LEMMA — Het Artistiek Oordeel
— Cornelis de Bondt
Zie ook: ESSAY — Het Artistiek Oordeel
Voor het vellen van een zuiver smaakoordeel zijn er drie noodzakelijke voorwaarden te formuleren, en daarnaast drie perspectieven. De voorwaarden zijn: belangeloosheid, voortreffelijkheid en voorbeeldigheid. De perspectieven zijn: concept, context en consistentie. Deze perspectieven en voorwaarden zijn aanvullend, en niet exclusief; zij verhouden zich tot elkaar en moeten dus op elkaar betrokken worden.
Voor ons onderzoek richt ik mij hier op wat ik zuivere kunst zal noemen, dat wil zeggen kunst waarvan het artistieke proces niet betrokken is op een (rechts)belang. Niet omdat betrokken kunst niet bijzonder waardevol zou kunnen zijn, en bovendien van fundamenteel belang, maar om de kwestie van het zuiver artistieke oordeel zo scherp mogelijk te kunnen onderzoeken. Het zuivere artistieke oordeel kan uiteindelijk ook in de beoordeling van betrokken kunst een rol spelen, niet alleen om het artistieke gehalte ervan te kunnen meewegen, maar ook omdat de hieronder geformuleerde voorwaarden en perspectieven ook gebruikt kunnen worden voor het betrokken deel van het kunstwerk.
De drie voorwaarden:
- Belangeloosheid — Het creatieve werk mag niet gekoppeld zijn aan enig belang, noch een financieel belang, een politiek belang of in het algemeen een rechtsbelang. Ten overvloede: dit geldt alleen voor het artistieke werk zelf, niet voor de belangen voor levensonderhoud of onkosten van de kunstenaars. En verder: het staat los van het feit dat een belangeloos gemaakt werk wel van belang kan zijn.
- Voortreffelijkheid — Deze voorwaarde is verwijst naar het Oude-Griekse begrip ‘aretē’, wat meestal vertaald wordt met ‘deugd’, maar deze term is voor ons onbruikbaar vanwege de geur van burgerlijk ‘fatsoen’ die er aankleeft. Met aretē werd beslist voortreffelijkheid bedoeld, met Odysseus als het grandioze voorbeeld: hij was slim en gewiekst, kon hardlopen als geen ander, sterk — niemand kon zijn boog spannen — en hij was ook dichter en geestig. Wij noemen een werk voortreffelijk als ‘alles klopt’, dat wil zeggen dat het concept van het werk in een goede verhouding staat met de structuur en het gebruikte materiaal, met de context en dat het consistent is uitgewerkt.
- Voorbeeldigheid — Deze voorwaarde is ontleend aan het genie-begrip van Kant. Met genie wordt niet de romantische figuur van de getroebleerde kunstenaar bedoeld, maar het Kantiaanse begrip dat het ‘talent’ aanduidt waarmee de kunstenaar de wetmatigheden toepast in zijn vrije scheppingsproces. Het woord is een verwijzing naar de oud-Romeinse god Genius, die voor ons waakt over leven en dood; het woord ‘genereren’ is er bijvoorbeeld van afgeleid. Genie maakt dat een kunstwerk oorspronkelijk en voorbeeldig is. Vrijheid is de gave om met beperkingen om te gaan, keuzes worden gemaakt in vrijheid, maar het is een tegenwoordig maar al te comfortabel misverstand om te denken dat vrijheid een gebrek is; te weten het gebrek aan keuzes, en daarmee het recht op alles. De artistieke wetten dienen de vrije, persoonlijke keuzes, het esthetische proces van het scheppen. Kunst gaat precies om deze, ogenschijnlijk tegenstrijdige, spanning tussen het persoonlijke en het algemene. Het is het genie dat deze spanning om weet te zetten in een meesterwerk, hier wordt het raadsel geboren. Dit genie is in de zuivere kunst aan het werk. Het genie behoeft geen pastiche of imitatie, noch behoeft het zich te verkopen of zendelingswerk te verrichten. Het talent kan niet aangeleerd worden, het is een gave, die in vrijheid uitgeoefend kan worden.
