De Man van Smarten — Voorwoord
— Cornelis de Bondt
Ich sage euch: man muss noch Chaos in sich haben, um einen tanzenden Stern gebären zu können.
— Nietzsche, Also sprach Zarathustra
Op 21 april 1997 werd ik onverwachts opgebeld door Taunis Haas. Hij sprak op gehaaste toon, hij klonk opgewonden en liet mij geen ruimte om iets te zeggen of te reageren. Hij vroeg mij niet, hij gebood mij een zekere Dr. Leo Goethe te ontvangen, en te luisteren naar de wonderlijke geschiedenis die deze had te vertellen. ‘Hij is om 12 uur in Rome aangekomen, en reist meteen door naar Uw adres. Hij zal morgen bij U op de stoep staan. U krijgt spijt als haren op Uw hoofd wanneer U geen gehoor geeft aan mijn verzoek.’ Verzoek, jaja. Hij had daarna meteen weer opgehangen, niet eens verteld wanneer deze Goethe — what’s in a name? — bij mij zou aanbellen; zoek het maar uit De Vries, mijn naam is Haas.
Ik besloot het allemaal maar af te wachten, misschien zou de man nooit iets van zich laten horen, mij best, ik zou het wel zien.
De volgende ochtend werd er inderdaad aangebeld. Een man in een donkerblauw kostuum, met gilet en strikje, stelde zich voor als Dr. Leo Goethe, inclusief doctorstitel. Hij had een dunne, bruinleren aktetas onder zijn arm, een flinke bril met hoornen montuur, en hij rook naar een met iets teveel enthousiasme aangebrachte goedkope aftershave. Ik liet hem binnen, bracht hem naar de salon en verzocht hem plaats te nemen op de tweezitsbank, waardoor ik op voldoende afstand van hem op de fauteuil ertegenover kon plaatsnemen. Op mijn vraag of hij iets wilde drinken, koffie of thee, antwoordde hij dat een glas kraanwater prima was.
“Wat kan ik voor u betekenen,” vroeg ik, nadat ik hem een glas water had voorgezet.
Goethe had de Duitse nationaliteit, hij was woonachtig in de kleine gemeente Geisa in de deelstaat Thüringen, en verbonden aan het nabije klooster van Fulda. We spraken in het Engels met elkaar. Ik verbeeldde mij dat zijn Duitse accent zwaarder was dan mijn Nederlandse, maar er is niets mis met mijn verbeeldingskracht. Goethe legde uit dat hij theoloog en onderzoeker was, en dat hij al jaren onderzoek had gedaan naar het leven en werk van de 17de eeuwse priester, uitvinder en geleerde Athanasius Kircher. Ja, uiteraard was ik op de hoogte van Kirchers werk, en ja, ik vond het ook zeer zeker zeer interessant, beaamde ik beleefd. Ik zei er niet bij dat ik bedenkingen had tegen de hype die de laatste tijd rond de man was ontstaan. Goethe sprak aan een stuk door, en het duurde even voordat mijn aanvankelijke scepsis tegen de man omsloeg in… eerst verbazing, toen verbijstering en uiteindelijk een combinatie van een bijkans koortsige opwinding en een wanhopig ongeloof. De curieuze geschiedenis waar Goethe mij verslag van deed begon bij een merkwaardige figuur die in zijn woonplaats een gastloos hotel runde, Sumvall Göthe (geen familie!). Deze Göthe bracht hem op het spoor van een onbekende, geheime tekst van Kircher, die zich in de bibliotheek van het Vaticaan zou bevinden. Göthe kende een tweetal lieden met een dubieuze achtergrond, eigentlich ein Betrügerspaar, — hij kon niet op het Engelse woord voor oplichters komen — maar aan de andere kant was hun verhaal dermate intrigerend, en gaven zij zoveel feitelijke context, dat hij, tot op zekere hoogte en met de nodige prudentie, met hen in zee was gegaan. Zonder financieel risisco overigens.
