De Man van Smarten I — Nicea, 325 AD
— Cornelis de Bondt
I — Nicea 325 AD
Athanasius was op 21 april uit Rome vertrokken. Alles heeft een begin, dacht hij terwijl hij vanaf de voorplecht van de gallei over de Middellandse Zee uitkeek. Vorsten, keizers, generaals, handelslieden, maar ook pausen — hier spoog hij terloops een flinke klodder slijm in de zee — zij allen denken dat het gaat om goud, goud en goud. Even vormde zich een triomfantelijk lachje rond zijn lippen, maar de lach veranderde al snel in een verbeten grijns. Niet al het goud van de wereld zou ik inwisselen voor wat ik in mijn vermogen heb. Het enige wat er echt toe doet, is tijd. Hij richtte voor een moment zijn blik op de zon, die op dat moment op het hoogste punt van de hemel was beland. En tijd, peinsde hij verder, die heb ik in overvloed; ik heb meer ogenblikken tot mijn beschikking dan er zandkorrels zijn in de woestijn, of waterdruppels in de oceanen. Het weer was hem gunstig gezind geweest, en hij had de reis binnen drie weken kunnen afleggen.
Op 18 mei ontmoette hij Alexander, in een uitspanning aan het meer van Nicea. Ze keken uit over het water, de zon ging onder in een vuurrode gloed. Alexander scheen ongerust over iets, Athanasius voelde zijn onrust.
“Arius voert iets in zijn schild,” zei Alexander peinzend. “Mijn informant vertelde mij dat hij bepaalde manuscripten op het spoor is van die vermaledijde historicus. In die teksten zouden goddeloze beschrijvingen staan van onze Verlosser.” Alexander sneed met zijn mes een reep van zijn vis, maar nam geen hap. “Overmorgen begint het concilie, we moeten veel beter voorbereid zijn!” Nog steeds liet hij zijn vis onberoerd.
Tijd is iets waar jij onvoldoende beschikking over hebt, dacht Athanasius. Hij keek Alexander aan, en vroeg, hoewel hij het antwoord al wist: “U bedoelt Tacitus?” Alexander knikte. “Laten we zien wat Arius te vertellen heeft,” zei Athanasius, “Voor elke sprong die deze naam verdient, neme men eerst een gepaste aanloop.”
Alexander zweeg enige tijd, en nam uiteindelijk een hap van zijn vis. “U hebt gelijk,” zei hij tenslotte, “zoals vaker. Het kostte zeven dagen om de val van de stad Jericho te bewerkstelligen, terwijl de Heer het ook in zeven ogenblikken had kunnen doen. De Tijd is een heilig sacrament.” Athanasius verkoos te zwijgen. Hij had de tijd. Hij dacht na over Tacitus, hij kende diens belangrijke geschiedkundige werken goed, hij had ze grondig bestudeerd. Hij wilde zich echter wat dat betreft nog niet teveel in de kaart laten kijken, het kon geen kwaad om Alexander nog een tijdje in het ongewisse te laten.
“Kent u die teksten van Tacitus?” vroeg Alexander opeens.
“Ik heb erover gehoord,” antwoordde Athanasius ontwijkend.
“Hebt u er voldoende over gehoord om te kunnen beoordelen of die teksten een gevaar vormen?”
“Dat is moeilijk te zeggen.” Athanasius keek Alexander even aan met de meest neutrale blik die hij in huis had. “Het hangt uiteindelijk af van de spreker, denkt u niet? Is Socrates aan het woord, of Protagoras?”
“Ik begrijp uw punt. Laten wij hopen op de eerste, de laatste is een afgezant van Satan, en ondanks diens uiteindelijk verloren positie, is hij een tegenstander van formaat, waar niet mee te spotten valt.” Ik zou eerder verkiezen met de laatste dan de eerste te onderhandelen, dacht Athanasius.
Om 7 uur in de ochtend, op de 20ste van de maand mei in het jaar 325 onzes Heren, kwam het Concilie voor het eerst bijeen in het keizerlijk paleis van de ‘Grote’ Constantijn, aan de rand van de stad. Athanasius telde exact 273 deelnemende leden aan de vergadering; de keizer, die het Concilie zou voorzitten, Alexander en hijzelf meegerekend. Hij vond dit een geruststellend aantal, hoewel hij niet precies wist waarom. Keizer Constantijn zat aan het hoofd van een gigantische cirkel priesters, bisschoppen, geleerden en wijzen. Tolken zaten op hun knieën naast diverse leden, bediendes stonden aan de rand van de enorme zaal opgesteld, om op iedere wenk onmiddellijk te kunnen reageren, hetzij met drank, fruit, voedsel of andere versnaperingen, dan wel om bepaalde berichten rond te kunnen sturen. Er zou een hoop geregeld en bekonkeld worden. Iedereen wist wat er op het spel stond, maar voorlopig had men verkozen alleen in bedekte termen de problemen en twistpunten te benoemen. Maar dat was slechts een kwestie van tijd, dacht Athanasius met een zelfingenomen glimlach rond zijn lippen.
De keizer nam het woord, hij vatte samen wat de bedoeling was van het Concilie, zonder het beestje nu al direct bij de naam te noemen. Iedereen wist dat het over de opvattingen van Arius zou gaan, maar men betrok zijn posities en wachtte af. Na de inleiding, die op de kop af 33 minuten duurde, Athanasius had de minuten geteld, kwam de keizer met de lijst van sprekers; hij noemde ze naam voor naam. Die lijst was er slechts voor de vorm. De eerste spreker zou Arius zijn, de rest was in feite bijzaak.
Arius noemde het beest meteen bij de naam. Hij was bepaald niet bang uitgevallen, en stond pal achter zijn overtuigingen en idealen. Hij vatte de controverse helder samen: “Het gaat hier, en nu, om de standvastigheid, de essentie en uiteindelijk om de duurzaamheid van ons geloof, en daarmee om de eeuwigheid daarvan; het gaat over het fundament van onze lieve Heer, de Zoon van God, onze Verlosser: Jezus van Nazareth. En om dit fundament te begrijpen moeten we God Zelf begrijpen, wat een onmogelijkheid is. Maar uit dit niet-begrijpen kunnen wij de essentie van de Zoon wel begrijpen.”
Hier zweeg Arius enige tijd, terwijl hij de halve cirkel met priesters rustig rondkeek om uiteindelijk te eindigen bij de keizer. Deze gaf met een handgebaar aan dat hij verder kon gaan.
“God Zelf is, zoals hij werkelijk is, op geen enkele manier in woorden te vatten. Hij heeft geen gelijke, evenmin iemand die vergelijkbaar is (homoios). Wij noemen Hem ‘ongeschapen’, in tegenstelling tot Diegene Die door de natuur is geschapen. […] Hij die zonder begin is, schiep middels de Zoon een begin aan de geschapen dingen. Hij creërde Hem als een Zoon voor Hemzelf, door Hem te scheppen. De Zoon heeft geen van de bijzondere eigenschappen van Gods eigen wezen. Want de Zoon is niet gelijk aan, noch van het gelijke wezen (homoousios) als zijn Vader. God is wijs, want Hijzelf is de leraar van de wijsheid.” Weer pauzeerde Arius, om zijn woorden beter te laten doordringen. Hij wenkte een bediende, om hem een beker water aan te reiken. Constantijn gebaarde andermaal, Arius nam een paar slokken, en vervolgde met kalme stem zijn betoog:
“Er is voldoende bewijs dat God onzichtbaar is voor allen. Onzichtbaar voor zowel de dingen die gemaakt zijn door middel van de Zoon, als voor de Zoon zelf. Ik zal in het bijzonder verklaren hoe de onzichtbaarheid wordt gezien door de Zoon: Door de macht waardoor God in staat is alles te zien, volgens Zijn eigen maatstaf, zo kan de Zoon het verdragen Zijn Vader te zien; zoals is bepaald. […] De Vader is in Zijn wezen (ousia) een vreemde voor zijn Zoon, aangezien Hij bestaat zonder begin. Hieruit volgt rechtstreeks dat, toen de Zoon niet bestond, de Vader nog steeds God was. Daarom ontstond de Zoon, niet eeuwig-zijnde, door de wil des Vaders. […] Wijsheid werd wijsheid door de wil van de Wijze Vader. […] Hij Die voortreffelijk is, is in staat om iemand gelijk aan de Zoon te scheppen, maar niet iemand van groter belang, of superioriteit, of ontzaglijkheid. Door Gods wil heeft de Zoon de grootsheid en eigenschappen die Hij heeft. Zijn bestaan van wanneer, van wie en van toen, is van God. Hij, hoewel een sterke God, prijst deels zijn Hogere.
