De Man van Smarten — Naschrift
— Cornelis de Bondt
Naschrift
Precies één jaar na het bezoek van Goethe stond hij weer bij mij op de stoep, in hetzelfde donkerblauwe kostuum, inclusief gilet, strikje en aftershave. We zetten ons in de salon, in dezelfde opstelling als de vorige keer. Na wat beleefdheden te hebben uitgewisseld stelde ik hem de vraag wat de reden was van zijn nieuwe bezoek, “… ik heb uiteraard veel vragen, maar die hadden we ook per post kunnen afhandelen.”
“Ik moest toch in de buurt zijn,” antwoordde hij, “en in een gesprek gaat dat toch sneller en uitgebreider.”
Ik kreeg een onbestemd gevoel, alsof hij iets achterhield, maar ik besloot dat voorlopig te laten rusten en eerst mijn vragen te stellen. “Ik moet eerlijkheidshalve zeggen dat het verhaal, hoe ingenieus en vermakelijk ook, op mij niet erg geloofwaardig overkomt. Er is geen spoor van bewijs, of hebt u nog iets achter de hand, en is dat de eigenlijke reden van uw hernieuwde bezoek?” Toch maar met de deur in huis gevallen…
“Ik heb zeker niets achtergehouden, de reden die ik opgaf voor mijn bezoek is oprecht. En wat uw vraag over een vorm van bewijs betreft, ik heb alleen die tekst.” Hij keek mij toen hij sprak recht in de ogen, en of hij was een buitengewoon getalenteerde acteur, of hij sprak gewoon de waarheid. Hij ging verder: “Er zijn evenwel een aantal zaken aan te wijzen die, hoewel niet aan te merken als direct bewijs, het verhaal toch in zekere mate aannemelijk maken. Ik zal er een aantal benoemen.” Hij pakte het verhaal uit zijn aktentas, waarschijnlijk een kopie, maar dat kon ik niet goed zien, en ging erin bladeren.
Ik pakte mijn kopie van het verhaal er ook bij, ik had het al naast mij op het salontafeltje klaargelegd. “Hebben wij dezelfde paginanummering?” vroeg ik.
“Inderdaad.” Hij bladerde nog wat verder, en zei opeens: “Hier, vanaf het gedeelte over Nietzsche, vanaf pagina 46, maar eigenlijk een pagina eerder ook al, Rome in 1929 — al deze zaken kon Kircher in 1656 niet weten, maar ze staan wel beschreven in die tekst uit die tijd.”
“Ja, dat zal allemaal wel, maar die tekst kan natuurlijk eeuwen later geschreven zijn,” bracht ik er tegenin.
“Dat is nu net de hele kwestie, die tekst heb ik gezien in de bibliotheek van het Vaticaan, en die was overduidelijk geschreven in 1656, op papier en met inkt uit die tijd — wacht…,” hij pakte zijn aktetas weer en haalde er een document uit, hij gaf het aan mij. “Dit is een fotokopie van de eerste pagina van de tekst, die heb ik ontvangen van de bibilothecaris, er staat een echtheidscertificaat op, dat het document authentiek is. Dat is misschien nog niet een volledig bewijs, maar het maakt de kwestie toch wel erg aannemelijk, vindt u niet?”
Ik bekeek het document, het was natuurlijk maar een fotokopie, maar ik moest toegeven dat het authentiek overkwam. Het zou in ieder geval te controleren zijn. “Misschien,” zei ik aarzelend, ik wilde niet dat hij dacht dat ik volledig overtuigd was, want dat was ik ook niet.
“Stel anders eerst uw andere vragen, wellicht helpt dat om u verder te overtuigen. Maar misschien is het beter als ik u eerst iets meer vertel over die tijdscabine. Van daaruit kunnen we dan verder gaan.”
“Goed, vertel maar wat u weet,” antwoordde ik.
“Over de techniek zelf weet ik niets, maar ik ken wel wat details die niet in de tekst staan — bijvoorbeeld…”
“Hoe kent u die details? Heeft u nog andere teksten gevonden?” onderbrak ik hem.