De beide lieden, ene Herbert Kastl en ene Dr. Hein Beck, ‘Die doctorstitel nemen we maar voor wat het is,’ hadden een genootschap opgericht dat zich ten doel had gesteld het complete verzamelde werk van Kircher uit te geven, in een speciale, peperdure editie. Hiervoor hadden zij zich op weten te dringen bij een hooggeplaatste Spaanse kardinaal, die nauw aan het Vaticaan was verbonden. Ze wisten deze kardinaal aan het genootschap te verbinden, en zo toegang te krijgen tot de bibliotheek van het Vaticaan.
Dit deel van Goethe’s verhaal klonk mij bekend in de oren, ik had enkele jaren terug een roman gelezen van de Nederlandse schrijver Thoama Kanaän, waarin deze fantastische geschiedenis wordt uitgewerkt. Nadat ik dit boek had gelezen, stuitte ik op een veel oudere documentaire, van dezelfde schrijver, die op de Nederlandse televisie was uitgezonden; ergens in de jaren ’70. Daarmee kreeg de typering ‘roman’ meteen een evenzo dubbelzinnige lading als het onderwerp ervan. In meerdere lagen. De figuur van Kircher zelf is dubbelzinnig, enerzijds geleerde, anderzijds fantast; de twee lieden die zijn verzamelde werk wilden uitgeven, maar ook de roman daar weer over. Zou nu deze Goethe de vierde dubbelzinnige laag blijken te zijn, zo vroeg ik mij af.
Goethe vertelde uitvoerig hoe hij via die Göthe in contact was gekomen met een van de illustere ‘commendatori’, zoals die zich noemden, namelijk de ‘doctor’, die zich toen hij hem ontmoette van een andere naam bediende, Olaf Hein, en die voor hem een ontmoeting wist te regelen met de Spaanse kardenaal: monseigneur Carlos del Paenna. Via deze Paenna wist hij uiteindelijk een eenmalige toegang tot de Vaticaanse bibliotheek te verkrijgen.
Hij kreeg acht uur de tijd om het bewuste document te lezen, hij mocht er geen kopie van maken, geen foto’s, zelfs geen aantekeningen. Hier werd streng op toegekeken. ‘Het document was in het Duits geschreven,’ zei Goethe, ‘en ik had die acht uren volledig nodig om de, niet overal goed leesbare tekst, tot mij te nemen.’ Er vormde zich een klein lachje om zijn mond, het enige moment in ons gesprek waar ik hem op zoiets als humor wist te betrappen, toen hij zei: ‘Maar, wat de dienstdoende functionarissen niet bevroedden, was dat ik gezegend ben met een fotografisch geheugen.’ Hij had de complete tekst in zijn geheugen opgeslagen, en die uitgewerkt in een verhaal; dat verhaal had hij meegenomen om aan mij te laten lezen. ‘Ik heb geen fotografisch geheugen, hoor…’ probeerde ik met een grapje. Hij zag de grap er niet van in, en zei ernstig dat hij een kopie bij zich had die ik mocht houden. Hij haalde de kopie uit zijn tas en overhandigde die met een gebaar alsof het een Chinees porceleinen beeldje was. Ik sloeg de tekst open en zag de titel: Der Schmerzensmann. Op mijn vraag waar de titel vandaan kwam zei hij eenvoudig: ‘Dat is de titel die Kircher aan het document had gegeven.’
Korte tijd hierna vertrok Dr. Goethe. Hij zei dat hij over precies een jaar contact met mij op zou nemen. ‘Mit Gottes Willen,’ voegde hij eraan toe toen hij mijn verbouwereerde blik zag.
Ik leg zijn tekst nu aan de lezer voor, zonder commentaar vooraf. Tezijnertijd zal ik in een naschrift trachten om tot iets van een verklaring te komen.
— Den Haag, 21 april 1997

