De Man van Smarten — Toelichting
— Cornelis de Bondt
Inleiding
Het eerste idee voor de opera ‘De Man van Smarten’ had ik eind jaren ’80. Het moest een ‘dubbel-opera’ worden, een opera bestaande uit twee lagen. Een ‘Bovenlaag’, in de vorm van een kruising tussen een performance en een installatie, een ritueel waarvan begin- en eindpunt van tevoren duidelijk zijn, en dat zich meedogenloos voltrekt. Daarnaast een ‘Onderlaag’, een 18de/19de eeuwse opera waarin ‘de tenor met de sopraan naar bed wil, en de bas dat probeert te voorkomen’. Een laag met drama, intriges en diepte. De ‘Bovenlaag’ zou dan ingrijpen in de ‘Onderlaag’, als een deus ex machina.
Tijdens een uitzending van het NOS-journaal – begin jaren ’90 – zag ik een item over de ontdekking van een van de oudste ‘Mannen van Smarten’ door Dr. Henk van Os, toenmalig directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam. Het bijzondere aan deze ontdekking was dat deze ‘Man van Smarten’ verborgen zat onder een andere schildering. Van Os had hiervan een vermoeden en wist de oorspronkelijke schildering bloot te leggen met behulp van infraroodstraling.
Dit gegeven, een beeld verstopt achter een ander beeld, sloot naadloos aan bij mijn idee voor de dubbel-opera. Het idee voor ‘De Man van Smarten’ was geboren. Mijn collega en goede vriend Jan Rispens – toentertijd directeur van het Koninklijk Conservatorium in Gent – wees mij op een drietal boeken van de Franse schrijver en gnosticus Robert Ambelain, die daarin een interessante theorie had ontvouwd over de historische figuur van Jezus. Deze theorie bleek een zeer bruikbare plot op te leveren voor de opera.
Uitgangspunten
- De figuur van Jezus komt niet in de opera voor, hooguit als verwijspunt, maar niet als karakter. Maar wel diens tweelingbroer, Toama. Er zijn apocriefe teksten waarin deze vermeld wordt, ook in het Evangelie naar Johannes is er een tussenzinnetje dat er naar verwijst:
[Joh. 20:24]: “En Thomas [Toama], een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam.” ‘Didymus’ betekent ‘tweelingbroer’, net als het Hebreeuwse ‘Toama’.
- Verder is de Romeinse historicus Tacitus van belang, omdat hij over de historische Jezus geschreven zou hebben, maar het probleem is dat de manuscripten van de boeken waarin dit het geval zou zijn verdwenen zijn. Van de ‘Annales’ de delen die gaan over de jaren 28-34, en van de ‘Historiae’ de delen die gaan over de provincie Judea. Dus precies de teksten die over de figuur Jezus gaan.
- Het Concilie van Nicea [325 AD] is het centrale punt, hier werd de kerk van het christendom geboren. Er was een groot dispuut over de kwestie of de Zoon van God van gelijke substantie was als zijn Vader [homoousios] of dat hij gelijksoortig was, maar dus niet gelijk [hetereoousios]. Met andere woorden: had de Vader de Zoon geschapen, of niet? De belangrijkste woordvoerders van deze kwestie waren Alexander van Alexandrië [Zoon is gelijk aan Vader] en Arius [Zoon is mens, dus gelijkwaardig, maar ongelijk.] Uiteindelijk wint de factie van Alexander. Arius en zijn beweging komen uiteindelijk terecht in een beweging van Gnostici.
- Een pupil van Alexander was indertijd Athanasius. Deze figuur wordt bij mij het centrale karakter, de hoofdrolspeler. Want hij is niemand minder dan Athanasius Kircher, die behalve alle apparaten waar wij informatie over hebben (ondermeer een coderingsmachine, componeermachine, een toverlantaarn met spreekbuizen, een magnetische klok en een ontwerp voor een pertuum mobile) ook een apparaat heeft uitgevonden dat hij zorgvuldig geheim heeft gehouden: een tijdmachine. Deze figuur introduceert de wereld van de machines en apparaten, maar hij is tegelijkertijd ook een fantast. De spanning van de opera als geheel zit dus ook in deze man.
