De Man van Smarten IV — Turijn, 1889 AD
— Cornelis de Bondt
IV — Rome — 1656 AD
Kircher stapte op 21 april 1656 weer uit zijn cabine, het tweede deel van zijn Grote Plan was gelukt. Hij was in ernstige mate uitgeput van de activiteiten die hij had moeten regelen en uitvoeren, ook het tijdreizen eiste zijn tol. Het eeuwige leven is geen sinecure! Hij tracteerde zichzelf op een maand rust, in het stadje Piombino, aan de westkust van het Groothertogdom Toscane. Hij dacht niet aan zijn project, niet aan religieuze zaken, noch aan machines en apparaten; hij genoot van heerlijke maaltijden en frisse wijnen. Ook maakte hij lange wandelingen langs de kust. Eén keer kwam hij in de verleiding van de vleselijke genoegens, toen een kennelijke courtisane hem haar diensten aan bood. Hoewel zijn lichaam aangaf dat het nog in gezonde en levendige staat verkeerde, wist hij haar toch vriendelijk, beleefd maar beslist, af te wijzen. Wel dronk hij een aantal glazen wijn met haar, en had genoten van haar prettige, en ook intelligente commentaar op de onderwerpen die hij aansneed. Ze deed hem denken aan Eva, had vergelijkbare trekken in haar gezicht, en ook haar stem leek op die van Eva, en zeker haar gevoel voor kunst, wetenschap en filosofie. Was dit de eigenlijke reden van zijn afwijzing, vroeg hij zich ongerust af. Was het niet de hang naar een zuiver-religieuze praxis, maar de schaamte en spijt die hem had geleid? Niet de nobelheid des geestes, maar de schande van de schaamteloze daad? De rest van zijn verblijf in Piombino worstelde hij met deze vraag, zonder tot een bevredigend antwoord te komen. Maar gelukkig had hij een ongelimiteerde beschikking over de tijd, hij zou het ooit weten.
Nadat hij weer in Rome was teruggekeerd, zou hij zich gaan richten op de derde fase van zijn Grote Plan, die hij als de meest ambitieuze van de drie beschouwde, aangezien het de toekomst betrof. Maar eerst moest hij nog enkele mogelijke losse eindjes van de eerste twee fasen nagaan. Hiertoe moest hij een tweede keer reizen naar Nicea, om er zeker van te zijn dat de manuscripten van Tacitus inderdaad verdwenen waren, en Arius wat dit betreft met lege handen stond. Ook wilde hij erachter komen op welke wijze Maria Magdalena na haar verblijf in Rome haar ambities had vormgegeven. Hij had daar wel een sterk vermoeden van, maar in Nicea zou hij de bevestiging daarvan kunnen krijgen. Maar behalve deze twee feitelijke zaken was er nog een derde, fundamentele, kwestie die hij beantwoord wilde hebben: waren de gevolgen van zijn reizen in de tijd te vergelijken met het onvoorspelbare gedrag van de mens, of gedroeg dit zich als een apparaat of machine? Met andere woorden, kon hij vertrouwen op de gevolgen van zijn interventies in de tijd? Deze vraag was van cruciaal belang voor zijn Grote Plan. Uiteraard was hij zich bewust van het feit dat de voorspelbaarheid van apparaten afhankelijk is van de conditie ervan, slijtage kon bijvoorbeeld de uitkomst beïnvloeden; een apparaat kan defect raken, zodat er wellicht geen enkel resultaat is; toch waren dit zaken die beheerst konden worden, dat vereiste slechts een deugdelijk procedure van goed onderhoud. Maar betekende dit dat hij voor het tijdreizen eveneens een betrouwbare onderhoudsprocedure moest ontwerpen? Hoe zou een dergelijke procedure er dan uit moeten, en kunnen zien? Vragen van vitaal belang.
