zie ik dat er ook een halve liter bier op de rekening openstaat. Ik herinner mij echter niet dat ik die heb gedronken. Ik besluit weer op het bankje vlak voor de beide rivieren plaats te nemen.
Ik hoor een hevig ruisen naderen, van ergens schuin boven mij. Opeens zie ik de twee zwanen vlak boven het water verschijnen, en met een gewelddadige kracht op het water landen, de poten over het water bewegend om de vaart af te remmen. Daarna drijven ze kalm tussen beide bruggen, hun koppen af en toe onder water stekend, op zoek naar hun lunch.
“Mooi hè?” Ze zit weer naast mij.
“Tja, een oud probleem,” zeg ik, “is het mooi of subliem? Ik denk subliem.”
Ze knikt alleen maar. Dan zegt ze: “Die man was een hork, maar het probleem dat hij — hoe onnozel ook — aankaartte is relevant genoeg: waarom zou de overheid kunst moeten subsidiëren? Het argument dat de kwaliteit van die kunst anders niet gewaarborgd kan worden is problematisch, het voorbeeld van Van Gogh is natuurlijk evident, maar Rembrandt verdiende goed aan zijn werk. Laten we de verschillen tussen verschillende kunstenaars en kunstdisciplines buiten beschouwing laten, ik begrijp ook wel dat met het instandhouden van een symfonieorkest andere financiële verplichtingen in het geding zijn dan met het schrijven van een roman. Maar het gaat nu om het principe.”
“Kunst die alleen bestaansrecht heeft als er voldoende publiek voor is, gaat voorbij aan een essentieel aspect ervan: kunst die de behoefte van het publiek direct, en onmiddellijk bevredigt, waardoor zij populair wordt, voldoet louter aan een verwachting, en is daarmee niet meer dan een object ter bevrediging daarvan. Daarmee ontbreekt er een belangrijk humaan elelement, ze is namelijk alleen maar een reproductie van een leeg, toekomstloos verlangen. De essentie van het humane, en daarmee het cruciale onderscheid met de naakte natuur, is haar verbeeldingskracht, die het ondenkbare denkbaar maakt, en het vermogen uitdrukt om het banale te overstijgen. Elke samenleving die deze unieke menselijke essentie wil vieren, zal de ware kunst ondersteunen, de kunst die niet reproduceert wat er al is, maar die werkelijk schept.”
U wilt nu ongetwijfeld weten wie die geheimzinnige catwoman is, die verschijnt op momenten die zij verkiest. Ik moet u het antwoord schuldig blijven, ik kan er hooguit naar gissen. Het zou een van de muzen der kunsten kunnen betreffen, dat ligt voor de hand; misschien iets te veel. Het zou ook Frau Âventiure kunnen betreffen, de vrouw die de personificatie is van het avontuur in de poëzie van de Minnesänger. Om Agamben te parafraseren (ik weet dat u zijn teksten gelezen hebt): Deze vrouw is niet de alwetende verteller die aan het begin aankondigt het ‘ware’ verhaal te vertellen, een waarheid die al bestaat voordat er een verhaal is, ze is niet de godheid die de dichter het woord geeft, zij komt halverwege het verhaal ten tonele, zij is het woord dat plaatsvindt; zij wordt ons niet door het verhaal geschonken, zij is het verhaal zelf.
II
Als ik heb afgerekend en het restaurant uitloop wordt ik aangesproken door een mij onbekende man, van een jaar of veertig. Hij heeft een modieus getrimd baardje en een zonnebril hoog op zijn voorhoofd in plaats van voor zijn ogen. Hij zegt dat hij een en ander had opgevangen van het gesprek dat ik had ‘met die intrigerende dame’. Hij stelt zich voor, ‘Lucide Potis, maar iedereen noemt mij Luc.’ Hij steekt zijn hand uit. Ik herinner mij niet dat ik hem op het terras heb zien zitten. Aarzelend schud ik zijn uitgestoken hand. Hij vraagt of ik zin heb met hem het begrip ‘waarheid’ verder te bespreken, ‘met een sigaartje bij de rivier.’ Als hij mijn aanhoudende aarzeling ziet dringt hij aan: ‘In mijn vak gaat het om macht, waarheid is niet meer dan een argeloze, of zelfs naïeve toeschouwer.’ Die uitdaging kan ik niet negeren.
