De Man van Smarten II — Rome, 116 AD
— Cornelis de Bondt
II — Rome 116, 117 AD
Op 21 april van het jaar 116 Onzes Heren, net na het middaguur, liep Athanasius met een grote, zware schoudertas vanuit het Pantheon in de richting van Circus Flaminius. Daar kocht hij een appartement, niet ver van de Tiber. Hij betaalde met zilverstukken uit zijn tas. De rest van de inhoud van zijn tas bestond voornamelijk uit boeken, en wat gereedschappen. Hij borg de boeken op in een kast, en zocht een tijdje naar een geschikte plek om zijn zilver te verstoppen. Uiteindelijk wrikte hij voorzichtig met een soort beitel een plank los onder zijn bed, en verborg daar de munten. Hij legde de plank weer terug, en drapeerde er een groot kleed over. Dit moet voorlopig volstaan, dacht hij. Hierna bezocht hij de slavenmarkt en kocht een slaaf, een jonge, steviggebouwde dichter, afkomstig uit Athene, die de naam Falas Anethe droeg. Hij had hem uitgekozen op zijn postuur, hij moest zijn mannetje kunnen staan om hem te beschermen bij een mogelijke, geweldadige confrontatie, maar hij moest ook kunnen lezen en schrijven; bovendien zag hij er betrouwbaar uit, althans, hij voelde geen onderhuidse agressie bij hem. Terug in zijn huis, vertelde hij de man dat hij een jaar lang als zijn bediende zou moeten werken, maar dat hij daarna door hem zou worden vrijgemaakt en er bovendien een flink bedrag aan zilverstukken als honorarium zou overhouden. In ruil moest Falas alles doen wat hij hem opdroeg, zonder vragen te stellen. Zijn voornaamste taak zou zijn het huishouden te regelen, en hem af en toe vergezellen op speciale missies. Falas knikte ongelovig, maar Athanasius verzekerde hem dat hij hem niet voor de gek hield.
De eerste missie was het zoeken van een geschikte courtisane. Hij vroeg Falas door de stad rond te lopen en omzichtig te informeren naar de plekken waar de betaalde liefde bedreven werd. Hij was niet geïnteresseerd in ‘goedkope snolletjes’, zoals hij dat noemde, het moest beslist een schrandere jonge vrouw zijn, het liefst iemand met een interesse in kunst en geschiedenis. Ze moest kunnen lezen en schrijven. Er was geen grens aan het bijbehorende honorarium. Falas meende dat dit geen eenvoudige opdracht was, maar zei dat hij op zoek zou gaan, en hier en daar discreet informeren; dan zou het vermoedelijk uiteindelijk wel lukken, zo was zijn inschatting. Het kostte Falas een maand voordat hij iemand gevonden had die iemand anders kende die van de erotische kunsten van een mooie, intelligente jonge vrouw gebruik maakte, een courtisane die voor een hoog bedrag aan huis kwam. Enkele weken later kwam een jonge, zeer mooie vrouw bij Athanasius op bezoek, ze stelde zich voor als Eva. Ze bleek de techniek van het schrift machtig te zijn, wist veel te vertellen over de geschiedenis van het Romeinse Rijk, maar ook kon ze namen van eminente filosofen uit de Griekse oudheid opnoemen. Athanasius merkte uit de gesprekken die hij met haar voerde dat ze over een uitstekende smaak beschikte, er interessante politieke opvattingen op nahield, die ze overigens beter niet in het openbaar zou uiten; daarvan was zij zich bewust, ze voelde feilloos aan tegen wie ze wat, of juist niet, kon zeggen. Hij merkte dat hij niet ongevoelig was voor haar charmes. Maar, zo hield hij zichzelf streng voor, hij had haar niet voor zichzelf uitgezocht.
De weken na de eerste ontmoeting met Eva sprak Athanasius regelmatig met haar af, hij wilde haar eerst beter leren kennen, om te weten te komen of hij haar in vertrouwen kon nemen met het plan dat hij had bedacht. Ze converseerden over kunst, wetenschap en religie, de meeste keren onder het genot van een maaltijd. Falas bleek een uitstekende kok te zijn. Soms nam hij aan het eind van de maaltijd ook deel aan het gesprek. Hij vertelde over de Griekse dichtkunst, en een enkel maal declameerde hij uit eigen werk, of anders uit de klassieken. Athanasius zag dat Eva’s bewondering hiervoor, en ook het enthousiasme voor de gepreksonderwerpen, niet gespeeld was. Toen Athanasius er voldoende van was overtuigd dat hij haar in vertrouwen kon nemen, legde hij haar zijn plan uit. Eva zou, zogenaamd bij toeval, contact moeten leggen met de fameuze historicus Tacitus. Een toevallige ontmoeting, die zou moeten leiden tot een afspraak. Zij moest Tacitus verleiden, niet alleen met haar schoonheid, maar ook met haar kennis van de dichtkunst, architectuur en geschiedenis. Ze moest zich presenteren als een vrouw van de wereld, zodat hij zich zowel op fysiek als intellectueel niveau tot haar aangetrokken zou voelen. Tacitus was ongeveer zestig jaar oud, begonnen aan het laatste jaar van zijn leven. Dat wist hij zelf nog niet, maar Athanasius wel. Als Eva zich eenmaal in het leven van de geschiedsschrijver had weten binnen te dringen, dan moest zij op zoek gaan naar de manuscripten van de twee hoofdwerken uit zijn oeuvre: de Annales en de Historiae. Hiervan moest zij bepaalde gedeelten, die nog niet gekopieerd waren, verdonkeremanen. Athanasius zou haar precies leren welke dat waren.
De eerste maanden daarna werkte Athanasius met Eva aan het voorbereiden van het plan. Hij leerde haar om welke werken het ging, en hoe zij die kon herkennen. Daarna moest zij leren welke gedeelten het betrof. Van de Annales, een behandeling van de Romeinse geschiedenis per jaar, moest zij de manuscripten die de jaren 28 tot en met 34 beschreven, (grofweg de delen V tot en met X), verdonkeremanen, en van de Historiae de delen die handelden over de Romeinse provincie Judea. Dat waren uiteraard precies de delen die over de figuur van Jezus handelden, maar dat vertelde Athanasius haar er niet bij. In de tussentijd bedachten ze ook een plan voor die ‘toevallige’ ontmoeting. Ze verkenden de wijk waar Tacitus woonde, bekeken zijn huis, en lieten Falas uitzoeken op welke tijden Tacitus het huis uit ging, wie er op bezoek kwam, en of er een bepaald patroon in viel te ontdekken. Het bleek dat de historicus inderdaad een bepaald ritme in zijn dagelijkse bezigheden had, hij maakt iedere dag, steevast om 10 uur in de ochtend, wanneer de zon nog niet op het hoogtepunt was, een wandeling. Altijd naar de rivier de Tiber en weer terug.
Om Eva te stimuleren de opdracht die Athanasius voor haar had bedacht perfect uit te voeren, liet hij haar enkele gouden munten zien. Hij had de munten uit zijn geheime ruimte onder in het Pantheon gehaald, en een flinke voorraad meegenomen. Toen hij haar begerige blik zag, gaf hij haar drie munten als aanbetaling, en beloofde haar daar nog veel meer van, als zij haar opdracht tot volle tevredenheid had uitgevoerd. De stimulans scheen te werken.
Half juli besloot Athanasius dat de tijd rijp was voor een eerste ontmoeting tussen Eva en haar prooi. Ze zou om tien uur naar de rivier de Tiber gaan en daar wachten tot Tacitus daar ook kwam. Zij zou langzaam in zijn richting wandelen, ogenschijnlijk in gedachten, en dan, wanneer zij vlak naast Tacitus was aangeland, ‘per ongeluk’ een klein papyrusvel laten vallen, in de hoop, en verwachting, dat hij zo galant zou zijn het voor haar op te rapen. Dan zouden zij ongetwijfeld in gesprek raken over het vel, en van daar zou het voor Eva een koud kunstje zijn de oude geleerde voor zich te winnen.
Zo gezegd, zo gedaan. Op een zonnige morgen slenterde Eva, schijnbaar in gedachten verzonken, het papyrusvel in haar hand, langs de rivier. Athanasius had zich op enige afstand verstopt achter een boom. Hij zag hoe Tacitus op een gegeven moment uit tegengestelde richting op Eva afliep. Het gaat, zoals immer, om het jongleren met de tijd, dacht Athanasius tevreden. Tacitus leek de vrouw niet echt op te merken, maar toen Eva hem op enkele passen na was genaderd, keek hij even in haar richting. Toen zij bijna naast hem was liet zij het papyrusvel vallen, het dwarrelde naar de grond. Goed gedaan! prees Athanasius haar in gedachten, alles gaat volgens plan. Maar toen verbleekte hij, Tacitus was niet gestopt, maar gewoon doorgelopen. Wat een hork! Athanasius vloekte inwendig. Hij wilde juist vanachter de boom tevoorschijn komen, en naar Eva toelopen, toen Tacitus opeens stopte en zich omdraaide. Snel verstopte Athanasius zich weer in zijn schuilplaats. Tacitus liep terug naar Eva en pakte het vel op.
