Objectmatig versus Subjectmatig
— Cornelis de Bondt
Objectmatig versus Subjectmatig
Wanneer deugd zich als zodanig openbaart, dan betreft het niet langer deugd, hoewel het wel van nut kan zijn in zaken als liefdadigheid en solidariteit. […] Deugd kan uitsluitend bestaan wanneer het niet als zodanig wordt waargenomen, zelfs niet door degene die haar articuleert. […] Deugd dient absoluut verborgen te blijven, en zich nimmer aan de openbaarheid prijs te geven, wil zij niet vernietigd worden.
Deze parafrasering van Hannah Arendts uitspraak over het ‘goede’ [uit De Menselijke Conditie] kan als leiddraad gebruikt worden voor het onderscheid tussen de begrippen ‘objectmatig’ en ‘subjectmatig’. Met ‘deugd’ bedoel ik niet zoiets banaals als ‘burgerlijk fatsoen’, maar, Aristoteles volgend, voortreffelijkheid [aretē].
Aristoteles overwoog om deugd als ‘eigenschap’ te beschouwen, hij komt uiteindelijk tot de vaststelling dat deugd ‘werk’ is. Deugd vindt plaats in de handeling. Dit leidt tot een ander begrippenpaar, de tegenstelling tussen objectmatig en subjectmatig. Het subjectmatige vindt tevens plaats in een handeling, tussen subjecten. Wanneer ik in een gesprek over een van de aanwezigen spreek in de derde persoon, in plaats van hem of haar direct aan te spreken, dan wordt dit subject een object. In een subjectmatige handeling, bijvoorbeeld een gesprek, les, concert, of het bereiden van een maaltijd, staat die handeling centraal. In een objectmatige handeling is het eindresultaat primair, de genuttigde maaltijd dient het stillen van de trek, het concert moet leiden tot een mooie recensie en uiteindelijk liefst onsterfelijke roem, en voor de les dient vooraf bepaalde informatie te worden overgebracht die leiden tot een rapport of diploma. Bij een objectmatige handeling wordt een persoon, onderwerp of proces, tot ‘object’ gemaakt. In het slechtste geval leidt dit tot een vorm van ontmenselijking.
Een goed voorbeeld van hoe een subjectmatige praktijk werd omgevormd tot een objectmatig stempel is het begrip ‘Haagse School’. In pakweg de jaren zestig tot tachtig van de vorige eeuw beleefde het Koninklijk Conservatorium in Den Haag een buitengewoon levendige en creatieve periode, met componisten, musici en theoretici als Louis Andriessen, Kees van Baaren, Gilius van Bergeijk, Jan Boerman, Frans Brüggen, Hein en Ineke Kien, Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg, Dick Raaijmakers, Jan van Vlijmen, en de groepen Hoketus en LOOS. Het theorieonderwijs werd drastisch herzien, Raaijmakers en Boerman ontwierpen een uitgebreide elektronische studio, de afdeling Oude Muziek werd opgericht en het Instituut voor Sonologie werd binnengehaald. Er werd van alles uitgeprobeerd, het was avontuur alom. Met het introduceren halverwege de jaren tachtig van de naam ‘Haagse School’ werd het einde van die subjectmatige praxis ingeluid. De naam was bedoeld om de praxis politiek en economisch te framen, ook om de componisten van die school internationaal op de kaart te zetten. Het munten van de naam ‘Haagse School’ is zeker ook een gevolg van de neoliberale praktijk, het tot object maken van een praktijk is goed voor de handel. *)
Er lijkt sprake van een soort natuurwet, elke subjectmatige handeling of pratijk wordt op den duur geobjectiveerd tot een frame dat vermoedelijk bedoeld is om die praktijk te beschermen, of in ieder geval er kontrole over te hebben. Het tragische hiervan is dat deze objectivering uiteindelijk tot het einde van die praktijk leidt, elk subjectmatig element daarvan wordt in de kiem gesmoord, door het op het Procrustesbed van het objectmatige te leggen. Objectmatigheid is het al te comfortabele toevluchtsoord van middelmatigheid. Het is risicoloos.
— Cornelis de Bondt, Loosduinen, 17 maart 2024
*) Zie ook: De Mythe van de Haagse School