Tenslotte: God is onzegbaar voor de Zoon, aangezien Hij in Zichzelf is wat Hij is; dat wil zeggen: onbeschrijfelijk. Om die reden heeft de Zoon geen weet van elk van deze dingen, noch het vermogen deze te verklaren. Want het is Hem onmogelijk de Vader, die bij Zichzelve is, te peilen. Want de Zoon Zelf begrijpt zelfs niet Zijn eigen essentie (ousia), aangezien Zijn essentie is overgeleverd aan de wil van de Vader. […] Wat een begin heeft is niet in staat het bestaan van wat geen begin heeft te begrijpen.”
Na deze woorden knikte Arius de vergadering toe, ten teken dat zijn eerste oratie ten einde was. Er ontstond meteen een heftig tumult. Om de consternatie tot bedaren te brengen verhief Constantijn zich van zijn zetel, en hief zijn armen op. Het gekrakeel verstomde onmiddellijk. De keizer beval een pauze van een uur, en verliet de grote zaal.
“Hij heeft zijn sterkste punt nog niet gemaakt,” zei Athanasius. Hij was met Alexander naar een afgelegen plek in de reusachtige paleistuin gelopen, om ongehinderd van gedachten te kunnen wisselen.
“U doelt op het feit dat God onzichtbaar is, en zijn Zoon zichtbaar.” Alexander keek een tijdje peinzend voor zich uit.
“Wat nu?” vroeg Athanasius.
“Zolang een hond slaapt bijt hij niet.”
“Maar deze blaft al wel.”
“Zonder te bijten, maar wij moeten op onze hoede zijn.” Alexander legde opeens zijn arm op de schouder van Athanasius. “Op dit moment lijkt hij nog niet te beschikken over een meerderheid achter zijn standpunten, maar dit kan zomaar veranderen.”
Athanasius voelde de bezorgheid van zijn metgezel, maar was niet gecharmeerd van diens familiaire armgebaar. Hij wilde eigenlijk niet reageren, maar deed het toch. Hij draaide zich naar Alexander toe, waardoor deze de arm van zijn schouder moest halen, en zei: “Maar wat is uw plan, gaat u het punt van de zichtbaarheid aanroeren, of wacht u af?” Een overbodige vraag uit noodzaak, dacht hij.
“Ik wacht af, uiteraard.” Alexander leek zijn arm weer in de richting van Athanasius te bewegen, maar zag daar toen van af. “De vijgen worden geplukt als ze rijp zijn,” voegde hij er tenslotte aan toe. Beiden liepen weer terug naar het paleis.
Alexander kreeg het woord van Constantijn. Op deze eerste dag zouden er geen directe debatten gevoerd worden, er was alleen ruimte om de verschillende standpunten te verwoorden. Nadat hij eerst een uitvoerige samenvatting had gegeven van Arius’ standpunten, begon hij van leer te trekken.
“Nu Arius, met in zijn kielzog zijn schaamteloze aanhangers,” — hier keek Alexander in de richting van de groep priesters die zich om Arius heen had geschaard — “zijn beschuldigingen heeft verwoord, wordt het tijd voor een weerwoord, dat, zo is mijn diepste overtuiging, uiteindelijk zal moeten leiden naar hun uitbanning uit onze Heilige Kerk.” Alexander nam de tijd om het gewicht van zijn woorden door te laten dringen.
Het was Athanasius opgevallen dat Alexander het woord ‘beschuldigingen’ had gebruikt, wat in zekere zin een karikatuur was van de opvattingen en argumenten van Arius, die had niemand van iets beschuldigd; het leek hem gedurfd, want het was in feite een confrontatie. Dat was niet bepaald ‘afwachten’. Zou Alexander zich door emoties hebben laten overmeesteren, of erger nog, was hij wellicht in paniek? Na een teken van Constantijn had Alexander zijn betoog vervolgd, en andermaal gebruikte hij het woord ‘beschuldigingen’, misschien volgde Alexander toch een bewust plan.
“Wie heeft deze beschuldigingen ooit eerder gehoord? Dat verlangen om leugenachtigheid met waarheid te vermengen, en ongodvruchtigheid met vroomheid. Maar zij zullen hier niet toe in staat blijken, zomin als er samensmelting van licht met duisternis bestaat, of een vereniging van Christus met Belial. Wie, die de woorden van Johannes heeft gehoord: ‘In den beginnen was het Woord’, zal zich niet keren tegen diegenen die verklaren dat ‘er een tijd was waar Hij niet was’?”
Er klonk instemmend gemompel, maar ook geluiden van protest. Constantijn hief bezwerend zijn handen op, en gebaarde Alexander zijn betoog te vervolgen.
“Hoe kan Hij een van de dingen zijn die door Hemzelf zijn gemaakt? Of: hoe kan Hij, zoals het Evangelie luidt, ‘de Enig-verwekte’ zijn, wanneer hij, volgens hen,” — Alexander wees in de richting van Arius en zijn gevolg — “Hij beschouwd wordt als ‘een van de rest’, aangezien Hij Zelf een ‘schepsel’ en een ‘werk’ is? En hoe kan Hij ‘gemaakt zijn uit dingen die niet waren’ wanneer de Vader zei: ‘Mijn hart heeft een goed Woord uitgesproken’, en, ‘Uit de moederschoot heb Ik U geschapen voor de Morgenster?’ En nogmaals, hoe kan Hij ‘ongelijk van substantie zijn aan zijn Vader’, terwijl wij hem tegelijkertijd het volmaakte ‘beeld’ en ‘licht’ noemen van de Vader, en dat Hij zei: ‘Hij die mij gezien heeft, heeft mijn Vader gezien’?”
Hier schuurde Alexander dicht langs het gevaarlijke punt dat Arius nog zou kunnen maken, wat hij zeer vermoedelijk ook nog zou doen, als het moment daar rijp voor was. Hij zag dat Alexander hem even aankeek, waaruit hij afleidde dat deze zich hiervan bewust was. De directe discussies zouden pas een week later komen, dus er was nu geen onmiddellijk gevaar, maar het was wel een signaal aan Arius dat hij wist wat er op enig moment komen ging.
Alexander was intussen weer verder gegaan: “Als de Zoon de ‘Wereld’ is, en ‘Wijsheid’, of God, hoe is het dan mogelijk dat er ooit een tijd was ‘dat Hij niet bestond’? Dat is hetzelfde als beweren dat God ooit zonder Woord en zonder Wijsheid was.”
Wederom zowel instemmend als afkeurend gemompel. De keizer gebaarde.
“En hoe kan Hij ‘onderworpen zijn aan verandering en verscheidenheid’ wanneer Hijzelf zegt: ‘Ik ben in de Vader, en de Vader is in Mij’, en ‘Ik en mijn Vader zijn Eén’; en via de Profeet: ‘Zie Mij aan, want Ik ben onveranderlijk’? Zoals de Apostel heeft gezegd: ‘Jezus Christus is Eén en Dezelfde als gisteren, vandaag en voor eeuwig’. En hoe is men ervan overtuigd geraakt te beweren dat Hij voor ons geschapen is, waar Paulus schrijft: ‘Voor Wie zijn alle dingen, en door Wie zijn alle dingen?’”