De historicus zei iets tegen haar, maar Athanasius kon het niet verstaan. Hij zag wel hoe Eva met een betoverende glimlach iets terug zei. Later deed zij Athanasius woordelijk verslag van het korte gesprek tussen haar en de geschiedsschrijver. Hij had haar een compliment gemaakt over haar schoonheid, hij had haar, met een lichte buiging, Tutta Bella genoemd. Eva vertelde dat ze een lichte blos op haar wangen voelde komen, die was niet gespeeld (maar dat vertelde ze er niet bij) en toen had Tacitus het vel bekeken. ‘Een liefdesgedicht, zou ik dit mogen lezen,’ had hij gevraagd. Ze had even naar haar sandalen gekeken, en toen geknikt, met een verlegen, doch betoverende glimlach. Tacitus las het gedicht aandachtig door:
De vrouw die nog nooit uw blik heeft aanschouwd
En die haar hart aan u heeft verpand
Geeft dit hart geheel aan u
Zegt dat zij nimmer iets ziet dat haar bevalt
Omdat het haar niet gegeven is u te aanschouwen,
De vrouw die nog nooit uw blik heeft aanschouwd
En die haar hart aan u heeft verpand.
Maar vanwege het goede waarvan
De hele wereld in koor over u spreekt,
Hebt u haar in alle deugd veroverd,
De vrouw die nog nooit uw blik heeft aanschouwd
En die haar hart aan u heeft verpand
Geeft dit hart geheel aan u.
“Wat een fraai gedicht,” had Tacitus gezegd, “uw verloofde moet wel een heel bijzondere man zijn.”
Eva had even geaarzeld, maar had toen gezegd: “Ik heb hem nooit ontmoet, en ik zal hem ook nooit ontmoeten, hij is op een te grote afstand van mij.” Hierbij had ze bedroefd gezicht tevoorschijn getoverd.
Haar blik miste zijn uitwerking niet, Tacitus was meteen verkocht. “Woont hij in een andere stad, of zelfs in een ander deel van de wereld,” had hij nieuwsgierig gevraagd.
Eva had hem met een gelaten blik aangekeken, en gezegd: “Nee, hij woont hier in de stad. Zo dichtbij, en toch zo ver weg.”
“Wie is deze mysterieuze man, die uw hart zo op hol heeft doen slaan, als u mij een impertinente vraag toestaat?”
“Dat durf ik niet te zeggen, een vrouw die zich aan de dichtkunst heeft overgeleverd wordt helaas gewantrouwd. Ik heb u eigenlijk al teveel gezegd…” Weer die onweerstaanbare ogen.
“Het is inderdaad niet gebruikelijk dat een vrouw zich bezighoudt met mannenzaken, maar u kunt mij gerust in vertrouwen nemen, ik word niet gehinderd door bekrompen opvattingen, ik heb de wereld in al haar verschrikking gezien, en ben oprecht benieuwd naar uw verhaal.”
Eva had het spel van aarzelen en meebewegen een tijdje volgehouden, maar toen flapte ze het er uit, met een dramatische zucht. “Nu, vooruit, waarom ook niet, ik vertrouw erop dat u een geheim kunt bewaren…”
Tacitus had een triomfantelijke blik nog net weten te voorkomen, maar zei met de meest vertrouwenwekkende stem die hij in zich had, dat zij hem volledig kon vertrouwen. “Ik heb nog nooit iemands vertrouwen beschaamd,” had hij er aan toegevoegd.
“Ik ben geïnteresseerd in kunst, wetenschap en geschiedenis,” had Eva gezegd, met voldoende verlegenheid in haar stem. “Ik weet niet waarom ik zo in de ban van deze man ben geraakt, als gezegd, ik heb hem nooit ontmoet. Het moet wel een lotsbeschikking van de goden zijn.” Hier pauzeerde ze even.
Tacitus knikte haar bemoedigend toe.
Eva zag hoe hij zijn ongeduld in toom probeerde te houden. “Ik heb geen idee hoe hij er uitziet, maar de teksten die ik van hem gelezen heb, en over hem, en wat ik over hem gehoord heb, maken dat ik mij geheel in hem verloren voel.”
Tacitus knikte weer.
“Het is een verboden liefde, als u begrijpt wat ik bedoel.”
“Verboden zijn ons gegeven om ermee te spelen,” had Tacitus haar aangemoedigd.
“Het gaat om de grote, beroemde, eminente geschiedsschrijver Tacitus,” had ze hem uiteindelijk toevertrouwd.
“U zult mij nu wel een dwaze vrouw vinden.” Ze had gedaan of ze aanstalten wilde maken om weg te lopen, maar hij had haar tegengehouden.
“Gaat u nu niet meteen weg,” had hij haar gezegd. “Ik wil u graag nog een keer ontmoeten.” Hij had haar met verliefde ogen aangekeken. “Heeft u nog meer van die prachtige gedichten geschreven? Ik zou ze graag eens lezen…”
Eva knikte. “Ja,” zei ze schuchter.
Tacitus vroeg of zij kopieën van enkele ervan aan hem wilde bezorgen. Hij gaf haar zijn adres. “Ik hoop u echt nog een keer te zien!” zei hij, waarna hij zijn rechterhand op zijn linkerborst legde en een kleine buiging maakte. Daarna draaide hij zich om en liep in de richting verder van zijn gebruikelijke wandeling.
Eva bleef een tijd lang verbluft staan.
Athanasius voegde zich bij haar, hij was uitgelaten: “Dat is zeer goed gegaan, geweldig gespeeld!”
Eva had alleen instemmend geknikt.
Ze liepen naar het huis van Athanasius, en hij gaf haar nog een gouden munt. “Die heb je verdiend!” zei hij. Daarop verliet zij zijn huis.
Athanasius had besloten een week te wachten voordat Eva weer contact zou opnemen met Tacitus, de prille liefde moest een tijdje garen. Falas schreef intussen een nieuw liefdesgedicht. En zo stond, een week na de ontmoeting bij de Tiber, Falas met een vel papyrus in de hand bij de voordeur van Tacitus. Een bediende deed open, en Falas gaf hem het vel, met de complimenten van de jonge vrouw genaamd Eva. De bediende verdween met het vel naar binnen en vroeg Falas te wachten voor een mogelijk antwoord van zijn meester. De meester zelf verscheen even later bij de voordeur, hij had een ander vel in zijn hand, dat hij aan Falas gaf, met de bezwering dit persoonlijk aan haar af te geven, en haar te vragen of zij de volgende dag rond het middag uur in zijn huis met hem de lunch zou willen gebruiken. “Zeg haar dat ik een dringende kwestie met haar wil bespreken, een kwestie die haar aangaat, en die behalve van groot belang ook heuglijk nieuws omvat.” Tacitus liet Falas het bericht herhalen, gaf hem wat muntstukken, en keek hem na tot hij uit zicht was.
Een vreugevol leven leven
Ik heb mijn hart verpand aan de liefde,
Aan de beste man van mijn leven,
En dat is geen dwaasheid van mij;
Niemand kan mij dit euvel duiden.
Een vreugevol leven leven
Ik heb mijn hart verpand aan de liefde.
Terwijl de jeugd dit van mij vraagt, Gebiedt de liefde dit.
Daarom mag ik er geen tegenstand aan bieden.
Een vreugevol leven leven
Ik heb mijn hart verpand aan de liefde,
Aan de beste man van mijn leven.
Falas gaf het vel dat hij van Tacitus had meegekregen aan Athanasius, die het met een gniffelend lachje las, waarna hij zich een beker wijn gunde om het voorlopige succes van zijn onderneming te vieren.
Hij had Eva voor vroeg in de avond besteld om gezamenlijk het vervolg van de missie te bespreken. Eerst liet hij haar het gedicht laten lezen dat Tacitus aan haar had opgedragen, daar was geen twijfel over mogelijk. Athanasius merkte dat ze niet ongevoelig was voor de tekst.
Dame, zo schitterend schoon, niets vrolijkt mij op,
Schenkt mij rust of verlossing van leed
Behalve U, aan wie ik trouw ben.
Ondanks Uw iedere dag wassende schoonheid,
Die ik niet kan aanschouwen noch aanraken,
Dame, zo schitterend schoon, niets vrolijkt mij op,
Schenkt mij rust of verlossing van leed.
Uw zoetheid, die mijn lijden verzacht
En liefdevol heelt,
Is waarlijk op te grote afstand.
Dame, zo schitterend schoon, niets vrolijkt mij op,
Schenkt mij rust of verlossing van leed
Behalve U, aan wie ik trouw ben.
“Het gedicht schijnt je te bevallen,” merkte Athanasius op.
“En waarom zou mij dit niet bevallen?” vroeg Eva, met een licht defensieve ondertoon die Athanasius niet ontging. “Het is een mooi gedicht, geschreven door een wijs en erudiet man.”
“Zeker,” antwoordde Athanasius, “zolang je maar trouw blijft aan onze missie.”
Eva negeerde zijn opmerking en vroeg wat zij nu moest doen, op de uitnodiging ingaan, of hem nog langer aan het lijntje houden. Athanasius had gezegd dat Tacitus nog een tijdje aan het lijntje moest worden gehouden, het moest goed tot hem doordringen dat niet hij maar Eva de touwtjes in handen had.
“Maar dan moet ik zijn uitnodiging voor morgen afwijzen!” had Eva zich bezorgd afgevraagd, “Is dat wel verstandig?”