“Ik woon in zijn geboortestadje, of dorp eigenlijk, en ik werk vlakbij in het klooster van Fulda, en daar heb ik inderdaad nog enkele teksten van hem gevonden. Die zaten trouwens diep in het archief verstopt, niemand wist ervan. Maar ook in de Vaticaan-tekst stond meer informatie dan ik uiteindelijk in het verhaal heb gestopt. Het ging mij om het verhaal zelf, niet die techniek.”
“Maar die is dus essentieel!”
“Ja, dat begrijp ik nu ook.”
Eerst niet dus, jaja, dat zal wel, dacht ik. “Oké, dat tijdreizen, hoe ging dat in zijn werk?”
“Zoals ik al zei, precies weet ik dat niet, maar wel dat het te maken heeft met twee andere uitvindingen van hem, de magnetische klok — magnetisme speelt een belangrijke rol in het tijdreizen — en dat perpetuum mobile. Bekend is alleen dat hij daar een ontwerp van heeft gemaakt, maar in werkelijkheid was hij er veel verder mee, die tijdscabine is een vorm van dat principe. Zijn vondst om niet alleen op 21 april te kunnen reizen, maar ook op 21 juni, maakte het compleet. Hij kon over een relatief kleine tijdsafstand, namelijk van twee maanden, ongelimiteerd heen en weer reizen. Een perpetuum mobile. Sowieso kan hij altijd weer naar 21 april 1656 reizen, dus in feite ‘stilstaan’ in de tijd en tegelijkertijd van alles doen, in elke gewenste tijd. Dat is een vorm van ‘eeuwig leven’!”
“Een nieuwe vraag,” zei ik, “hoe zit dat met de beïnvloeding van de geschiedenis? Kircher veranderde de geschiedenis, althans, dat stelt het verhaal. Hoe werkt dat dan? Is de eerdere versie van de geschiedenis dan gewist?”
“Dat is inderdaad wat Kircher schrijft, hij ontdekte dat. Als hij terugkeert naar Nicea, op pagina…” hij bladert even door de tekst, “ja, op pagina 43, dan merkt hij dat de geschiedenis veranderd is, de vorige versie is verdwenen. Hij vermoedde dat uiteraard wel, maar dan heeft hij het bewijs.”
“Kan hij zichzelf tegenkomen op zo’n reis?”
“Nee, hij kan zich uitsluitend met zijn cabine verplaatsen, steeds vanuit en naar dezelfde plek. Hij kan zichzelf nooit tegenkomen, hij leeft maar op één plek tegelijk. Als hij in Nicea 325 AD is, dan is hij niet tegelijkertijd in Rome 1656 AD.”
“Maar verandert hij dan niet?”
“Uiteraard wel, net als ieder mens, alleen hij doet het op verschillende plaatsen in verschillende tijden. Maar één ding verandert niet, tenminste, als hij steeds weer terugkeert naar 21 april 1656, dan wordt hij niet ouder. Die datum is zijn absolute datum. Dat heeft hij ook ontdekt, en daar gaat zijn hele project over.”
“Maar bij dat project kun je ethische vragen stellen!” werp ik op.
“Dat kan inderdaad, maar ik onthoud mij van een moreel oordeel; deze kwestie gaat daar ver bovenuit.”
“U gaat mee met die Umwertung aller Werte, begrijp ik, daar staat u achter.”
“Ik ben nieuwsgierig, ik wil weten waar het toe leidt. Dr. Faustus in feite. Ja, zo is de mens.”
“En dan maakt een moord meer of minder niet uit? Alles in dienst van de wetenschap?!”
“De dood van Tacitus, Eva en Toama is beslist spijtig en tragisch. Kircher zat er wel degelijk mee in zijn maag. Maar we doden ook dieren, om ze op te eten, we vernietigen de natuur voor de vooruitgang en ons welzijn; ik zie geen principieel verschil. De ironie van Toama is dat de goedgelovigheid van deze ‘ongelovige Thomas’ hem noodlottig is geworden. Tacitus was sowieso al aan het einde van zijn leven. Ik denk dat de dood van Eva Kircher hem het meeste dwars zat.”