Nicea — 325 AD
Athanasius was op 21 april uit Rome vertrokken. Niet voor het eerst, dacht hij terwijl hij vanaf de voorplecht van de gallei over de Middellandse Zee uitkeek. Vorsten, keizers, generaals, handelslieden, maar ook pausen — iets weerhield hem ervan een flinke klodder slijm in zee te spugen — zij allen denken dat het gaat om goud, goud en goud. Even vormde zich een triomfantelijk lachje rond zijn lippen, maar die veranderde al snel in een verwonderde grijns. Niet al het goud van de wereld zou ik inwisselen voor wat ik in mijn vermogen heb. Het enige wat er echt toe doet, is tijd. Hij richtte voor een moment zijn blik op de zon, die op dat moment op het hoogste punt van de hemel was beland. En tijd, peinsde hij verder, die heb ik in overvloed; ik heb meer ogenblikken tot mijn beschikking dan er zandkorrels zijn in de woestijn, of waterdruppels in de oceanen. En als ik zou willen, zou ik al het goud van de wereld in mijn bezit kunnen krijgen. Hij dacht weer aan de courtisane, degene die hij had afgewezen in Piombino. En meteen daarop dacht hij aan Eva. Hij zou al het goud van de wereld er voor over hebben als hij haar lot een andere wending had kunnen geven, maar hoe lang hij hier ook over nadacht, hij had geen idee hoe hij dit had moeten doen. Hij voelde zich overmand door een aanval van melancholie. Zou de tijd die aanval uiteindelijk teniet kunnen doen, vroeg hij zich af, of zouden dergelijke gevoelens er onafhankelijk van zijn? Emoties gedragen zich gewoonlijk niet als apparaten, bedacht hij met enige spijt.
Het weer was hem gunstig gezind geweest, en hij had de reis binnen drie weken afgelegd. Op 18 mei ontmoette hij Alexander, in een uitspanning bij het meer. Ze keken uit over het water, de zon ging onder in een vuurrode gloed. Alexander was goed gemutst, Athanasius voelde geen enkele onrust bij hem. Dat was een goed teken.
“Arius voerde iets in zijn schild,” zei Alexander peinzend. “Mijn informant vertelde mij dat hij bepaalde manuscripten op het spoor zou zijn van die vermaledijde historicus, Tacitus. In die teksten zouden goddeloze beschrijvingen staan van onze Verlosser. Maar het bleken slechts geruchten, de bewuste manuscripten zijn verloren gegaan.” Alexander sneed met zijn mes een reep van zijn vis. “Overmorgen begint het concilie, we zijn uitstekend voorbereid!” Hij nam een hap van zijn vis en liet die zich goed smaken.
Athanasius wist genoeg, zijn eerste fase was succes verlopen, Arius zou geen schijn van kans hebben. Nu moest hij het losse eindje van Maria nog nagaan. Hij vroeg Alexander of hij de apocriefe teksten van Toama en Maria Magdalena kon inzien, om zich nog beter voor te bereiden op de argumenten van Arius. Toen hij de documenten doorlas, kreeg hij de bevestiging van wat hij al had bedacht: Maria was met Jozef van Arimathea inderdaad naar Zuid-Frankrijk vertrokken, om daar een eigen cultus te scheppen, die verwant was aan die van Isis & Osiris. De cultus verspreidde zich aanvankelijk voorspoedig, zelfs in die mate dat Arius er twee eeuwen later, na zijn nederlaag op het Concilie, nog een belangrijke rol in kon spelen. Dit had Athanasius ontdekt toen hij weer terug in zijn eigen tijd was.
Uiteindelijk zou de cultus op een dood spoor eindigen, zij zou niet opgewassen blijken tegen de macht van de Kerk. Het enig formele vrouwelijke element dat zich in de Kerk in de loop van bijna twee millenia zou ontwikkelen, was dat van Maria, als de moeder Gods. Maar dat was een andere Maria. Hij had dit haar in Jeruzalem uiteraard niet willen vertellen, niet alleen omdat hij er toen nog niet helemaal zeker van kon zijn, die zekerheid zou hij pas krijgen als hij weer terug was in Nicea; maar ook omdat het nodig was haar te scheiden van Toama. Vanwege de noodzaak van de ‘Hemelvaart’ moest hun liefdesrelatie beëindigd worden. Haar daarvan overtuigen had hem de nodige overredingskracht gekost, en een behoorlijke hoeveelheid elixer… Ook aan Maria en Toama moest hij vaak terugdenken, net als Eva en Tacitus, en feitelijk ook Judas Iskariot, hadden deze beiden een grote prijs moeten betalen voor de Heilige Zaak van het Ware Geloof. Een prijs die niet in goud uit te drukken was, maar waarin dan wel?
