De Levensboom 2 – De Dansende Madonna
— J. Chr. de Vries
Voor Leo S.
‘Toeval’ bestaat, maar toeval bestaat niet in een verhaal. Tenminste, als verhalen per definitie fictief zijn, ook al pretenderen ze een verslag te zijn van een reële gebeurtenis. Als de eerste zin van deze tekst een regel is, dan is wat mij deze week overkwam de uitzondering erop. Toen ik in het centrum van de stad op een terras een glas wijn aan het drinken was, werd ik onverwachts aangesproken door een man, in het Engels, maar met een Scandinavisch accent. Je hoort dat vooral aan de manier waarop de ’s’ wordt uitgesproken, met een dun, bijna slissend geluid. Ik herkende hem eerst niet, ik ben slecht in het thuisbrengen van gezichten, ik heb context nodig om iemand te herkennen, een plek, een kledingstuk of een andere persoon die erbij hoort. Bovendien had ik hem al een aantal jaren niet meer gezien, maar hij redde gelukkig de voor mij wat beschamende situatie: “Ole Viskrys,” lachte hij, “You haven’t forgotten about me I hope!”— ‘Viskrys’ met die slissende s’en.
Nadat wij elkaar de handen hadden geschud, en Viskrys zich met een glas wijn aan mijn tafel had gezet, vroeg ik naar de reden van zijn bezoek aan Den Haag. Hij vertelde dat hij voor zijn onderzoek, waarover hij mij enkele weken geleden had geschreven, de vroege werken van Mondriaan in levenden lijve wilde bekijken. Hij had net urenlang in het Gemeentemuseum rondgestruind.
“Aha, you are checking out the Tree of Life theory of Losse,” zei ik.
“I am elaborating on it,” antwoordde hij. Hij vertelde dat de theorie van Losse hem intrigeerde. Hij onderzocht of de hypothese houdbaar was, of tenminste aannemelijk kon zijn.
We spraken een tijdje over de toevalligheid van onze onverwachte ontmoeting, ik was net begonnen aan een verhaal over de vraag of de ‘levensboom’ van Mondriaan louter anekdotisch was of niet, naar aanleiding van de brief van Viskrys, en opeens dook hij hier op. Was dat toeval? Viskrys meende van wel, zijn besluit om naar Den Haag te komen had hij enkele dagen terug in een opwelling genomen. Maar, zo wierp ik tegen, als ik dit gegeven in mijn verhaal opneem, dan is het geen toeval meer, omdat het onderdeel van de constructie wordt. Daar was hij het niet mee eens. Toeval is een reëel bestaand fenomeen in het leven, en als dit geen element van een verhaal kan zijn, dan kan het leven zelf daar geen element van zijn. Dat vond hij een onhoudbare stelling. De verhalen zijn onderdeel van het leven, niet andersom, riposteerde ik.
De discussie verplaatste zich naar het onderzoek van Viskrys, waarbij wij de kwestie van Mondriaans begrippen ‘afbeelding’ en ‘weerbeelding’ onder de loep namen. Zijn werken zijn geen afbeeldingen van de werkelijkheid, maar weerbeeldingen, met andere woorden: het beeld van de werkelijkheid wordt aangepast aan de wetten die het kunstwerk stelt, om die werkelijkheid zuiverder te kunnen uitdrukken. Het leven wordt daarmee ook zuiverder in het werk. Voor Viskrys was dit een argument om het toeval toe te laten in het werk, en dus in een verhaal. Toeval in een verhaal is een weerbeelding daarvan. Viskrys werd steeds geestdriftiger, hij ging helemaal op in zijn betoog. Ik temperde zijn enthousiasme enigszins door hem voor te houden dat dit alleen opging als de theorie van Mondriaan hout snijdt.
Opeens vertelde Viskrys een anekdote, of de wijn hierbij een rol speelde weet ik niet zeker, maar we waren al bezig aan ons derde glas. Hij vertelde over een visioen dat hij enkele jaren terug had ervaren, het was geen droom, zei hij, want hij zat achter zijn werktafel en was klaarwakker. Hij zag een vrouw, in een flits, ze was buitengewoon knap, ze draaide haar hoofd naar hem toe, en keek hem indringend aan, het voelde alsof hun zielen innig met elkaar verbonden waren, hoewel ze geen blijk van toenadering of iets dergelijks zocht, ze keek neutraal, zonder ook maar iets van een glimlach of gebaar. Het enige wat ze deed was hem aankijken. Het visioen was kort, misschien slechts enkele seconden. Hij wist zeker dat hij haar ergens van kende, maar hij kon zich niet herinneren waarvan. Hij beschreef haar gezicht, ze had halflang, vol, gitzwart haar, een enigszins getinte huid, zoals Zuid-Europese vrouwen dat kunnen hebben, hij vermoedde, nee, hij wist zeker dat zij een Française was. Ze had enigszins uitstekende jukbeenderen, diepliggende, blauwe ogen, en mooie volle lippen. Hij was meteen smoorverliefd op haar. Maar wie was zij? Waar kende hij haar van? Hij wist zeker dat hij haar nooit ontmoet had. Ik opperde dat hij haar vermoedelijk in een speelfilm had gezien, dat het visioen in feite een herinnering van een of andere scène was. Viskrys zei meteen dat hij die theorie had overwogen, het leek het meest voor de hand te liggen. Alleen had hij die film niet kunnen achterhalen. Misschien een televisiefilm of -serie, stelde ik voor. Maar dat had hij ook al uitgeplozen, zonder resultaat.