“En wat hij met Nietzsche heeft uitgespookt! Als dat verhaal waar is, dan heeft hij hem elf jaar van zijn leven in een hel veranderd, dat is misschien nog erger dan de dood!”
“Als je jezelf met een hamer en dynamiet vergelijkt, moet je niet opkijken als iemand een hakbijl hanteert. Ik vermoed dat, als hij zou weten wat hem overkomen is, hij dat zelfs zou toejuichen. Hij zegt immers ook in het voorwoord van Ecce Homo: ‘Als jullie mij allemaal verloochend hebben, kom ik terug.’ Wel nu, hij is teruggekomen, alleen in de gedaante van Kircher, de Übermensch.”
“Hij schrijft ook, in het laatste hoofdstuk, dat hij misschien wel de meest vreeswekkende mens is die er bestaan heeft, maar dat dit niet betekent dat hij niet ook de grootste weldoener zou kunnen zijn.”
“En misschien blijkt dat Kircher dat zal worden.”
“Ik mag hopen dat deze hele geschiedenis één grote fantasie is.” Ik zei het uit de grond van mijn hart, wat, zo realiseerde ik mij meteen nadat ik het gezegd had, eigenlijk betekende dat ik geloof hechtte aan het verhaal. Dat verontrustte mij in hoge mate.
Er waren nog een drietal zaken waar ik meer van wilde weten. “Heeft die Athanasius van Alexandrië, van Nicea, nu echt bestaan, en is hij dus het zoveelste slachtoffer van Kirchers bijdrage aan de wetenschap, of is hij volledig een verzinsel van hem?”
“Het laatste,” zei Goethe beslist. “Hij is door Kircher in het leven geroepen, een toevoeging aan de geschiedenis als het ware, een onderdeel van wat hij zijn ‘Grote Plan’ noemde.”
“Dat is tenminste iets,” zei ik bitter. “Nog een vraag: aan het slot van de tekst schrijft hij dat hij moest voorkomen dat Nietzsche de tekst Die Umwertung aller Werte zou gaan schrijven omdat hij die zelf wilde schrijven. Heeft hij dat gedaan?”
“Dat is een interessante kwestie,” antwoordde Goethe. “De tekst die ik in Fulda vond, waar ik het hiervoor even over had, geeft hier antwoord op. Daaruit blijkt dat Kircher de oorspronkelijke titel van de tekst die ik u vorig jaar gaf die titel had. Hij heeft die echter later veranderd in de titel die nu boven mijn verhaal staat, ‘Schmerzensmann’. De titel Die Umwertung aller Werte had hij doorgekrast. Maar aan de structuur van de vier delen, genummerd met de Romeinse cijfers van I tot en met IV, is nog herkenbaar, in plaats van vier essays zijn het vier zinnen geworden, een symbool van de zich samentrekkende tijd, zie de vierde zin. Deze vier zinnen komen dus in de plaats van de vier essays, zoals hij uitlegt in die tekst die ik in Fulda vond.
Eveneens genummerd met dezelfde Romeinse cijfers. Ik heb hier een kopie ervan:”
Hij gaf mij het vel papier met de volgende tekst:
I. De Umwertung is geen tekst maar een praxis, de woorden reizen op de rug van de handeling.
II. De Übermensch is geen ras of groep, hij bestaat slechts uit één persoon.
III. De Umwertung is een Arcana, waarin de mens verlost wordt van de Kerk.
IV. Christus als_niet Christus, de Tijd trekt zich samen.“
Hij maakt het persoonlijk!” riep ik uit.
“Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt,” zei Goethe, “dat de Übermensch één persoon is lijkt daarop te wijzen, maar het hogere doel is bovenpersoonlijk; dat kun je concluderen uit de overige drie punten, die gaan over ‘de handeling’, ‘de mens’, ‘de Kerk’, ‘de Tijd’, kortom over zaken of begrippen die het persoonlijke te boven gaan. De Umwertung geldt voor de mensheid, met andere woorden, of die Übermensch nu één persoon is of niet. De ‘Christus’ was ook één persoon.”
“Of twee…” Ik had behoefte aan een grapje.
“Nee, één! “ zei hij ernstig. “Dat Athanasius er twee nodig had staat daar los van, het ging hem om de Idee van de Christus.”