Athanasius legde uit dat dit zeer verstandig was, Tacitus zou er alles voor over hebben haar in zijn huis te krijgen. Zijn afhankelijkheid van haar was een voorwaarde om de missie te laten slagen, Tacitus moest tot alles bereid zijn om haar in zijn bed te krijgen. Alleen als hij haar slaaf zou zijn had zij kans om bij de manuscripten te geraken, en die manuscripten waren van cruciaal belang!
“Waarom zijn die manuscripten zo belangrijk,” had Eva gevraagd, “wat staat daar in wat de wereld niet mag weten?”
“Dat, lieve schat, is niet jouw zaak. Jij bent bij mij in dienst om te doen wat ik van je vraag, en daar betaal ik je meer voor dan je ooit nog zult verdienen met je werk.” Athanasius meende dat het goed was om Eva even op haar plaats te wijzen. Hij vervolgde: “Falas schrijft een nieuw gedicht dat hij morgen, ingedompeld in de bitterzoete geur van hartverscheurende verontschuldigingen aan hem afgeeft.”
Eva schudde haar hoofd, en zei: “Tacitus zal intussen toch wel begrijpen dat ik erachter ben gekomen wie hij is? Ik weet zijn adres, dat is een koud kunstje.”
“Daar heb je gelijk in, maar dat is alleen maar in ons voordeel. Falas kan Tacitus erop wijzen dat je hierdoor juist nog meer reserve hebt om op de uitnodiging in te gaan. Je bewondering en liefde voor de man verhoogt je schroom!”
“Maar als Falas erover begint, dan kan hem dat op het idee brengen dat ik het al eerder wist,” wierp Eva tegen.
Athanasius en Eva wogen de verschillende mogelijkheden af, en kwamen tenslotte tot de conclusie dat Falas er niet direct over zou beginnen, maar dat hij Tacitus op een subtiele manier zou laten doorschemeren dat Eva inmiddels wist wie hij was, en dat zij daardoor van haar stuk was gebracht. Dit kunstje konden ze met een gerust hart aan Falas overlaten.
Falas had zich andermaal overtroffen met een liefdesgedicht uit naam van Eva:
Zij, die ik dag en nacht ben
Wenst U te zien
Om Uw hart te redden van de pijn,
Zij, die tot niets is anders aangetrokken,
Heeft geen ander verlangen.
Zij, die ik dag en nacht ben
Wenst U te zien
Om Uw lijden te aanschouwen,
Welke, volgens haar vermogen,
Zij als heler vermag te helen.
Zij, die ik dag en nacht ben
Wenst U te zien
Om Uw hart te redden van de pijn.
Falas had weer aangeklopt bij Tacitus, de bediende die opendeed vroeg hem in de hal te wachten, zijn meester zou hem zo kunnen spreken. Falas had het gedicht in zijn handen gehouden, hij wilde het persoonlijk aan Tacitus overhandigen. Toen Tacitus de hal binnen liep zag Falas hoe die zijn blik meteen op het papyrusvel richtte, hij zag zijn ongeduld; maar ook zijn teleurstelling omdat niet Eva hier stond, maar haar bediende.
“Ik had je meesteres verwacht, er is toch niet iets tussen gekomen?” vroeg Tacitus bezorgd.
“Ja, ik vrees van wel,” zei Falas, terwijl hij zijn handen ophief in een gebaar van spijt, “maar zij heeft mij een nieuw gedicht meegegeven, dat, naar zij ten diepste hoopt, u voldoende zal bekoren om haar te vergeven.”
“Zij is toch niet onwel geworden, of ziek?” vroeg Tacitus ongerust.
“Nee, nee… ze is gezond en maakt het wel,” antwoordde Falas, met voldoende aarzeling om Tacitus’ nieuwsgierigheid op te wekken.
“Wat heeft haar dan doen besluiten mijn uitnodiging af te zeggen?” Er klonk iets van een gevoel van misnoegen door in zijn stem.
Falas keek bedremmeld naar de sandalen van de historicus. Hij leek na te denken over een geschikt antwoord. “Hier is het gedicht dat zij voor u schreef,” zei hij tenslotte. Tacitus pakte het vel aan en begon te lezen. Falas zag dat hij er verrukt van was, het vuur werd weer ontvlamd. Hij maakte aanstalte iets te zeggen, maar bleef zwijgen, in de hoop dat Tacitus hem daartoe zou aansporen.
“Is er nog een verder boodschap?” Tacitus keek hem verwachtingsvol aan.
“Ik denk…” Falas keek wanhopig om zich heen.
“Ja?”
“Mag ik vrijuit spreken, en een observatie met u delen?” flapte hij er opeens uit.
“Spreek vrijuit, man!”
“Mijn meesteres is goed voor mij, ik zou nimmer haar vertrouwen beschamen. Mijn observatie dient in de eerste plaats haar belang. Ik maak mij zorgen over haar, en wil alleen het beste voor haar.” Falas keek de geschiedsschrijver even aan.
“Dat begrijp ik, maar ga toch door, man!”
“Ik weet wat het onderwerp van haar gedichten is, soms vertrouwt zij mij haar pijnen en verlangens toe, omdat ik gezegend ben met een zeker talent voor een luisterend oor.” Tacitus gebaarde ongeduldig dat hij terzake moest komen. “Nadat ik hier gisteren weer wegging, ben ik gaan informeren naar wie u bent; niet uit nieuwsgierigheid, maar uitsluitend in het belang van mijn meesteres.”
“Aha,” verzuchtte de oude geschiedsschrijver, “en toen u dit haar mededeelde is zij zo geschrokken dat zij te beschroomd is om mij te ontmoeten.” Hij herlas het gedicht, maar nu met andere ogen. Hij bleef een volle minuut voor zich uit staren, als dit tenminste kan met gesloten ogen, en had toen kennelijk een besluit genomen. “Wacht hier op mij,” zei hij, “ik schrijf haar een brief, die u onmiddellijk aan haar moet overhandigen.” Hij beende de hal uit, en bleef zeker een uur weg. Weer terug in de hal gaf hij Falas een met lak afgesloten stuk perkament. “Dit is mijn respons aan haar,” zei Tacitus. “Je hebt er zeer goed aangedaan mij in vertrouwen te nemen. Zoals je zei, in het belang van je meesteres. En nu, aarzel niet, ga met gezwinde spoed heen om mijn brief aan haar te geven!”
Nadat Falas weer terug was gegaan naar zijn meester, en verslag had gedaan van de ontmoeting met Tacitus, had Athanasius diens brief aan Eva gelezen. Athasasius was zeer in zijn nopjes, alles leek zich volgens plan af te wikkelen. Hij verzocht Falas om Eva voor het avondeten uit te nodigen, ze zouden dan de volgende stappen van de missie bespreken.
Athanasius liet Falas de maaltijd bereiden en opdienen, en vroeg hem om ook aan tafel te zitten om de maaltijd mede te nuttigen. Hij wilde zien hoe de relatie tussen Eva en Falas zich ontwikkelde, hij was bezorgd dat Falas mogelijk op te vertrouwde voet met haar kwam te staan.
Nadat Athanasius Eva van alle gebeurtenissen op de hoogte had gebracht, gaf hij haar de brief, die zij aandachtig doorlas.
Ik begreep van uw dienaar dat u mijn identiteit achterhaald heeft. Welnu, moge de goden met ons zijn, ik heb via diverse contacten informatie over uw verblijfplaats proberen in te winnen, maar niemand kon mij dit vertellen, wat mij zeer verontrustende gedachten bezorgde. Hoe kan er vreugde voor mij zijn wanneer ik u niet kan zien, mijn lieftallige, rustige en deugdzame dame? Nadat ik van uw bediende begreep dat u niet op mijn uitnodiging kon ingaan, heb ik alle wil en lust om te werken verloren. Ik was eerst bang dat u mij wilde vergeten, maar ik voel mij met hart en ziel aan u verbonden, en ik zou nooit een andere vrouw kunnen liefhebben of vertrouwen. Daarom schrijf ik deze brief in wanhoop, mijn zoete hartsvriendin, ik hoop te vernemen waarom u geen contact met mij wilt hebben, anders dan via uw dienaar. Ik bid tot de goden dat u mij dit zult laten weten, en ik zal u niet meer schrijven, tenzij u mij van het tegenovergestelde overtuigt. Adios, mijn bitterzoete hart, opdat de goden u vreugde schenken, en vrede, voorspoed, eer en gezondheid, in dezelfde mate als mijn hart naar u verlangt.
Uw trouwe vriend,
—Tacitus
Athanasius droeg Falas op een antwoord te schrijven, ook in briefvorm. Ze discussieerden over dat antwoord. Eva meende dat het tijd werd om Tacitus opnieuw te ontmoeten, ze werd ongeduldig. Athanasius vroeg zich af dit was om van deze kwestie verlost te worden, haar geld op te strijken en door te kunnen gaan met haar leven; of — en dat vond hij een verontrustende gedachte — dat het voortkwam uit een groeiende genegenheid voor de geschiedsschrijver.
