De Man van Smarten III — Jeruzalem, 33 AD

Man van Smarten

De Man van Smarten III — Jeruzalem, 33 AD

Cornelis de Bondt

III — Rome — 1656 AD

Kircher bleef een vol jaar in wat hij zijn ‘thuisjaar’ noemde, hij gebruikte het jaar om zijn volgende reis voor te bereiden. Het eerste deel van zijn plan had hij succesvol uitgevoerd, hij had de manuscripten waar de naam van Jezus, ook wel de Messias of de Christus geheten, een aantal malen in werd genoemd, en de persoon werd beschreven. De enige tekst over deze in het christendom centrale figuur buiten de teksten van de evangelieën. De positie van Arius was hierdoor voldoende verzwakt om de leer van het homoousios als voor de Kerk bindend principe te kunnen tegenhouden. Alexander zou zeer tevreden zijn over zijn magistrale zet, hoewel hij hem uiteraard niet op de hoogte zou brengen van de details… Maar er was nog een andere zaak die eveneens voor het oog van Alexander verborgen moest blijven, een ingenieus idee dat de kern van de tweede fase van zijn plan behelsde: de wederopstanding van de Zoon.

Hij bestudeerde oude teksten: bijbelteksten, apocriefe teksten, historische teksten, commentaren van kerkvaders, alles bij elkaar een omvangrijke hoeveelheid, geschreven in diverse talen, waaronder uiteraard Latijn en Grieks, maar ook teksten geschreven in Oudhoogduits en Middelhoogduits. Met name enkele apocriefe evangelieën hadden zijn interesse, die van Thomas, ook wel Toama genaamd, en van Maria Magdalena in het bijzonder. Maar ook het evangelie naar Johannes trok zijn aandacht, vanwege één klein tussenzinnetje. Geleidelijk aan kreeg zijn plan vorm. In januari van het nieuwe jaar had hij alle aspecten van zijn plan goed op een rij, hij wist precies hoe hij het zou gaan uitvoeren. Er was nog één technisch probleem dat hij moest oplossen voor hij kon vertrekken.

Het was beslist noodzakelijk voor zijn plan om flexibeler te kunnen zijn in zijn reizen. Vooralsnog had hij slechts de beschikking over één reisdag: de 21ste april, vanwege het feit dat dan de zon recht boven het oculus in de koepel van het Pantheon stond. Voor zijn op magnetisme gebaseerde machine was de intensiteit van het zonlicht dat zijn werkruimte binnenkwam op precies 12 uur in de middag voldoende voor de reis. Hij wilde de reis echter ook in de maand juni kunnen maken. Na enkele weken, waarin hij talloze ingewikkelde berekeningen maakte, kwam hij tot de slotsom dat de zon op de datum van de zonnewende eveneens voldoende kracht zou hebben. Hij besloot een experiment te doen, het was een gewaagde onderneming, maar als het zou mislukken dan had hij altijd de datum van 21 april nog tot zijn beschikking, en hij meende niet dat er gevaar was voor zijn leven. Op 21 juni, om 12 uur in de middag, sloot hij de deur van zijn cabine en haalde de hendel over. Op 21 april, op het zelfde uur, opende hij de cabinedeur weer. Hij was twee maanden terug in de tijd gereisd. Zijn experiment was gelukt. Hij beschikte nu over twee verschillende reisdagen, en de mogelijkheid van een oneindige loop in het tijdsbestek van twee maanden.

Op 21 juni 1656 kwam hij zijn geheime bergruimte in het Pantheon binnen, hij sloot de ruimte secuur af, en zette zijn draagtas en plunjezak in de metalen cabine. Hij had voldoende Romeinse munten bij zich, goud-, zilver- en kopergeld, zodat hij zonder op te vallen betalingen kon doen. Precies op het middaguur vertrok hij.

Jeruzalem — 32-33 AD

Athanasius had iets buiten het centrum van Jeruzalem een appartement gehuurd. Het bevond zich op een half uurtje lopen van de ‘schedelplaats’, de executieplek buiten de stad. Hij was er in het najaar aangekomen, de reis vanuit Rome had langer geduurd dan verwacht, maar hij was ruim op tijd om zijn plan zonder problemen uit te kunnen voeren. Hij gebruikte de laatste weken van het jaar om zich tussen de volgelingen van Jezus van Nazareth te begeven. Al snel werd hij als een welkome gast beschouwd, die met verstandig commentaar op de juiste momenten, op kalme, bescheiden toon uitgesproken, zich het nodige respect wist af te dwingen. Hij wist met name het vertrouwen te winnen van Toama, de tweelingbroer van Jezus. Deze Toama zou een cruciale rol in zijn plan gaan spelen. Athanasius had de veronderstelling dat Jezus een tweelingbroer zou hebben gehad gelezen in twee apocriefe evangelies, die van Toama zelf, en die van Maria Magdalena. Maar ook in het Evangelie naar Johannes stond een aanknopingspunt, wanneer er gesproken wordt over Toama [Joh. 20:24]: En Thomas [Toama], een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam. ‘Didymus’ betekent namelijk ‘tweelingbroer’, net als het Hebreeuwse ‘Toama’ [of ‘Taoma’]. Dat Toama zich de meeste tijd buiten de directe cirkel rond Jezus hield was voor Athanasius een bijkomstig voordeel. Jezus en Toama werden nauwelijks met elkaar gezien, Toama hield zich afzijdig van de acties van zijn veel militantere tweelingbroer. Jezus was een Zeloot, een zich tegen het Romeinse gezag verzettende activist. Dat zou hem uiteindelijk duur komen te staan, maar dat deel van het verhaal is een gekende geschiedenis.

Maria Magdalena was ook van groot belang voor het slagen van Athanasius’ plan, maar vooral omdat zij een mogelijk obstakel zou kunnen blijken. Een van zijn eerste bezigheden was daarom het vertrouwen van deze beide personen zien te winnen. Bij zijn eerste kennismaking met Toama zag hij meteen de sterke gelijkenis tussen de broers, de hypothese van de tweelingbroers bleek dus op waarheid te berusten, iets waarvan hij al vanaf het begin van zijn onderzoek overtuigd was geraakt. Het problematische aan de positie van Maria was dat zij de geliefde was van Toama. Dus niet van Jezus, zoals hij in andere teksten had gelezen. Die verwarring was uiteraard goed te begrijpen. Het probleem voor Athanasius was dat de twee geliefden, wilde zijn plan kans van slagen hebben, hun relatie zouden moeten verbreken. De eerste opdracht die hij zichzelf stelde was uit te zoeken hoe kansrijk deze breuk zou zijn, ze leken beiden erg verliefd.

Het eigenaardige aan zijn plan was, dat de rol van Jezus van secundair belang was. Hij was een essentieel onderdeel van het verhaal, maar de wijze waarop het verhaal zich zou ontvouwen, met name het proces tegen hem, en zijn executie, was van ondergeschikt belang. Het enige wat voor Athanasius van belang was, was dat hij zou sterven en begraven worden. Athanasius bemoeide zich dus niet met het proces, maar hij regelde wel het verraad door Judas Iskariot, om Jezus in handen van de Romeinen te spelen. De bekende ‘dertig zilverlingen’ waren in werkelijkheid 33 denarii, die hij aan Judas had betaald. Dat symboliek van het getal 33 vond Athanasius van een onweerstaanbare schoonheid. Athanasius regisseerde ook Judas’ dood.

In de maand voorafgaand aan het proces dat door de Joodse religieuze leiders van het Sanhedrin zou worden aangespannen, wilde Athanasius bij Toama nagaan of deze geïnteresseerd zou zijn in een cruciale rol voor de Joodse zaak. Athanasius had met Toama afgesproken in een uitspanning aan de rand van de stad, het was warm voor de tijd van het jaar, ze zaten in de schaduw van een olijfboom, met een kruik wijn en wat dadels binnen handbereik. Athanasius zou omzichtig te werk moeten gaan. Hij moest eerst te weten zien te komen in welke mate Toama trouw was aan de zaak van zijn broer.