Hij nam een slok water (of zou hij al aan het bier zijn, vroeg Athanasius zich af), knikte naar de keizer, en ging verder met zijn betoog.
“Wat betreft hun godslasterlijke opstelling dat ‘de Zoon zijn Vader niet volmaakt kent,’ daar hoeven wij ons niet om te bekommeren. Vanaf het moment dat zij zich hebben opgesteld in een gevecht tegen Christus, weerspreken zij zelfs Zijn uitdrukkelijke woorden, aangezien Hij zegt: ‘Zoals de Vader van Mij weet heeft, zo heb Ik weet van Mijn Vader.’ Welnu, in het geval dat de Vader de Zoon slechts ten dele kent, zal de Zoon zijn Vader evenmin volmaakt kennen; maar wanneer dit niet een rechtmatige uitspraak is, en de Vader zijn Zoon op volmaakte wijze kent, dan is het onmiskenbaar dat, omdat de Vader Zijn eigen Woord kent, het Woord ook Zijn eigen Vader kent, Wiens Woord Hij is.” Er klonk wederom geraas uit de zaal. Alexander hief zijn handen op, en zei met een lichte stemverheffing: “Ik kom nu toe aan mijn afronding, geef mij de ruimte hiervoor, alstublieft!”
Toen het geroezemoes verstomd was begon hij aan zijn conclusie: “Op al onze tegenargumenten reageerden zij als kameleons, met nieuwe argumenten en formuleringen. […] Er zijn vele ketters voor hen geweest, die, een groter risico nemend dan waar zij tegen waren opgewassen, tot dwaasheid vervallen zijn. Maar, deze lieden die in hun bekrompen, onhoudbare bezwaren de Heiligheid van het Schrift bevechten, hebben daarmee die andere vergelijking met zichzelf gerechtvaardigd, namelijk het naderen van de Antichrist.”
De Antichrist, kon Athanasius niet nalaten te mompelen. Hij keek om zich heen, maar niemand die op hem lette.
“Daarom zijn zij geëxcommuniceerd en verbannen uit de Kerk. Wij rouwen om hun verlies, in het bijzonder omdat zij, ooit onderwezen in de leer van de Kerk, nu afgedwaald zijn. Dat is niet voor het eerst, Judas volgde ooit de Messias, naar naderhand werd hij een verrader en afvallige. En wat betreft dergelijke lieden, wij zijn hier niet zonder voorschriften, want onze Verlosser heeft ons gewaarschuwd: ‘Hoed u voor een ieder die u misleidt: want velen zullen komen in Mijn naam, zeggende: Ik ben de Christus, en de tijd dringt, en zij zullen velen misleiden, volgt hen niet!’; waar Paulus, die is opgeleid in deze zaken door de Messias, schreef: ‘In de laatste dagen zullen sommigen vallen van het ware geloof, misleid door de verleidelijke geesten en doctrines van duivels, die de waarheid geweld aandoen.’” Toen hij deze laatste woorden uitsprak had hij zijn blik op Arius gericht, maar deze had hem ontweken. Daarna knikte hij naar Constantijn, en begaf zich naar zijn zetel.
De keizer sloot de vergadering. Vanaf twaalf uur ’s middags zouden andere sprekers het woord voeren.
Alexander en Athanasius liepen door de tuin. Ze bespraken wat er gezegd was, probeerden in te schatten hoe er vanuit de verschillende kampen op gereageerd was, en kwamen tot de conclusie dat er zich nog niet al te veel verschuivingen hadden voorgedaan. Ongeveer een honderdtal priesters was op de hand van Arius, een gelijk aantal op die van Alexander; een kleiner deel van de vergadering leek nog geen standpunt te hebben ingenomen. De verwachting was dat dit de rest van de week ook niet zou gebeuren, Arius en Alexander waren de voornaamste tegenstrevers, de rest volgde de een of de ander.
“Wanneer Arius echter met zijn punt van de zichtbaarheid van Jezus komt, dan gaat de balans doorslaan, vermoedelijk in de verkeerde richting,” zei Alexander somber.
“Zover is het nog niet,” merkte Athanasius monter op. En zal het ook niet komen, dacht hij er in stilte achteraan. Hij had plannen. Hij moest ze nog in detail uitwerken, maar hij had zich goed voorbereid.
De rest van de dag, en ook de dagen erna, verliepen zoals Alexander had aangegeven. De nieuwe sprekers voegde niets nieuws toe, de standpunten werden in feite alleen maar herhaald en herhaald.
Een week later kondigde Constantijn de nieuwe fase in het Concilie aan: de sprekers zouden bij toerbeurt in paren een twistgesprek houden. Dit zou tot levendige discussies leiden, zo was de verwachting, en de keizer zou zijn handen vol hebben om de vergadering niet te laten ontsporen in een heftige, allesvernietigende chaos. Hij had geen voorkeur voor een van beide richtingen, maar wilde wel dat alles tot een bindende conclusie zou leiden. Er moest één, onverdeelde Kerk komen.
Op 27 mei, om 7 uur in de ochtend, nam keizer Constantijn het woord. Hij vatte het belangrijkste geschilpunt samen, over de essentie van de Zoon: was de Zoon van een ongelijke substantie (heteroousios) dan Zijn Vader, met andere woorden, was Hij door Zijn Vader geschapen — de positie van Arius; of was Hij van gelijke substantie (homoousios), en daarmee niet geschapen door Zijn Vader, maar net als Zijn Vader eeuwig-zijnde — de positie van Alexander. De keizer had aangegeven dat de beide opponenten als eerste de degens zouden kruisen. Het dispuut zou als volgt beginnen: de ene rivaal zou het thema van de discussie bepalen, de opposant kreeg dan als eerste het woord. Het gekozen thema was het onderwerp van de ochtend. In de middag zou de andere opponent het thema bepalen en zijn rivaal kreeg dan het eerste woord. Het lot had bepaald dat Alexander het onderwerp van de ochtend mocht bepalen, hij koos voor het thema van de ‘voortreffelijkheid’ (aretē). Overigens had Athanasius het lot een handje geholpen. Hij was benoemd tot de arbiter die de verantwoordelijkheid had over de procedure van het lot. Alexander had de procedure de dag ervoor aan Constantijn voorgesteld, en deze had dit voorstel overgenomen. Alexander had naar een manier gezocht om ervoor te zorgen dat hij als eerste het thema mocht kiezen, dat leek hem van strategisch belang. Hij wilde niet meteen met het thema van de zichtbaarheid van de Zoon geconfronteerd worden. De discussie over de deugd, virtus, het Latijnse woord voor ‘voortreffelijkheid’, zou hem argumenten kunnen geven voor het thema van die andere discussie. Athanasius had gezegd dat hij dit kon laten gebeuren.
De procedure ging als volgt: Athanasius deed twee glazen kogels in een donkerblauwe, fluwelen zak; de ene kogel was wit, de andere zwart. Hij hield de beide kogels boven zijn hoofd, zodat ze goed zichtbaar waren voor de hele vergadering, en stopte ze daarna met een demonstratief gebaar in de zak. Hij schudde de zak, zodat iedereen de kogels kon horen rollen. De keizer zou een kogel uit de zak pakken, waarbij hij dus niet kon zien welke van de twee het was; wanneer hij de witte kogel zou pakken moest Alexander als eerste het thema bepalen, en als hij de zwarte zou pakken, dan was de eer aan Arius. Constantijn stopte zijn hand in de zak, roerde de kogels nog even door elkaar, waarbij hij met een zalvende glimlach de vergadering rondkeek, en haalde toen de witte kogel tevoorschijn. Hij wees Alexander aan als eerste themabepaler, en gaf de zak terug aan Athanasius. Deze haalde de andere kogel uit de zak, die zwart bleek te zijn, om aan te geven dat de lotbepaling eerlijk verlopen was. Dit was uiteraard in het geheel niet het geval, Athanasius had een contructie bedacht voor de zak, er zaten drie kogels in, twee witte en één zwarte. Op het moment dat de keizer zijn hand in de zak deed, waren alleen de witte kogels voor hem bereikbaar, de zwarte zat diep verstopt, onbeweeglijk vast in de voering. Toen Athanasius de zogenaamd resterende zwarte kogel tevoorschijn haalde, had hij de witte en de zwarte in de zak verwisseld. Hij was een groot deel van de nacht bezig geweest met de constructie en het vervaardigen van de zak.