Falas was van mening dat Eva het vuur eerst nog wat verder op moest stoken. Hier sprak de dichter, dacht Athanasius, maar hij was het wel met hem eens. Hoe aanhankelijker Tacitus werd, hoe afhankelijker, dacht hij. Uit het relaas dat Falas had gegeven van zijn ontmoeting met de historicus maakte Athanasius op dat de man zich volledig aan haar aan het verliezen was. Dat vuur moest inderdaad verder opgestookt worden. Het bleek niet moeilijk om Eva hiervan te overtuigen, ze ging akkoord met de kern van de nieuwe brief. Falas vond dat er ook een nieuw gedicht bij moest, als compensatie voor de soms harde woorden in de brief. ‘Duwen en trekken’ zei hij, ‘het plagen is essentieel in het liefdesspel!’ Daarvan had Athanasius te weinig verstand, maar hij vertrouwde de dichter in dezen. Falas stelde een Lamento voor, waarin deels Eva’s klacht, maar ook haar hartstocht voor Tacitus verwoord zou worden. Alleen een brief zou hij mogelijk als te kil ervaren. Hierbij streek Falas haar even door haar haren. Athanasius fronste zijn wenkbrauwen, maar voordat hij iets kon zeggen was Eva hem voor: ‘Niet te vrijpostig hè, slaaf!’ Haar begeleidende knipoog stelde Athanasius niet gerust. Hij besloot het onderwerp weer snel bij de twee teksten terug te brengen.
“Die brief is uitstekend,” zei hij, “en inderdaad lijkt een lamento mij ook een waardevolle aanvulling, we moeten Tacitus inderdaad niet voor het hoofd stoten.”
Nadat iedereen zich hierin kon vinden, vertrok Eva naar huis. Falas toog de volgende ochtend aan de slag. Het had hem de hele ochtend gekost om de brief en het lamento te schrijven. De brief luidde als volgt:
Mijn allerliefste vriend, mijn liefste, en mijn zoete schat, ik heb uw brief ontvangen. En weet wel hoe verbaasd ik ben over het weinige vertrouwen dat u in mij hebt, omdat u denkt dat wanneer ik een uitnodiging af moet zeggen, dit is omdat ik u vergeten wil. Ik voel mij hierdoor gegriefd. Ik zou er toch nog steeds van uit willen gaan dat uw hart deugdzaam en sterk genoeg is om mij niet te vergeten. En iedereen die begenadigd is met deugd en rechtschapenheid zou die ook in een ander moeten kunnen herkennen. En wat uw vraag betreft, over waarom ik contact met u opnam via mijn bediende, met als dreigement mij niet meer te schrijven voordat ik u in levende lijve wil zien, ik had geen andere keuze, ik voelde mij verloren in mijn gevoelsleven, in mijn essentie, en ik had tijd nodig om mijn nieuwe positie te bepalen. Ik deed het om geen enkele andere reden in de wereld. Ik smeek u, met alle kracht waarover ik beschik, en met dezelfde genegenheid die u voor mijn hart en lichaam voelt, heb nooit meer dit wantrouwen jegens mij, want ik kan niet kwader worden dan wanneer men mij beschuldigd van iets wat ik nooit bedoeld heb. En bij Jupiter, ik wilde dat u zichzelf nog meer kwelde, nadat ik uw brief meer dan tien keer had gelezen, en niet kon stoppen met mijn woede en mijn tranen. Ik heb sinds ik u ontmoet heb, geen enkele intentie gehad u niet meer te zien, en die zal ik mijn hele leven niet hebben. Ik denk aan u ieder uur van de dag.
Ik zend u deze brief via mijn bediende, die ik volledig vertrouw. Mijn allerliefste schat, I bid tot de goden dat zij u met eer en vreugde belonen in alles wat uw hart verlangt.
Uw trouwe geliefde,
—Eva
Lamento della Dame
Beminlijke vriend, hoe heb ik u gekrenkt?
Uit het hart, in daad en gedachten
Heb ik u gediend
Zonder schande,
U liefhebbend met een zo voorbeeldig hart
Dat al het andere valse schijn lijkt
Wanneer ik u zie, die God vervolmaakte
In iedere deugd.
En die mijn kleur doet verschieten,
Gevangen mijn hart in vreselijke pijn,
In lijden, droefheid en weeklagen
Zonder een fout begaan,
Zie, schat, hoe ik ween.
Hoor mijn zuchten, hoor mijn klagen.
Zie de pijn, bezie het lijden,
Dat bezit neemt van mijn hart.
Eva was aan het eind van de ochtend weer in het appartement van Athanasius gearriveerd. Ze las de brief en het lamento, en vroeg zich bezorgd af of het lamento niet teveel een herhaling was van de klacht in de brief. Falas had haar uitgelegd dat de dichtvorm waarin de klacht was gegoten het grote verschil maakte; het gedicht was, ongeacht de inhoud, als gedicht alleen al een teken van liefde en genegenheid. ‘Vertrouw mij maar,’ had hij gezegd, ‘dit is mijn vak.’ Bij Athanasius die dit alles aanhoorde, klonk opeens een alarmbel, hij schrijft dit niet als ambachtsman, hij schrijft die gedichten voor háár! Hij zou de gevoelens van zijn dienaar voor zijn ingehuurde prostituee goed in de gaten moeten houden. En de gevoelens van haar, en dat ten aanzien van beide mannen. De liefde, en ook de lust stelde haar eigen wetten.
Athanasius besloot om een dag te wachten voordat de beide teksten bezorgd zouden worden. Daarna, zo was zijn verwaching, zou de historicus uit haar handen eten. Hij stelde voor om eerst een ontmoeting in de buitenlucht te arrangeren, ergens in een lommerijke plek langs de Tiber, niet te ver van Tacitus’ wandelroute. Falas moest dit als hij de post bezorgde met Tacitus bespreken, uiteraard met de nodige tact. Het mooiste zou zijn als hij het zo inkleedde dat de geschiedsschrijver zelf met het idee zou komen. Dat klusje was bij Falas is goede handen, was zijn inschatting.
De volgende ochtend, even voor tien uur, dus vlak voordat Tacitus zijn gebruikelijke wandeling zou gaan maken, stond Falas bij diens voordeur. Nadat hij had aangeklopt, deed de historicus zelf open, inderdaad gereed voor zijn wandeling.
“Ach,” zei Falas zogenaamd verrast, “u staat op het punt weg te gaan. Dan ben ik net op tijd om u een brief, en een gedicht, van mijn meesteres te overhandigen. Ik zou u bijna gemist hebben.”
Tacitus keek blij verrast, opgetogen nam hij de teksten in ontvangst. “Wil je alsjeblieft blijven wachten,” vroeg hij Falas, die verrast was door de bijna gedweeë toon, “Ik zal de teksten onmiddellijk lezen, en wil je graag een boodschap aan uw meesteres meegeven.”
Falas werd in de hal gelaten, en de geschiedsschrijver verdween voor zeker een half uur in zijn privévertrekken voordat hij zich weer liet zien. Hij zag hoe Tacitus door tegenstrijdige emoties was overmand, enerzijds opgelucht, en zelfs opgetogen, dat zijn liefde contact met hem had opgenomen, maar anderzijds meende hij ook teleurstelling, of bezorgdheid van diens gezicht af te lezen.
“Ik moet haar zo snel mogelijk spreken,” had de historicus gezegd. “Dit schriftelijk contact brengt mij tot wanhoop!”
Falas voelde meteen aan hoe hij het ijzer kon smeden nu het heet was. “Staat u mij toe de vrijheid te nemen een advies met u te delen?” vroeg hij op discrete toon.
“Spreek vrijuit,” maande Tacitus hem aan.
“De ontmoeting waarbij u beiden elkaar toevallig tegenkwamen, vond plaats bij de rivier. Misschien is het een goed idee om weer op die plek, of daar in de buurt, af te spreken, om de tedere gevoelens van die ontmoeting, die mijn meesteres zo op prijs heeft gesteld, weer bij haar te doen opkomen.”
“Dat is een uitmuntend idee,” zei Tacitus, “mij valt nu onmiddellijk een fraaie, bekoorlijke plek te binnen, vlak aan de rand van de rivier, onder een groepje kersenbomen. Misschien kun je zo met mij meelopen, dan zal ik je tonen waar ik bedoel.”
Even later stonden ze onder de bedoelde bomen; Falas deelde de mening van de historicus dat het een zeer bijzondere plek was. Hij complimenteerde Tacitus met zijn goede smaak, en stelde hem gerust door te zeggen dat Eva hier zeer zeker met veel genoegen zou willen afspreken. Hij toverde een soort ‘laat dat maar aan mij over’ glimlach op zijn gezicht, die de historicus duidelijk niet ontging.
“Zeg je meesteres dat ik morgen om 11 uur hier, onder deze bomen, op haar zal staan te wachten,” zei Tacitus. “Zeg haar ook dat ik haar niets kwalijk neem, dat ik een dwaze, ongeduldige man ben, mijn ouderdom als enige excuus, omdat die mij de tijd ontneemt het benodigde geduld te betrachten.”
De volgende ochtend, iets na elven, liepen Eva en Falas langs de Tiber in de richting van het groepje kersenbomen. Tacitus liep ongeduldig en gespannen tussen de bomen te ijsberen. Falas vertraagde zijn pas, en bleef enkele passen achter Eva, om haar en Tacitus een moment voor henzelf te geven. De historicus keek haar verrukt aan, pakte haar hand en aaide die met een teder gebaar. Eva had haar verlegen gezichtje opgezet, wat zijn uitwerking niet miste. Tacitus scheen Falas niet op te merken, en begon een gedicht dat hij kennelijk had voorbereid te reciteren:
Eindelijk zaten we hand in hand,
Maar ik was bevangen van een zeer wrede bezoeker
In verlangen, die niet heen wilde gaan
Maar de voorkeur gaf mijn hart te breken.