“Ik heb opgemerkt dat u zich gereserveerd opstelt in de strijd van uw broer tegen het Romeinse gezag,” was Athanasius het gesprek begonnen. “Vreest niet! Ik ben de zaak ook toegedaan, en zie net als hem de Romeinen als bezetters.”

Toama keek hem enigszins wantrouwend aan. Hij was voorzichtig. “Wat bedoelt u precies?”

“Jezus is volkomen helder in zijn uitgangspunten, hoewel hij die met een zekere gevoel voor diplomatie verkondigt. Hij strijdt enerzijds voor een politiek ideaal, maar weet dit goed te maskeren achter een religeuze ideologie, door zich als de Zoon van uw God, de Vader, te presenteren. Dat is een slimme zet. Als u mij goed begrijpt…” Niet geschoten is altijd mis, dacht Athanasius. Hij meende Toama nu goed genoeg te kennen om hem via deze weg te benaderen voor zijn plannen.

“Ik keur de politieke strijd af. Om twee redenen: de directe strijd tegen de Romeinse keizer is niet te winnen, maar de religieuze strijd wordt door de eerste bezoedeld.” Hij keek Athanasius licht misnoegd aan.

“Dat begrijp ik heel wel,” zei Athanasius. “Maar wat, als er een manier is om die religieuze strijd in uw voordeel te beslechten, zonder dat u concessies hoeft te doen met betrekking tot die politieke strijd?”
Toama keek hem nog steeds wantrouwend aan, maar Athanasius had wel zijn nieuwsgierigheid gewekt.

“Hoe bedoelt u?”

“Ik bedoel dat er wellicht een manier is om de woorden van Jezus in een ander licht te plaatsen, waardoor ze uw strijd ondersteunen, maar niet de politieke strijd versterken.” Dat was in feite een herhaling van zetten, maar Athanasius besefte dat het niet alleen de inhoudelijke argumenten waren die hem Toama’s vertrouwen zouden opleveren, maar ook, en wellicht vooral, de aard en stemming van hun conversatie. Het kwam aan op geduld betrachten.

“Dat zei u al,” zei Toama ongeduldig.

Met de man viel niet te spotten, dacht Athanasius. “Zeker,” antwoordde hij, “maar de kwestie is een delicate. Aftasten, wegen en inschatten zijn een essentieel onderdeel van gevoelige processen.”

“Met de wegen Gods valt niet te marchanderen,” zei Toama stuurs.

Hij lijkt Alexander wel, dacht Athanasius licht overdonderd, hij besloot het over een andere boeg te gooien: “Zo bedoel ik het zeer zeker niet. Laat ik eerst een andere vraag stellen: hoe hoog schat u de kansen van uw broer momenteel in? Zal hij zijn doel bereiken?”

Toama keek hem onderzoekend aan, en vroeg: “Wat is uw belang in dezen?”
Daar wist Athanasius wel raad mee. “Mijn belang is van geen belang. Ik sta in dienst van de Heere Heere. Diens belangen zijn mijn belangen.” Hij keek Toama hierbij aan met de meest ernstige blik die hij in huis had.

Het antwoord scheen Toama te bevallen. “Goed,” zei hij, “dan zal ik u antwoorden. Mijn broeder heeft geen schijn van kans tegen zijn politieke tegenstanders, zowel die van het Romeinse gezag, maar vooal die van binnen het Joodse gezag, en die zijn een aanmerkelijk fundamenteler niveau.”

“Doet deze vaststelling u wanhopen voor wat betreft uw goede zaak?”

“Ik heb een rotsvast vertrouwen dat de Heer mij de juiste instrumenten in handen geeft om Zijn zaak te dienen.”

Athanasius dacht: Beet! “Wellicht heeft het de Heer behaagd om mij als Zijn instrument tot u te zenden.”
Toama moest hier over nadenken. “We zullen zien,” zei hij tenslotte peinzend, “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.”

“Laten wij dit als voorlopige conclusie omarmen,” zei Athanasius. “Ik stel voor dat we hier volgende week weer over spreken, u kunt dan in de tussentijd uw gedachten bepalen; wij weten meer over de voortgang van het proces waarvan wij alle twee weten dat het onvermijdelijk is.” En je kunt intussen informatie over mij verzamelen, wat je ongetwijfeld van plan bent, dacht hij voorts.

Toama ging met het voorstel akkoord, zij zouden elkaar over zeven dagen op dezelfde plek treffen.

Athanasius besloot meteen werk te gaan maken van Maria Magdalena. Ook met haar sprak hij ergens af om een eenvoudige maaltijd te nuttigen, uiteraard niet op dezelfde plek als waar hij met Toama had vertoefd.

Maria viel meteen met de deur in huis: “Waarom wilde u met mij afspreken?”

Athanasius had alle mogelijke wendingen van tevoren goed doorgenomen. Hij moest haar stap voor stap, op subtiele wijze, voor zich winnen. “Ik heb Toama gisteren ontmoet, om een zaak van belang te bespreken.”

“En waarom is dit een zaak in mijn belang?”

Ze hield kennelijk niet van barokke omwegen, stelde Athanasius vast. “Omdat ik meen dat u beiden geliefden bent.” Als zij een directe aanpak verkoos, dan kon zij die krijgen, dacht hij.

Maria staarde hem peilend aan. “En waarom is dat in uw belang?”

“Niet in mijn persoonlijke belang,” legde Athanasius uit, “het is in het belang van de zaak van Toama, een kwestie van een diep en fundamenteel religieus belang, een belang dat ik ondersteun.”

Ze leek nog niet overtuigd. “Welk belang is dat precies?”

Athanasius greep terug op de tactiek van de terugtrekkende beweging die de grotere sprong voorwaarts moest bewerkstelligen: “Uw geliefde, Toama, heeft ambivalente gevoelens voor de strijd van zijn broer. Enerzijds is er de politiek strijd, waar hij tegen gekant is, of althans niet van overtuigd is dat die op korte termijn tot iets goeds zal leiden; anderzijds is er de religieuze kwestie, de bekrachtiging en versterking van het Joodse geloof. Het is dit laatste streven waar hij zich voor wil inzetten…”

Maria onderbrak hem: “Jaja, die verhalen ken ik wel. Maar het zijn uiteindelijk altijd de mannen die alles bepalen. Vooral in het Joods-religieuze gedachtengoed. Er is één God, en Die is een man. De leerlingen van Jezus: allemaal mannen. De Romeinse, en ook Griekse goden bestaan tenminste ook nog uit vrouwen. Ik ben de enige vrouw in de cirkel rond Jezus, en dat is uitsluitend te danken aan de invloed van diens tweelingbroer! Het wordt tijd dat dit mannenmonopolie doorbroken wordt! Mannen denken maar aan één ding: macht! Ook als het om vrouwen gaat, één ding: macht!”

Ze hapte even naar adem, waar Athanasius dankbaar gebruik van maakte. Vrouwen! dacht hij, maar hij was flexibel genoeg in zijn denken om de realiteit van de omstandigheden op de juiste waarde te kunnen schatten. Alles voor de goede zaak! “Ik begrijp uw punt. En dat niet alleen, ik onderschrijf het ook. Vrouwen zouden op aan de mannen gelijkwaardige wijze in het complexe religieuze denken en voelen betrokken moeten worden. Hoe staat Toama hier tegenover, is hij een medestander in deze kwestie?”

Maria keek hem aan met haar onpeilbare donkere ogen. “Wij zijn als Isis en Osiris,” zei ze tenslotte. “Wij zijn één in deze kwestie, in ons verbindt zich het mannelijk en vrouwelijk principe. De Oergod was in de begintijd noch manlijk, noch vrouwelijk; de Oergod was onzijdig en beiden tegelijk, zij waren onscheidbaar, ondenkbaar en een uitdrukking van zowel het Alles als het Ene.”