Hij rookt kleine, dunne sigaartjes met een mondstuk, ze ruiken naar caramel. Een slecht teken. Ik steek mijn ‘senoritas naturel’ op. De zwanen hebben kennelijk ook interesse, ze zwemmen vlak voor ons tegen de stroom in; ze komen maar met moeite vooruit.
“Ik hoorde u spreken over ‘ware kunst’, maar wanneer kunst als ‘waar’ wordt beschouwd, dan is dit oordeel het gevolg van een machtsstructuur. Het publieke domein bepaalt de waarde van kunst, niet het kunstwerk zelf. Het waardeoordeel is altijd op macht gebaseerd.”
“En wat is dat vak waarover u sprak? Met andere woorden, vanuit welke hoedanigheid of deskundigheid meent u hier een adequate opvatting over te kunnen hebben? Ik vermoed dat het iets te maken heeft met de politiek, het publieke machtsdomein bij uitstek.”
“Ja, u hebt gelijk. Ik ben fractiemedewerker van een politieke partij in de gemeenteraad geweest, en heb als beleidsmedewerker gewerkt aan een rapport over de subsidiëring van cultuur. Ik ben nu wethouder van ondermeer financiën en cultuur van de gemeente Den Haag.”
“Financiën en cultuur, dat verklaart een hoop.”
“Dat mag dan zo lijken, maar ik heb het beste voor met de cultuur.”
“Het verklaart in ieder geval uw opvatting over macht, de betekenis daarvan staat in nauw verband met het geld, en dus met macht. Tekenend is ook dat het woord ‘cultuur’ wordt gebezigd, de term ‘kunst’ is al decennia lang ver te zoeken.”
“Dat heeft te maken met het feit dat het begrip ‘kunst’ de laatste decennia niet op veel sympathie van het grootste deel van de bevolking kan rekenen. Als we de kunsten een warm hart toedragen, en dat doe ik, dan is het soms noodzakelijk om pragmatisch te werk te gaan. Je kunt als politicus wel denken dat je gelijk hebt, maar je zult dat gelijk toch echt moeten verdienen. Daarvoor is een goed verhaal nodig naar de mensen toe. En daar sta ik voor.”
“Het kan niet zo zijn dat we geen goed verhaal hebben naar de mensen toe,” mompel ik zacht voor mij uit.
“Wat zegt u, ik verstond u niet.”
“Je moet een ‘goed verhaal hebben’ om uit te leggen dat 1 + 1 = 2.”
“Ja, inderdaad, dat is de spijker op de kop. Bij logische waarheden zoals die van het numerieke systeem is dat niet problematisch, maar als het existentiële kwesties betreft, zoals kunst, of voor mijn part religie of liefde, dan is dat veel gecompliceerder.”
Een witte Mercedes rijdt achter ons langs het terras, ik herken de patser. Luc ziet mijn minzame blik en zegt: “Dat is René Modderen, een succesvolle ondernemer die hier een tweede huis heeft. Ik begrijp uw afkeuring niet, zonder dergelijke mensen is er geen betaalde kunst mogelijk, onze economie drijft erop. Zij hebben dat goede verhaal nodig. Het is een kwestie van opvoeding.”
“Opvoeding,” zeg ik, “is inderdaad nodig, maar dat is niet hetzelfde als een ‘goed verhaal’. Je hebt geen ‘goed verhaal’ nodig om uit te leggen dat 1 + 1 = 2. Daarvoor heb je iets anders nodig, namelijk een goede onderwijsmethode. Een verhaal is fictie, en om het publiek dat verhaal te laten geloven is verleidingskracht nodig, en vertrouwen. Het leren maken van rekensommen gaat niet over verleidingskracht of vertrouwen, het is een techniek, die aangeleerd moet worden. Dat leidt tot kennis, en kennis is altijd gebaseerd op ervaring. Dat is het verschil met het begrip ‘informatie’, die kan pas kennis worden als zij zich wordt eigengemaakt.”
“Laten we teruggaan naar ons uitgangspunt: waarheid. Bij logische constructies zoals het numerieke stelsel is die waarheid makkelijk vast te stellen. Maar in het geval van kunst niet. Dan is er een verhaal nodig, of context, als die term u beter bevalt.”
“Er is geen fundamenteel verschil tussen wiskundige of artistieke kennis. Kant maakt onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen. Die oordelen zijn noodzakelijk om tot kennis te komen. In een analytisch oordeel ligt de uitspraak in het subject besloten, in een synthetisch oordeel niet, omdat het gebaseerd is op zintuiglijke waarneming. ‘Een bal is rond’ is analytisch, en ‘deze bal is rood’ is synthetisch.”
