Het Parallelle Verhaal
— J. Chr. de Vries
I
Aan het begin van de middag van een warme nazomerdag trof ik Marco Stuiden op het terras van L’Auberge la Source du Périgord, een eenvoudig hotel-restaurant, iets buiten Le Coux. Het restaurant serveerde een keuze uit twee menu’s, eenvoudig doch zeer smakelijk. Dat mocht ook wel, ze serveerden de menu’s al tientallen jaren zonder er ook maar één gerecht aan te veranderen.
Het deed mij denken aan een vergelijkbare afspraak die ik daar enkele weken ervoor had met George Bruijsols, een halfblinde bibliothecaris die al een tijd gepensioneerd was, en vooral aan diens opzienbarende huis Chez Hilbert. Met George sprak ik toen over het onderwerp ‘oneindigheid’, met Marco kwam het gesprek op een vergelijkbaar onderwerp: ‘evenwijdige lijnen’, ook daarin speelt het oneindige een belangrijke rol. *)
*) Zie: ‘De Spiegel van Atropos‘.
Ik weet niet meer hoe we op dit onderwerp terechtkwamen, vermoedelijk via een taalkwestie. Ons primaire onderwerp was de ‘Romantiek’, dat was in ieder geval de reden voor onze afspraak. Marco was historicus en gespecialiseerd in dit onderwerp. Hij meende, en hierin volgde hij Safranski, dat de romantiek ‘Eine deutsche Affäre’ was. We kwamen te spreken over die typische Duitse begrippen als ‘Sehnsucht’ en ‘Heimat’, en de onvertaalbaarheid daarvan. Hoe het ook zij, op een gegeven moment kwamen we te spreken over het begrip ‘evenwijdig’, waar in alle ons omringende talen een variant van de term ‘parallel’ wordt gebezigd — parallel in het Duits en het Engels, parallèle in het Frans, parallelo in het Italiaans en paralelo in het Spaans. Het Nederlands kent er dus twee begrippen voor. ‘Nou ja,’ zei Marco, ‘in die zin dat je wel van twee parallelle begrippen kunt spreken, maar niet twee evenwijdige.’
We waren het er snel over eens dat ‘evenwijdig’ een meetkundig begrip was, en dat ‘parallel’ ook een figuurlijke betekenis kon hebben. Over de definitie van twee evenwijdige lijnen werden we het niet eens: raken die elkaar nooit, of in het oneindige? Of het de hoeveelheid genuttigde drank was, of de warmte, of beide, is voor mij lastig te achterhalen, maar onze discussie over het begrip ‘parallel’ leidde tot een tamelijk gênante bekentenis van Marco, hij verteld opeens een verhaal uit zijn studententijd, waarin hij knetterverliefd was geworden op een medestudente, zonder dat hij dit haar durfde te zeggen. Ze zagen elkaar veel, zochten elkaar op, bijvoorbeeld om samen aan hun studie te werken, of naar de kroeg te gaan, maar echt intiem werd het niet tussen hen, zelfs geen vluchtige kus. Het duurde meer dan een jaar voordat hij zijn pantoffels inruilde voor een paar stoute schoenen, hij sliep slecht, kon geen hap meer door zijn keel krijgen, en het was het meisje dat uiteindelijk maakte dat hij de kogel door de kerk joeg, hoewel hij daarna hem liever door zijn kop had gejaagd. Het meisje vroeg hem of er iets was, hij zag er slecht uit, was hij soms ziek? Ja, ziek dat was hij, dacht hij, ziek van ellende. En opeens had hij het eruit geflapt, dat hij verliefd op haar was, zich schaamde dat hij dat niet eerder had opgebiecht, dat hij onzeker was, enfin, hij stamelde een complete roman aan onzin uit, en brak dit net zo abrupt af als dat hij begonnen was. Haar antwoord was zo pijnlijk, dat hij zichzelf zijn bekentenis nooit meer had vergeven.
Ze zei dat ze hem heel graag mocht, echt héél graag, maar dat zij niet op mannen viel, en dat dit vermoedelijk de reden was dat zij zo fijn met elkaar om konden gaan, omdat er geen erotische spanning tussen hen was. ‘Voor haar niet, nee,’ brieste Marco, ‘maar voor mij des te meer! Ik schaamde mij diep, vooral omdat ik haar seksuele voorkeur totaal niet had aangevoeld. Wat maakte mij dit voor iemand? Een volstrekt wereldvreemde idioot!’ Ik probeerde hem te kalmeren, zei dat het allemaal zeer begrijpelijk was, we waren jong, onervaren, en dit soort misverstanden horen bij het leven. Wisten wij veel?