Athanasius werd opeens door een gevoel van onrust overmeesterd. Deze vrouw is sterk als een os, dacht hij, zij is sterker dan Toama. Ze verwijst niet voor niets naar die oude Egyptische mythe, ze heeft een plan, een richting, een doel. “Het zijn oeroude principes waar u naar verwijst,” zei hij tenslotte, “maar, het zijn ook vergeten principes, principes die niet meer met het zielenleven van de mens verweven zijn. Daarvoor heeft de Man teveel macht verworven. U zult moedig, standvast, maar ook listig en verfijnd moeten handelen om de zaak die u wilt dienen tot een goed einde te brengen. Ik moet bekennen dat u mij overviel met uw, overigens, zeer tot de verbeelding sprekende denkbeelden. Ik wil hier graag over nadenken, en later op terugkomen.”

Maria keek hem aan met een vleug van minachting. “Zo u wilt. Neem de tijd. Misschien kijk ik ooit nog een keer achterom, en zie ik u ver weg achter mij aan de verdwijnende horizon: een nietig stipje.”

Athanasius gunde haar dit punt. “Welnu,” zei hij, “ik trek mij een wijlen terug achter mijn horizon, en dan spreken wij over enkele dagen weer af. Dan zal ik komen met een voorstel, dat bij zowel u als uw geliefde in de smaak zal vallen.”

Weer in zijn appartement aangekomen dacht hij ruim een uur na, zonder zich te verroeren. Pas toen er een bruikbare gedachte geboren werd stond hij op; hij schonk zich een beker wijn in, vulde een schaaltje met noten, olijven en dadels, en zette zich buiten op een bank in zijn patio. Hij zag de contouren voor zich van een plan, waarbij hij zowel Toama als Maria, met hun beider instemming, zou kunnen inzetten voor zijn grotere doel. Dat plan zou werken, zo voelde hij, maar het cruciale punt was of hij de beide geliefden daarvan zou kunnen overtuigen. Athanasius dacht na over het verschil tussen het ontwerpen en construeren van apparaten, en het plannen en overgeleverd zijn aan wat de mensen uiteindelijk doen met de opgedragen taken: Athanasius veroorloofde zich een stoutmoedige gedachte: Wat nu, als de genade geen gift des goden is, maar een deugd? Dan zou het resultaat een gevolg zijn van het eigen werk, een creatieve daad dus; want, en dit herinnerde hij zich nog goed uit de teksten van die oude Griekse denker, de deugd is niet het resultaat van een eigenschap, maar van een handeling.

In de tijd dat Kircher als wiskunde docent werkte in Heiligenstadt, werd hij verzocht ter ere van het bezoek van de aartsbischop van Mainz de feestelijkheden op te luisteren met vuurwerk en een illusiespel. Voor dit laatste had hij een speciale spektakelstuk bedacht, om te tonen wat de godvruchtigheid van de clerus vermag, een eerbetoon aan de bisschop. In het koor was een opstelling gemaakt, met aan de zijkanten twee manshoge eikenhouten kasten, op ruime afstand van elkaar. De deuren waren gesloten. Het publiek zat in het middenschip, met de aartsbisschop centraal voor het podium, en de hoogwaardigheidsbekleders aan weerszijden naast hem. Kircher stond midden tussen de beide kasten. Op zijn teken werden er rond de beide kasten lantaarns aangestoken, waardoor deze in een zee van licht baadden. Hierna klonk een donderende stem, ergens vanuit een donkere plek achter het koor; de stem declameerde Bijbelse teksten, in het Latijn, over de macht en de kracht van God. Toen de stem was uitgesproken wenkte Kircher naar de zijkant van het koor, en een man verscheen in het schip, gekleed in een vuurrood gewaad, met een rechte ultramarijnblauwe stola over beide schouders, op zijn hoofd een bonnet, eveneens in ultramarijnblauw. Hij liep naar de aartsbisschop, ging voor hem staan en maakte een diepe buiging. Daarna liep hij het podium op. Kircher begeleidde hem naar de linker kast, opende de deur, en toonde de lege binnenkant. De man bleef naast de kastdeur wachten. Kircher liep naar de rechter kast, en opende daarvan ook de deur, met hetzelfde resultaat, ook deze kast was leeg. Kircher gaf opnieuw een teken, en er verscheen een kapelaan op het podium.

Hij gaf een knik naar de man, en deze liep met een elegante pas de kast in, draaide zich om met zijn rug naar de achterkant van de kast, en maakte een beleefde buiging naar de bisschop. De kapelaan liep naar de linker kast, de kast met de man erin, en pakte de deurknop vast. Kircher stelde zich op naast de deur van de rechterkast. Vanachter het koor klonk een zachte tambour-roffel, die geleidelijk aanzwol tot een oorverdovende geraas. Toen Kircher weer een kort knikje gaf, stopte de roffel abrupt. De kapelaan deed de deur van de kast dicht, en meteen nadat deze gesloten was, opende Kircher de kastdeur naast hem, en daar stond dezelfde man weer; deze stapte na een teken van Kircher met een elegant gebaar uit de kast, en maakte daarna opnieuw een buiging naar de aartsbisschop. Kircher gaf een teken naar de kapelaan, die opende de deur van zijn kast, en die was leeg. Er klonk een aanzwellend gejoel en applaus van het publiek, iedereen was perplex van het wonder dat hier had plaatsgevonden. De man liep van het podium af, en ging weer voor de aartsbisschop staan, waarbij hij wederom een diepe buiging maakte. De bisschop bekeek de man van top tot teen, maar het was overduidelijk dezelfde man, hij kon geen verschil ontdekken. De bisschop keerde zich naar het publiek, maakte een kruis en zegende daarna de aaanwezigen met brede, theatrale gebaren. Hierna voegde Kircher zich bij hem, en liet zich uitgebreid feliciteren met het schitterende spektakelstuk. Kircher keek hierbij of het allemaal de gewoonste zaak van de wereld was, hij was een door God gezegende.

Athanasius dacht terug aan die ene avond in Heiligenstadt, een triomfantelijke glimlach vormde zich om zijn mond. Het was een van zijn mooiste trucs, maar, zo moest hij zichzelf wel toegeven, hij had hiervoor stom geluk had. Bij een bezoek aan het niet zo ver gelegen Kassel had hij een keer een tweeling ontmoet, waarva de beide broers sprekend op elkaar leken. Hij had beide mannen ingelicht over zijn kunststukje, en gevraagd of ze bereid waren eraan mee te doen, tegen een goede beloning uiteraard. Ze vonden het een zeer geestig plan, en een aartsbisschop voor de gek houden wilden ze maar al te graag. Na de voorstelling had de eerste van de beide mannen, die door de verstopte deur achterin de kast was ontsnapt, zich razendsnel naar een kleine vertrek achter het koor begeven, waar hij zich had omgekleed; daarna had hij de kerk heimelijk verlaten. Het effect van Kirchers speciale lantaarns en spreekbuizen was een groot succes geweest. Het was ook een gunstige bijkomstigheid gebleken dat de kapelaan over een luide, zware stentorstem beschikte, die door het effect van zijn spreekbuizen hun uitwerking op het publiek niet gemist hadden. Nu werd het tijd voor de finale herhaling van zijn wisseltruc, het pièce de résistance van zijn plan; de eerste was een grap geweest, deze zou bloedige ernst worden. Hij zou opnieuw met Toama moeten spreken, en hem op de hoogte brengen van het plan. Dat was een delicate kwestie, maar hij kon er niet te lang meer mee wachten. Ook Maria Magdalena moest uiteindelijk bij het plan betrokken worden, en hij vermoedde dat het nog lastiger zou zijn haar te overtuigen.

Tien dagen na de eerste ontmoeting met Toama spraken beide mannen elkaar weer, op dezelfde uitspanning. Athanasius zag dat Toama’s blik nog steeds wantrouwen uitstraalde, hij moest omzichtig te werk gaan. “Hebt u nog nagedacht over mijn voorstel?” begon hij.

“Welk voorstel?” Toama keek hem vorsend aan.

