De Man van Smarten — Proloog

Man van Smarten

De Man van Smarten — Proloog

Cornelis de Bondt

Der Schmerzensmann — Dr. Theo Goethe

Proloog

Eén jaar en twee weken na de inaugeratie van de nieuwe Paus Alexander VII, het was om precies te zijn de 21ste april van het jaar onzes Heren 1656, liep de jezuïtisch geschoolde priester Athanasius Kircher door een verborgen tunnel naar de geheime funderingsgewelven onder het Pantheon in de Eeuwige Stad Rome. Kircher liep met behoedzame doch vastberaden passen; ondanks het puin, het afval, de ratten die tussen zijn benen door schoten, scheen hij precies te weten waar hij zijn voeten moest plaatsen. Hij lichtte zich bij met een lamp van eigen makelij, hij was een uitvinder van diverse apparaten: toverlantaarns, spreekbuizen, coderingsmachines, een componeermachine, muziekintrumenten, een magnetische klok, een ontwerp voor een pratende en luisterende robot, alsmede een ontwerp voor een perpetuum mobile — enfin, teveel om op te noemen. Ook had hij zich bezig gehouden met het vertalen van het Chinees, de Egyptische hiërochliefen, hij had op basis van medische analyses van ziektes als malaria en de pest behandelingen en preventieve methodes bedacht; hij was kortom een wandelende encyclopedie, uitvinder en fantast in één. Alles was dubbel, dubbelzinnig en tegelijkertijd zinnig aan de man. Alles in één, en één in alles, was zijn devies. Hij had al zijn vertalingen, theorieën, bevindingen en uitvindingen uitvoerig gedocumenteerd, en had hier veel aanzien mee verworven. Hij bewaarde een complimenteuze brief van Leibniz in een speciaal daarvoor zelfgemaakt harmoniehouten kistje; een zeker gevoel van ijdelheid was hem niet vreemd, maar het was altijd ook gekoppeld aan een naïef te noemen verwondering, en een diepe vroomheid. Hij had alles openbaar gemaakt, op één uitvinding na, waaraan hij vanaf zijn 33ste levensjaar in het diepste geheim had gewerkt.

Kircher sloot de dikke metalen deur achter zich, en betrad een grote ruimte, met hoge plafonds, maar zonder vensters. De ruimte werd verlicht door twaalf curieuze lantaarns, die een blauwachtig licht verspreidden. De ruimte was gevuld met allerlei apparaten, metalen en glazen buizen, raderen, spiegels, koperdraden, werkbanken, losse materialen en een grote kast met boeken. Een werktafel, een leunstoel en een eenvoudig bed complementeerde de inboedel. In het midden van de ruimte stond een gesloten, metalen kast — althans, zo leek het. Hij liet zich door de knieën zakken, vlak voor een beeldtenis van een Man van Smarten, een eeuwenoude afbeelding op een houten plaat van de heilige Zoon; hij verzonk in gebed, de woorden die hij prevelde waren te zacht om te verstaan, zelfs de taal waarin hij sprak was onduidelijk, het was zeker geen Latijn, en al helemaal geen profane, moderne Europese taal, het was een taal van ver weg en lang geleden. Na zijn gebed stond hij op, en liep naar een groot rad, dat verbonden was aan een ingewikkeld raderwerk. Hij begon aan het rad te draaien, en na enkele ogenblikken verscheen er in het plafond een lichtstrook. Hij draaide net zolang tot de hele ruimte baadde in een zee van licht. Hij liep naar de metalen kast in het midden van de ruimte, nu gehuld in zonlicht; hij opende de deur, het interieur bleek een inmens ingewikkelde machine, met in het centrum een lederen stoel, omringd door schakelaars, buizen, draden en een ingenieus klokwerk. Kircher stapte naar binnen, sloot de deur en zette zich op de zetel. Hij trok vastberaden aan een grote hendel. Het was precies 12 uur.