Ik besloot dit punt te laten rusten, en vroeg verder: “De eerste drie punten begrijp ik nog wel, maar dat laatste punt is enigmatisch. ‘De tijd die samentrekt’, heeft dat iets met dat tijdreizen te maken? En wat mag ‘Christus als_niet Christus’ betekenen, ‘Christus als Anti-Christus’?”
“Om met het laatste te beginnen, die als_niet-formule is een messianistische formule, afkomstig uit de Joodse mystiek. Het betekent niet ‘Christus als niet-Christus’, zoals u suggereert; het is geen vergelijking in die zin. Het betreft een ‘Aufhebung’, zoals dit alleen in het Duits gezegd kan worden.”
“Ik ben vertrouwd met dat begrip,” zei ik, maar Goethe ging het toch uitleggen, hij ging er echt voor zitten, hij boog naar voren in mijn richting en doceerde:
“‘Aufheben’ betekent ‘opheffen’ in twee betekenissen: omhoog stijgen en oplossen. Eigenlijk is het woord een metafoor van zichzelf, beide betekenissen zijn in het woord aufgehoben. Nu terug naar de messianistische formule, die betekent dus dat de Christus zowel opstijgt als oplost in zijn tegendeel. Ik denk dat voor Christus de figuur van de Antichrist deze Aufhebung symboliseert. Uitgedrukt in de correcte formule, zou uw voorstel als volgt kunnen luiden: “De Christus als_niet De Antichrist”. Beide figuren zijn in elkaar opgestegen en opgelost.”
Ik knikte braaf. “Ik begrijp het. Dat er dan twee versies zijn van de Christus, de tweelingbroers bedoel ik, maakt het extra pikant. En dan nu dat tijdreizen.”
Goethe zakte weer terug in de kussens op de bank. “Het tijdreizen van Kircher is eigenlijk niet meer dan de techniek om de Aufhebung mogelijk te maken. Daarom is het wat dat betreft persoonlijk, zoals u zei, hij is de enige die deze techniek machtig is.”
“Hij zou de techniek ook aan anderen ter beschikking kunnen stellen,” wierp ik tegen.
“Maar dan ontstaat het gevaar, dat beslist niet denkbeeldig is, dat het voor verkeerde doeleinden gebruikt kan, en dus gaat, worden. Ik begrijp zijn terughoudendheid op dit punt.”
“Dan moeten we er dus stilzwijgend van uitgaan dat Kircher geen verkeerde bedoelingen heeft, en geen gevaar vormt…”
“Dat is juist,” zei Goethe met een zowel ernstig als devoot gezicht. “Dat hij uitsluitend goede bedoelingen heeft, en geen gevaar vormt, bedoel ik.”
“Aha,” zei ik.
Ik had nog één vraag, de hamvraag: “Leeft Kircher nog? Ik bedoel, heeft u nog iets van hem vernomen, een nieuwe tekst, een teken, iets wat wijst dat hij nog werkt aan zijn ‘Grote Plan’?”
Hij aarzelde net te lang met zijn antwoord, voor mijn gevoel. “Nee,” zei hij, “niet dat mij is opgevallen. Maar ik ga ervan uit dat hij nog leeft, grotendeels in zijn eigen tijd, 1656 dus. En vergeet niet, hij heeft de tijd, alle tijd; letterlijk.”
Omdat ik geen andere vragen meer had, althans niet om op dat moment aan hem te stellen, beëindigde we ons gesprek. Ik dankte hem voor de teksten en toelichtingen, en ik liet hem uit.
“Zal ik u nog een keer terugzien,” vroeg ik in de deuropening.
Hij draaide zich om en zei: “Vermoedelijk wel.” Toen liep hij weg.
Ik besloot een glas wijn in te schenken, het was daar eigenlijk nog te vroeg voor, althans volgens mijn eigen standaard, maar ik wilde alles even loslaten, mijn brein de kans geven om een paar momenten afwezig te zijn. Dat laatste lukte niet echt, ik zag de hele tijd het gezicht van Goethe voor mij. Plotseling herinnerde ik mij iets, een soort déjà vu, ik had hem lang geleden eerder ontmoet. Ik graafde in mijn geheugen, en toen herinnerde ik mij een kort moment waar wij elkaar gezien hebben, het moet in de nazomer van 1978 geweest zijn, want ik was op tv naar de plotselinge dood van een paus aan het kijken. Er werd gebeld, ik deed open en ik weet nu heel zeker dat het Goethe was die toen op de stoep stond.