“Dat ik u zal helpen met uw zaak.”

“Waarom zou ik u daarbij nodig hebben?”

“Omdat ik uw zaak beter begrijp dan uw broer, bijvoorbeeld.” Dat was persoonlijk, maar hij wist van zijn informanten dat Toama en diens broer steeds verder uit elkaar waren geraakt. “Bovendien,” ging hij snel verder, toen hij zag dat Toama wilde reageren, “ben ik een ziener.” Dat was een brutale zet, maar soms moet men kloek handelen. De leeuw moet zijn prooi behoedzaam besluipen, maar op het moment dat hij zijn prooi wil bespringen, dient hij kordaat en zonder aarzelen te handelen.

“Een ziener…” zei Toama aarzelend.

“Een ziener.” Athanasius keek hem aan met een ernstige blik die geen tegenspraak duldde. “Uw broer is momenteel in Galilea, en ik zie dat uw broer met zijn volgelingen via Betanië en Jericho naar Jeruzalem zal trekken, om aldaar het Pesach te vieren.”

“Je hoeft geen ziener te zijn om dit te voorspellen, ik ken zijn plannen al enkele dagen.”

“Hij zal Jeruzalem binnenrijden op de rug van een ezel, de menigte zal hem toejuichen, en roepen: ‘Ziehier: de koning der Joden!’”

Nu keek Toama hem nieuwsgierig en indringend aan. “Op een ezel?” vroeg hij tenslotte.

“Op een ezel.” Athanasius keek hem recht in de ogen. “De Heer der Heerscharen heeft het behaagt mij dit te openbaren in het belang van het Ware Geloof.”

“We zullen zien,” was Toama’s enige commentaar.

“Velen zullen ziende blind zijn, en slechts enkelingen blind ziende,” stelde Athanasius eenvoudig.

“U spreekt als mijn broer, maar ik geloof alleen wat mijn ogen zien.”

“Zo u wilt,” zei Athanasius begripvol, hij voelde dat hij het bij deze man niet op de spits moest drijven.

“Laten we elkaar dan op die dag weer zien, dan zal ik u mijn plan ontvouwen waarmee u het Ware Geloof zult redden.”

Toama knikte hem met een onzekere blik toe, en zei: “Aldus geschiede,” waarna hij vertrok.

Athanasius bleef nog een tijdje onder de olijfboom zitten, hij nam de tijd om zijn wijn op te drinken en na te denken. Hij kwam tot de conclusie dat het goed was dat hij zijn plan nog niet volledig aan Toama had toevertrouwd. Die dag van de intocht in Jeruzalem zou alles mogelijk maken. Ik moet nog wel een ezel regelen, dacht hij, maar dat is niet de lastigste klus. Hierna dacht hij na over Maria Magdalena, het was hem nog niet duidelijk wanneer hij haar over zijn wisseltruc zou inlichten. Bij het gesprek met haar was hem opgevallen dat ze ook kritisch was over haar geliefde, althans in die zin, dat hij een man was, en alle mannen beschouwde zij als antagonisten. Hij meende dat hier een opening lag om haar en haar geliefde uit elkaar te drijven. Zij had niet voor niets verwezen naar de mythe van Isis en Osiris. Kircher had zich als jongeman al zeer verdiept in de geschiedenis en de cultuur van Egypte. Hij kende de mythe zeer goed, en wist opeens hoe hij Maria kon bespelen.

Isis was van het tweetal de machtigste. Nadat Osiris door diens broer Seth was gedood, en zijn lichaam door deze aan de krokodillen was gevoerd, was het Isis geweest die hem weer tot leven had weten te wekken, door alle delen van het lichaam weer bij elkaar te passen. Alleen een deel had ze niet meer kunnen terugvinden, zijn geslacht. Dat was natuurlijk geen toeval, dacht Athanasius, zij moest de bovenliggende partij blijven. Jaren later — eeuwen in feite, maar dat was voor hem een futiliteit — was hij op het begrip ‘penisnijd’ gestuit, die hij in een tekst van een Joodse arts had gelezen. Athanasius vond het een zeer toepasselijke omschrijving voor zowel het gedachtengoed van Isis als Maria. Wat is de geschiedenis toch een wonderbaarlijke, om niet te zeggen magistrale affaire, bedacht hij, tenminste, als je haar een handje kunt helpen. Hij zou Maria losweken van Toama door haar ervan te overtuigen zich volledig in de rol van Isis te laten opgaan. Daar lag zijn kans. Niet alleen Toama was een man, diens bejubelde broer Jezus was dit ook. En die was bezig met een operatie die typisch manlijk genoemd mocht worden: de strijd tegen de Romeinse bezetters. Zij zou het betere, vrouwelijke alternatief vormen. Waar Osiris en Seth elkaar vonden in de strijd, was het door de helende gave van Isis onverwacht goed afgelopen met Osiris; op dat ene detail na dan, maar waar gehakt wordt vallen spaanders. Hoe langer hij hierover nadacht, des te zekerder wist hij dat dit de te volgen tactiek moest zijn. Hij besloot haar op te zoeken na het nieuwe gesprek met Toama volgend op Jezus’ intocht.

Zoals Athanasius al vaker had ondervonden, de menselijke ziel is van een andere orde dan die der apparaten. Twee dagen na zijn gesprek met Toama stormde Maria zijn appartement binnen.

“Zo, dus u bent een ziener?!”

Athanasius begreep dat hij zijn plan weer moest bijstellen. “Jazeker,” zei hij met een stem die geen tegenspraak duldde. Hij zette daarbij de meest vastberaden blik die hij in huis had op.

“Jezus rijdt op een ezel deze stad binnen?”

“Jazeker.”

“En wat ziet u dan nog meer, of is dit alles?” Haar stem klonk uitermate sceptisch.

“Ik zie wat de Heer der Heerscharen belieft mij te openbaren,” zei Athanasius kalm.

“En wat ziet deze ‘Heer’ dan nog meer, als ik vragen mag?” Ze sprak het woord ‘Heer’ uit alsof het een bedorven vrucht was.

“U gelooft mij niet,” stelde Athanasius vast. “Waarom zou ik u dan in kennis stellen van nog andere zaken?” Bluffen — pochen — is soms de enige realistische uitweg, meende hij. Hij was een tamelijk fanatiek beoefenaar van het Pochspiel, hoewel hij hier vanwege zijn priesterambt geen ruchtbaarheid aan gaf.

“Dat ik u niet geloof zal u er niet van weerhouden om te proberen mij te overtuigen,” kaatste ze.

Athanasius begreep dat hij nu moest toeslaan, wilde hij een kans maken haar voor zich te winnen. “Ik zie meer dan de intocht in deze stad van Toama’s broer op een ezel,” zei hij. “Ik zie ook dat hij daarna nog maar enkele dagen te leven heeft.”

Maria draaide haar gezicht in zijn richting, en keek hem opeens geïnteresseerd aan. “Vertel!”

“Ik zie ook dingen die u betreffen.”

“Mijn leven eindigt ook?” vroeg ze sarcastisch.

“Dat is zeker, maar niet zo snel,” grijnsde hij. Daarna ernstig: “Ik zie een toekomst voor u, en wel een belangrijke.”

“Vertel over Jezus,” zei ze, eveneens ernstig. “Is hij in gevaar?”

“Ja, hij is in gevaar, maar niet omdat het lot dit zo bepaald heeft. Niets van wat hem zal overkomen heeft hij niet zelf over zich afgeroepen. Hij is de enige die zijn eigen lot bepaalt. Ik — in naam van de Heer — bepaal niet zijn lot, ik zie het alleen. Ook uw levensweg zie ik, maar ik ben niet bij machte deze over u af te dwingen. U hebt de keuze een andere weg in te slaan. Ik zie de mogelijkheden, zou je kunnen zeggen; ik zie wat op uw weg ligt, mocht u kiezen deze weg te gaan.”

“Kunnen wij Jezus niet redden?” vroeg ze; er klonk een mengeling van angst en daadkracht in haar stem.