Arius stak van wal: “Ik sta voor een gezonde overweging, zowel wat betreft het Goddelijk leven, als hoe wij ons het best verhouden tot Gods voorzienigheid, en van daaruit hoe om te gaan met menselijke en politieke zaken, en hoe de mensen op dit vlak te onderrichten.”
“Dus, als ik het goed begrijp,” onderbrak Alexander hem, “doelt u op de vaardigheid van het burgerschap, met de belofte ons goede dienaars van God te maken, en ook goede mensen; en dat dit dus inhoudt dat u van mening bent dat de deugd onderwezen kan worden?”
“Dat is precies wat ik beweer.”
“Welnu, dat is dan een bewonderenswaardige vaardigheid die u hebt ontwikkeld, als u dit inderdaad heeft gedaan. Maar, Arius, ik zal u niets anders zeggen dan wat ik meen; en de waarheid gebied mij te zeggen dat ik nooit van mening ben geweest dat de deugd te leren is. Ik merk op dat bijeenkomend in een vergadering, waar de keizer bepaald heeft een paleis te bouwen, wij dan vervolgens bouwmeesters verordoneren voor advies; hetzelfde met schepen, wij vragen scheepvaartdeskundigen; enzovoorts, voor alles wat te leren en te onderwijzen is. Maar als wij iemand anders zouden vragen, iemand die geen ambachtsman is, hoe knap, rijk of hooggeboren hij ook is, dan zouden wij hem niet accepteren, wij zouden dat belachelijk vinden. Hetzelfde geldt ten aanzien van ons private leven, priesters en wijzen kunnen hun deugden niet doorgeven aan anderen. Het Werk van God is een Mysterie, en kan niet worden onderwezen aan ons sterfelijke mensen. Maar als u van mening bent dat dit wel het geval is, onthoud ons dan niet uw bewijs hiervan.”
“Uiteraard zal ik u dit bewijs niet onthouden. Laat ik beginnen met een argument in de vorm van een verhaal dat God betreft.” Arius nam een slok water, en begon: “Het is inderdaad zo, Alexander, dat wanneer de mensen de bouwkundige voortreffelijkheid van een bepaald gebouw bespreken, of de deugd voor eender welke beroepsmatige specialiteit, zij de mening toegedaan zijn om slechts een handvol deskundigen voor advies te vragen, en met goede gronden. Dat punt hebt u uitstekend uiteengezet.” Arius knikte even. “Maar, hoe zit het met schaamte, gerechtigheid en vriendschap, hoe moeten die verdeeld worden over de mensheid? Op dezelfde wijze als bij de ambachten, of moeten zij aan een ieder gegeven worden? ‘Aan allen,’ zei God, ‘en laat iedereen een deel krijgen. Want gemeenschappen zullen nimmer tot stand komen als alleen een enkeling deze eigenschappen bezit, zoals wel het geval is met de vaardigheden en talenten. En de volgende wet zal gelden: Dood aan hem die niet kan deelnemen aan de schaamte en de gerechtigheid, want hij is een pest voor mijn koninkrijk.’ […]”
“Welnu, wat betreft andere probleem, over goede mensen die hun zoons in van alles onderwijzen wat mogelijk is, zonder hen beter te maken dan enig ander in een bepaalde deugd waar zij zelf in uitmunten. Zie het als volgt: Bestaat er, of bestaat er niet, één ding dat alle mensen zouden moeten bezitten om tot een gemeenschap te komen? Hier, en nergens anders, ligt de oplossing voor uw probleem.” Arius keek Alexander enkele ogenblikken aan, maar deze beantwoordde zijn blik niet, maar leek peinzend naar zijn sandalen te kijken, terwijl hij met zijn vingers in zijn haren krabde.
“Want als een dergelijk ding bestaat,” vervolgde Arius, “en dit ene ding is niet een of andere vaardigheid, maar in plaats daarvan gerechtigheid, evenwichtigheid en vroomheid, dus wat ik alles bij elkaar de deugd van de mens zou willen noemen, en als dit is wat ieder mens zou moeten delen, en volgens welke ieder mens zou moeten handelen — als dit het geval is, en goede ouders onderwijzen hun kinderen in alles behalve dit, dan zouden wij vreemd opkijken over het merkwaardige gedrag van de zogenaamde goede mensen.”
Nu keek Alexander Arius wel aan. “Welnu, Arius, dan heb ik nog een kleinigheid nodig, en daarna is het punt voor u. U zegt dat de deugd te onderwijzen is, en als er één iemand is die mij hiertoe kan overhalen, dan bent u dat. Er is echter één ding dat mij blijft bezig houden. U zei dat God ons mensen gerechtigheid en een gevoel voor schaamte gezonden heeft. U zei ook dat gerechtigheid, evenwichtigheid en vroomheid op een of andere wijze gezamenlijk één ding vormen: de deugd. Kunt u op dit punt misschien iets preciezer zijn? Is deugd één enkelvoudig ding, met gerechtigheid, evenwichtigheid en vroomheid als onderdelen, of zijn al deze dingen de naam voor één afzonderlijke entiteit?”
“Die vraag is eenvoudig te beantwoorden, Alexander, deugd is één afzonderlijke entiteit, en de zaken waar u naar vroeg zijn daar de onderdelen van.”
“Maar vertel mij dan het volgende: hebben de sommige mensen een bepaald deel en andere mensen een ander, of moet je noodzakelijkerwijs alle delen in gelijke mate hebben?”
“Zeker niet! Want sommige mensen zijn moedig, maar onrechtvaardig, en anderen rechtvaardig, maar onwijs.”
“Dus wijsheid en moed zijn eveneens onderdeel van de deugd?”
“Zeer zeker, en wijsheid is de belangrijkste.”
“En alle zijn verschillend van de andere?”
“Ja.” Arius knikte vastberaden.
“Dan is geen van de andere aspecten van de deugd, zoals kennis, gelijk aan gerechtigheid, of aan moed, aan evenwichtigheid of vroomheid?”
“Inderdaad.”
“Als dit waar is, Arius, dan wat is dan ons antwoord op de volgende vraag: Is vroomheid het soort ding dat goed is, en is gerechtigheid niet het soort ding dat vroom is? Of is het juist niet vroom?”
“Dat is niet helemaal duidelijk voor mij, Alexander, als u wilt dan noemen we gerechtigheid vroom, en vroomheid goed.”
Alexander trok een bedenkelijk gezicht. “Doe mij dit niet aan!” zei hij op verontwaardigde toon. “Ik heb geen enkele boodschap aan ‘als u wilt’ of ‘als het u schikt’. Ik probeer u en mijzelf op één lijn te krijgen, en ik meen dat we de argumentatie het beste op de proef stellen door het ‘als’ eruit te laten.”
“Goed dan,” reageerde Arius gelaten, “Gerechtigheid heeft enige overeenkomsten met vroomheid. Alles heeft op enige wijze overeenkomsten met elkaar. Er is een bepaalde manier waarop wit lijkt op zwart, of hard op zacht. Maar het zou niet terecht zijn dingen die op een bepaalde wijze op elkaar lijken, gelijk te noemen, of als ze op een bepaalde manier juist niet op elkaar lijken, ongelijk.”
“Welnu, aangezien u hierover geërgerd lijkt, laten wij dan een ander punt dat u opwierp bekijken. Bent u het met mij eens dat er zoiets is als dwaasheid?”
“Ja.”
“En dat het diametraal tegengesteld is aan wijsheid?”
“Dat lijkt mij inderdaad zo.”