Aangezicht tot aangezicht aanschouwde ik
Haar zoete bekoorlijke lichaam
Haar lieftallige blik, haar lachende kleine mond,
Roder dan enige kers,
Wat maakte dat zij leek te zeggen
‘Kus mij!’
Eva bloosde, van oor tot oor. “Wat mooi!” zei ze.
“Inderdaad, heel mooi!” herhaalde Tacitus, terwijl hij haar ongeneerd bewonderde.
“U vleit mij,” zei Eva met haar betoverendste glimlach.
“Wij blijken elkaar te vleien…” Tacitus leek in tweestrijd. Hij was duidelijk bevangen door haar schoonheid en charmes, niet alleen bevangen door Verlangen, maar evenzeer door Schroom en Angst.
“Laten wij hier onder de boom in het gras neervlijen,” stelde Eva voor. Falas schoot toe, legde een deken op de grond, en ondersteunde Eva toen zij zich op de deken liet zakken. Tacitus kwam naast haar zitten. Falas haalde een brood, wat druiven en wijn uit de plunjezak die hij om zijn schouders droeg. Daarna nam hij de benodigde afstand.
Het verliefde tweetal zat een tijdje te keuvelen. Tacitus wist zich duidelijk niet goed raad met de nabijheid van het bekoorlijke meisje dat zijn zinnen op stang joeg. Hij raakte haar soms even aan, maar niet langer dan een tel. Zij legde, als antwoord, zo leek het, af en toe even haar hand op zijn arm, wanneer zij iets persoonlijks zei; en een keer legde zij zelfs haar hand op zijn dijbeen, wat een verheerlijkte grimas op zijn gezicht veroorzaakte. Falas zag hem begerig staren naar haar mond, alsof hij haar wilde verslinden, maar het roofdier in hem was nog niet voldoende ontwaakt. Eva strekte haar benen en ging half liggen, steunend op haar ellebogen. Ze sloot haar ogen half, en liet haar hoofd naar achteren hangen, waardoor het zonlicht, dat tussen de bladeren door scheen, haar gezicht verwarmde. Tacitus keek haar hulpeloos verliefd aan.
Falas besloot hem een handje te helpen, hij liep naar het schutterende tweetal toe, gaf Eva ongemerkt een knipoog, en plukte een groen blaadje uit de kersenboom waar zij onder zaten. “Sta mij toe, heer,” zei hij zacht tegen de historicus, “soms moet de natuur een handje geholpen worden.” Hierbij keek hij Tacitus aan met een vrolijke, ondeugende glimlach. Tacitus knikte welwillend, hij scheen alle geldende omgangsnormen tussen meesters en bedienden ergens in het land van Venus en Cupido kwijtgespeeld te zijn. Falas legde het blaadje voorzichtig op de mond van Eva, en fluisterde tegen de geschiedsschrijver: “Kus dit blaadje…”
Tacitus had zichzelf niet meer in de hand, hij boog voorover, aarzelde even, maar zijn begeerte kreeg uiteindelijk de overhand, zijn lippen bewogen zich opeens naar het blad.
Falas haalde snel het blaadje weg, en de mond van de historicus proefden de zachte, rode lippen van de jonge vrouw die hij zo begeerde. Hij voelde hoe zijn lippen versmolten met de hare, de zachtheid verbijsterde hem, tranen van verwarring en geluk overspoelden hem. Falas had intussen weer een gepaste afstand van het paar ingenomen. Eva opende haar ogen, en zond de historicus een verleidelijke glimlach. Hij streek met de rug van zijn hand langs haar wang, en weer was hij ontdaan van de zachtheid van een vrouwenlichaam. Hoe had hij het bestaan van al deze verrukkingen kunnen vergeten?
Falas gaf Eva ongemerkt een teken, waarop ze, nadat zij Tacitus een aai over zijn hoofd had gegeven, met een kwiek gebaar opstond. Ze reikte Tacitus de hand en hielp hem omhoog. “Ik moet weer huiswaarts,” zei ze, “maar ik beloof u snel weer te ontmoeten!” Weer die onweerstaanbare lach. Ze plukte een kers uit de boom en stopte die met een gracieus gebaar in zijn mond. Hij verslikte zich half, waardoor Falas toesnelde en op zijn rug begon te kloppen.
“Ik moet mij kennelijk weer gaan verdiepen in het leren proeven van kersen,” zei Tacitus met een ondeugende tinteling in zijn ogen. Falas zag dat Eva smolt.
Hierna ging ieder zijns weegs. Tacitus liep, hoog in de wolken, huiswaarts, en Falas begeleidde Eva naar haar huis. Hij liet weten dat Athanasius haar had uitgenodigd om in de avond te komen dineren. Daarna bracht hij verslag uit bij Athanasius, zonder echter al teveel in details te treden. Maar de priester was niet eenvoudig om de tuin te leiden, aan zijn intuïtie mankeerde niets.
Tijdens de maaltijd vroeg Athanasius hen de oren van het hoofd, hij wilde ieder naadje van iedere kous weten. Eva weigerde op iedere vraag een precies en gedetailleerd antwoord te geven, ze zei dat dit hoorde bij het geheim van haar werk. “Men vraagt een kok of arts ook niet om de ingrediënten van zijn recept, en een ingenieur niet om de precieze berekeningen van zijn contructie. Als het eten maar lekker is, het medicijn geneest, en de constructie niet instort.”
“Ik ben hier niet de klant die uw waren consumeert, ik ben de opdrachtgever, ik wil alle ingrediënten en berekeningen tot in het detail weten; ik ben de kok, de arts en de ingenieur van deze onderneming.” De stem van Athanasius duldde geen tegenspraak.
Eva hief haar handen op, in een gebaar van toegeeflijkheid. “Goed dan, wat wilt u precies weten, mijnheer de kok-arts-ingenieur?”
Athanasius keek haar even aan met een onpeilbare blik, maar zij gaf geen krimp. Hij kwam tot het besef dat het werken met mensen van een geheel andere orde was dan het werken met machines en apparaten. Machines en apparaten doen waarvoor ze ontworpen zijn; mits zij goed geconstrueerd zijn, maar dan zijn ze volstrekt voorspelbaar. Mensen kun je nog zo goed instrueren, elk plan duizend maal met ze doornemen, alle mogelijkheden bekijken die zich kunnen voordoen in de handelingen die verricht moeten worden, maar de uitkomst blijft te allen tijde onvoorspelbaar. Je kunt mensen instrueren, maar niet construeren, zo dacht hij met spijt. Uit het uitgebreidere verslag van Eva en Falas werd hij uiteindelijk niet veel meer wijzer. Hun gevoelsleven zou een onbekende grootheid blijven.
Aan het einde van de zomer was de relatie tussen Tacitus en Eva zo hecht geworden, dat Eva alles met hem kon bespreken, zijn werk, achtergronden, beweegredenen, technieken; alles was bespreekbaar. De historicus was dan ook niet verbaasd toen zij vroeg of zij zijn manuscripten mocht inzien. Ze was vooral geïnteresseerd in zijn twee belangrijkste werken, de Annales en de Historiae. Hij was verguld van haar verzoek, uiteraard mocht zij die inzien. Er was alleen een klein probleem: hij had de manuscripten niet hier, maar in zijn winterverblijf, in zijn villa in de bergen ten noorden van Rome, nabij de stad Perugia. Hij werkte voornamelijk in het najaar, de winter en het vroege voorjaar, en de manuscripten waren in zijn villa veilig opgeborgen voor brand of diefstal. Tacitus stelde voor dat Eva in het najaar met hem mee zou reizen naar zijn villa in de bergen, het was er aangenaam toeven, en hij zou haar gezelschap zeer op prijs stellen. Eva had hem gezegd dat zij het een aanlokkelijk aanbod vond, maar dat zij hier in Rome nog de nodige beslommeringen had, dus dat zij dit moest kijken hoe die af te handelen. Ze trad uiteraard niet in details, en hij vroeg er niet verder naar.
Athanasius reageerde ontsteld toen Eva hem vertelde van de manuscripten, op deze tegenslag had hij in het geheel niet gerekend. Het zou vermoedelijk een stuk lastiger zijn de teksten daar te ontvreemden, bovendien zou hij dan ook daar in de buurt moeten zijn, en dat zou op kunnen vallen. Hij nam aan dat Falas met haar mee zou kunnen reizen, dat was in ieder geval nog iets.
Maar hij vertrouwde zijn beide handlangers niet genoeg om de diefstal van de manuscripten aan hen over te laten, hij moest beslist bij hen in de buurt blijven. Hij besloot om de omgeving van Tacitus’ villa te verkennen, en daar vervolgens een plan maken. Hij droeg Eva op om Tacitus te vertellen dat zij naar diens winterverblijf zou komen nadat ze haar lopende zaken had afgewikkeld. Ze zou vermoedelijk pas in het nieuwe jaar bij hem kunnen komen. Daarna vertrok hij samen met Falas naar Perugia, huurde daar een appartement, en samen brachten de omgeving van het winterverblijf in kaart. De villa lag tegen een berghelling, omgeven door een behoorlijk groot stuk land. Het zou lastig zijn de villa ongemerkt te benaderen.