Plotlagen
- Nicea, 325 AD — Athanasius, Alexander, Arius
Dispuut tussen Alexander (met Athanasius in zijn kielzog) en Arius. Ik gebruik hier teksten voor van de historische figuren zelf, maar ook delen uit de dialoog ‘Protagoras’ van Plato, over de Deugd [aretē, dus voortreffelijkheid]. Uiteindelijk blijkt dat de teksten van Tacitus voor Arius een doorslaggevend argument zouden kunnen worden voor zijn stelling dat Jezus een mens was. Die teksten moeten dus verdwijnen volgens Alexander, en wel in de basis, er mogen geen kopieën van bestaan. Athanasius kan dit regelen via zijn tijdmachine. Dit houdt hij overigens geheim voor Alexander, hij heeft een eigen agenda. - Rome 117 AD (sterfjaar van Tacitus) — Athanasius, Tacitus, Eva (een courtisane)
Athanasius huurt een courtisane in om Tacitus te verleiden en zich zo aan hem op te kunnen dringen. Daarmee kan zij bij de bewuste manuscripten geraken en ze wegnemen. Probleem is, zoals dat gaat in een opera: niet alleen Tacitus wordt verliefd op Eva, maar ook andersom. Ze proberen Athanasius voor de gek te houden door hem kopieën te geven in plaats van de oorspronkelijke manuscripten. Wanneer Athanasius dit doorheeft, doodt hij beiden. (Dat is de werkelijke reden van de dood van Tacitus, waar verder niets over bekend is.) Ik gebruik hiervoor teksten uit ‘Le livre dou voir dit’, een roman van Guillaume de Machaut die gaat over de verhouding die hij had met de jeugdige Péronelle d’Armentières. Het werk staat vol brieven, liederen, gedichten van zowel Machaut [Lamant] als Péronelle [La dame]. - Jeruzalem, 33 AD — Athanasius, Toama, Maria
Athanasius mengt zich tussen de volgelingen van Jezus, vooral om diens tweelingbroer Toama en Maria Magdalena aan zich te binden. Maria is, anders dan sommige teksten suggereren, niet de geliefde van Jezus, maar van Toama. Athanasius heeft een illusionistentruc in gedachten waarmee hij de opstanding van Jezus kan simuleren. Drie dagen nadat Jezus is begraven, opent hij het graf en neemt Toama de plaats in van Jezus. Zo is de christelijke mythe kunnen ontstaan. - Rome, 1656, Pantheon — Athanasius
Dit is het ‘thuis’ van Athanasius Kircher. Hij gebruikt het Pantheon als basis voor zijn reizen. Het is een van de oudste gebouwen ter wereld, en hij werkt vanuit een verborgen ruimte, en kan gebruikmaken van de contructie van het gebouw: de koepel heeft een oculus, en om 12 uur in de middag, op 21 april, schijnt de zon loodrecht door dat oog naar binnen. Uiteindelijk kan hij op ook de dag van de zonnewende reizen, hij heeft dus twee tijdstippen tot zijn beschikking, maar die kan hij in een loop gebruiken. Hij heeft dus het eeuwige leven uitgevonden. Hij gebruikt het gebouw ook voor de Hemelvaart van Jezus/Toama, via zijn apparaten (toverlantaarns, rookmachine, spreekbuizen) simuleert hij de hemelvaart via een projectie van Toama op de witte rook. Toama is dan al door Athanasius vermoord, want die moet als ‘los einde’ verdwijnen. Ook de indaling van de Heilige Geest gebeurt in de koepel van het Pantheon, op het moment dat hij terugreist naar 1656, onder begeleiding van vuurwerk en het licht van de tijdmachine. - Turijn, Sils Maria 1888/1889 — Athanasius, Nietzsche
Na de eerste fase [117, Tacitus], de tweede fase [33, Toama] volgt nog de derde fase: het uiteindelijke doel van Athanasius: een synthese worden van de Christus en de Antichrist. Hier heeft hij Nietzsche voor nodig, met name vanwege de figuren van Zarathustra en de Antichrist. Nietzsche wilde na de Antichrist nog een tekst schrijven: ‘Die Umwertung aller Werte’. Dit moest Athanasius voorkomen, want hij wilde die tekst zelf schrijven, maar niet in de vorm van woorden, maar van een handeling, die voor Aristoteles het primaat van de Deugd heeft: de deugd vindt plaats in de handeling. Athanasius dringt zich op aan Nietzsche, om uiteindelijk hem een elixer te kunnen toedienen waardoor deze helemaal instort. Dat is op 3 januari 1889. Nu heeft Athanasius zijn handen vrij, en werkt hij aan het project om de tijd in zichzelf te laten samentrekken, iets wat Paulus voorspelt in zijn 1ste Brief aan de Korinthiërs.
Paulus, I Kor. 7:29-32: “Maar dit zeg ik, broeders, de tijd is tot rust gekomen; wat rest is, opdat zelfs zij die vrouwen hebben zijn als niet vrouwen hebbend, zij die wenen als niet wenen, zij die zich verblijden als niet verblijden, zij die kopen als niet bezitten, en zij die de wereld gebruiken als niet verbruiken. Want de gedaante van deze wereld vergaat. Doch ik wil dat gij zonder zorgen zijt.”
Verhaal, Opera, Film
Hoewel het oorspronkelijke idee een opera betrof, zag ik toen ik de plot uitwerkte tot een gedetailleerd, lang verhaal [40.000 woorden], ook de mogelijkheden in van een film. Er zijn zeer veel scènes die daar uitermate geschikt voor zijn. Dit verhaal is nadrukkelijk niet een libretto of een filmscript, maar omdat het verhaal tot in detail is uitgewerkt, kunnen het libretto en de script daaruit gedestilleerd worden, uiteraard met de nodige vrijheid, omdat een opera of film iets anders is dan een verhalende tekst.
Er is al wel wat muziek: een aria, “La Dame Complainte”, die al is uitgevoerd door Kristia Michael en Anita Tomasevich; het “Lamento di Maria” geschreven voor het Kali Ensemble, gepolandee uitvoering volgend jaar; en enkele koralen.