“Nee. Net zomin als ik bij machte ben zijn lot te wijzigen, bent u dat.”

“We moeten hem waarschuwen!”

“Dat kunt u doen. U kunt proberen hem van gedachten te laten veranderen, hem vragen een andere weg te kiezen. Anderen hebben dit reeds voor u gedaan, zonder ook maar het geringste resultaat.” Athanasius wist dat ze hierover met Jezus zou spreken, maar hij kende het resultaat al vele eeuwen.

“Ja,” zei ze vastberaden, “dat zal ik zeker doen. Naar mij zal hij luisteren.”

Ze moest doen wat ze niet laten kon, het zou zijn plan niet beïnvloeden, daar was hij zeker van. Athanasius stelde haar voor dat zij elkaar op de dag na Jezus’ intocht weer zouden treffen. Toama moest daar ook bij zijn.

Nadat Maria had toegestemd om hem samen met Toama in zijn appartement te ontmoeten, vertrok zij. Athanasius meende dat hij een succelsvolle opening bij haar had gevonden; het begin was er, de rest zou volgen. Hij was nogal tevreden over zijn eigen optreden. Hij begon zelfs enig plezier te krijgen in het leren omgaan met de onvoorspelbaarheid van de menselijke ziel, het scherpte je eigen denken en handelen op een wijze die niet gegeven is aan die van de apparaten. Het besef begon tot hem door te dringen dat er een diepere betekenis lag achter deze beproevingen, een betekenis die van fundamenteel belang zou kunnen blijken voor het welslagen van zijn gehele onderneming. Hij liep de patio op en keek een tijdje peinzend naar de lucht. Hij hoorde het dwingende doordringend gegaggel van ganzen, het oeverloze gekakel van eenden, het klaaglijk balken van een ezel, zonder er echt naar te luisteren, zoals je het tikken van een uurwerk kunt horen, zonder je je ervan bewust te zijn. Horen doe je voortdurend, dacht hij, maar luisteren is een handeling, een deugd. Er viel niet veel meer te doen, alles was in gang gezet voor de bewuste intochtsdag, alle voorbereidingen getroffen, hij hoefde alleen maar te wachten; maar het nietsdoen viel hem zwaar. Hij hoefde alleen de ezel nog te regelen, maar dat was allesbehalve een lastige opdracht te noemen; hij wist precies waar en wanneer Jezus om het dier zou vragen, het dier daar ter plekke te laten vinden was een koud kunstje. Er stond voor hem zeer veel op het spel, alles eigenlijk; één in alles en alles in één. Alles of niets.

Het gejoel, gejuich en kabaal was enorm; het tafereel deed er niet voor onder: Jezus, gezeten op een ezel, de menigte die kleden voor de ezel op de weg legden, palmtakken boven zijn hoofd hielden, wuivende handen en het voortdurende gescandeerde Koning der Joden! De Romeinse soldaten, die her en der zichtbaar waren, hielden zich afzijdig. Athanasius stond verdekt opgesteld achter een pilaar van een tempel. Hij grinnikte besmuikt toen hij de bil van de ezel zag, met daarop het gebrandmerkte getal XXXIII; hij had het niet kunnen laten. Hij zag Toama en Maria aan de overkant van de weg staan, half verscholen in de menigte. Zij juichten niet. Opeens wees Maria ergens naar, ze zei wat tegen Toama, die vervolgens dezelfde kant op keek, ze begonnen druk met elkaar te praten. Athanasius probeerde te ontdekken waar het tweetal kennelijk door van slag was geraakt, vanuit zijn hoek was dat aanvankelijk niet te zien, maar opeens kwamen er enkele mannen tevoorschijn, die zwijgend, en af en toe elkaar iets in het oor fluisterend, tussen de menigte met de stoet meeliepen, Athanasius herkende Kajafas, Malchus en Annas, die gezamenlijk met enkele andere Schriftgeleerden kennelijk hun confrontatie met Jezus aan het voorbereiden waren. Toama en Maria hadden zich intussen uit de voeten gemaakt. Weer iets wat niet gepland kan worden, maar wel uitstekend gebruikt, dacht Athanasius. Hij zou de ontsteltenis die hij meende te ontwaren bij Toama en Maria, toen zij de konkelende Schriftgeleerden zagen, goed kunnen gebruiken om hen het laatste zetje te geven om aan zijn plan mee te werken. Hij zou ze de volgende dag over de streep trekken. Alles of niets.

De volgende dag rond het middaguur troffen Toama, Maria en Athanasius elkaar in de patio van diens appartement. Athanasius had een kruik rode wijn en wat ongezuurde broden klaargezet, het leek hem toepasselijk. Na de gebruikelijke beleefdheden uitgewisseld te hebben stak Athanasius van wal: “U hebt beiden met eigen ogen kunnen waarnemen dat het eerste gedeelte van mijn profetie is uitgekomen. Ik zal u dadelijk de rest van wat mij geopenbaard is vertellen, en daarna het plan ontvouwen dat ik heb om het Ware Geloof te dienen.” Athanasius had zijn beide handen devoot in zijn schoot gelegd terwijl hij sprak.

“U zinspeelt op de dood van mijn broer,” zei Toama bedachtzaam. Maria zweeg.

“Onder andere ja, maar er is meer,” antwoordde Athanasius. “Het zal u beiden niet ontgaan zijn welke rol Kajafas en zijn trawanten in deze kwestie spelen.”

“Dat is ook niet zo moeilijk te voorspellen,” zei Maria bits. “Daar hoef je geen ‘ziener’ voor te zijn.” Uit de manier waarop de het woord ‘ziener’ uitsprak begreep Athanasius dat zij nog niet volledig overtuigd was van zijn voorspellende gaven.

“Ik zal u precies vertellen wat er zich de komende dagen gaat afspelen,” zei Athanasius. “Als u dan nog niet overtuigd ben van de door de Here aan mij verleende gaven, en van mijn goede bedoelingen, dan rest mij niets anders dan ‘mijn handen in onschuld te wassen’. En dat is precies wat de prefect Pontius Pilatus zal zeggen wanneer hij de komende executie van Jezus zal bekrachtigen. Ook dat kunt u controleren, maar dan zijn we rijkelijk laat om nog tot actie over te gaan.” Hij sprak op neutrale toon, zonder stemverheffing.

Maria maakte aanstalte voor een tegenwerping, maar Toama was haar voor: “Goed. Vertel ons dan wat er gaat gebeuren, inclusief alle details, zodat wij ons zowel een beeld kunnen maken van wat komen gaat, als een indruk krijgen van uw vermogens. Daarna zullen we zien of, en hoe wij met u in zee zullen gaan.” Maria gaf zich voorlopig gewonnen, ze steunde haar geliefde, hoewel met enige tegenzin.

Athanasius gaf vervolgens een uitgebreide beschrijving van de gebeurtenissen van de komende dagen, het beschreef het verraad van Judas Iskariot, diens zelfdoding door ophanging, de arrestatie van Jezus op last van de Schriftgeleerden, het gewapende verzet, het afgesneden oor van Malchus, het schijnproces in het huis van de hogepriester Kajafas, de mislukte poging van Pilatus om het Joodse volk de kans te geven Jezus vrij te pleiten door de misdadiger Barabas aan te bieden, de bespottingen, de doornenkroon en ten slotte de kruisiging. Geen detail liet hij achterwege. Hij zag aan de blikken van Toama en Maria dat zij zeer aangedaan waren, en onder de indruk van zijn betoog.

“Maar dan kunnen we Jezus nog redden,” had Maria opgeworpen, “we kunnen hem vertellen over het komende verraad van Judas!” Athanasius had haar gezegd dat dit zinloos zou zijn, Jezus wist al dat Judas hem zou verraden, maar hij had gekozen zijn lot te dragen.