Athanasius bleef ongeveer een maand in Perugia, toen had hij voldoende informatie verzameld over het reilen en zeilen rond de villa. Tacitus was twee weken na Athanasius gearriveerd. Athanasius stelde vast dat de historicus zich ook hier hield aan zijn ritueel van de dagelijkse ochtendwandeling. Of dit bruikbaar zou zijn voor zijn plan was hem nog niet duidelijk.
Terug in Rome liet Athanasius zijn courtisane weer opdraven. Het plan dat hij had bedacht was als volgt: Eva zou in de loop van de maand januari naar Perugia afreizen, en van daaruit verder naar de villa van Tacitus. Op een zorgvuldig geplande dag zou zij ongemerkt de manuscripten tevoorschijn halen, en aan Falas geven; om vervolgens Tacitus te verleiden tot een zwoele, hete nacht in zijn bed, waardoor Falas de manuscripten ongestoord buiten aan Athanasius zou kunnen overhandigen. Hij zou dan weer teruggaan naar de gastenverblijven waar Eva en haar bediende logeerden.
Wanneer Tacitus eindelijk, vermoeid en afgemat door de erotische handelingen van Eva, in slaap zou zijn gevallen, zou ze samen met Falas de werkkamer van Tacitus nauwgezet inspecteren, om te voorkomen dat hij de diefstal zou opmerken. Athanasius zou ervoor zorgen dat zij twee dagen na de diefstal een dringende boodschap zou krijgen om onverwijld naar Rome terug te keren. Een zieke vader, moeder of broer zou volstaan. Athanasius zou zorgen voor vervoer. Toen Eva vroeg wat ze zou moeten doen, als hij binnen die twee dagen erachter kwam dat zijn manuscripten waren verdwenen, antwoordde Athanasius eenvoudigweg dat ze met al haar vrouwelijke technieken die zij in huis had hem zo moest afleiden dat hij zich niet eens meer herinnerde dat hij ze geschreven had. Eva had haar tong uitgestoken; Falas had gegrijnsd. Athanasius had berekend dat hij eind februari of begin maart weer in Rome kon zijn, dat gaf hem ruim voldoende tijd tot de 21ste april; dan moest hij beslist weer in zijn werkruimte in het Pantheon zijn.
Het plan zag er goed uit, Athanasius was ervan overtuigd dat het zou werken. Eindelijk zou hij deze fase van zijn project, dat nog veel groter, en ontzagwekkender was, kunnen afsluiten. Hij verlangde naar huis.
Eva was intussen aan een briefwisseling met Tacitus begonnen, overigens, buiten het medeweten van Athanasius. Zij drukte Falas op het hart om hier niets over aan hun opdrachtgever te melden. Falas woog zijn kansen. Vooralsnog hield hij zich aan zijn belofte om Athanasius in het ongewisse te laten, maar dat was alleen omdat hij hoopte op een ongeremde nacht met haar. Zijn belofte maakte haar schuld, meende hij.
Eva bekwaamde zich in de schrijfstijl van Falas, zij wilde de teksten zelf schrijven, ook die van de gedichten. Ze begreep maar al te goed dat diens belofte om niets tegen Athanasius te zeggen over haar briefwisseling, vooral gebaseerd was op een erotische verwachting van de slaaf. Die verwachting zou ze zo lang mogelijk rekken, maar ze zou er nooit aan toegeven.
Eind oktober kwam de eerste post van Tacitus, een gedicht:
Zonder hart en in pijn verlaat ik u,
Zonder vreugde tot ons weerzien,
Want gedwongen mij hart van het uwe te scheiden.
Zonder hart en in pijn verlaat ik u,
Zonder te weten waarheen te gaan,
Ik ben vervuld van kwelling en tranen,
Zonder hart en in pijn verlaat ik u,
Zonder vreugde tot ons weerzien.
Eva beantwoordde het gedicht de volgende dag met een van haar:
Zonder mijn hart zult u niet vertrekken,
U neemt uw geliefde hart mee,
Naar waar u ook gaat.
Zonder mijn hart zult u niet vertrekken,
In de zekerheid van uw goede zorgen,
Terwijl het uwe mijn metgezel zan zijn.
Zonder mijn hart zult u niet vertrekken,
U neemt uw geliefde hart mee.
Zo schreven zij elkaar beurtelings brieven, en soms een gedicht. Eva merkte dat zij Tacitus miste, ze verlangde ernaar hem weer te zien. Langzaam aan werd zij bevangen door gevoelens van twijfel over haar opdracht. Ze voelde hoe Athanasius haar gevoelens peilde, wanneer zij hem bezocht. Falas hield zich nog steeds aan zijn belofte, maar zijn avances werden directer. Ze was professioneel genoeg het spel met hem mee te spelen, maar haar gevoelens voor Tacitus maakte dit tot een steeds grotere beproeving.
De dag brak eindelijk aan dat Athanasius haar de opdracht gaf naar Perugia af te reizen. Ze moest al haar theatrale talenten aanboren om haar gevoelens van geluk en verrukking niet prijs te geven. Ze zag hoe Athanasius haar peilde, maar hij had geen nadere toespelingen gemaakt. Zo was zij met Falas vertrokken, de reis zou enkele dagen duren. Onderweg zouden zij in een herberg overnachten. De laatste keer bleek dat er maar één kamer vrij was, en dus zou ze gedwongen zijn het bed met Falas te delen. Daar zag zij zeer tegenop. Athanasius’ slaaf was tijdens de reis steeds handtastelijker geworden, niet grof, altijd met liefkozende, of plagende gebaren, maar hij raakte haar wel aan, zeer tegen haar zin.
Ze wilde hem niet bruut afwijzen, dus ze liet het toe, maar een nacht met hem in bed was geen aantrekkelijk vooruitzicht. Toen ze eenmaal in bed lagen had ze demonstratief een grote tas en haar plunjezak tussen hen in gelegd, als een soort verdedigingslinie. Ze had zich met haar rug naar hem omgedraaid en deed of ze ging slapen, hoewel ze geen oog dicht kon doen. Hij had demonstratief liggen draaien, en zuchten en klagen over al die bagage, dat hij niet voldoende ruimte had om zo te slapen. Toen dit niet werkte begon hij te flemen. Hij fluisterde zoete woordjes in haar oor, streek door haar haren, en toen verscheen opeens zijn mond vlakboven haar wangen, ze rook de wijn die hij had genuttigd. Toen was het haar teveel geworden, ze was overeind geschoten en had hem een harde klap in zijn gezicht gegeven. “Blijf van mij af!” schreeuwde ze.
Falas schrok terug, liet zich opzij vallen, en riep kwaad: “Vuile hoer! Je hebt met mij zitten spelen als een kat met een muis. Denk maar niet dat je geheime briefwisseling verborgen blijft voor mijn meester.”
“Wat jouw beloftes waard zijn moet jezelf weten,” had ze kwaad geantwoord, “maar je houdt je handen thuis.”
Het werd niet bepaald een verkwikkende nachtrust; de volgende dag reden ze zwijgend, met norse gezichten Perugia binnen. Bij de villa van Tacitus aangekomen voelde ze zich echter weer rustig worden, eindelijk in veilige haven, dacht ze.
Tacitus voelde iets van de spanning tussen Eva en haar bediende, en vroeg haar of ze een goede en aangename reis had gehad. Ze antwoordde hem dat ze zich eerst wilde verfrissen, en hem dan uitgebreid verslag van de reis en de tijd in Rome zou doen, ze was erg vermoeid. De historicus liep met gemengde gevoelens terug naar zijn werkvertrek. Hij werd door twijfel overmand, zou ze zich bedacht hebben over hun relatie? Zouden haar gevoelens voor hem zijn geslonken? Maar waarom was ze dan dat hele eind hier naartoe gereisd? Vrouwen zijn mysterieuze wezens, dacht hij, wispelturig als het weer in de bergen en een kat in de zon. Onmiddellijk betreurde hij zijn door angst en twijfel gevoede gedachten, en schaamde hij zich voor zijn wantrouwen jegens zijn geliefde Tutta Bella.
Eva had zich teruggetrokken in de badruimte, ze nam een verfrissend bad, en dacht na over hoe verder met Falas om te gaan. Het zou niet goed zijn als Tacitus de spanning tussen haar en Falas zou opmerken, zo hij dat al niet had aangevoeld. Hij had bezorgd geleken.
Opeens kreeg ze een idee, om haar mond vormde zich een vastberaden glimlach, ze liep alle kanten van het plan stuk voor stuk na, en hoe langer ze nadacht, hoe meer ze overtuigd werd van hoe listig en doeltreffend het was, het zou al haar problemen in één allesomvattende handeling oplossen. Ze voelde zich als herboren toen ze het bad uitstapte en zich omkleedde, ze hulde zich in het meest verleidelijke gewaad dat zij bij zich had, ze wist dat ze er onweerstaanbaar uitzag.
Toen zij haar slaapvertrek inliep, en Falas nors voor zich uitkijkend op een bank in hun gemeenschappelijke gastruimte zag zitten kniezen, negeerde ze hem. Hij moest maar zien hoe hij hier zijn tijd doorbracht, hij was van geen belang meer voor haar.