Athanasius besloot niet tot het einde van de Concilie te blijven, voor de goede uitkomst ervan was zijn aanwezigheid niet strikt vereist. Hij wilde op 21 juni weer in Rome zijn, dus moest hij op tijd een bootreis regelen. Hij had alle antwoorden op zijn vragen gekregen, de eerste twee fasen waren inderdaad succesvol verlopen, en hij had ervaren dat de interventies die hij gepleegd had via zijn tijdreizen, de geschiedenis metterdaad veranderde, op een wijze die het deed voorkomen dat de nieuwe variant de oude volledig gewist had. Alleen niet op persoonlijk niveau; dit laatste baarde hem zorgen.
Rome — 1656 AD
De vragen die Kircher beantwoord kreeg in Nicea hadden weer nieuwe vragen doen rijzen. Zou er ooit een einde aan de vragen komen, vroeg hij zich af. Hij vreesde van niet. Hij wist evennmin waarom hij dit vreesde, vanwaar die angst? Schaamte, spijt, schuldgevoel? Was dit de prijs voor zijn waanzinnige onderneming, de prijs die God van hem vroeg? Was het een geval van megalomanie?
Hij liet de vragen voor wat ze waren, en contreerde zich op zijn volgende opdracht: de derde fase. Hij moest de toekomst in, een hachelijk onderneming, omdat hij er zich niet op kon voorbereiden; anders dan bij het teruggaan in het verleden, waren er geen teksten tot zijn beschikking waar hij zich op kon richten, of waar hij houvast aan kon ontlenen. Het was een schot in het duister, of een schot in een oogverblindend licht; beide met een gelijk, ongewis resultaat. Het diepste duister, de afwezigheid van ieder licht, en het meest intense licht, bleken uiteindelijk, net als het alles en het niets, een en hetzelfde ding. Hoe dan ook, hij moest schieten zonder enig zicht op een concreet doel. Hij dacht een tijd na, maakte berekeningen, en kwam uiteindelijk uit op een jaartal dat 273 jaar verwijderd was van zijn huidige. Het getal had evengoed een ander kunnen zijn, misschien zou de reis weinig opleveren, maar het was gebaseerd op het produkt van de getallen 3, 7 en 13, drie priemgetallen met een belangrijke symbolische waarde; het beviel Kircher daarom zo goed, dat hij besloot het uit te proberen. Niet geschoten is altijd mis, dacht hij. Op 21 juni voegde hij de daad bij het woord.
Rome — 1929 AD
Ruim een maand nadat hij in zijn geheime ruimte in het Pantheon was gearriveerd, op 25 juli, was hij getuige van een enorme processie, vele duizenden mensen stonden opgesteld langs de route die leidde naar de Sint-Pietersbasiliek. Toen Athanasius de dolenthousiaste mensen om hem heen vroeg wat er aan de hand was, begreep hij dat hij getuige was van het einde van 60 jaar ballingschap van de pausen. Vanaf deze dag betrok de paus, die Pius XI bleek te heten, weer het pauselijke hof in het Vaticaan.
Athanasius besloot een vol jaar in dit nieuwe tijdperk te blijven, hij had tijd nodig om de toekomst te begrijpen. De wereld bleek ingrijpend veranderd, zo had hij in enkele maanden tijd begrepen, nog nauwelijks hersteld van een oorlog die zijn gelijke in de wereldgeschiedenis niet kende, bleek de wereld op een nieuwe ramp af te stevenen. Op 24 oktober stortte de beurs van New York in, wat tot een enorme economische recessie zou leiden. Athanasius kende het woord ‘economie’ tot dan toe alleen als het ‘huishouden van God’. Hij werd bevangen door grote twijfels over zijn onderneming. Het scheen hem toe dat de snelheid van de tijd met een aanzienlijke factor was toegenomen, alsof de tijd steeds sneller ging, en voor hem, als boreling van bijna drie eeuwen geleden, niet meer was bij te benen. Hij verbaasde zich erover dat hij bij zijn reis van ruim 1600 jaar terug in de tijd niet het omgekeerde had ervaren. Zou hij deze sensatie alleen ervaren bij reizen naar de toekomst? Of was er iets anders aan de hand? Was hij zelf de oorzaak van dit fenomeen?