Athanasius kende de lijst die nu ging komen, zijn gedachten dwaalden af — ik zit hier mijn tijd te verdoen, dacht hij, maar ja, ik heb tijd in overvloed, wat is dan het probleem? Alexander was inderdaad een lijst van tegengestelde eigenschappen aan het afwerken: ‘schoonheid’ en ‘lelijkheid, ‘goedheid’ en ‘slechtheid’, ‘dwaasheid’ en ‘evenwichtigheid’, waarna hij vaststelde dat elk ding slechts één tegengestelde had. Arius kon zich hier in vinden. Maar toen kwam de aap uit de mouw:
“Als dwaasheid het tegenovergestelde is van gematigdheid, en dwaasheid is eveneens tegengesteld aan wijsheid, welke van de twee proposities moeten we dan laten vallen, Arius? Want de twee uitspraken zijn niet met elkaar in overeenkomst.”
“Hmm…” Arius keek nors naar zijn schoenen.
“Behalve als wijsheid en gematigdheid één en hetzelfde ding zijn. Zoals het een tijdje terug leek dat gerechtigheid en vroomheid bijna gelijke eigenschappen waren. We zijn iets op het spoor, Arius, laten we niet verzaken en dit nog verder uitzoeken.”
“Dat is goed.” Athanasius zag aan het gezicht van Arius dat hij het allemaal best vond. Hij vroeg zich af of Alexander zich niet in zijn eigen vingers aan het snijden was. Maar de tijd heelt alle wonden, dacht hij, terwijl er zich een flauw glimlachje om zijn mond vormdde.
Alexander volgde nog steeds zijn plan. Hij besprak nogmaals een aantal tegenstellingen, maar nu gericht op de kwalificaties ‘goed’ en ‘slecht’; over plezier in het leven dat als goed wordt ervaren, en pijn als slecht. Na wat over en weer gediscussieer maakte Arius een kanttekening bij de kwalificatie ‘goed’ voor plezierige dingen in het leven: “Dat is waar, zolang het gaat om eerbare zaken.”
“Hoe nu, Arius? U zult toch zeker niet sommige plezierige ding slecht noemen, en sommige pijnlijke dingen goed?”
“Ik weet het niet, Alexander, hoe ik de zaken zou moeten becommentariëren, wanneer u deze zo simpel neerlegt in de stelling dat alles wat plezierig is goed is, en alles wat pijnlijk slecht. Het lijkt mij dat er plezierige dingen bestaan die niet goed zijn, en ook pijnlijke dingen die niet slecht zijn, maar eerder iets als een derde klasse, die neutraal is, goed noch slecht. Zoals u net zei, Alexander, laten wij dit verder uitzoeken.”
Alexander knikte, en zei: “Als wij, bijvoorbeeld, ons laten overspoelen door plezierige zaken, zoals lekker eten, drinken en seks, en we geven ons hier aan over in de wetenschap dat zij ons in het verderf kunnen storten, in welke mate noemen wij deze plezierige zaken verderfelijk? Heeft dit te maken met het feit dat elk van hen is plezierig in zichzelf, en dat zij een onmiddellijk genot veroorzaken, of komt het omdat zij na verloop van tijd leiden tot ziektes, armoede en andere pijnlijke zaken? Dat derhalve slechte dingen slecht zijn, niet vanwege het eerste, onmiddellijke genot, maar vanwege de consequenties later.”
Arius knikte instemmend: “Ja, inderdaad.”
“Maar dan, stel wij vragen ons het tegenovergestelde af: Zij die menen dat sommige pijnlijke zaken goed zijn, bedoelen zij dan niet dat deze zaken, zoals het afmatten van het lichaam door atleten en bij militaire training, en bepaalde handelingen van artsen, zoals chirurchische behandelingen, aderlaten, en strenge dieëten, goed zijn, ondanks de pijn?”
Wederom knikte Arius.
“Dan zijn deze dingen uiteindelijk goed, omdat zij leiden tot opheffing en vermijden van pijn?”
Athanasius zag hoe Arius geleidelijk aan overtuigd raakte van de bewijsvoering van Alexander. Maar hij was er nog steeds niet van overtuigd hoe dit uiteindelijk Alexanders positie in de hele kwestie zou versterken.
Alexander ging intussen onverdroten door: “Het is niet eenvoudig aan te geven wat wij precies bedoelen met ‘overweldigd worden door genot’. Maar als we niet in staat zijn iets anders te zeggen dan dat het goede en slechte leiden tot plezier en pijn, dan stel ik het volgende voor: Als we de voorgaande stelling zouden aanhouden, dan zal onze positie absurd blijken; wanneer wij zeggen dat iemand, wetende dat het slechte slecht is desalniettemin precies dit slechte doet, terwijl hij gedreven en overweldigd wordt door genot. We kunnen deze absurditeit echter vermijden door niet al die termen door elkaar te gebruiken, ‘plezier’ en ‘pijnlijk’, ‘goed’ en ‘slecht’; aangezien zij alle slechts twee dingen behelzen: het ‘goede’ en het ‘slechte’.”
“Goed dan, Alexander, laten wij dan stellen dat iemand die begrijpt dat slechte dingen slecht zijn, en ze desalniettemin toch doet — de vraag is dan: waarom?”
“Omdat hij overspoeld is.”
“Door wat?”
“Dan moeten wij in plaats van ‘door het genot’ zeggen ‘door het goede’. Dit kan het enige antwoord zijn. ‘Overspoeld worden door het genot’ betekent dan zonneklaar dat men het grotere kwaad krijgt voor het mindere goed.”
“Laten wij dan teruggaan naar de termen ‘plezierig’ en ‘pijnlijk’,” stelde Arius voor. “Men zou kunnen stellen: het onmiddellijke plezier verschilt aanzienlijk van het plezier en het pijnlijke op een later moment.”
“Precies!” Alexander knikte geestdriftig. “Een goede manier om een en ander duidelijk te maken is de analogie van het wegen.”
Arius leek geboeid te luisteren naar Alexanders redenatie. Athanasius kon zijn blik niet goed peilen.
“Wanneer je alle plezieren en alle pijnen bij elkaar neemt,” hernam Alexander zijn betoog, “zowel de directe als de latere, en je weegt ze af op een balans, dan kun je aflezen welk van de twee het grootst is. Wanneer je het grotere plezier tegen het kleinere afweegt, of de grotere pijn tegen de kleinere, dan moet je bij het plezier altijd voor het grootste kiezen, en bij de pijn voor het kleinste. En wanneer je het plezierige tegen het pijnlijke afweegt, en het pijnlijke heeft een groter gewicht — zowel aangaande het directe als het indirecte of latere — dan dient men te kiezen voor het plezierige. Andersom, als het plezierige wordt overtroffen door het pijnlijke, dient men het plezier af te wijzen.”
“Dan komt het dus aan op de techniek van het wegen,” stemde Arius in.
“En aangezien het de kunst van het wegen betreft, betreft het beslist een techniek en daarmee dus kennis.”
“Dat kan niet anders,” zei Arius beslist.
“Dan zijn wij het eens dat diegenen die een fout maken in de afweging tussen plezier en pijn, met andere woorden tussen goed en kwaad, dit doen vanwege een gebrek aan kennis, en dus onwetendheid. Aldus kunnen wij vaststellen dat ‘het worden overspoeld door genot’ in feite is: de onwetendheid in de hoogste graad.”
Arius keek Alexander aan met een uitdrukking die een hernieuwd inzicht leek te articuleren. Athanasius bekeek hem met een nieuwsgierige blik, enerzijds verrast, maar anderzijds ook bezorgd. Het was voor hem onduidelijk of de positie van Alexander sterker of juist zwakker was geworden.
“Het lijkt mij dat onze discussie zich tegen ons heeft gekeerd.” Arius keek Alexander nu recht in de ogen; deze ontweek zijn blik niet. “Alexander, eerder betoogde u dat de deugd niet onderwezen kan worden. Maar nu beweert u precies het tegenovergestelde, omdat u probeerde aan te tonen dat dit alles een vorm van kennis is — gerechtigheid, evenwichtigheid, vroomheid — wat erop zou duiden dat de deugd uitstekend te onderwijzen is.”