Hij keek mij aan, verontschuldigde zich: “Excuses, verkeerde adres,” waarna hij weg was gelopen. Ik heb er verder geen aandacht aan geschonken, ik was nog helemaal beduusd van dat vreemde overlijden van die paus. Ik zocht in mijn archieven, en vond een krant die ik om die reden bewaard had, met een bericht erover, het betrof Paus Johannes Paulus I; zijn pontificaat had exact 33 dagen geduurd. Rond zijn dood cirkelden allerlei mysteries en complottheorieën. Zo waren er geruchten dat zijn dood iets te maken had met malversaties in de Banca Vaticana. Ik las het krantenartikel door, nam nog een glas wijn, en toen staarde ik opeens naar dat aantal dagen van zijn pontificaat, 33! Kon dat toeval zijn? Kircher?! Zat die erachter? Ik moest nu goed gaan uitkijken, hield ik mijzelf voor, complottheorieën hebben een onweerstaanbare aantrekkingskracht.
Ik besloot deze kwestie uit mijn hoofd te zetten, het was te ongeloofwaardig allemaal, die malle Dr. Goethe, die Kirchertekst, tijdmachines… Het moest onzin zijn. Maar wel intrigerende onzin.
Twee maanden na Goethe’s bezoek, op 21 juni om precies te zijn, kreeg ik een merkwaardige herhaling van mijn déjà vu, hij was namelijk veranderd: nadat ik de deur had geopend, was Goethe niet meteen weggelopen, maar met mij naar binnen gegaan. We hadden samen gekeken naar de rest van het nieuwsitem over de paus, en toen wat gekletst over het pausdom, het christendom en alle poppenkast eromheen. Hij is, althans in mijn aangepaste — of aangetaste? — herinnering niet lang gebleven. Ik herinner mij evenmin of hij zich aan mij heeft voorgesteld, noch wat het doel was van zijn bezoek. De herinnering omvatte slechts dit korte fragment. Ik voelde een hevige mate van ongerustheid, angst, een begin van paniek zelfs. Ik ging in mij salon zitten en dacht een poosje na. Ik zag Goethe’s gezicht weer voor mij, dat van twee maanden geleden, en van tijdens zijn bezoek het jaar daarvoor, maar ook aan dat van mijn herinnering vandaag. Het verontrustende was dat het leek alsof er niets aan zijn gezicht veranderd was, terwijl een tijdsduur van twintig jaar toch wel enige verandering zou veronderstellen.
Opeens stond ik op, ik pakte het boek van Thoama Kanaän over Kircher uit de boekenkast, opende het en staarde naar het portret van de priester. Ik meende een treffende overeenkomst tussen het gezicht van Goethe en Kircher te zien. Of zou ik dit mij verbeelden? Ik liep met het boek naar het raam, en staarde peinzend naar buiten. Zou het waar kunnen zijn? Zou Kircher nog steeds bezig zijn met zijn reizen, en dus met het veranderen van de geschiedenis? Was dit zijn ‘Grote Plan’, gebruikte hij de techniek van het beheersen van de tijd om die tijd zich te laten samentrekken? De opeenhoping van plotselinge nieuwe herinneringen leek daar op te duiden. Maar waarom herinnerde ik dan ook nog de vorige versie van zijn bezoek uit 1978, die zou toch gewist moeten zijn? Of was dit wat Goethe bedoelde met ‘Aufhebung’, dat uiteindelijk alle herinneringen zich tot één totaalherinnering versmelten, alsof de tijd zich transformeert tot één samengesmolten geheel? En stel dat dit het geval is, moeten wij dit goedkeuren of afkeuren? Alles wordt één, en één wordt alles, we worden wat we zijn. Opdat de goden — welke dan ook — met ons zijn!
— Den Haag, 21 juni 1998