Noch geen week na de beurskrach stuitte Athanasius in de Biblioteca Angelica op een curieus boek, het viel hem uitsluitend op vanwege de titel: Nietzsches Lehre von der Ewigen Wiederkunft und deren bisherige Veröffentlichung. De ‘Ewigen Wiederkunft’ deed zijn hart bijna een slag overslaan. De schrijver, ene Horneffer, zei hem niets, en ook de naam Nietzsche deed geen belletje rinkelen. Hij ging meteen met de beide namen aan de slag, zocht naar alle boeken en teksten die hij van hen kon vinden. Horneffer bleek vooral bekend als Nietzsche-kenner, dus het ging kennelijk om die figuur. Het kostte Athanasius niet veel tijd om erachter te komen dat hij met deze man moest gaan kennismaken. Hij besloot meteen al het werk van de filosoof te gaan lezen, hij was vooral geïnteresseerd in titels als Fatum und Geschichte en Willensfreiheit und Fatum, beide kennelijk jeugdwerken, hij was 18 jaar oud toen ze gepubliceerd werden; maar ook titels van later uit zijn leven, zoals Jenseits von Gut und Böse en Ecce Homo. Het merkwaardige was dat hij na 1889 niets meer gepubliceerd had, dus in de laatste elf jaar van zijn leven. De eerste aanzetten van een ingenieus plan doemden geleidelijk aan op in zijn brein. Hij besloot zich eerst te concentreren op de titels die hem op het eerste gezicht hadden aaangesproken. Hij nam de werken mee naar zijn appartement en las ze, in chronologische volgorde, in twee weken uit. Nadat hij Ecce Homo uit had, begreep hij dat er aan zijn lijstje nog een titel ontbrak: Also sprach Zarathustra. Ook deze titel haalde hij uit de bibliotheek; hij las het in één adem uit.
Hij begreep niet alles van de teksten, maar voldoende om zijn plan verder uit te werken. Er ontbrak iets, voelde hij, een essentieel element dat voor zijn Grote Plan wel eens de ontbrekende schakel zou kunnen zijn. Alle teksten die hij gelezen had stelden zaken als de moraal, de waarheid en de leugen aan de orde, altijd via de Kerk, dat wil zeggen het christendom. Alle teksten pleitten in feite voor een omkering van alle christelijke waarden. Wat hij miste, zo drong langzaam tot hem door, was het aan de orde stellen van de Zoon, de Verlosser; de figuur waarvan Athanasius de contouren in de eerste fases van zijn Grote Plan zo zorgvuldig had voorbereid en vormgegeven. En opeens, zoals dat gaat met goddelijke invallen — onplanbaar, oncontroleerbaar en onvoorspelbaar — drong de magistrale synthese zich aan hem op: voor de Zoon, de Christos, moest een tegenhanger geformuleerd worden, de Antichrist. Niet Jezus/Toama was de Verlosser, maar hij, Athanasius, in de vorm van hun tegendeel. De Antichrist, Zarathustra en de Übermensch, vormden de uiteindelijke drie fasen van zijn Grote Plan. Omdat hij meester was over de tijd, en zich daarmee een eeuwig leven had weten te verwerven, zou hij de definitieve mens, de Übermensch worden, hij zou Nietzche’s droom verwezenlijken! Het zou een lange weg worden, maar de laatste stap was binnen handbereik.
Athanasius moest nog een aantal maanden wachten, een tijd die hij goed zou gebruiken met het secuur herlezen van de teksten, het voorbereiden van zijn ontmoeting met Nietzsche. Hij zou direct doorreizen naar het jaar 1887. Op 21 april 1930 stapte Athanasius zijn cabine in, precies om 12 uur vertrok hij.
Turijn/Sils Maria — 1887-1889 AD
Athanasius was direct vanuit Rome naar Turijn vertrokken, waar hij intrek nam in een appartement niet ver van de Via Carlo Alberto, waar Nietzsche woonde en werkte. Hij besloot twee jaar in Nietzche’s nabijheid te blijven, hij had ten eerste tijd nodig om zich aan hem op te dringen, hij zou dermate vertrouwd met hem moeten raken, dat hij hem zou kunnen overreden een nieuwe tekst te schrijven, over de Tegen-Verlosser. De eerste maanden gebruikte Athanasius om zijn apartement in te richten, en de omgeving van Nietzsche’s woon- en werkplek te verkennen, diens gangen na te gaan, de plekken in kaart te brengen waar de filosoof graag wandelde, at of dronk. In juni vertrok Athanasius naar Sils Maria in Zwitserland, waar Nietzsche in de jaren ’80 de zomer doorbracht. Ook daar huurde Athanasius een appartement, verkende de omgeving van Nietzsche’s woonruimte aan de Via da Marias. Dat de verblijfplaats van Nietzsche tweeledig verbonden was aan de naam Maria vond Athanasius een veelbelovend teken.
