Over Kunst en Nut

commentaren

Over Kunst en Nut

In de inleiding van ‘De Menselijke Conditie’ (‘The Human Condition’) van 1958 beschrijft Hanna Ahrendt de omwenteling in de menselijke conditie door de lancering van de eerste menselijke satelliet een jaar eerder, de Spoetnik 1; de mens kon zich metterdaad gaan richten op een leven los van de aarde. Daarnaast “is sinds enige tijd menig experiment in de wetenschap erop gericht ook het menselijk leven tot iets ‘kunstmatigs’ te maken.” Ahrendt doelt op zaken als reageerbuis-bevruchtiging en het manipuleren van menselijke cellen — in die tijd stonden deze technieken nog in de kinderschoenen, maar inmiddels weten wij wat er nu al mogelijk is, en wat binnen niet al te lange tijd mogelijk zal zijn. Vervolgens spreekt zij over de wetenschappelijke ‘waarheden’, “die nog wel in wiskundige formules aangetoond en technologische bewezen kunnen worden, maar niet meer normaal onder woorden te brengen of zelfs nog maar te denken zijn.” En hiermee ontstaat er een fundamenteel probleem, omdat de taal van wezenlijk belang is voor hoe wij ons als mensen met elkaar verhouden. Niet alleen op persoonlijk vlak, van één mens tot een ander, maar ook wat betreft de mensheid als geheel.

In het eerste hoofdstuk spreekt zij over de menselijke activiteiten die zij onderscheidt: de ‘vita activa’: arbeiden (kort door de bocht: biologisch bepaalde activiteiten), werken (verbonden aan ‘niet-natuurlijke’ aspecten van het bestaan) en handelen (activiteiten die zich los van de materie direct tussen mensen voltrekt). Teruggaand naar de oorsprong van de term komt zij uit bij Aristoteles, die onderscheid maakt tussen verschillende wijzen van leven: een daarvan betreft de ‘vita activa’, in het Grieks ‘bios politikos’ (‘politikos’ is afgeleid van ‘polis’, het leven in de stad-staat). Deze term zouden we (met enige lenigheid in ons denken) kunnen vertalen met ‘nut’; het leven dat ons de middelen van bestaan verschaft. Tegenover deze vorm van leven stelt Aristoteles de ‘bios theoretikos’, in Latijn: de ‘activa contemplativa’ de ‘reflectie’ dus. In die reflectie, de ‘rust’ ten opzichte van de ‘on-rust’ van de vita activa, bevindt zich onze ruimte voor vrijheid.

Die reflectie is niet alleen een private aangelegenheid (een mens ten opzichte van een ander), maar bovenal een publieke aangelegenheid (de mensheid als geheel). Zij draagt een maatschappelijk belang in zich (wat niet hetzelfde is als ‘nut’) en een samenleving die haar verantwoordelijkheid begrijpt en neemt, zal deze reflectie de haar toekomende waarde toekennen, d.w.z. de ruimte en de middelen geven. 

Deze reflectie kan op verschillende niveaus plaatsvinden, zoals ook bij ons ‘spreken en denken’: in tekst, beeld en geluid (muziek); en daarmee in de wetenschap, het onderwijs en de kunst. Dit niet (willen) begrijpen, en stellen dat de maatschappelijke middelen uitsluitend het ‘nut’ zou moeten dienen, is hetzelfde als het leven willen terugbrengen tot ‘dak, water en brood’: het leven in een gevangenis.

Cornelis de Bondt, 6 augustus 2020