Politicus Luc kijkt me aan of hij water ziet branden, dit gaat hem ver boven de pet. Nou ja, u weet dat ik op gezette tijden met Kant aankom, voor u is het gesneden koek. Het kostte me zeker een half uur om hem uit te leggen wat Kant met het onderscheid voor ogen had. Dat ik verwees naar de voorbeelden die Kant zelf geeft, hielp niet. Kant geeft het volgende voorbeeld van een analytisch oordeel: ‘alle lichamen hebben een omvang’ [alle Körper sind ausgedehnt]. Die ‘uitgebreidheid’ ligt in het lichaam besloten. Hierna geeft Kant het volgende voorbeeld van een synthetisch oordeel: ‘alle lichamen hebben een gewicht’ [alle Körper sind schwer], dan wordt er een ander predikaat toegevoegd, dat buiten het oorspronkelijke predikaat ligt. Daarmee wordt het synthetische oordeel een ervaringsoordeel. Dat is voor mij de kern. Verder legt Kant uit dat alle wiskundige oordelen synthetisch zijn, dus gebaseerd op empirische kennis. Hij geeft het voorbeeld van een eenvoudige rekensom: 7 + 5 = 12. De enige manier om die som te bevatten gaat via de ervaring. Het getal 12 ligt niet besloten in de som van 7 en 5, we zullen die som moeten verbinden met een of ander rekensysteem, bijvoorbeeld de vingers van je handen. Kinderen leren dit op de lagere school, en door de sommen veel te maken leren ze die uitkomsten snel te vinden. Deze kennisvorm is overigens de laatste tijd rap aan het verminderen, zo is mij opgevallen. Iedereen gebruikt rekenapp’s op zijn laptop of mobiel. Alle kennis is gebaseerd op een vorm van herhaling en oefening. Dat is voor muziek niet anders dan voor rekenkunde. Luc is niet overtuigd.
“Muziek is vooral een gevoel dat ervaren wordt, geen rekensommetje,” zegt hij. “We gaan op in de klanken, melodieën en harmonie.”
“Dan zul je je de muzikale principes achter die klanken, melodieën en harmonie toch eigen moeten maken, anders hoor je alleen maar koeterwaals. En dat vereist oefening. Die oefening vindt plaats in het spelen, zingen en luisteren. Niet zo zeer in het lezen. Je kunt je verdiepen in tientallen theoretische geschriften over de ‘leidtoon’, maar de enige manier om die echt te begrijpen is hem te zingen. Dan voel je met je lijf wat er gebeurt. Op de middelbare scholen is het muziekonderwijs drastisch bekort. Subsidies aan muziekscholen zijn ingetrokken. Dan is het niet vreemd dat er steeds minder maatschappelijke steun is voor de kunstmuziek.”
“Dat kan die muziekwereld zich — in ieder geval deels — zelf aanrekenen. In de vorige eeuw is de nieuwe muziek zo abstract geworden dat je inderdaad tientallen theoretische geschriften nodig hebt om er nog iets van te begrijpen. Het is geen wonder dat het publiek zich van die muziek heeft afgekeerd. En dan bedoel ik dus het publiek dat in klassieke muziek geïnteresseerd is.”
“Dat is een veel gehoorde klacht, maar ik betwijfel of die analyse juist is. Het is van alle tijden dat er muziek is gemaakt die onmiddelijk bekoort, en muziek waar je moeite voor moet doen om haar te appreciëren en te vatten. De ‘ars subtilior’ uit de veertiende eeuw, de raadselcanons uit de Renaissance, de ‘Kunst der Fuge’ van Bach, de ‘Grosse Fuge’ van Beethoven, de late pianowerken van Liszt, om een paar voorbeelden te geven. Die muziek verleidt niet, maar wil veroverd worden.”
“Dat zal best, maar vooral de muziek van de tweede helft van de vorige eeuw spant toch echt wel de kroon. Verreweg de meeste mensen, ook de echte muziekliefhebbers, voelen en ervaren helemaal niets bij die muziek. Dat geeft toch te denken.”