Ik merkte op dat ik het een intrigerende anekdote vond, maar dat ik niet zag wat het met ons onderwerp ‘toeval’ te maken had. Viskrys antwoordde het volgende:
“Maybe not clearly with the English word ‘coincidence’ but it does with the Swedish word ‘tillfällighet’, which like the German word ‘Zufall’ means something like ‘which falls to us’. Yet the English word, when we take it back to the original Latin word ‘coincidere’ means literary ‘which falls together’, so it’s close to the Swedish and German words. Surely in Dutch it’s similar.”
“Yes, ‘toeval’ is literary the same as the Swedish and German term in Dutch.”
De anekdote is ook iets wat je ‘toevalt’, ging hij verder, opeens is het daar, uit het niets. Een ontmoeting, of confrontatie, met een andere werkelijkheid. Dat raakt ook weer aan mijn onderzoek naar Mondriaan en de theosofie, aan hoe de kunst zich verhoudt met wat wij normaliter onder de ‘werkelijkheid’ verstaan. De opvatting van Mondriaan is duidelijk platonisch van aard, er is sprake van gescheiden werkelijkheden, de profane en de ideële. De kunst zou via die ideële werkelijkheid de profane verhelderen of duiden.
“The anecdote is very interesting, I mean, the anecdote in general, because I’m writing a story on Mondriaan, questioning if his relation with theosofy is purely anecdotic or that it actually is fundamental for his work. For this I am making a distinction between ‘anecdotic’ and ‘mythical’, where the first is only of interest for a specific individual, and the latter has a public interest. The two kinds of meaning are interchangeable, so a work can be anecdotic at one point, and become mythical.”
Hij antwoordde dat hij dit een intrigerend onderscheid vond, omdat het raakte aan zijn eigen bevindingen over het grensgebied tussen de profane en ideële werkelijkheid. Wanneer de ideële werkelijkheid van een kunstwerk de profane beïnvloedt, of zelfs verandert, dan stijgt het werk uit boven het anecdotische. De ‘afbeelding’ is anecdotisch, de ‘weerbeelding’ mythisch. De bomen die Mondriaan schilderde in zijn vroege werk bevatten uiteraard al een mythisch element, maar het anecdotische overheerst nog. Er is een geleidelijk proces te zien, waarin de takken van de bomen steeds abstracter worden, tot uiteindelijk alleen de vertikale en horizontale lijnen overblijven. Dit is wat Losse de ‘Levensboom van Mondriaan’ noemde. Ook de kleuren worden abstracter, totdat alleen de primaire kleuren geel, blauw en rood overblijven, en daarnaast het essentiële wit en zwart, die beide geen kleuren zijn, maar enerzijds de optelsom van alle kleuren, en anderzijds het totale gebrek eraan.
Ik probeerde het gesprek weer naar ons oorspronkelijke onderwerp van het toeval te leiden, en merkte op dat in een schilderij geen toevalselement mogelijk is. Het is immers een object, waar niets meer aan verandert, er kunnen geen onverwachte gebeurtenissen in plaatsvinden.
Niet alleen verandert het object in de tijd, de verf, het doek, de lijst — legde hij uit — het gaat uiteindelijk om de waarneming van het object, en in die ‘subjectmatige’ waarneming kan van alles gebeuren, ook onverwachte zaken, zoals associaties en herinneringen.
“And how about your mysterious, beautiful Française, does she fit in your theory somewhere?”
“I have no idea, she is a riddle, I can’t see how her anecdote can become mythical, to use your words. Who knows, some day I’ll meet her.”
De volgende dag besloot ik naar het Gemeentemuseum te gaan om alle daar aanwezige Mondriaans te bekijken, er hing veel van zijn vroege werk, maar ook een van zijn laatste, het nog onvoltooide ‘Victory Boogie Woogie’. Ik kon mij wel vinden in de levensboom-theorie van Viskrys, in chronologische volgorde langs de schilderijen lopend zag ik het abstractieproces zich geleidelijk voor mijn ogen ontvouwen.
Bij de ‘Victory Boogie Woogie’ bleef ik lang staan, verrast door de stukjes pleister die zich nog op het werk bevonden, vermoedelijk om kleuren tegen andere te beschermen tijdens het schilderen. Ook vielen mij de rafelige lijnen op, vanaf een afstand lijkt het allemaal knetterstrak, maar het tegendeel bleek het geval als je er vlak voor stond. Een huisschilder zou dit beter hebben kunnen doen, bedacht ik, maar perfectie verhoudt zich slecht tot schoonheid. Perfectie is giftig. Drink nooit ‘zuiver water’, placht mijn vader te zeggen, daar kun je dood aan gaan. De propositie 1 + 1 = 2 is geen perfectie, maar het is een geconstrueerde waarheid. Kunst, in zoverre zij zuiver is, gaat niet over perfectie, maar over ‘voortreffelijkheid’. Zuivere kunst is voortreffelijk, maar niet perfect.
In de avond werd ik gebeld, Viskrys, met een opgewonden stem: “I found her!” Hij had eindelijk zijn Française gevonden, in een semi-fictieve documentaire over Mondriaan. Het beeld in de film klopte exact met het beeld in zijn visioen, dezelfde hoofdbeweging, dezelfde onbewogen blik. De Française vertelde dat zij met Mondriaan had gedanst, hij was gek op dansen, hij werd gekscherend de ‘dansende madonna’ genoemd. Toen ik hem gelukwenste veranderde de toon van zijn stem: “This film is made two years after my vision!”
— J. Chr. de Vries, Den Haag, 18 januari 2023