Nadat hij de wandeltochten van Nietzsche in kaart had gebracht, inclusief de tijdstippen van de dag, beraamde hij een ontmoeting met de Filosoof met de Hamer. De procedure was vergelijkbaar met die voor Tacitus, hij plande een ‘toevallige’ ontmoeting op een geschikt punt van de wandeling; hij zou een boek van Nietzsche bij zich hebben, dat hij op een bank, goed zichtbaar, zou zitten te lezen. Het kon niet anders dan dat de filosoof hem daarop aan zou spreken. Het was een mooie, zonnige dag, Athanasius zat quasi verdiept in het boek, toen hij uit zijn ooghoeken de man in zijn richting zag lopen. Hij liep met flinke passen.
Aanvankelijk leek hij door te willen lopen, maar opeens zag hij de titel van het boek dat Athanasius aan het lezen was, Also sprach Zarathustra — Athanasius hield het boek speciaal zo vast dat iedereen die er langs liep die titel niet kon ontgaan. Nietzsche hield zijn pas in, aarzelde enige ogenblikken, en liep toen op hem toe, en sprak hem aan met een lied uit de tekst:
Die Sonne ist lange schon hinunter,
Die Wiese ist feucht, von den Wäldern her kommt Kühle.
Ein Unbekanntes ist um mich und blickt nachdenklich.
Was! Du lebst noch?
Warum? Wofür? Wodurch? Wohin? Wo? Wie?
Ist es nicht Thorheit, noch zu leben? —
Ach, meine Freunde, der Abend ist es, der so aus mir fragt.
Vergebt mir meine Traurigkeit!
Abend ward es: vergebt mir, dass es Abend ward!
Athanasius wist meteen dat het een citaat uit het Tanzlied betrof, hij bladerde snel in het boek, en declameerde een kort fragment uit het lied ervoor, Nachtlied:
Nacht ist es: ach dass ich Licht sein muss! Und Durst nach Nächtigem!
Und Einsamkeit!
Nacht ist es: nun bricht wie ein Born aus mir mein Verlangen, — nach
Rede verlangt mich.
Nacht ist es: nun reden lauter alle springenden Brunnen. Und auch
meine Seele ist ein springender Brunnen
Nacht ist es: nun erst erwachen alle Lieder der Liebenden. Und auch
meine Seele ist das Lied eines Liebenden.
Nietzsche keek hem aan met een doordringende blik, die snel overging in een brede grijns. “U kent uw klassiekers,” zei hij.
Athanasius schoof wat op en maakte een uitnodigend gebaar: “Misschien wilt u enkele gedachten met mij delen over dit opmerkelijke boek? U kent het goed.”
Nietzsche ging op zijn uitnodiging in, en nadat hij naast Athanasius op de bank had plaatsgenomen zei hij: “Dat mag ook wel, ik ben de auteur.”
“Nee maar, hoe bestaat het?!” riep Athanasius met gespeelde verbazing uit. “Welk een ongelofelijk toeval!” Het contact was gelegd, en beide mannen spraken meer dan een uur met elkaar, over het boek, de achtergronden ervan, over andere titels, moraal, deugd, waarheid en — dat spreekt vanzelf — het christendom. Athanasius liet aan niets merken dat hij priester was, hij vermoedde dat het verstandig zou zijn daar niet over te beginnen, tenzij er opeens een onweerstaanbare reden zou opduiken waarmee hij zijn voordeel kon doen.
Nietzsche was op een bepaald moment onverwachts weer opgestaan, en zei dat hij weer verder moest. “Ik schrijf aan een tekst over wie ik ben, wat eigenlijk al bekend zou moeten zijn, want ik heb mij niet onbetuigd gelaten, maar ja, de wanverhouding tussen de grootheid van mijn opgave en de kleinheid van mijn tijdgenoten is zodanig tot uitdrukking gekomen dat zij mij niet gehoord, en zelfs niet gezien hebben. Het is onder zulke omstandigheden mijn plicht om te zeggen: Luister! Die en die ben ik. Verwar mij in geen geval met iemand anders!”
Athanasius was meteen ook gaan staan, en had gezegd: “U bent om de dooie dood geen dood van Pierlala, geen moralistisch gedrocht! Is dat duidelijk?!” Nietzsche had hem verbijsterd aangekeken, waarop Athanasius snel verder sprak: “Zoiets zou u gezegd kunnen hebben, als ik uw teksten goed begrepen heb. Ik meen dat ik uw uitspraken, stellingnames, maar ook uw schrijfstijl, op de juiste waarde weet te schatten. Laten wij elkaar nogmaals treffen!”