“Merkwaardig is dan dat wanneer een dergelijk ‘onbegrepen’ werk gebruikt wordt in een film, dat bezwaar opeens wegvalt. Denk aan Ligeti’s ‘Lux Aeterna’, dat door Kubrick wordt gebruikt in zijn befaamde ‘2001 A Space Odyssey’. Een typisch voorbeeld van de muziek waar u op doelt, en bij die film heeft niemand er een probleem mee. Nu kun je zeggen dat die film dan dat ‘verhaal’ levert waar u op doelde, maar dat is mij veel te gemakkelijk. Ook zonder die film zou men die muziek kunnen waarderen, alleen moet men er dan moeite voor doen. Net zoals Goethe moeite moest doen om Beethovens Vijfde Symfonie te waarderen, iets wat hij aanvankelijk niet deed. ‘Teveel herrie.’ Ik denk dat de mensen, om oorzaken die we zouden moeten onderzoeken, minder geneigd zijn die moeite te nemen. Men wil een snelle bevrediging van de behoeftes, tegen zo min mogelijk inspanning.”
“Dan nog blijft staan dat de ‘waarheid’ van die muziek bepaald wordt door het publiek. De context bepaalt dus die waarheid.”
“Ik heb net geprobeerd uit te leggen dat het artistieke oordeel in wezen niet verschilt van een oordeel over een rekensom. Als de publieke context voor het laatste oordeel irrelevant is, dan is die dat mutatis mutandis ook voor het artistieke oordeel.”
“Misschien in uw belevenis, maar niet in de politieke realiteit waar ik mee te maken heb. Ik heb geen andere keuze.”
U ziet, deze discussie leidde tot een herhaling van het debat tussen Socrates en Protagoras, waar zij in ieder geval hun positie uiteindelijk gewijzigd hebben, maar wij niet. Hij wees zelfs mijn aanbod af om een ‘senoritas’ uit te proberen. Zonder nieuwsgierigheid gaan we het niet redden met de kunst. Ik geef toe dat ik alles behalve hoopvol gestemd ben over deze kwestie.
Waarheid is als een vel papier, je kunt je er lelijk mee in je vingers snijden, maar het blijft een machteloos fenomeen; zij kan uitermate onvriendelijk, onaangenaam, of ongemakkelijk zijn, maar ze verlangt helemaal niets. Er is geen imperatief. Waarheid is subliem.
Op weg naar huis in mijn overjarige Peugeootje wordt ik ingehaald door René Modderen, tenminste, het was een witte Mercedes, maar ik kan de bestuurder niet goed zien. Thuis op mijn favoriete plekje onder mijn rode parasol bedenk ik mij dat er tenslotte helemaal niets zeker is. Ben ik wel weggeweest naar dat plekje met die zwanen? Aan mijn verbeeldingsvermogen mankeert niets. In ieder geval ben ik er niets mee opgeschoten, ik kan geen enkele bruikbare conclusie formuleren over de kwestie van de waarheid.
Ik bedenk mij nog wel het volgende: als mijn theorie juist is dat waarheid onafhankelijk is van een of andere publieke context, en dus van het fenomeen macht, dan maakt het niet uit dat ik de enige ben die deze opvatting heeft, waarheid vindt plaats ongeacht het aantal mensen die haar zijn toegedaan. Ik hoef niemand te overtuigen, ik hoef geen bewijs te leveren, ik ben weliswaar alleen, maar ik ben daarom niet per se eenzaam. Ik ben één met de waarheid. Moedig voorwaarts!
III
Er is nog één kwestie die ik u wil voorleggen, namelijk die van de verbeelding. Deze kwestie raakt uiteraard aan de beide eerdere kwesties, die van de kunst en de waarheid. Als de ontmoeting met de katvrouw slechts verbeelding was, kan zij dan toch waar zijn? De feitelijke ontmoeting is dan onwaar, maar de verbeelding is desalniettemin waar. Dat is een ingewikkelde kwestie.