Tacitus stond secondelang als aan de grond genageld toen Eva het vertrek waar zij de maaltijd zouden gebruiken binnenkwam. Haar schoonheid was, letterlijk, verpletterend. Zijn mond viel open, zijn gevoelens van twijfel, somberheid en zelfhaat, waren in één klap als sneeuw voor de zon verdwenen. Hij voelde enkele tranen over zijn wangen stromen. Toen liep hij op haar af, sloeg zijn armen om haar heen en zo bleven ze een lange tijd, zwijgend staan, genietend van elkaars nabijheid. Mijn Tutta Bella, was het enige dat hij uit kon brengen, mijn Tutta Bella. Opeens maakte Eva zich los uit de omstrengeling, pakte zijn hoofd tussen haar handen, en kuste hem lang, vol op de mond. Hij voelde zich in haar lippen verdwijnen, keek even voor de zekerheid of hij niet in een hete waterstroom was opgelost, en weggespoeld naar buiten, maar haar lach bracht hem weer bij zinnen.
“Je voelde iets van spanning, toen ik hier aankwam,” zei Eva terwijl zij net begonnen waren aan de maaltijd.” Ze hadden het vousvoyeren al een tijdje geleden achter zich gelaten.
Tacitus knikte. “Ja, het maakte mij ongerust, ik werd weer door twijfel overmand, ik schaam mij diep!” Hij durfde haar niet aan te kijken.
“Ach, jij dwaas!” zei Eva, “je zou nu toch beter moeten weten!” Ze stak haar tong naar hem uit, waardoor hij ter plekke smolt. “Maar,” nu was haar toon ernstig, “er is inderdaad iets waar wij over moeten spreken. Een beklemmende zaak, die mij verontrust, en waar ik door verward ben.”
Het smeltwater van Tacitus had zich meteen weer omgevormd tot ijs. “Vertel,” zei hij stroef.
Eva had zijn gezicht zien betrekken, en begreep dat ze haar verhaal met de nodige behoedzaamheid moest vertellen. “Het betreft Falas, mijn bediende,” begon ze. “Ik vermoed dat je toen wij hier aankwamen wel voelde dat er een zekere spanning tussen ons was.” Hij knikte, maar zei niets. “Dat komt omdat ik ergens achter ben gekomen,” ging ze verder. “Hij heeft nog een meester, een mij onbekende man. Daar kwam ik op toevallige wijze achter, ik liep door de stad en zag opeens de twee samen op het terras van een uitspanning, ze dronken bier en waren in een druk gesprek verwikkeld. Ze zagen mij niet. Ik kon toen niet verstaan waarover ze spraken, maar het leek over iets van groot belang te gaan, ik vond het uiterst merkwaardig.” Ze zweeg even, en keek met een bezorgd gezicht naar de historicus.
“Kon het geen toevallige ontmoeting zijn tussen die twee?” peinsde Tacitus hardop.
“O nee, zeker niet. Luister maar naar de rest van mijn verhaal.” Eva nam een slok wijn en vervolgde haar relaas. “Toen hij weer bij mij thuis kwam sprak hij met geen woord over zijn ontmoeting. Ik vroeg hem er uiteraard niet naar.”
“Waarom niet?”
“Ik voelde dat er iets vreemds aan de hand was. Ik besloot dit eerst uit te gaan zoeken. Ik merkte dat hij op bepaalde dagen, steeds rond hetzelfde uur, de stad in ging. Hij zei dan dat hij een boodschap moest doen. Toen hij de keer erop dit weer aankondigde, ben ik hem heimelijk gevolgd. Hij bleek weer diezelfde man te treffen, en weer waren ze in een heftig gesprek verwikkeld. Ik heb hem een aantal malen gevolgd, en steeds weer trof hij die ene man.”
“Dat is inderdaad wel vreemd,” zei Tacitus bezorgd. “Maar kon het niet om een familielid gaan, dat ze persoonlijke zaken bespraken?”
“Dat dacht ik eerst ook.” Eva keek hem aan met grote, zo onschuldig mogelijk lijkende ogen. “Je denkt nu eenmaal niet meteen aan het slechtste in een mens, je zoekt altijd eerst naar plausibele verklaringen, pas als er echt teveel dingen zijn die vreemd zijn, onverklaarbaar, en je uiteindelijk stuit op zaken die niet kloppen, pas dan ga je aan andere verklaringen denken. De mens is zo bang voor het slechte, dat hij dat op een zo groot mogelijke afstand wil houden.”
“Dat is een goede observatie,” zei Tacitus, “liever een vertrouwde en veilige illusie dan de harde en onverdraagbare waarheid.” Hij brak een stuk van zijn gebraden duif af. “Maar hoe kwam je erachter dat er inderdaad iets niet klopte?”
Eva keek hem enigszins schuldbewust aan, en zei: “Ik ben in zijn spullen gaan neuzen, toen hij weer naar een van zijn geheime afspraken was. Ik vond een routebeschrijving van jouw adres, met jouw naam erop. En het was duidelijk niet zijn handschrift, want dat ken ik goed.”
“Dat is inderdaad vreemd,” zei hij.
“Maar dat is nog niet alles, er lag nog een vel, in hetzelfde handschrift als die routebeschrijving.” Ze pauzeerde even, want nu kwam ze op gevaarlijk terrein.
“Welnu, wat stond daar op?”
“Dat is het vreemde, alleen maar titels en hoofdstuknummers. Maar wel van werken van jou!”
“Welke werken? Weet je die hoofdstuknummers nog?”
“De Annales en de Historiae, die nummers weet ik niet meer.”
“Dat is hoogstmerkwaardig!” Hij keek haar bevreemd aan.
Ze kromp in elkaar, zou hij overwegen of ik er iets mee te maken heb? Ze moest nu snel iets bedenken om die gedachte in de kiem te smoren. “Ja, heel vreemd, inderdaad!” Ze deed of ze ergens aan moest denken. “Wacht eens even, ik denk dat ik die titels een keer aan hem genoemd heb. Falas wist, zoals je weet, van mijn gevoelens voor jou, en die hadden ook met je briljante werk te maken. Ja, ik weet het nu zeker, ik heb het een keer met hem over jouw werk gehad, omdat hij het maar vreemd vond dat ik meer interesse in een — zoals hij zei — ‘oude man’ had — sorry! —, dan in een jonge kerel zoals hij. Hij heeft een oogje op mij, dat heeft hij niet bepaald verbloemd.”
“Maakte hij opdringerige avances?” vroeg hij met onverholen jaloezie.
“Niet opdringerig, hij hield gelukkig voldoende distantie.”
Eva keek peinzend in haar wijnbeker. “Maar waarom zijn zij in die teksten geïnteresseerd? Wat moeten ze ermee?”
Tacitus dacht even na. “Dat kan om verschillende redenen zijn. Misschien werken beide mannen in opdracht van een hooggeplaatste persoon, die de teksten om de een of andere reden gevaarlijk vindt voor zijn carrière. Maar dat lijkt mij niet erg waarschijnlijk. “De reden kan ook veel prozaïscher zijn: geld.”
“Hoezo geld?”
“De manuscripten zijn beroemd, dus zijn ze geld waard. Misschien zijn het gewoon dieven.”
Eva nam de beker met wijn in beide handen, en nam er traag wat slokjes van. Ze kwam nu op het meest precaire onderdeel van haar plan. Ze verzamelde nog wat moed, en stak toen van wal: “Er is nog iets gebeurd…” begon ze, en toen kwamen de tranen.
Tacitus schrok, stond snel op en kwam naast haar staan. Hij nam haar hoofd in zijn handen en gaf kusjes op haar voorhoofd. “Rustig maar, neem je tijd.
Eva schonk hem een betoverende, dankbare glimlach, en zei: “Het gaat al weer.” Tacitus ging weer naar zijn plek aan de andere kant van de tafel. “Het gebeurde op de laatste dag van de reis, of nacht beter gezegd.” Hier keek Tacitus opeens ernstig verontrust. “Het is niet wat je misschien denkt, hij heeft geen poging gedaan mij aan te randen. Het is eigenlijk veel erger.” Weer zweeg ze. Ze probeerde zijn gemoedstoestand te peilen. Zijn verontrustheid leek wel afgenomen, maar hij was nog steeds bezorgd. Het hoge woord moest eruit, er was geen ontkomen meer aan. “In die laatste nacht waren we gedwongen om in dezelfde kamer te slapen. Toen gebeurde het.”
“Als hij jou ook maar een haar gekrenkt heeft, laat ik hem voor de leeuwen gooien!” Tacitus ogen schootten vol vuur. Eva was bang dat Falas eventueel de stem van Tacitus gehoord had, hij had zijn stem nogal luid verheven. De gastenverblijven lagen echter in een andere vleugel, dus ze hoopte er maar het beste van.
“Nee, zoals ik al zei, het ging hem niet om mijn lichaam. Het ging om iets anders: die manuscripten. Falas zei dat ik hem moest helpen ze te stelen. En als ik dit niet zou doen, dan zou hij mij vermoorden. Hij had een mes bij zich, dat hij vlak bij mijn keel hield. Ik was zo bang, ik durfde niets te zeggen. Ook niet tegen jou. Ik wist mij geen raad! Als je nu boos op mij bent, begrijp ik dat goed. Ik weet dat ik nu niet meer bij jou kan blijven, ik had het gelijk moeten vertellen… Ik ben zo bang —” En weer vloeiden haar tranen, ze schokte, beefde en trilde.