Nietzsche had hem toegeknikt, en had met stevige pas zijn wandeling vervolgd. Hij had geen datum voor een nieuw treffen afgesproken, maar Athanasius twijfelde er geen moment aan dat de filosoof open zou staan voor een nieuwe afspraak; de basis daarvoor was overduidelijk gelegd. Hij besloot de man een week de tijd te geven, en dan zou hij hem uitnodigen voor een lunch. In de tussentijd kon hij zich voorbereiden op enkele teksten die voor het gesprek van nut konden zijn. Het doel was helder: hij moest de filosoof verleiden tot het schrijven van een nieuwe tekst, hij moest hem er dus van overtuigen dat er een essentieel onderdeel ontbrak aan de neerslag van zijn gedachtegoed. Hij kon hem zelfs de titel al voorstellen, De Antichrist, hoewel hij er nog niet zeker van was of dat een goed idee was, waarschijnlijk zou het beter zijn om het gesprek zo in te kleden dat de filosoof die titel zelf zou ‘bedenken’, Deo volente…
Zeven dagen na de ontmoeting met Nietzsche belde Athanasius aan bij het huis aan de Via da Marias, de eigenaar, de heer Durisch, deed open. Athanasius legde uit dat hij de heer Nietsche wilde uitnodigen voor een maaltijd, en gaf hem een kaartje in een gesloten envelop met daarin een uitnodiging om de volgende dag met hem de lunch te gebruiken in restaurant Die Alpenrose, het restaurant waar Nietzsche bijna dagelijks at. Hij had de brief ondertekend met Iedereen en niemand. Hij vermoedde dat Nietzsche het grapje wel zou waarderen. “Moment mal,” de eigenaar verdween door een deur, en kwam vijf minuten later weer terug en zei: “Gerne, um zwölf Uhr.”
De volgende dag zaten Athanasius en de filosoof met een aperitief aan een tafel in de tuin van het restaurant, de hemel was strakblauw, het was aangenaam warm, dus hadden ze ervoor gekozen de lunch buiten te nuttigen.
“En, hoe heet iedereen?” vroeg Nietzsche, nadat de lunchkaarten op hun tafel waren gelegd.
“Dat weet niemand,” had Athanasius geantwoord.
“Is dat duidelijk?” Het spelletje beviel de filosoof kennelijk.
“Het is de waarheid.”
“De gelogen waarheid.”
“Zum Wohl!” Met een toost brak Athanasius het spelletje af, er waren zaken te regelen.
Nietzsche beantwoordde de heildronk en vroeg: “Wat is uw naam?”
“Arkana Huse-Christi,” antwoordde Athanasius, het leek hem beter zijn echte naam niet te noemen, die zou de filosoof ongetwijfeld kennen.
“Het Geheime Huis van de Volgelingen van Christus,” zei Nietzsche peinzend, “dat riekt inderdaad naar iedereen en niemand.”
“Mijn ouders hadden een moment van goddelijke inspiratie, zullen we maar denken,” reageerde Athanasius. Hij had besloten om het werk Ecce Homo als uitgangspunt voor het gesprek te nemen, dat was gewaagd, omdat de filosoof het boek nog moest schrijven. Hij schrijft in een brief aan zijn zus Elisabeth dat hij het in het najaar aan het schrijven was, dat duurde dus nog enkele maanden. Athanasius ging er echter vanuit dat hij er wel al mee bezig was, wellicht met schetsen, maar zeker in zijn hoofd, bijvoorbeeld tijdens zijn lange wandelingen. Via terloopse en behoedzame hints hoopte hij in het brein van de denker te komen. Zijn ondertekening van de uitnodiging was meer dan een grap geweest, het was een verwijzing die op het randje was. De verwijzing naar de term ‘inspiratie’ was minder riskant.
“Interessant dat u het begrip inspiratie noemt,” zei Nietzsche, “is er iemand aan het einde van deze eeuw die enig benul heeft van deze door de dichters van sterkere eeuwen gebezigde term?”
Athanasius begreep meteen dat hij het bij het rechte eind had met zijn veronderstelling, de formulering was niet precies gelijk aan die van het hoofdstuk over Zarathustra, maar kwam wel in de buurt; hij was er dus al aan bezig.