“Jezus zal gekruisigd worden op Pesach op de heuvel Golgotha, op het derde uur na zonsopgang. Om middernacht zal de Heer de zon gedurende drie volle uren verduisteren.” Toama en Maria keken hem diepverslagen aan toen Athanasius zijn profetie had beëindigd. Ze zwegen minutenlang, de tranen liepen vrijuit over hun wangen.

Maria was de eerste die zichzelf weer in bedwang kreeg. “Ik moet toegeven dat dit overtuigend klinkt,” zei ze. “De overdaad aan details lijken de onoverkomelijkheid ervan te onderschrijven. Als uw verhaal een verzinsel blijkt te zijn, dan kunt u zich beter nu al snel uit de voeten maken, mijn toorn zal u treffen als een bliksemschicht!” Ze keek Athanasius hierbij furieus aan.

“Alles wat ik gezegd hebt zal geschieden,” zei deze eenvoudig. “Het is de Wil van de Heer.”

“Wat is uw voorstel?” vroeg Toama.

Hij heeft behoefte aan een perspectief, dacht Athanasius tevreden. Hij besloot echter eerst een analyse te geven van de huidige situatie, om daarna zijn voorstel daar succesvol aan te kunnen koppelen. “Ik vermoed dat wij het erover eens kunnen zijn dat het pad dat Jezus volgt een heilloze weg is, de weg van de martelaar. Natuurlijk hoopt hij hiermee een grote opstand tegen het Romeinse gezag te bereiken, de overheersers die hun koning hebben geëxecuteerd. Het is de weg van de Zeloot, een weg die ver ligt van de uwe, en — en dit is uiteraard van fundamenteel belang — de weg van de Heer der Heerscharen.” Hij liet zijn woorden even indringen, en vervolgde snel voordat een van beiden zou reageren: “Duidelijk is ook dat hij niet overreden zal kunnen worden een andere weg in te slaan. Hij heeft zijn besluit al lang genomen. Het resultaat hiervan zal echter rampzalig zijn voor de Joodse gemeenschap, zowel op het politieke als religieuze vlak. Daarom moeten wij ingrijpen, niet via uw broer, maar via u!” Hierbij keek hij Toama indringend aan.

“Ach, de mannen gaan het weer regelen,” reageerde Maria.

“En hier vergist u zich deerlijk, er is een essentiële rol voor een vrouw in dit verhaal, een rol die inderdaad niet identiek is aan die van Toama, maar wel volstrekt gelijkwaardig,” zei Athanasius, terwijl hij Maria veelbetekend aankeek. “En die vrouw bent u.”

“Spreek,” gebood Toama.

Athanasius interpreteerde het als een beoogde articulatie van Toama’s autoriteit, zowel richting hem als zijn geliefde. Hij gunde hem zijn moment van eigenwaarde, en zei: “We moeten de dood van uw broer bezien als een instrument van de Heer. Kajafas en zijn trawanten zullen die vieren als een overwinning, maar wij zullen deze wandaad doen omslaan in haar tegendeel: het wordt de overwinning van het Ware Geloof, een Geloof dat ver uitstijgt boven de alledaagsheid van de wereldlijke macht der Romeinen, want die lijkt weliswaar enorm, maar vergeleken met de majesteit van de Heer der Heerscharen is zij nietig; zoals de grashalm enorm lijkt vanuit het gezichtspunt van de mier, maar nietig vanuit het oogpunt van de kameel.” Athanasius was er niet helemaal zeker van of de vergelijking van de mier en de kameel in goede aarde was gevallen, maar wat gezegd was, was gezegd; dus hij ging snel verder: “Met andere woorden: met de hulp van de Heer vormen wij nederlaag van de door de Schriftgeleerden gewilde dood van uw broer om in een grandioze overwinning; de overwinning van het Ware Geloof!”

“Het is lichter dat een mier gaat door het oog van een naald, dan een kameel,” zei Maria.

“Ik onderschat de Romeinen noch Kajafas,” reageerde Athanasius. “Wij zullen de werklust en discipline van de mier moeten betrachten, en de vasthoudendheid van de kameel.”

“En de sluwheid van de vos, dat is u wel toevertrouwd,” zei Toama gemelijk. “Maar kom ter zake! Wat is uw plan?”

De teerling moest geworpen worden, begreep Athanasius, hij nam een slok wijn, keek het tweetal aan, en kwam eindelijk tot de kern van de zaak: “Wat nu, als Jezus drie dagen na zijn dood weer herrijst? Als het de Heer heeft behaagd hem uit de dood op te doen staan, zou dit niet de beslissende slag zijn richting Kajafas en zijn kliek? Zou dit niet de ultieme expressie en celebratie zijn van de suprematie van het Ware Geloof?”

Toama en Maria keken hem verbijsterd aan. “Hoe bedoelt u,” vroeg Toama, “hoe zou dit mogelijk kunnen zijn?

“Is dat wat u in gedachten had toen u over mijn rol sprak, dat ik als Isis de ‘Koning der Joden’ weer tot leven wek?” De stem van Maria drukte zowel ongeloof als achterdocht uit.

Athanasius hief beide handen op, en zei: “Nee, zeker niet de ‘Koning der Joden’, die positie zal achterblijven in zijn graf; we moeten af van dat politieke element. Evenmin doel ik op de mythische verrichting van Isis, uw rol gaat voorbij een eenmalige miraculeuze handeling. Het is veel simpeler, want als immer is de eenvoud het kenmerk van het Ware.” Hij maakte een lichte handbeweging richting Toama. “U zult de uit de dood opgestane Jezus zijn, de Zoon die door de Vader weer tot leven is gewekt. Drie dagen na de dood van Jezus openen wij het graf en halen zijn lichaam weg. U doet zijn kleed aan en vertoont zich aan uw discipelen. De wereld zal definitief veranderd zijn.”

Toama en Maria waren sprakeloos. Athanasius begreep dat hij nu moest doorzetten, hun twijfel, voordat die zou ontkiemen, met wortel en tak uitroeien. “Deze kans is nu of nooit! De Schriftgeleerden en Farizeërs zullen aan de grond genageld staan, ze zullen niet weten wat hen overkomen is; de Romeinen zullen niets kunnen, noch willen doen, het is hun zaak niet, en hun bijgelovigheid zal de rest doen. De positie van de Joden zal ongevenaard versterkt zijn, zonder gewapende strijd! De herboren Jezus zal de liefde prediken, de genade, de vrede; hij zal de armen en behoeftigen een hart onder de riem steken, de onschuld van de kinderen prijzen, de vergeving stellen boven de wraak; hij zal — en dit zal de Romeinen geruststellen — verklaren dat ‘wat des keizers is, des keizers is’. Het politieke, gewapende verzet zal vervangen worden door de strijd van het Geloof; Geloof, Hoop en Liefde, dat zullen de nieuwe kernbegrippen zijn. Geen zwaard zal daar tegen opgewassen blijken, dit geloof zal bergen verzetten, zeeën kalmeren en vuren doven.” Athanasius zag dat zijn laatste woorden doel troffen bij Toama.

Maria was nog in twijfel. “En mijn rol, de rol van de vrouw? Ik mag zijn hand vasthouden en liefdevol Halleluja roepen?”

“Ah! Uw rol is van niet te onderschatten belang; en allerminst die van dienares. Uw taak is om de vrouw als gelijkwaardig zijnde aan de man te bewerkstelligen. Ook daar zag ik een plan voor. En ja, dat zal tijd kosten, veel tijd. Maar Rome en Jeruzalem zijn niet op één dag gebouwd. Ook de bouw van de enige Ware Kerk zal generaties lang duren, maar de uitkomst is onherroepelijk.”

“Ach, en weer is het een man die de vrouw op haar taak wijst, zijn plan moet gevolgd worden om haar gelijkwaardig te maken… Is dat geen paradox?” Maria schudde met een vuist in de lucht. “Ik maak zelf wel een plan, daar heb ik geen man voor nodig!”