Zoals u zich ongetwijfeld nog herinnert, was ’De verbeelding aan de macht’ de leus die verbonden werd aan het eerste en enige links-progressieve kabinet uit onze parlementaire geschiedenis, het Kabinet Den Uyl, dat in 1973 werd aangesteld, en regeerde tot het twee weken voor de nieuwe verkiezingen in 1977 viel over een voorstel op het gebied van grondpolitiek. Het kabinet zette zich in voor ‘Spreiding van kennis, macht en inkomen’, het steunde democratiseringsprocessen in het buitenland, maar had ook te maken met een aantal ernstige kwesties, zoals de gijzelingsacties van Molukkers, de Oliecrisis, de Lockeed-affaire, en het onafhankelijkheidsproces van Suriname. De minister van defensie, Henk Vredeling, was niet bepaald geliefd bij de leidinggevende militairen, zeker niet na zijn uitspraak dat hij ‘allergisch was voor uniformen’. Zou het feit dat zijn achternaam begint met het woord ‘vrede’ toeval zijn? Zeker geen toeval is dat het kabinet aangesteld werd in een tijd waarin Johan Cruijff furore maakte met Ajax en het Nederlands elftal, waarin het voetbal door zijn inbreng als geheel drastisch veranderd werd; maar ook de enorme bloei van de ensemblecultuur op het gebied van de hedendaagse muziek is een opvallend fenomeen. De verbeelding was inderdaad aan de macht gekomen, niet alleen in de regering. Maar wat was die macht eigenlijk?
Per saldo eigenlijk niet zoveel, althans niet voor Den Uyl. Na de val van zijn kabinet volgde nieuwe verkiezingen, die hij glansrijk won, tien zetels winst. Zijn partij werd de grootste in de Tweede Kamer, maar desondanks wist hij die winst niet om te zetten in een tweede Kabinet Den Uyl. De confessionele partijen, die zich verenigd hadden onder één vlag, het CDA, bleken het machtsspel slimmer te spelen.
Het primair inzetten op je idealen maakt je kennelijk kwetsbaarder dan als je het primaat legt bij het machtsspel. Dat maakt kunstenaars die primair inzetten op artistieke kwaliteit ook kwetsbaarder dan de beoefenaars van de vermaaksindustrie.
Ik zie een eekhoorn een boom in klimmen, aan de rand van de tuin, hij flitst omhoog, stopt even, flitst weer verder, en eenmaal boven wacht hij weer enkele tellen. Dan begint hij aan een elegante dans door de takken van de bomen, met enorme snelheid vliegt hij van boom tot boom en is in een oogwenk een dertigtal meter verderop geraakt, waarna hij uit het zicht verdwijnt, de zwiepende takken als spoor achterlatend. Vermoedelijk omdat de eekhoorn flink uit de kluiten is gewassen, zo’n grote heb ik nooit eerder gezien, schiet mij een onderzoek naar meerkatten te binnen, waarover ik las in het intrigerende boek ‘Sapiens’ van Yuval Harari. Als u dit niet gelezen hebt, dan raad ik u aan het onmiddellijk aan te schaffen!
Die meerkatten blijken over een (primitieve) taal te beschikken. Uit het onderzoek bleek dat ze een woord voor ‘adelaar, gevaar!’ hebben, als ze dat horen verdwijnen ze snel in het struikgewas. Bij het woord ‘pas op, leeuw!’ vluchten ze een boom in.
Maar het wordt interessanter! Ze blijken namelijk ook te kunnen liegen. De onderzoekers zagen twee meerkatten, waarvan de ene een banaan in zijn poten had. De andere meerkat maakt het geluid van ‘pas op, leeuw!’ waarop de meerkat die de banaan vasthield deze onmiddellijk laat vallen en snel een boom in vlucht. De andere meerkat pakt de banaan en peuzelt die vergenoegd op.
De meerkat beschikt dus over verbeeldingskracht, want liegen vereist het vermogen tot inbeelding. Ook bij andere dieren, zoals chimpansees, blijkt dat ze zich bepaalde zaken kunnen inbeelden, doordat ze bijvoorbeeld leren een stok als gereedschap te gebruiken om voedsel te bemachtigen, wat ze zonder die stok nooit voor elkaar zouden kunnen krijgen, ze vinden dus ter plekke iets uit. Dat noem ik verbeeldingskracht.
Nu kun je zeggen, en ik vermoed dat u dit inderdaad zou doen, dat de conclusie duidelijk is dat er wat betreft het verbeeldingsvermogen geen verschil bestaat tussen mens en dier. Beiden hebben dit vermogen, hooguit is de kracht ervan verschillend. Ik meen echter dat er toch een essentieel verschil is tussen het verbeeldingsvermogen van mens en dier. Ik ben geen bioloog, maar ik durf de stelling te verdedigen dat de verbeeldingskracht van dieren uitsluitend gericht is op een direct nut: het vergaren van voedsel of zelfbescherming. Bij mensen kan deze vorm ook aan de orde zijn, maar daarnaast bestaat er het vermogen tot fantasie die niets anders dient dan die fantasie. Ik doel op een vorm die niet is gericht op een of ander nut, zelfs niet op vermaak, wat je mogelijk eveneens als een vorm van nut zou kunnen zien. Fantasie louter om de fantasie.