Nadat we een tijdje zwijgend voor ons uit hadden gekeken, en de ober had gevraagd of hij de volgende gang kon serveren, keek hij weer op. ‘Twee parallelle levens,’ zei hij, ‘die elkaar nooit zullen raken.’ Ik probeerde te peilen of ik hierom mocht lachen, maar toen lachte hij zelf al. ‘Ik ben blij dat je er nu om kunt lachen,’ zei ik.
Terwijl wij het hoofdgerecht nuttigden vroeg ik hem of zijn dramatische liefdesverhaal een typisch romantische kwestie was. Zoals bij Tristan & Isolde, die elkaar ook niet konden raken, behalve uiteindelijk dan, in de ‘Liefdesdood’. Maar daar was Marco het totaal niet mee eens.
“Dat begrip Liebestod komt van Liszt, en zeker niet van Wagner. Wagner schrijft in de partituur Verklärung. Transfiguratie dus. Maar belangrijker: de oorspronkelijke versie is veel ouder dan die van Wagner, het is een middeleeuwse hoofse legende, ondermeer opgetekend door Gottfried von Straßburg, ergens tussen 1210 en 1240, zijn versie is incompleet. Ook andere schrijvers werkten eraan. Het verhaal is niet ‘typisch romantisch’.”
“Maar Wagners versie toch zeker wel!” wierp ik tegen, “het verlangen, de riddereed, die ‘transfiguratie’, dat zijn toch typisch romantische thema’s.”
“Dat alles heeft helemaal niets met mijn gemankeerde liefdeskwestie te maken, als dat al ergens op lijkt, dan op zo’n ander hoofs thema als La Douce Dame sans Merci, de onbereikbare vrouw. Tristan en Isolde kregen elkaar tenminste, al kostte dat het nodige gedoe, en een misverstand niet te vergeten, via de per ongeluk toegediende liefdesdrank. Anders dan bij Wagner hebben de beide geliefden de tijd van hun leven op dat schip, en balen ze als de kust in zicht komt. Tristan wordt ook niet in een riddergevecht gedood, en in de versie van Gottfried heeft de koning Marke zijn vrouw aan Gandin kwijtgespeeld in ruil voor diens prachtige harpspel. Isolde was alleen maar een object voor hem, met liefde had het helemaal niets te maken.”
“Maar jij was zwaar verliefd op dat meisje, zonder dat je doorhad dat het volstrekt kansloos was. Misschien is verliefdheid uiteindelijk altijd een projectie, en heeft het niets met de feitelijke werkelijkheid te maken? In een tekst van een Amerikaanse psychiater las ik lang geleden dat het om ‘het herkennen van het goddelijke in de ander gaat’. Dat vond ik een mooie metafoor.”
“In mijn geval was het zeker een projectie. Het was een onmogelijke, kansloze poging om twee totaal onverenigbare werelden te verbinden.”
“Ben je haar daarna nog blijven ontmoeten?”
“Nee, ik kon dit mijzelf niet aandoen, ik was er totaal van slag van.”
“Dat snap ik heel goed. Heb je haar later ooit nog ontmoet? Was je niet nieuwsgierig hoe het met haar ging?”
“De eerste jaren niet, ik heb het verdrongen. Toen ik het weer op kon brengen aan haar te denken leek ze van de aardbodem verdwenen te zijn. Ik heb haar nooit meer gezien of gesproken. Ik heb geen idee waar ze is. Twee evenwijdige spoorlijnen, ik raasde de ene kant op, en zij reed in tegenovergestelde richting, we verdwenen voorgoed uit elkaars zicht.”
“Ach, wat maakt het allemaal op de keper beschouwd uit? Je werd verliefd op iemand die niet gelijke gevoelens voor jou had, een eenzijdige verliefdheid komt veel vaker voor dan een wederzijdse. Ik spreek uit ervaring. Haar seksuele voorkeur doet er dan niet toe, of dat je dat niet doorhad, het ging om het gevoel van afwijzing, dat is de essentie, lijkt mij.”
“Het was een dubbele schaamte. Als ik beter had opgelet, haar echt gezien had, niet alleen als een seksueel object, dan was ik aan die afwijzing niet eens toegekomen, dan was ik niet verliefd geworden.” Marco staarde naar zijn inmiddels lege bord.
“Uit wat je mij over haar vertelde begrijp ik dat ze veel meer was dan een object, jullie hadden plezier met elkaar, discussieerden over belangrijke zaken, hielpen elkaar met de studie… Je maakt het veel te groot, en haalt jezelf naar beneden.”