“Het plan waarover ik sprak is niet mijn plan, ik zei niet voor niets dat ik een plan zag; ik heb dat plan niet gemaakt, u hebt het gemaakt, alleen u weet het nog niet omdat het nog tot wording moet komen. Ook als ik er met geen woord over spreek, zal het plan zich ontvouwen, mits u zich daarvoor open stelt. U bent vrij uw pad te volgen, of niet te volgen; het is geheel aan u. Ik zal hier verder over zwijgen.”

Nu mengde Toama zich in het gesprek: “Laten wij geen tijd verdoen aan machtspelletjes, als de profetie van de heer Athanasius uitkomt, en ik twijfel daar eerlijk gezegd niet meer aan, dan hebben wij weinig tijd om onze acties voor te bereiden.”

“Inderdaad,” zei Athanasius, “wat nu snel moet gebeuren is dat u in de kring rond Jezus openlijk afstand neemt van de weg die uw broer nu volgt. U zult later te boek staan als de ‘Ongelovige Toama’, en dat is van belang om iedere mogelijke betrokkenheid van u bij het verhaal van de wederopstanding zo onwaarschijnlijk als mogelijk is te maken. Dit moet u liefst vandaag, maar uiterlijk morgen doen. Daarna verlaat u de stad, houd u afzijdig van alles, en kom pas terug in de vroege ochtend van de derde dag van de dood van uw broer.”

Toama knikte een aantal malen, hij leek in een trance geraakt. Maria zat na te denken, ze moest een beslissing nemen, meedoen met dit verbijsterende plan, of haar eigen weg kiezen, zonder te weten waar die toe leidde, noch waar die zich bevond. “Goed,” zei ze tenslotte, “ik doe vooralsnog mee. Maar tot hoever kan ik niet zeggen, ik wil trouw kunnen blijven aan mijzelf. Pas dan kan ik trouw zijn aan jou, Toama, ik heb tijd nodig om erachter te komen wat mijn pad is. Welk pad dit ook moge zijn, ik zal er altijd voor je zijn.”

Athanasius begreep dat hij het pleit gewonnen had. Er moest nu dringend opgetreden worden, Toama moest zijn ‘ongeloof’ tentoonspreiden, hijzelf moest Judas’ verraad en ‘zelfmoord’ regelen, maar mocht intussen zelf niet opvallen. Maria’s rol was voor later, hij kon prima leven met haar voorlopige aanbod. Hij zou haar later ongetwijfeld weten te overtuigen. Athanasius lichtte nog een keer toe wat hij van Toama verwachtte, en Maria liet hij wijselijk met rust. Daarna spraken zij af om elkaar heimelijk te ontmoeten op de dag van het proces, waar Toama en Maria het bewijs zou krijgen waar zij ondanks hun vertrouwen toch naar uitkeken. Als er meerdere details die hij voorspeld had zouden kloppen, dan zouden ze pas echt volledig overtuigd zijn. Athanasius maakte zich hier geen enkele zorgen over, alles zou kloppen.

De rest van de dag bracht hij in zijn appartement door. Hij wilde niet teveel op straat gezien worden. De volgende dag moest hij Judas Iskariot omkopen, hij had de 33 denarii al klaar liggen, en hij wist hoe Judas overtuigd moest worden.

De volgende dag had hij een ontmoeting met Judas Iskariot, hij had buiten de stadsmuren afgesproken, op een stille plek. Hij had hem toevertrouwd dat hij een belangrijke taak voor hem had, die het Ware Geloof zou dienen. De man had hem aanvankelijk wantrouwend aangekeken, maar Athanasius had voldoende informatie over hem ingewonnen; Judas bleek weinig vertrouwen te hebben in de plannen van zijn leermeester, maar, en dit was cruciaal, hij had schulden. Toen hij wat munten liet rinkelen, veranderde het wantrouwen in hoop. Hij zou op het afgesproken moment ter plekke zijn, had hij toegezegd.

“Goed dat u gekomen bent,” begon Athanasius, “ik wil een voorstel met u bespreken dat in ons beider belang is.”

“Vertel,” zei hij, terwijl hij schichtig om zich heen keek, “ik heb niet veel tijd.”

“Zeker, mijn tijd is eveneens kostbaar,” zei Athanasius begripvol. “Wij zijn beiden overetuigd van de goede zaak, die van het Ware Geloof, en we begrijpen beiden de positie van Jezus hierin, hij heeft een goed hart, maar ook een te onstuimige natuur, hij is een vechter. Dat laatste is niet in het belang van die goede zaak, hij moet dus, helaas, van het toneel verdwijnen. U begrijpt wat ik bedoel, neem ik aan.”

Judas was voorzichtig: “Niet helemaal, eerlijk gezegd. Ik begrijp wat u zegt over de prediker, maar ik weet niet wat u bedoelt met dat verdwijnen…”

“Hij moet overgeleverd worden aan het Romeinse gezag,” verduidelijkte Athanasius, “zodat de Joodse zaak geen verdere schade wordt toegebracht. Die strijd van Jezus is een verloren zaak.”

“Hmm, ik begrijp het, dat ben ik met u eens. Maar wat verlangt u dan van mij?”

“Wanneer Jezus zijn volgelingen treft, komt u daar naartoe, met een cohort soldaten in uw kielzog. U geeft hem een kus als begroeting, en dan weten de soldaten wie ze moeten arresteren. Om uw taak te verlichten heb ik hier een som geld, waarmee u ongetwijfeld raad weet.”

Judas stribbelde eigenlijk nauwelijk tegen, hij keek begerig naar de munten, en alles wat hij er nog tegenin wist te brengen was puur voor de vorm. De zaak was binnen enkele ogenblikken beklonken.

Het sluiten van de valstrik die Athanasius had gespannen verliep volgens plan. Hij zag het op gepaste afstand gebeuren. Nadat Jezus door de soldaten was afgevoerd, volgde Athanasius Judas, die heimelijk maakte dat hij weg kwam, door gebruik te maken van de algehele consternatie en verwarring. Judas liep in de richting van de stadsmuren, en verliet de stad. Athanasius volgde hem op enige afstand. Onder een groepje bomen hield Judas halt, hij ging zitten en haalde een kruik wijn tevoorschijn. Die gaat zich bedrinken, dacht Athanasius. Hij wachtte tot Judas een flinke hoeveelheid had gedronken, en hij niet meer al te fit was. Daarna sloop hij naar hem toe, haalde een koord uit zijn zak, en wurde de man. Daarna hing hij hem op aan een van de bomen. De zilverlingen strooide hij uit onder de boom.

Athanasius liep omzichtig terug naar zijn appartement, hij nam enkele glazen wijn, ging naar bed en viel meteen in een diepe slaap.

De volgende dag regelde hij een ontmoeting met Toama en Maria. Beiden waren onthutst door de gebeurtenissen, maar alles wat Athanasius voorspeld had, inclusief alle details, was uitgekomen. Ze geloofden hem nu onvoorwaardelijk.

De dagen erna verliepen precies zoals Athanasius aan Toama en Maria had verteld. Op de derde dag na de begrafenis van Jezus ontmoeten de drie elkaar in de vroege ochtend bij het graf. Ook Jozef van Arimathea was daarbij. Ze ruimden het graf, Toama kleedde zich met het gewaad van zijn broer, en ging met Maria opweg naar de discipelen van Jezus, om van zijn wederopstanding te getuigen. Op de dag van de kruisiging had hij spijkers in zijn handen en voeten laten boren, de stigmata zouden zijn verhaal ondersteunen. Jozef bleef bij Athanasius, die andere plannen met hem had die hij met hem wilde bespreken.

De wisseltruc van Toama, de ‘herboren Jezus’, werkte precies zoals Athanasius gedacht had. De kiem voor het christendom was gelegd, de tweede fase van wat hij zijn ‘Grote Plan’ noemde was bijna volbracht. Er waren nog twee zaken die geregeld moesten worden: de Hemelvaart en de Indaling van de Heilige Geest. Hiervoor moest Athanasius terug naar Rome, het Pantheon was hiervoor van essentieel belang. Hij moest ook Toama, Maria en Jozef overreden met hem mee te reizen, zij zouden de getuigen zijn waarop de latere evangeliën gebaseerd zouden worden. Naast de genoemde drie zou Athanasius ook Filippus en Stefanus meenemen naar Rome, om een voldoende aantal betrouwbare getuigen te hebben.