Ik moet nu denken aan een merkwaardige droom waaruit ik vanochtend vroeg wakker werd. Er kwam een trein tevoorschijn uit een lichtblauw-groenige substantie, een vloeistof die niet nat was. De trein bestond uit één gemotoriseerde wagon, breder dan normaal, hij reed namelijk over een zogenaamd ‘breedspoor’, zoals bijvoorbeeld in Rusland gebruikt werd na de mislukte inval van Napoleon. De gedachte was dat dit een eventuele nieuwe invasie zou bemoeilijken omdat de vijand vanwege het bredere spoor meer moeite zou hebben met de bevoorrading. Dat bleek overigens in de praktijk niet te werken, want na de inval van de Duitsers in 1941 vervingen zij het breedspoor door een spoor van gebruikelijke breedte. Er was ook sprake van een andere trein, een modeltrein van het merk Märklin, waar ik als kind vele uren mee gespeeld heb. De modeltrein is in werkelijkheid uiteraard kleiner, maar niet in mijn droom. Het verschil tussen beide treinen speelde daar geen enkele rol in. Het was overigens onduidelijk wat die Märklintrein te maken had met die andere. Eigenlijk was alles onduidelijk, waar de treinen vandaan kwamen, waar ze naartoe gingen, het leidde allemaal nergens toe. De droom herhaalde zich steeds. Steeds weer kwam de motorwagon uit de mist, of wat het ook was, en steeds weer kwam de speelgoedtrein tevoorschijn, in een voortdurende herhaling, als in een koortsdroom, totdat ik uiteindelijk wakker werd. Maar het was geen koortsdroom.
Dit brengt mij bij een eerdere vraag: is een droom het product van verbeelding? Of is er louter sprake van chemische of fysieke processen? Op internet lees ik dat er meerdere theorieën zijn over dromen, maar dat er nog geen definitieve is.
De herinnering aan deze droom brengt mij weer bij een andere herinnering. Jaren geleden heb ik in het archief van de Nederlandse Omroep Stichting een documentaire gezien over een zestien uur durende treinreis van Moskou naar Grozny in Tsjetsjenië. Ik herinner mij niet meer waarom ik die film daar ben gaan bekijken. De reis naar Grozny was niet ongevaarlijk, vanwege de gevechten tussen het Russiche leger en Tsjetsjeense strijders. De reis moest soms onderbroken worden met een pauze. In de wagons waar de documentairemaker filmde waren aan de zijkant gordijnen opgetrokken waarachter de kleine kinderen moesten gaan slapen. In het midden van de wagon waren enkele tafels geplaatst met kookstelletjes erop, er werd een maaltijd bereid. Flessen met sterke drank gingen voortdurend rond, er werd gezongen en er werden verhalen verteld. De wagon was een soort reizende woonkamer. Wat een verschil met de saaie treinreizen op het Nederlandse spoor, lui die maf uit het raam staren, suffe muziek beluisteren met hun koptelefoon, een koffie uit een plastic bekertje drinken die ze kopen van een man met een karretje die door de trein loopt. Zouden gevaarlijke tijden ons verbeeldingsvermogen aanwakkeren?
Of deze tweede herinnering het gevolg is van de eerste, weet ik niet. Evenmin of de herinneringen het product van verbeelding zijn. Ik meen nu echter wel dat ik het antwoord weet op mijn eerdere vraag, of dromen een product van verbeelding zijn; ik meen van niet. In dromen bestaat er in mijn ervaring geen dialectiek. Dat ik geen probleem ervoer met de combinatie van die twee treinen, de ‘echte’ en de speelgoedtrein, moge dit duidelijk maken. Zonder tegenspraak geen verbeelding, zo lijkt mij.
Er bestaat een theorie over het dromen waarin het dromen vergeleken wordt met het naar de vaste schijf schrijven van het RAM-geheugen als een computer wordt uitgezet. Ons geheugen wordt dan dus in onze dromen naar onze ‘vaste schijf’ geschreven. Dat is een nuttige handeling, maar niet een articulatie van verbeelding, hoe surrealistisch en fantastisch onze dromen ook mogen lijken. Er is dan namelijk geen sprake van een of andere tegenspraak, er wikkelt zich alleen maar een bepaald proces af, als een soort automaat.