Marco haalde zijn schouders op, hij deed mij aan een klein, nukkig kind denken dat zijn zin niet had gekregen. We aten ons dessert, namen nog een espresso en gingen naar een klein strandje aan de rivier. Ik rookte er een sigaar, en Marco wierp platte steentjes over het water, met de bedoeling ze zoveel mogelijk keren op het water te laten ketsen.
II
Nadat ik Marco bij zijn hotel had afgezet, probeerde ik onder de parasol in mijn tuin te begrijpen waar dit merkwaardige gesprek over ging. Ik dacht aan mijn eigen dwaze verliefdheden, het Amerikaanse meisje dat ik in Londen ontmoette in een jeugdherberg, ik was zeventien jaar oud. Zij deed samen met haar zus Europe On 5 dollars A Day. Haar oudere zus voerde voortdurend het woord, het meisje dat mijn aandacht opeiste sprak geen woord, maar ik was als een blok voor haar gevallen. Ze zouden mij samen opzoeken in Nederland. Wekenlang stond ik uit het raam te staren of ze er al aankwam. Nooit meer gezien uiteraard. Infatuation is in the heart of the beholder, nietwaar? Enkele vergelijkbare verliefdheden later had ik het besluit genomen nooit meer verliefd te worden, dat was immers nergens goed voor. Ik heb het enkele jaren volgehouden, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Nou ja, ik had er wel een slimme oplossing voor bedacht, ik noemde het gewoon anders.
De kwestie van het al dan niet herkennen van de seksuele voorkeur van iemand vond ik lastig te duiden. Ik moest toegeven dat ik dit ook niet altijd doorhad, niet bij meisjes en evenmin bij jongens. Was dat een slechte eigenschap? Of was het juist goed? Omdat het mij dan in die contacten kennelijk om iets anders ging, iets hoogstaanders; tenminste, dat maakte ik mijzelf wijs. Marco was iemand die zijn verlies niet kon nemen. Dat vond ik een slechte eigenschap. In het spel is het natuurlijk anders, ik kan slecht tegen mijn verlies, maar dat is gewoon ‘winnaarsmentaliteit’, en dat is vanzelfsprekend helemaal oké.
Nu kun je verliefdheid ook als een spel beschouwen. Maar dat blijkt een lastige exercitie, want met wie speel je dit spel dan? Met jezelf, is het enige oprechte antwoord. Tja, dan blijft het slecht kunnen verliezen toch een schadelijke, dorre eigenschap.
Al mijmerend schoot mij de geschiedenis te binnen van Dieuwe Dingks, een kwestie die ik lang verdrongen moet hebben, want het kostte mij veel moeite te bedenken wanneer ik voor het laatst aan hem heb gedacht. Hij leeft niet meer, dat speelt ongetwijfeld een rol, en het was ruim een halve eeuw geleden: Parijs, mei 1968 om precies te zijn. Dieuwe en ik studeerden aan dezelfde universiteit, hij wiskunde, ik musicologie. We waren jong, nog geen twintig, en de wereld stond in vuur en vlam. De oorlog in Vietnam, de studentenopstanden op de Sorbonne, de Provo’s. Wij besloten naar de haard te gaan, we gingen spreken met de anarchistenleider Daniel Cohn-Bendit, die ondermeer felle kritiek had geuit op de Franse Minister van Onderwijs, die de problemen rond de seksualiteit bij studenten negeerde. Vooral Dieuwe vond dit een fundamentele kwestie, ik begreep later pas waarom. Met alleen een rugzak vertrokken wij per trein naar Parijs, boekten een bed in een jeugdherberg, en trokken de straat op. Al gauw bleek dat wij geen doorgewinterde actievoerders waren, en na enkele klappen van een politieknuppel hielden we het voor gezien. Cohn-Bendit hebben we uiteraard nooit te spreken gekregen. We bleven nog enkele dagen, waarbij we gepaste afstand hielden van het ‘front’, en toen was ook nog ons geld op. We dropen af naar Gard du Nord, en namen de eerste trein naar Amsterdam.
Tijdens onze reis terug kwam het gesprek op de definitie van twee parallelle lijnen. Hoe we op dit onderwerp kwamen weet ik niet, maar dat dit nu in mijn herinnering naar boven kwam heeft vanzelfsprekend te maken met het gesprek dat ik eerder had met Marco. De definitie van twee evenwijdige lijnen — in een plat vlak, dat moet erbij worden gezegd! — zoals ik die op school had geleerd, was dat deze lijnen elkaar snijden in het oneindige. Dieuwe was het hiermee oneens. ‘Dat is een verouderde definitie,’ beweerde hij, ‘want als ze elkaar in het oneindige snijden, dan snijden ze elkaar nooit. Dat is simpeler. Wetenschap is gebaat bij eenvoud. Het Scheermes van Ockham!’ Hij was de wiskundige, dus ik nam dit voetstoots van hem aan.