Tacitus kwam meteen weer aangesneld, sloeg zijn armen om haar heen, en zei: “Oh, mijn lieve, lieve, liefste Tutta Bella… Geen sprake van dat ik je wegstuur. Jij blijft hier bij mij, hier ben je veilig, hier kan je niets gebeuren!” Hij aaide haar; knuffelde, streelde en bedekte haar onder een vloed van kussen. Toen ze weer tot bedaren was gekomen, en ze beiden weer achter hun maaltijd zaten, zei Tacitus: “Welnu, tijd voor een gepaste actie. Ik zal mijn beveiligers laten komen, en dan we zullen deze onverlaat eens goed aan de tand gaan voelen. Hij is nog niet klaar met mij!”
Nu moest Eva het slim aanpakken, want het leek haar geen goed idee om Falas voor de leeuwen te laten gooien, niet omdat ze nog enige sympathie voor hem had, maar Athanasius was er ook nog. Die kon flink wat roet in haar eten gooien. Als haar rol in deze kwestie boven water zou komen, was ze verloren. Ze trok een peinzend gezicht, maar zorgde er tegelijk voor dat dit haar schoonheid eerder versterkte dan verdoezelde. Ze streek nadenkend met haar vinger langs haar wang, liet een tipje van haar tong langs haar lippen glijden, en eindigde haar pantomime met een stralende glimlach. “Ik heb een idee!” zei ze met een overtuiging of ze net de wet van Archimedes bedacht had. “Kijk… we weten niet of er nog andere lieden, opdrachtgevers bijvoorbeeld, achter deze twee trawanten verborgen zitten. Misschien is er toch meer aan de hand dan een gewone diefstal; de eerste mogelijkheid die je noemde, van een hooggeplaatste politicus die hier achter zit, zou ook waar kunnen zijn, we weten niet zeker dat dit niet het geval is.” Ze keek Tacitus aan met een zowel schrandere als verleidelijke blik. Hij smolt, zoals gewoonlijk. “Daarom heb ik een idee. Een plan, om de beide lieden, en eventueel ook hun mogelijke opdrachtgevers, allemaal voor de gek te houden.” Ze glimlachte triomfantelijk. Tacitus was een en al oor. Eva legde stap voor stap haar plan uit, Tacitus keek aanvankelijk nog wat gereserveerd, maar geleidelijk aan liet hij zich door haar overtuigen.
“Je hebt gelijk,” zei hij toen ze was uitgesproken, “dit is een uitmuntend plan. Zo gaan we dit doen, het is onze beste kans.”
De weken die volgden op hun gezamenlijke maaltijd gebeurde er niet veel, Tacitus zat een groot deel van de dagen in zijn werkvertrek te schrijven. Eva beperkte het contact met Falas tot het minimum, en Falas ging om de dag naar Pergugia, ‘om boodschappen te doen’, zoals hij zei.
Na twee weken, het was nu eind januari, kwam Falas weer terug van zijn ‘boodschappen’ in Perugia, en nam Eva apart. “Over twee dagen is het zover, dan moet je de manuscripten tevoorschijn halen, en onder je bed leggen in een tas die ik daar zal neerleggen.”
“Dat is te vroeg,” had Eva hem gezegd. “Ik heb meer tijd nodig.” Wat Falas ook protesteerde, Eva wist van geen wijken. “Zoek het maar uit!” had ze gezegd, “ik bepaal het tijdstip, basta!”
Falas was afgedropen en had de volgende dag Athanasius ingelicht. Deze geraakte erdoor in een slecht humeur, maar hij was machteloos tegen de grillen van deze vrouw.
Half februari besloot Eva dat de tijd rijp was. Ze instrueerde Falas om Athanasius te zeggen dat hij de volgende dag, kort na middernacht, bij de villa gereed zou moeten staan. Die avond verbleef Eva tot kort na middernacht in het slaapvertrek van Tacitus. Ze sloop zacht door de gangen naar diens werkvertrek, haalde een stapel manuscripten uit een geheime lade, en legde die in de tas die Falas had klaargelegd onder haar bed. Daarna ging ze snel weer naar Tacitus, en kroop bij hem in bed.
Falas pakte de tas, liep geruisloos naar buiten, en overhandigde de tas aan Athanasius, die snel maakte dat hij wegkwam. Falas ging snel en behoedzaam terug naar zijn kamer.
Toen Athanasius die nacht arriveerde in zijn appartement in Perugia, controlleerde hij snel de manuscripten, alle gevraagde teksten zaten in de tas. Tevreden legde hij de tas onder zijn bed, kleedde zich om, ging naar bed, en viel na slechts enkele minuten in een droomloze slaap. De volgende dag pakte hij de tas, en haalde de manuscripten er weer uit. Tevreden keek hij ze allemaal door. Het waren beslist de fragmenten waar hij op uit was. Deze klap zou Arius niet te boven komen, hij zou nooit over deze documenten kunnen beschikken, aangezien dit de oerteksten waren. Er waren nog geen kopieën van. Hij grijnsde, zich nog steeds verkneukelend over het gezicht van Arius als die te horen zou krijgen dat de manuscripten verdwenen waren. Hij bladerde nog wat door de manuscripten, en opeens aarzelde hij, er was iets vreemds aan, maar hij begreep niet waarom. Hij bladerde weer, heen en weer, maar stopte op een gegeven moment, hij staarde naar de onderkant van een vel, waar onderaan een ruimte was opengelaten. De tekst ging door op het volgende vel, maar het was volslagen onduidelijk waarom die tekst niet gewoon verder was geschreven in het open restant van het vorige vel. Hij stond op, en nam de vellen mee naar het raam, om ze met beter licht te kunnen bekijken. Vervolgens rook hij eraan, voelde aan de inkt, pakte nog wat vellen erbij en vergeleek ze met elkaar. Hij staarde een tijdje uit het raam, en liep toen weer terug naar zijn stoel. Langzaamaan drong de bittere waarheid tot hem door, zijn ingehuurde courtisane was voor de historicus gevallen, en had hem verraden.
Dit waren niet de oorspronkelijke manuscripten, het waren deels oude kopieën, vermoedelijk gebaseerd op eerdere, afgekeurde versies, die aangevuld waren met nieuwe kopieën; dit laatste verklaarde de open ruimte onderaan dat ene vel. Dat vel was onderdeel van een oude, afgekeurde versie, en het volgende vel, met de aansluitende tekst, de nieuwe kopie. Tacitus was hierdoor gedwongen geweest een deel van het vel leeg te laten. Als je het wist, dan viel ook het verschil in inktkleur op, de oude inkt was donkerder; en de nieuwe inkt verspreidde meer geur. Hij bleef een uur onbeweeglijk zitten broeden op een plan. Toen hij opstond wist hij wat hem te doen stond.
Athanasius liet een bediende naar het huis van Tacitus sturen om Falas op te dragen bij onmiddellijk hem langs te komen. Hij peilde het humeur van zijn bediende, en merkte al snel dat deze geen al te goedgunstige gevoelens meer had jegens de courtisane; en dat was zwak uitgedrukt. Toen hij zijn plan met Falas besprak aarzelde deze geen moment, hij was zonder meer bereid mee te doen, hij zou alles doen wat zijn meester hem opdroeg. De drie goudstukken die Athanasius hem had voorgehouden hadden hier ongetwijfeld mede een rol gespeeld, maar dat maakte Athanasius niets uit.
De volgende dagen hielden zij zich bezig met het nagaan van de gangen van de twee tortelduifjes. Ze bleken nu doe rituele ochtendwandeling samen te doen, iedere dag, zonder uitzondering. Athanasius liet Falas hen ongemerkt volgen, ze bleken altijd dezelfde route af te leggen. Toen dit eenmaal duidelijk was, liepen Athanasius en Falas aan het einde van een middag dezelfde route, om die te bestuderen.
Op een dag, in de tweede week van maart, liepen Tacitus en Eva hun gebruikelijke route in de ochtend. De wandeling duurde elke keer ongeveer een uur. Het eerste deel van de route was nog redelijk vlak, maar na een minuut of twintig werd het gaandeweg steiler, hoewel het nergens echt lastig werd, het pad was goed begaanbaar zonder wandelstok. Na ongeveer een half uur kwamen ze bij hun favoriete plek, waar ze altijd een tijdje genoten van het uitzicht. Terwijl zij daar gearmd stonden te genieten van het landschap en elkaar, kwamen er plotseling twee gemaskerde mannen tevoorschijn, beiden met een vlijmscherp mes in de hand. Het was een kort treffen, beiden werden eerst in de zij gestoken en daarna de keel doorgesneden, ze waren in luttele seconden, in elkaars armen, gestorven. Falas sleepte de lichamen naar een vers gegraven kuil, dumpte de lichamen erin, en bedekte ze met aarde en takken. Het zou wel even duren voordat de lichamen ontdekt zouden worden, meende Athanasius. Hierna snelde Falas naar de villa, griste de authentieke manuscripten uit de werkkamer en bracht ze naar Athanasius. Samen vertrokken ze uit Perugia en reden naar Rome. Athanasius gaf Falas zijn vrijheidsbewijs, en een flinke hoeveelheid zilveren en gouden munten. Hij raadde hem aan Italia te verlaten, en een nieuwe plek, ver van Rome vandaan te zoeken.
Op 21 april ging Athanasius in de ochtend naar het Pantheon, hij liep met zijn speciale lantaarn door de geheime tunnels, en bereidde zijn terugreis voor in de werkruimte. Om precies 12 uur haalde hij de hendel in de metalen cabine over. Hij stapte uit, en was eindelijk weer thuis.