Rome — 33 AD

Het zestal vertrok drie dagen na de ‘opwekking’ naar Rome. Athanasius wilde per se ruim voor 14 mei in Rome zijn, dat was krap, maar hij had geluk; het weer was hem gunstig gezind, hij had kennelijk de goedkeuring van de Heer. Op 2 mei namen zij intrek in een gastenhuis, vijf minuten lopen vanaf het Pantheon.

Op 3 mei, vlak na zonsopgang, betrad Athanasius zijn geheime werkruimte in het Pantheon, om daar de nodige voorbereidingen te doen. Hij had tien dagen de tijd. Hij wilde de ‘Hemelvaart’ precies 39 dagen na de opstanding van Toama/Jezus laten plaatsvinden, precies zoals besloten zou worden in Nicea. Hij had op zijn reis naar het jaar 32 alle benodigde apparatuur meegenomen.

Tijdens de reis van Jeruzalem naar Rome, maar ook al de dagen ervoor, had hij uitvoerig met Toama gesproken over de noodzaak van de ‘Hemelvaart’. Hij moest hem overhalen dit mee te spelen, of beter nog, er in te geloven. Wanneer het spektakel dat Athanasius in zijn hoofd had zou lukken, dan zouden de getuigen ervan geen moment van twijfel kennen.

“Het is van het grootste belang dat de wedergeboren Jezus als de enige en ware Zoon van God de Vader zal worden beschouwd,” begon Athanasius zijn betoog om Toama ervan te overtuigen dat diens medewerking aan het ritueel van fundamenteel belang was. “Het Ware Geloof is een nieuw Geloof, voortkomend uit de Joodse religie, maar met een fundamentel toevoeging: de in de Hebreeuwse Bijbel aangekondigde Messias is nu daadwerkelijk verschenen, in de vorm van Jezus, de Christos, de Verlosser.” Hier pauzeerde Athanasius even om hem nog wat wijn bij te schenken. “Want u hebt het juist begrepen! De Verlossing is niet de Verlossing van de Romeinse overheersing, zoals de tragische overtuiging was van uw broer, want ach, dat betreft slechts aardse zaken, zaken waar wij, als dienaren van het Ware Geloof, geen waarde aan hechten. Nee, het is de Verlossing van de mensheid als geheel, Joden, Romeinen, Chinezen, Barbaren… Allemaal!”

Toama keek hem verwachtingsvol aan, met een vurige gloed in zijn ogen. Hij hing aan zijn lippen, hij werd volledig door de woorden van Athanasius gegerepen. Hierbij moet worden opgemerkt dat Athanasius heel wel begreep dat dit niet alleen te danken was aan de kracht van zijn woorden, maar dat ook het geheimzinnige elixer dat hij door de wijn had gemengd zijn uitwerking niet miste. Het elixer was gebaseerd op een stof, afkomstig uit het Verre Oosten, het maakte dat de geest opengesteld werd voor zaken van bovenzinnelijke aard en belang. Athanasius zorgde er intussen wel voor dat hij er zelf geen druppel van binnen kreeg, hij zette zijn beker wel aan zijn mond, doch dronk er niet uit, hij deed alleen alsof. Maar Toama had de smaak ervan te pakken gekregen. Athansius legde uit hoe de kernwaarde van het Nieuwe Geloof berustte op de Genade. En Jezus, de Verlosser, was het vleesgeworden symbool van die Genade. Hij was de redding der mensheid. Elke keer dat beide mannen elkaar zagen, peperde Athanasius hem deze woorden weer in, in diverse varianten, maar altijd met dezelfde boodschap.

“Het is dus van belang, dat Jezus oprijst naar zijn Vader, om te bevestigen dat hij Diens Zoon is. Als compensatie zendt Hij vanuit het Hemelrijk de Heilige Geest, die alle discipelen en volgelingen van het Ware Geloof zal helpen, voeden en ondersteunen in hun geloof.”

Toama slikte alle woorden als zoete koek. Het viel de anderen op, met name tijdens de bootreis naar Rome, dat Jezus/Toama aan het veranderen was, hij leek in een staat van trance te verkeren.

“Dat is de Heilige Geest,” verklaarde Athanasius.

Dit was voor Athansius het moment om ook de anderen uit te leggen wat er stond te gebeuren. Ook zij kregen delen van het elixer toegediend via de wijn die Athanasius voor hen bereidde, maar wel in minder grote hoeveelheden.

14 mei, vlak voor het middaguur, stonden allen, behalve Toama en Athanasius, in de grote koepel van het Pantheon. Athansius was in een verborgen ruimte bezig met zijn apparaten. Precies om 12 uur scheen de zon pal door de oculus, de koepelruimte baadde in een zee van licht, meteen erna vulde de ruimte zich met een witte rook, vermengd met de geur van wierook. Maria, Jozef, Fillipus en Stefanus keken vol ontzag naar de gebeurtenis. Er klonk opeens een zware, daverende stem, die Griekse teksten uit de Evangeliën opdreunde over de Hemelvaart. Dat die teksten in het jaar 33 nog niet bestonden deerde Athanasius uiteraard niet, het dramatsiche effect was enorm. Vlak nadat de stem begonnen was met declameren werd de beeldtenis van Jezus/Toama zichtbaar op de wolkenmassa, hij zweefde omhoog, in een wit gewaad met de armen gespreid, in een zegenend gebaar. Geleidelijk aan zweefde hij omhoog naar het oog van de koepel, om daarna in het niets te verdwijnen. De vier getuigen hadden zich in gebed op de knieën geworpen, ze waren ernstig ontdaan en zeer aangegrepen door het wonderbaarlijke tafereel, en ze prijsden zichzelf dat zij de uitverkorenen waren om van dit heilige gebeuren getuige te zijn. Zij waren de eersten, aan hen de taak de wereld het Grote Verhaal te vertellen!

Toen Athanasius weer verscheen, zegende ook hij de vier getuigen, allen waren in opperste staat van extase.

De Toama die zijn ‘vaart’ richting de hemel maakte was hij in werkelijkheid al uren dood. Athasius had hem vroeg in de ochtend mee naar zijn geheime ruimte in het Pantheon gebracht, hem daar een flinke beker met wijn aangeboden, waarvan het beslist noodzakelijk was dat hij die tot op de bodem leegdronk, om de hemelvaart mogelijk te maken. De wijn bevatte een overdosis elixer. Toama stierf onmiddellijk na het legen van zijn beker, het was een snelle, pijnloze dood. Dat was ook noodzakelijk, had Athanasius bedacht, want hij mocht geen van pijn vertrokken grimas op zijn gelaat vertonen. Nadat hij geverifieerd had of Toama inderdaad was overleden, sloot hij diens ogen, maakte zijn gezicht op en bevestigde een stok achter zijn rug waaraan hij de armen in een spreidstand, met de boven armen naar boven gericht, vastmaakte. Een constructie van zijn ‘toverlantaarns’, spiegels, een rookmachine, en een spreekbuis, maakte dat het tafereel voldoende authentiek leek voor de vier getuigen; een flinke hoeveelheid elixer deed de rest.

De volgende dag keerde Athanasius terug om zich te ontdoen van het lijk van Toama. Hij verbrandde het lijk en strooide de stof uit in de koepel van het Pantheon, het leek hem een gepast gebaar.

Drie weken later was het tijd voor het laatste deel van deze tweede fase, de indaling van de Heilige Geest. Op 21 juni, dus langer dan de voorgeschreven tien dagen vanaf de Hemelvaart, maar dat was volgens Athansius een te verwaarlozen detail, vertrok Athansius met zijn machine, terwijl de getuigen wederom in de koepel stonden, badend in een zee van licht, begeleid door een schitterend en indrukwekkend spektakel van vuurwerk.