Dit begrip is bruikbaarder dan begrippen als ‘vernieuwend’ en ‘authentiek’, die vaak aversie opleveren. Omdat deze begrippen onhelder zijn. Hier wreekt zich het ontbreken van goede en heldere beoordelingsprincipes. Met ‘vernieuwend’ en ‘authentiek’ wordt meestal gedoeld op de stijl. Het begrip ‘voorbeeldig’ kan gelden binnen iedere stijl en ieder genre. Een belangrijk aspect van voorbeeldigheid is dat het werk onvervangbaar is. Hiermee wordt niet uniek bedoeld, omdat uniciteit nog niets zegt over het artistieke gehalte. Onvervangbaar betekent dat geen ander werk ervoor in de plaats gesteld kan worden. De Vijfde Symfonie van Beethoven kan niet ‘vervangen’ worden door die van Ferdinant Riess, maar andersom wel.
De drie perspectieven:
- Concept — Dit perspectief betreft het artistieke uitgangspunt van het werk, ofwel het basis-idee. Wanneer het concept onhelder is, dan zal het werk zeer vermoedelijk falen. Dit betekent niet dat het concept vanaf het begin meteen duidelijk moet zijn voor de kunstenaar aan het werk, vaak ontstaat die duidelijkheid pas tijdens het maakproces. Maar op enig moment zal die duidelijkheid zich openbaren, pas dan kan het werk zijn afronding krijgen, al het materiaal valt dan ‘op zijn plek’, vaak zal er dan veel geschrapt moeten worden; niet al het materiaal, hoe fraai op zichzelf ook, zal bruikbaar blijken om het concept optimaal tot uitdrukking te brengen. Het concept is bepalend voor de structuur, de vorm en de inhoud van het werk. Deze begrippen zijn overigens niet onproblematisch.
- Context — Onder ‘context’ verstaan wij de relaties die we binnen het werk op diverse niveau’s: kunnen waarnemen, hoe verschillende materialen zich tot elkaar en tot het concept verhouden; en ook erbuiten: hoe het werk zich tot ander werk (inclusief het eigen œuvre) verhoudt, en hoe het werk zich tot het verleden verhoudt, dit geldt zowel voor de periode, de stijl of het genre.
- Consistentie — Dit perspectief behelst het optimale rendement van het materiaalgebruik; zowel de relatie van het materiaal tot het concept, als het bewustzijn van de context. Een belangrijk subprincipe is afgeleid van het zogeheten ‘Scheermes van Ockham’ – geparafraseerd naar het kunstwerk zou dit als volgt kunnen luiden: Het aantal verschillende materiaalvormen dient in dienst te staan van het optimaal tot uitdrukking brengen van het overkoepelende concept van het werk. In de meeste gevallen betekent dit een zo minimaal mogelijk aantal onderscheidbare materiaalvormen. Bijvoorbeeld: een sonatevorm kent twee thema’s, dat is het optimale aantal om het dialectische concept van deze vorm uit te drukken, namelijk het tegenover elkaar stellen van thema’s, het verwerken en ontwikkelen ervan, en het tot een synthese brengen ervan. Een fuga daarentegen, heeft idealiter één thema. Het overkoepelende concept kan omschreven worden met de term ‘optimaal rendement’: de fuga gaat over het optimale rendement dat uit dit thema gehaald kan worden. Één thema is dan optimaal. Het hiervoor gestelde beperkte materiaalgebruik van de vorige principes is ook denkbaar: niet een minimum aan materiaalvormen, maar het gebruik van zoveel mogelijk verschillend materiaal; dit betekent dan wel dat het overkoepelende concept precies dít, namelijk deze overdaad, wil uitdrukken. De consistentie geldt naast het perspectief van concept ook voor de context.
Voor een goed zuiver-artistiek oordeel is het belangrijk dat bovenstaande voorwaarden en perspectieven op elkaar betrokken worden, zij staan niet op zichzelf. Maar ze kunnen evenmin tegen elkaar afgewogen worden, er bestaat geen overkoepelende maatstaf.
— Cornelis de Bondt, Loosduinen, 18 maart 2024