“Aan de andere kant,” reageerde Alexander, “als de deugd alles behalve de kennis behelst, zoals u, Arius, bleef volhouden te beweren, dan kan de deugd in het geheel niet onderwezen worden. Het lijkt mij dat wij op een later tijdstip hier nader onderzoek naar zouden moeten doen. Het onderwerp is van een te fundamenteel niveau om over te laten aan de onwetenden en ongeletterden.”
Arius maakte van de gelegenheid gebruik een afsluitend slotwoord te doen, hij maakte een respectvol armgebaar in de richting van zijn opponent, en zei: “Alexander, ik prijs uw enthousiasme, en de wijze waarop u uw argumentatie weet te presenteren. Ik besef dat wij op essentiële onderdelen van onze zienswijzen van mening verschillen, maar ik zeg u: ik ben een oprechte dienaar Gods. Ik bewonder u meer dan enig ander, en ik respecteer uw opvattingen.”
Hiermee eindigde het eerste dispuut. Constantijn sloot de vergadering af, met de aankondiging dat het tweede deel van dit dispuut om twee uur zou aanvangen. Hierna ging een ieder zijns weegs.
Alexander en Athanasius besloten een lange wandeling langs de kust te maken, de stad uit, om zo rustig en ongestoord de gang van zaken te kunnen bespreken, zonder het bijzijn van mogelijk ongewenste oren.
Beide mannen liepen langs het meer, enkele kilometers buiten de stad. Er waren geen andere wandelaars, ze konden vrijuit spreken. Athanasius gaf blijk van zijn ongerustheid over de actuele positie van Alexander. Hij had zijn bezorgdheid geuit en Alexander onomwonden gevraagd of deze de uitkomst van dit eerste deel van het dispuut een wenselijke vond. “Immers, wanneer de afweging tussen het goede en het kwade een kwestie is van techniek en kennis, dan versterkt dat de positie van Arius over de essentie van de Zoon. Onze Heilige Belijdenis verwordt hierdoor tot mensenwerk.”
“Dat was een afweging die ik moest maken,” had Alexander geantwoord. “Tegenover dit nadeel stond een groter voordeel: ik heb Arius gedwongen zijn standpunt over de deugd diametraal te herzien. Dat is behalve een psychologisch voordeel ook een debat-technisch voordeel: hij is tot het besef gekomen dat zijn standpunten niet onwrikbaar zijn.”
“Dat geldt dan ook voor u!”
“Maar de zogenaamde omkering van mijn opvatting over de onderwijsbaarheid van de deugd was geregisseerd, die was onderdeel van mijn tactiek; we speelden een spel, dat door mij was bedacht.” Op Alexanders gezicht had zich een triomfantelijke glimlach gevormd.
“U doelt op die tekst van Plato, over Protagoras,” zei Athanasius. “Merkwaardig dat hij niet op de hoogte was van die tekst. Dat was een risico, wat als hij die tekst wel had gekend?”
“Ik heb mijn informanten…” Alexander grijnsde.
“Aha, u wist dat hij die tekst niet kende. Slim gespeeld.” Athanasius meende dat een compliment op zijn tijd geen kwaad kon. Maar hij bedacht ook dat hij beter moest opletten, hij mocht Alexander niet onderschatten, de man was geslepener dan hij dacht.
Ze liepen een tijd lang zwijgend verder, totdat ze op een plek kwamen met een fraai uitzicht over het meer. Ze zetten zich neer op de stam van een omgevallen boom en keken uit over het water. Het geluid van het kabbelende water klonk van ver, het gekrijs van de meeuwen van dichtbij. “Arius en zijn handlangers debatteren over de te volgen tactiek,” zei Alexander met een flauwe glimlach, terwijl hij naar boven wees.
“Ik vrees dat de argumentatie van Arius wel van een ander gewicht is,” zei Athanasius ernstig.
“We zullen zien.”
“U lijkt niet erg ongerust.” Athanasius keek even opzij naar Alexander; die bleef over het meer uitkijken.
“U weet uiteraard welk thema hij naar voren gaat brengen,” vervolgde hij.
“Jazeker, dat lijkt mij wel duidelijk,” zei Alexander, nog steeds op kalme toon.
“Ik ben benieuwd naar uw plan,” viste Athanasius. Waarom is hij op dit punt zo weinig spraakzaam, dacht hij, vertrouwt hij mij soms niet?
“U zult het vanzelf merken,” zei Alexander.
Hij weet iets wat ik niet weet, dacht Athanasius. Die informanten van hem, vermoedelijk.
“Het is niet dat ik u niet vertrouw,” vervolgde Alexander, “maar u speelt ook een rol in het spel dat ik ontworpen heb, en daarvoor is het noodzakelijk dat bepaalde zaken op dit moment nog voor u verborgen blijven.” Alexander had zijn hoofd naar Athanasius gewend, en keek hem daarbij ernstig aan.
“Aha, ook ik ben een acteur in een tragedie waarvan ik de tekst niet ken…”
“Uw ironie siert u niet,” merkte Alexander op, “de zaak is daar te ernstig voor.”
Athanasius haalde zijn schouders op en stond op. “Laten we teruggaan.”
Om precies twee uur in de middag opende keizer Constantijn de vergadering voor de tweede maal. Hij legde kort uit wat de gang van zaken was, en gaf Arius het woord om aan te geven over welk thema dit tweede deel van het dispuut gevoerd zou worden. Deze gaf aan dat het thema ‘De zichtbaarheid van de Zoon’ zou zijn. Nu kreeg Alexander het woord voor een eerste reactie.
Alexander richtte zich tot de keizer, en zei: “Ik zie af van het recht op een eerste reactie, ik hoor gaarne van Arius wat hij voor ogen heeft met dit thema.” Hij gaf een knikje naar de keizer, en die gaf met een armgebaar aan dat Arius kon spreken.
Athanasius stond paf. Op de wandeling terug naar het paleis had Alexander nog wel een klein tipje van de sluier opgelicht, via een metafoor: ‘Een beer heeft behalve zijn machtige kaken, gevuld met messcherpe tanden, ook zijn krachtige poten met afgrijswekkende klauwen.’ Waarom zich dan meteen een muilkorf aan laten meten? Heeft hij zoveel vertrouwen in de afloop van dit dispuut? vroeg Athanasius zich verbijsterd af.
Arius was intussen begonnen aan zijn betoog: “Laten wij beginnen bij het begin, bij God, de Vader. Zoals ik bij een eerdere gelegenheid reeds betoogd heb, is God onzichtbaar. Ik meen hier met een gerust hart te kunnen stellen dat de hele vergadering dit met mij eens is.” Hij keek de vergadering even rond; er klonk licht, instemmend gemompel. Een goed begin is het halve werk, dacht Athanasius. Alexander leek zich te verdiepen in een of ander manuscript. Zeker onderdeel van zijn spel, veronderstelde Athanasius.
Arius ging weer verder: “Deze onzichtbaarheid is niet zonder reden; het is niet zoiets als de kleur van een kleed of mantel die de drager kiest, een vorm van smaak, gebaseerd op de waan van de dag. Nee, deze onzichtbaarheid is eigen aan het mysterie van het eeuwige, van het beginloze. Het vormt de essentie van de peilloze wijsheid en almacht van de Vader. Een zichtbare God is een aanraakbare God, een God die de smaak van de mensen representeert; in feite is een dergelijke God een menselijke, al te menselijke God. Een zichtbare God is een beperkte God, een gedefinieerde God, een God die is af te meten. Een God met een bepaalde, specifieke vorm. Maar God heeft geen kenbare vorm, God is onbegrensd en alomvattend. De Heilige Schrift leest in het Boek Exodus niet voor niets: ‘Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.’ Dat is niet, net zomin als dit het geval is voor de hiervoor genoemde onzichtbaarheid van de Vader, vanwege een prozaïsche waan van de dag, of om een verbod op iets in te stellen voor het verbieden als zodanig, nee, het volgt logischerwijze uit het wezen van de Vader, zijn alles overstijgende onbegrensdheid, zowel in tijd als ruimte.”