“Ik denk dat ik een eind kom,” antwoordde Athanasius brutaal. “Het is zoiets als een…” hier aarzelde Athanasius opzettelijk, alsof hij het woord nog moest bedenken, “… een openbaring, een gebraden duif die hier opeens op ons bord vliegt,” voegde hij er met een grijns aan toe.
Nietzsche waardeerde het grapje en knikte goedkeurend: “Precies, een openbaring! Het is iets waar je niet om vraagt maar wat je neemt als het zich aandient; iets wat je ten diepste innerlijk treft en wat je van je stuk brengt.” Hij krabde zich hierbij een aantal keren in zijn haar en zijn baard.
Hij zal toch geen vlooien hebben, dacht Athanasius bezorgd. “Ik begrijp wat u bedoelt,” zei hij hardop, “het is een soort buiten-jezelf-zijn, een wonderlijke symbiose van een diepe pijn en een verfijnd geluk.” Hij hoopte dat hij het er niet te dik bovenop had gelegd, maar Nietzsche keek hem verrukt aan.
“Het woord ‘symbiose’ is gelukkig gekozen,” zei de filosoof, “het geldt ook ten aanzien van het onvrijwillige van de inspiratie, het onvermijdelijke, terwijl we dit tegelijkertijd ervaren als een stormachtig gevoel van vrijheid, van onbepaald zijn, van macht, goddelijkheid…” Hij pauzeerde even, alsof hij in zijn geheugen moest graven.
“Om beter te begrijpen waar u op doelt, staat u mij de volgende vraag toe,” zei Athanasius, “begrijp ik het goed dat u hierbij in de eerste plaats denkt aan tekst, aan het woord?”
Nietzsche krabe weer in zijn baard. “Nee, het gaat dieper,” zei hij, “ik doel op het beeld, op het concept van wat het beeld is, wat gelijkenis is, hoe alles wat in je opkomt zich toont in de meest directe, de meest ware en de meest primaire wijze van uitdrukken. Ik denk hierbij aan een uitspraak van Zarathustra: ‘Hier komen alle dingen met verlokkende gebaren op je woorden af en beginnen je te vleien: want ze willen rijden op je rug. Je rijdt hier op elke denkbare gelijkenis naar elke denkbare waarheid. Hier springen ten overstaan van jou de woorden en woord-schrijnen van alle Zijn open — alle Zijn wil hier Woord worden, alle worden wil van jou willen spreken.’ Dat is hoe ik ‘inspiratie’ ervaar.”
“In den beginne was het Woord…,” flapte Athanasius eruit; hij hoopte dat het goed landde.
“… en het Woord was bij God, en het Woord was God,” vulde de filosoof aan. Hij lachte erbij. “U bent wie u heet, een ware volgeling van de Christus.”
“In het geheim…,” verontschuldigde Athanasius zich. “Maar u hebt in zoverre gelijk, dat ik lange tijd een ware volgeling was, maar de laatste tijd zijn mijn wegen en die van de Kerk zich gaan scheiden. Overigens, al voordat ik met uw teksten in aanraking kwam, uw teksten kwamen op mijn weg op de wijze die u hiervoor beschreef, ze sprongen op mijn rug en vonden woorden van gelijke strekking.”
Als antwoord op een vraag van Nietzsche vertelde Athanasius meer over zijn achtergrond als priester, zonder al teveel in detail te treden. Hij legde de nadruk op de twijfels die zich de laatste jaren meester van hem hadden gemaakt. Hij vertelde over hoe hij het christocentrische denken van de Kerk was gaan bekritiseren, in zijn hoofd althans, want hij nog niet de moed zich er openlijk over te uiten. “Ik ben geen priester die met een hamer overweg weet te gaan…” Nietzsche moest onbedaarlijk lachen om deze toespeling. Daarna had Athanasius het gesprek op Paulus gebracht, over diens rol in de ontwikkeling naar het christocentrische denken. Het was een eerste aanzet om het geprek naar de nieuwe tekst die hij op het oog had voor de filosoof. Over het gevecht in zichzelf om zich los te maken van deze meest invloedrijke apostel van het christendom. “Het lijkt wel mijn lot,” klaagde hij tot slot, “om niet te zeggen mijn noodlot.” Een kleine hint in de richting van wat later het slothoofdstuk van Ecce Homo zou worden leek hem wel gepast.