Net als bij schoonheid dient verbeelding imperfect te zijn, iets ontbreekt, is incompleet, vergeten of te raden. Een absoluut geheugen zal nimmer verbeelding opleveren. Maar verbeelding streeft wel naar perfectie, en dat maakt haar in het gunstigste geval voortreffelijk, en daarmee voorbeeldig.
Hiermee komen we terug op een eerdere kwestie: wat is de betekenis van ‘macht’ in de verbeelding? Wanneer de verbeelding niet gericht is op enig nut, dan is er geen sprake van een machtsverhouding, in die vorm van verbeelding gaat het uitsluitend om de articulatie van die verbeelding, zij heeft uitsluitend zichzelf tot doel, en zo kan zij voortreffelijk en voorbeeldig worden, zij vindt dan plaats in de handeling. Deze belangeloze verbeelding representeert bij uitstek het humane, en onderstreept de betekenis van de kunst.
Ik ben benieuwd of u mijn volgdende stap onderschrijft: het belangeloze van (zuivere) verbeelding raakt aan het belangeloze van (zuivere) waarheid. Zowel zuivere verbeelding als waarheid zijn niet betrokken op een belang, en dus ook niet op macht. Een articulatie van zuivere verbeelding is dan, zo lijkt mij, een articulatie van waarheid. Zowel die verbeelding als die waarheid vinden plaats in een handeling.
De laatste stap die we nu nog moeten zetten is het maken van een onderscheid in de waarheid die uit een zuivere handeling wordt geboren: waar blijft die waarheid, laat zij een spoor na? Een mogelijke antwoord op deze vraag zou het volgende onderscheid kunnen zijn: waarheid kan open of gesloten zijn. Het eerder genoemde voorbeeld van de propositie 1 + 1 = 2 is dan een voorbeeld van een gesloten waarheid. De propositie is namelijk een object geworden, die te allen tijde gekend en gebruikt kan worden. De waarheid van een verbeelding, plaatsvindend in een handeling, is dan een open waarheid. Een gesloten waarheid is objectmatig, een open waarheid subjectmatig. Wanneer een open, subjectmatige waarheid een naam krijgt, dan wordt zij gesloten en daarmee objectmatig. Niet elke open waarheid kan gesloten worden. Logische proposities wel, maar artistieke handelingen niet zonder meer. Een partituur die het product is van een zuivere handeling kan bijvoorbeeld via een nieuwe zuivere handeling opnieuw waar worden. Zolang zij niet gespeeld wordt vertegenwoordigt zij een gesloten waarheid, die in potentie weer open kan worden, namelijk in een uitvoering. Haar (tijdelijk gesloten) waarheid schuilt in de potentie.
‘Voelt u zich aangesproken?’ schreef ik aan het begin van deze brief. Ik meen dat het schrijven ervan een ware handeling betreft; de vraag is of dit ook geldt voor het lezen. Dat zal bepalen of u zich aangesproken voelt. De waarheid van deze brief is met het beëindigen van het schrijven ervan gesloten. Zij is een object geworden. Het is aan u om haar weer te openen. Dat is geen kwestie van macht, maar vraagt wel om uw verbeeldingsvermogen. Het ga u goed.
— J. Chr. de Vries, Bonnemort, 14 mei 2024
Post Scriptum
Vanochtend ontwaakte ik uit een droom. Ik liep de supermarkt uit, een propvol boodschappenklarretje voor mij uitduwend. Een meter of tien voor mij liep de Katvrouw, ook met een karretje, ditmaal in een lange groengekleurde jurk, een diepe, donkere kleur groen, als van een wijnfles. De zilveren biezen accentueerden haar heupwiegende bewegingen. Ik versnelde mijn pas, en zag dat ze naar een Citroën 2CV liep; ik had haar bijna ingehaald, en zag dat er achterop dit ‘Lelijke Eendje’ een sticker was geplakt met een afbeelding van twee zwanen. Ze keek om, maar ze herkende mij niet, ze keek langs mij heen. Daarna opende ze de achterklep van een witte Mercedes die achter de 2CV was geparkeerd, ze haalde haar boodschappen uit haar karretje, bracht het karretje weg, stapte in haar bolide en reed weg, zonder mij ook maar één keer aan te kijken. Ik werd smoorverliefd wakker.