Arius nam enkele ogenblikken de tijd om het gezegde tot de luisterende vergadering door te laten dringen. Constantijn knikte beleefd, hij vond het wel best, meende Athanasius aan zijn gezichtsuitdrukking te zien. Maar er klonk instemmend gemompel. Nu gebaarde de keizer dat Arius door moest gaan.
“Zoals ik eerder aangaf, ik meen dat er over dit punt geen onenigheid is in deze vergadering.” Hij beheerst zijn retorische technieken voorbeeldig, constateerde Athanasius. “Maar —” ging Arius verder, “Hoe anders is dit met de Zoon.” Nu klonk er zowel instemmend als afkeurend gemompel. De keizer maande tot stilte met enkele armbewegingen. “Maar hoe anders is dit met de Zoon,” herhaalde Arius.
“De Zoon is zichtbaar voor ons, zichtbaar in zijn geboorte als mens, zichtbaar in zijn kruisdood, en zichtbaar in zijn wederopstanding.” Athanasius zag dat Alexander nog steeds geen aanstalten maakte te reageren. “De dood is een afsluiting, een beperking van een leven, zoals de wederopstanding een beperking van de dood bleek te zijn. Heel het leven van onze Verlosser staat in het teken van het aardse leven, en daarmee van de menselijkheid. Dat was nu juist wat God, Zijn Vader, bepaald had!” Arius sprak nu met enige stemverheffing. Er klonk weer rumoer, maar dat verstomde weer nadat de keizer zijn armen ophief. “De zichtbaarheid van de Zoon is net zo onontkoombaar als de onzichtbaarheid van de Vader. Niet een gevolg van een keuze gebaseerd op de waan van de dag, maar een logische consequentie van het Heilige Plan van de Vader. De Zoon moest zichtbaar zijn, om Zijn taak op aarde te kunnen volbrengen. De Zoon reed voor iedereen zichtbaar op een ezel de Heilige Stad binnen. De Zoon hing voor iedereen zichtbaar aan het Kruis. Het bloed dat stroomde uit Zijn hoofdwonden, veroorzaakt door de doornenkroon, was voor iedereen zichtbaar. Het bloed en water dat uit Zijn zijde stroomde, na de steek met de Heilige Lans, was voor iedereen zichtbaar.”
De dramatische toon waarmee Arius zijn betoog ondersteunde miste zijn uitwerking niet. Het rumoer werd nu luider, het kostte de keizer meer tijd om de rust in de vergadering te herstellen. Tegenstanders van Arius schreeuwden leuzen als ‘Hoer van Satan!’ en ‘Goddeloze zoon van Belial!’ Alexander bemoeide zich nergens mee, zo leek het althans voor Athanasius. Hij was benieuwd wanneer Alexander eindelijk zou ingrijpen. Toen Arius zijn betoog weer vervolgde, sprak hij weer op een meer bedaarde toon, hij wisselde de voordracht voorbeeldig af, vond Athanasius bewonderend.
“Op geen enkele wijze wil ik hier de staat van de Zoon beledigen, kleineren, of als minderwaardig afdoen. De Zoon is Heilig! De Zoon is onze Verlosser! De Zoon is de Zoon van God, onze Vader! Hij is een fundamenteel onderdeel van Gods Heilige Plan!” Hij keek uitdagend in de richting van zijn tegenstanders, waarbij het Athanasius opviel dat hij Alexander vermeed. “Hoe is het mogelijk om deze belijdende woorden op te vatten als komend uit de mond van Satan? Een dergelijke beschuldiging is juist des duivels, het is koren op de molen van Belial, het maakt dat deze Heilige vergadering ontheiligd wordt door tweespalt en twist, waardoor onze Heilige opdracht in de kiem gesmoord lijkt te gaan worden. Iets wat volkomen onnodig is.” Hij keek nu Constantijn rechtstreeks aan. Probeert hij nu de keizer tot medestander te bewegen, vroeg Athanasius zich af. Hij beoordeelde de richting waar Arius zich met zijn betoog bewoog een tacische fout. Zijn woorden zweepten zijn tegenstanders juist op, in plaats van dat zij hen de mond snoerden. Kennelijk vond Alexander dit ook, of misschien had hij hier wel op gewacht.
Alexander richtte zich op, gaf een knikje aan de keizer, en keek Arius enkele tellen aan, zonder nog iets te zeggen. Toen begon hij te spreken: “Arius, ik ben het me u eens dat we ons binnen deze vergadering als verstandige mensen moeten opstellen, en ons niet laten verleiden tot ordeloze scheldpartijen. Het moet gaan om de argumenten, en niet de kracht waarmee zij worden uitgesproken.” Hij sprak op rustige toon. Hij speelt de wijze, die boven de partijen staat, constateerde Athanasius. Arius wilde iets zeggen, maar Alexander was hem voor: “Dit betekent echter niet dat u hier in de vergadering maar van alles kunt beweren, ook u dient zich te houden aan wat betamelijk en vroom is. Ik zal u nu op rationele gronden van repliek dienen, en ik hoop dat de vergadering mij hiertoe in staat zal stellen.” Hierbij keek hij zowel naar de aanhangers van Arius als van hemzelf. Ook Alexander heeft zich voldoende verdiept in de principes van de retorica, stelde Athanasius vast. Alexander sprak op de toon van een onderwijzer: “U zegt dat de Zoon voor ons mensen zichtbaar is, u noemde diverse voorbeelden, waardoor het erop lijkt dat u een eenvoudig punt kunt maken. Kijk, ziehier de Zoon: Hij is zichtbaar. Maar zo eenvoudig als het lijkt ligt het niet. Die voorbeelden getuigen van eenzelfde ‘smaak van de dag’ — zoals u dat noemde — die ongepast zou zijn bij het gegeven van Gods onzichtbaarheid. Maar de zichtbaarheid van de Zoon is geen alledaagse zichtbaarheid. Het is een zichtbaarheid die net zo fundamenteel is als de onzichtbaarheid van de Vader. De zichtbaarheid is namelijk tijdelijk; zij heeft een doel.”
Alexander liet zijn woorden even inwerken, maar ging meteen weer verder toen Arius aanstalten maakte iets te gaan zeggen: “De zichtbaarheid is doelmatig,” herhaalde Alexander zichzelf, “zij is niet lichtvaardig of ongegrond. Zij dient de menswording van de Zoon, die noodzakelijk is voor het op zich nemen van de zonden van ons mensen. De zichtbaarheid staat dus in dienst van het Heilige Plan van de Heer. Zichtbaarheid en onzichtbaarheid vormen één, goddelijk geheel. De scheiding die Arius wil aanbrengen is kunstmatig en geforceerd, en heeft uiteindelijk slecht ten doel zijn eigen dwalingen te legitimeren.”
Arius hief zijn arm op, en zei verontwaardigd: “U probeert mijn motieven in discrediet te brengen, en deze middels een tu quoque te gebruiken als argument. Dat is infaam! U kunt in alle oprechtheid van mening verschillen met mijn opvattingen, op redelijke gronden, maar niet via dergelijke drogredenen.”
“Dat is precies wat ik poog te doen: u op redelijke gronden van repliek dienen. Ik houd uw beschuldiging van het gebruik van drogredenaties verre van mij.” Er onstond weer tumult in de vergadering, de leden van de beide partijen lieten flink van zich horen,
Keizer Constantijn stond nu op, en met een bezwerend armgebaar zei hij: “Broeders! Ik verzoek u beiden het debat op zakelijke gronden te voeren. Het onderwerp is de zichtbaarheid van de Zoon, en hoe deze de volkomen gelijkheid tussen Vader en Zoon juist articuleert of tegenspreekt; en in hoeverre de Heilige teksten van de Evangelisten hier een rol in spelen.” Hij ging in een zowel statige als sierlijke beweging weer zitten. Daar heeft hij op geoefend, dacht Athanasius. Gelukkig kon niemand zijn gedachten horen of lezen.