Toen Athanasius over de rol van Paulus was begonnen, waren er diepe rimpels op het voorhoofd van de filosoof verschenen. Hij verzonk in gepeins. Een tijdje aten ze zwijgend voort, maar opeens krabde de man voor de zoveelste keer in zijn wilde haardos, en zei, meer in zichzelf dan tegen Athanasius: “Dat is een buitengewoon interessante gedachte, de rol van Paulus dient aan de orde te worden gesteld! Die man is geen held; geen genie; daar is een andere naam voor: hij is een idioot!” Daarna plukte hij enkele etensrestjes uit zijn baard.
Geleidelijk aan voedde Athanasius de ideeënstroom die bij Nietzsche op gang was gebracht, allerlei thema’s die voor hem van belang waren om in de nieuw te schrijven tekst terecht te komen, legde hij op tafel. Nietzsche vulde ze naadloos aan met eigen thema’s, opvattingen en ideeën uit zijn eerdere werk, waardoor al snel de contouren van een nieuw boek zichtbaar werden. Op een gegeven moment bracht Athanasius het gesprek op de figuur van Jezus, en hij vroeg zich hardop af hoe de antithese van deze Verlosser er uit zou kunnen zien. “Dat is evident,” had de filosoof onmiddellijk gereageerd, “dat is de Antichrist!”. De titel van het boek was geboren.
De lunch liep ten einde, Nietzsche verontschuldigde zich, maar hij had nog wat schrijfwerk op het programma staan. Hij reageerde zichtbaar positief toen Athanasius hem vroeg of hij een nieuwe gedachtewisseling op prijs zou stellen, zodat ze wellicht wat meer vorm konden geven aan het beoogde boek, en dat Athanasius daar misschien zelfs enkele suggesties voor zou kunnen aandragen. De filosoof vond het een interessante gedachte, en stelde een nieuwe ontmoeting tijdens de lunch voor. Nietzsche wilde eerst zelf nadenken over het onderwerp, en had uiteraard nog meer te doen, dus spraken ze voor een week later af, op dezelfde tijd.
Athanasius bleef de gehele zomer in Sils Maria, had regelmatig afspraken met de filosoof en volgde de vorderingen van de nieuwe tekst op de voet. Nietzsch liet hem al zijn schetsen lezen, luisterde meestal geduldig, maar soms ook werkelijk geïnteresseerd, naar de commentaren van de priester. Toen Nietzsche aankondigde weer naar Turijn te gaan, spraken ze af elkaar daar weer te ontmoeten.
In oktober zagen ze elkaar weer voor het eerst sinds hun ontmoetingen in Sils Maria, ze troffen elkaar in een restaurant nabij de Via Carlo Alberto. Vanaf dat moment zagen zij elkaar weer regelmatig. Het boek vorderde nu gestaag, de andere tekst, Ecce Home, was inmiddels af. Tijdens een van hun vele lunchafspraken vertelde Nietzsche dat hij een plan had voor een werk bestaande uit vier essays, met als titel Umwertung aller Werte. Athanasius had de grootste moeite zijn verbijstering te verbergen, hij was enerzijds blij verrast met het idee, maar anderzijds begreep hij dat hij koste wat kost de totstandkoming ervan moest voorkomen; hij zou die tekst zelf gaan schrijven! Hij zou moeten ingrijpen, maar wist niet meteen hoe, maar hij had nog tijd, omdat de tekst waar Nietzsche nu aan bezig was, nog niet gereed was.
Aan het einde van het jaar was De Antichrist voltooid. Nu moest Athanasius gaan ingrijpen, er mochten absoluut geen spoor van het beoogde nieuwe boek gevonden worden. Hij had een plan bedacht — een beproefd plan zelfs, want hij zou opnieuw gebruik maken van het elixer. Hij had in de afgelopen weken geëxperimenteerd met een nieuwe, verbeterde variant. Hij nodigde Nietzsche uit voor een nieuwjaarsborrel aan het eind van de middag bij hem in het appartement. De filosoof nam de uitnodiging met gepast enthousiasme aan.
Twee dagen later liep Nietzsche in verwarde toestand op straat, hij zag hoe een paard werd afgeranseld, omarmde het dier en zakte huilend in elkaar. Athanasius was allesbehalve trots op zichzelf, maar het doel heiligt in bepaalde gevallen de middelen, zelfs in het geval van een edel dier als een paard.
— Rome, 21 april 1997