Ik dronk espresso in de tuin, en rookte een sigaar. Ik probeerde te achterhalen of die droom een herhaling was van een echte gebeurtenis. Heb ik die vrouw in werkelijkheid eerder gezien, daar bij die supermarkt? Ik twijfel. Ik pijnig mijn geheugen, het zou kunnen; de droom zou een herhaling of verwerking van een herinnering kunnen zijn, maar wanneer is dit dan geweest? Ik ga de laatste keren na dat ik daar boodschappen heb gedaan. Heb ik daar dat 2CV’tje gezien? Inclusief die zwanensticker?
Is het mogelijk om verliefd te worden op een gedroomde persoon? Een persoon die in het echt niet bestaat? Als dit niet mogelijk is, dan is dit het antwoord op mijn twijfel: de droom moet dan gebaseerd zijn op een reële gebeurtenis.
Maar wat nu als het wel mogelijk is om in een droom verliefd te worden op iemand die in werkelijkheid niet bestaat of ooit bestaan heeft? Verliefdheid is hoe dan ook het product van verbeelding, en dat zou in een droom wellicht ook mogelijk kunnen zijn. In dat geval kan de dame uit de droom waar ik verliefd op werd, een volkomen imaginaire persoon zijn. De dame in kwestie is, zoals bij alle verliefdheden het geval is, een object tot begeerte. Die begeerte is cruciaal, maar ook het feit dat die begeerte nooit in vervulling kan gaan. Het gaat om een verlangen dat alleen kan bestaan als verlangen, waar het object van verlangen niet meer is dan een instrument om dit verlangen zich te laten manifesteren.
Ik hoor het u zeggen: dit doet denken aan het begrip l’objet petit a van Jaques Lacan. Het verlangen om het verlangen, gericht op een object dat nooit bezeten of vervuld kan worden; onaantastbaar, onaanraakbaar, La douce dame sans merci. Dr. Zeele noemde het ooit gekscherend ‘object @‘, waarbij hij dat @-teken uitsprak als ‘apestaartje’ (zonder tussen-n uiteraard). Zeele had overigens wel enige sympathie voor Lacans ideeën, wat, zoals u zult begrijpen, vermoedelijk vooral te maken had met Lacans preoccupaties met Freud, Zeele’s grote held.
De volgende vraag is onontkoombaar: Moeten we de verbeelding, en in haar voetspoor de kunst, zien als een articulatie van het objet petit a? Dat zou volgens mij betekenen dat de kunstwerken het verlangen dat aan die verbeelding ten grondslag ligt nooit en te nimmer kunnen waarmaken. Die werken zijn dan pseudo-kunstwerken, een vorm van compensatie voor een niet in te lossen schuld.
Wanneer het om kunstwerken gaat die betrokken zijn op een belang, of het nu een financieel belang betreft, een politiek belang of het verlangen op onsterfelijke roem, dan meen ik dat we de vraag zonder meer bevestigend zullen beantwoorden. Ik gebruikte hiervoor niet voor niets het woord ‘schuld’. De belangen die aan de kunstwerken zijn verbonden zijn immers een vorm van begeerte, een begeerte die uiteindelijk niet is in te lossen. Zelfs als de onsterfelijke roem bereikt zou worden, dan nog is zij per slot van rekening niet meer dan een illusie, die geen intrinsiek deel uit maakt van de (artistieke) essentie van de kunstenaar.
Voor de zuivere kunst ligt het echter anders, die is namelijk niet betrokken op een verlangen, of begeerte. Deze vorm van kunst is, zoals ik eerder heb betoogd, uitsluitend betrokken op zichzelf, dat wil zeggen op verwezenlijking van een artistieke handeling die voortreffelijk en dus voorbeeldig is. Dat heeft niets te maken met een poging om een bepaald verlangen in te lossen. Zuivere kunst is geen antwoord op een niet in te lossen verlangen, het is hooguit op te vatten als een contrapunt, een expressie die in de meest waarachtige zin het beste gezien kan worden als een handeling die naast het objet petit a geplaatst kan worden; dat wil zeggen, zonder zich daar direct mee te verhouden. Zuivere kunst is, net als waarheid, vrij van verlangen en nut. Zij is geen antwoord, nergens op, hooguit een vraag, zoals muziek die tijdens de herdenking van de dood van een geliefde de dood niet wegneemt, maar wel een contrapunt vormt ten opzichte daarvan. De dood neemt, de kunst geeft.
— JCdV, 16 mei ‘24