Alexander hief verontschuldigend een hand omhoog. “De zichtbaarheid van de Zoon is doelmatig, zoals ik betoogde, en zij is tijdelijk, ingebed in een eeuwig plan.”
Hier onderbrak Arius hem: “Dat betoogde ik daarvoor al, dat die zichtbaarheid een onderdeel is van Gods plan, maar daarmee is de essentie van de Zoon fundamenteel anders.”
“Juist niet,” riposteerde Alexander, “de menswording van de Zoon vereiste de zichtbaarheid, maar uitsluitend als onderdeel van het Heilige Plan de zonden van de mensheid te weg te wassen. Zoals in de Heilige Evangeliën staat beschreven, stijgt de Zoon na de wederopstanding ten Hemel, en daarmee keert Hij terug in de eeuwige — onzichtbare — essentie van de Drie-Eenheid.”
“Die heiligheid, en welke Evangeliën dit betreft, moet nog worden vastgesteld in dit Concilie. U kunt geen aanspraak maken op de heiligheid van teksten, die nog niet als zodanig is vastgesteld.”
“Dat is een juridisch argument; u gaat toch niet hier uitspreken dat het Evangelie naar Mattheus, Marcus of Johannes niet heilig zijn!?” Alexander keek verontwaardigd de zaal rond.
“Dat moge een juridisch argument zijn, maar dat wil nog niet zeggen dat zij ongeldig is,” zei Arius, eveneens de zaal rondkijkend. “Er zijn tal van teksten die de pretentie hebben een evangelie te zijn, maar ik meen met zekerheid te kunnen vaststellen dat niet al deze teksten in de Heilige Canon zullen worden opgenomen. Ook de vaststelling van de al dan niet gelijke aard van de Vader en de Zoon heeft een juridische component. De kerkelijke leer is ook een juridische leer.”
“Dat is feitelijk precies wat ik beweer,” reageerde Alexander met voorgewende verbazing.
“Nee, u beweert juist het tegenovergestelde!” zei Arius.
Alexander keek weer met een belerende blik. “Zeker niet. Ik zal het u uitleggen. Over die juridische legitimatie verschillen wij niet van mening, over de heiligheid van tal van teksten zullen wij ons nog moeten uitspreken, de voorgestelde evangelies van Judas, Maria Magdalena en Toamo zullen wat mij betreft het predikaat van heiligheid niet verwerven, en ik meen dat ik hier namens het grootste deel van de vergadering kan spreken; maar de heiligheid van de evangelies naar Mattheus, Lucas, Marcus en Johannes lijkt mij onomstreden. Die juridische vaststelling is dus pro forma.”
“Als alle juridische vaststellingen als pro forma beschouwd kunnen worden, dan kunnen we ze net zo goed buiten beschouwing laten,” zei Arius smalend.
“U bedoelt kennelijk dat we de teksten waar ik op doel, de vier evangeliën die ik noemde, buiten beschouwing moeten laten,” stelde Alexander met gespeelde lijdzaamheid vast.
“Ik bedoel dat we deze teksten, waarvan formeel nog de heiligheid dient te worden vastgesteld, voor nu beschouwen als iedere andere relevante tekst,” zei Arius op kalme toon.
Opeens begreep Athanasius de valstrik die Arius voor Alexander gespannen had. Alles stond in dienst van diens strategie die hem nu pas duidelijk werd, en die was vermetel, dat moest hij toegeven. Hij vroeg zich af of Alexander door had wat nu komen ging, maar hij kon zich niet voorstellen dat dit niet het geval was. Uit Alexanders antwoord bleek dit ook: “Hebt u mogelijk nog andere teksten dan degene die wij hier op de vergadering gepland hebben op het oog?”
“Jazeker, ik doel op teksten van de uitnemende Romeinse geschiedsschrijver Publius Cornelius Tacitus.” Arius keek de vergadering rond, eindigend bij keizer Constantijn.
Athanasius begreep dat de keizer het breekijzer was waarmee hij zijn punt definitief kon maken. Door de teksten als een fundamenteel element van de Romeinse geschiedenis aan dit Concilie te verbinden, zou Constantijn de Christelijk religie soepel in de Romeinse wetgeving kunnen vastleggen. De keizer had geen religieuze motieven voor het tot staatsgodsdient verklaren van het Christelijke geloof, hij had voornamelijk politieke motieven. De kwestie van het conflict tussen de beide opvattingen over de Zoon van God; homoousios of heteroousios, het was hem om het even. Alles kwam nu neer op het belang van die teksten. Athanasius kon desalniettemin aan de gezichtsuitdrukking geen enkele vorm van paniek of bezorgdheid aflezen. Zou hij nog iets achter de hand hebben, vroeg Athanasius zich af. Uit de vraag die Alexander vervolgens stelde leidde hij af dat dit inderdaad het geval moest zijn.
“En waar zijn deze teksten nu,” vroeg Alexander, “hebt u ze in bezit? Kunnen wij er kennis van nemen? In dat geval dienen wij het Concilie voor onbepaalde tijd uit te stellen.” Uitstel leek Athanasius een zwaktebod. Alexander moest meer hebben.
“Ik heb ze inderdaad in mijn bezit, alleen nog niet hier in Nicea. Ze zijn echter onderweg, en ik verwacht dat ze binnen een tot twee weken aan mij overhandigd worden,” zei Arius.
“Wat is de aard van deze teksten?” Constantijn had zich verheven uit zijn zetel, en zich tot Arius gericht.
“De teksten geven een beschrijving van de mens Jezus, de zichtbare mens, en aangezien ze geen onderdeel zijn van de Christelijke leer, kunnen zij als onafhankelijk en dus objectief beschouwd worden,” antwoordde Arius, op de toon van een autonome, soeverijne geleerde.
Athanasius en Alexander hadden de weg naar de kustlijn zwijgend afgelegd. Pas toen ze weer bij de boomstam met het louterende uitzicht over het meer van Nicea waren aangeland, begonnen ze te spreken. ‘Is uitstel niet een al te armoedige tactiek om deze kwestie tot een goed einde te brengen?’ had Athanasius gevraagd. ‘Als uitstel de enige optie is waarover wij beschikken, dan inderdaad,’ had Alexander beaamd. ‘Zelfs al zouden uw informanten de teksten kunnen onderscheppen, of vernietigen, dan nog hebt u geen zekerheid dat er geen kopieën zullen opduiken. Dat betekent dan wederom niet meer dan uitstel,’ vervolgde Athanasius. Alexander had volstaan met een gelaten ‘Ja.’
“Het probleem moet dus met wortel en tak worden uitgeroeid,” concludeerde Athanasius.
“En u weet hoe dit zou kunnen geschieden?” informeerde Alexander met een zekere belangstelling.
“Ja,” antwoordde Athanasius eenvoudig. “Maar uw naam mag hier op geen enkele wijze aan verbonden worden. Als u mij uw fiat geeft dit probleem bij de kern aan te pakken, dan verzeker ik u dat dit binnen mijn mogelijkheden ligt, en wat u van mij verlangt zal onontkoombar geschieden.”
“En u gaat mij niet vertellen op welke wijze u dit meent te kunnen doen, neem ik aan?”
“Zoals ook u bepaalde zaken buiten mijn gezichtsveld meende te moeten houden, met rede, zo zijn er ook bepaalde zaken die zich buiten het uwe moeten afspelen; eveneens met rede.”
“Welnu,” zei Alexander vastbesloten, “aldus geschiedde.” Hij haalde een karaf met wijn en twee bekers uit de tas die hij om zijn middel had gedragen, schonk de bekers in, gaf er een aan Athanasius, en proostte: “Op de Heilige substantie van de Zoon.”