“Misschien echter, is mijn definitie leuker,” opperde ik, “twee geliefden kun je ook als parallelle ‘lijnen’ beschouwen, of ‘werelden’ — die raken elkaar ooit in het oneidige, zoals Tristan en Isolde, Romeo en Juliet, Dapnis en Chloē, Eros en Psyche, Pyramos en Thisbé…”
Ik herinner mij nog goed dat hij na mijn voorstel moeilijk begon te kijken, hij werd zenuwachtig en staarde een tijdje uit het raam. Toen ik hem vroeg wat er aan de hand was, begon hij te hakkelen en te stotteren. Het kostte hem aanvankelijk grote moeite een begrijpelijke volzin te produceren, maar toen ik hem mijn bezorgdheid liet zien, kwam het hoge woord eruit. Hij was verliefd. Zijn gezicht toonde een knalrode blos van schaamte, hij had rode vlekken in zijn hals gekregen. ‘Wat fijn voor je!’ riep ik, ‘dat is toch geweldig!’ Maar uit niets bleek dat hij dit met mij eens was.
Dieuwe was een Vlaming afkomstig uit Antwerpen. Zijn ouders verhuisden naar Brussel, en hij ging in Amsterdam studeren. Hij was een wat bleke jongeman, met het typische uiterlijk van een ‘nerd’: een hoog voorhoofd, met daarop dun, vlasachtig haar, een beginnend baardje op zijn kleine kin, ingevallen wangen, pientere ogen zonder een schijntje ironie, en een hoge piepstem. Maar hij had geen flaporen.
Het ‘hoge woord’ bleek overigens niet de mededeling te zijn dat hij verliefd was, maar op wie: een andere jongen, die luisterde naar de naam Fedde Leige, een jongen die hij in Brussel had leren kennen. Zijn ouders wisten van niets, de ouders van Fedde ook niet, de liefde tussen personen van dezelfde sekse was in die dagen nog een groot taboe. Beide jongens vonden het al lastig genoeg het aan elkaar, en eigenlijk ook zichzelf, toe te vertrouwen. Maar ze hadden desondanks moedig voor elkaar gekozen. Dit betekende heimelijke afspraakjes, het liefst ergens buiten in de natuur, want ook cafeetjes voelden geen veilig terrein.
De keuze om in Amsterdam te gaan studeren had zeker ook met zijn geaardheid te maken, ook Fedde was van plan zich daar bij Dieuwe te voegen. Homoseksualiteit werd daar in die tijd veel meer geaccepteerd dan in welke andere stad ook.
Ik pakte zijn hand en zei: ‘Ik hoop dat jullie samen in liefde oud worden.’ Daarop vertelde hij over zijn oma, dat zij na de dood van haar man diens trouwring naast die van haar om haar ringvinger had geschoven. ‘Twee parallelle lijnen, die elkaar nooit snijden!’ Hij keek mij aan met een onzekere, maar welgemeende glimlach, en vervolgde: ‘Je betweterige wiskundige vriend.’
Twee dagen later, vroeg in de ochtend, stormde hij onverwachts mijn kamer in. ‘Ik had vannacht een waanzinnige droom!’ Zijn onsamenhangde relaas is lastig samen te vatten, maar van wat ik eruit begreep begon het met de trouwring van zijn grootmoeder, die transformeerde tot een gigantische spoorlijn rond de evenaar, aanvankelijk die van de aarde, maar het bleek tenslotte een onbekende planeet ergens aan de rand van de kosmos. De planeet bleek te groeien, en de trein die over de rails denderde bestond nu uit twee monorail-treinen, bestuurd door Sintra en Lotides, hij had geen idee waar die namen vandaan kwamen. Uiteindelijk was de planeet zover gegroeid dat de diameter van de bol oneindig groot was geworden, waardoor de oppervlakte ervan een plat vlak bleek te zijn. Dat was het moment dat de planeet en de beide monorails in een zwart gat verdwenen, en Dieuwe ontwaakte.
“Je had gelijk met je definitie,” zei Dieuwe, “die van jou is niet alleen veel leuker, maar vanuit het oogpunt van de liefde ook waarachtiger.” Zonder verder commentaar, of op mijn reactie te wachten, stoof hij mijn kamer weer uit, en verdween.
Ik heb hem hierna nooit meer gezien of gesproken. Ik hoorde later dat hij terug was gegaan naar Brussel. Twee jaar later kreeg ik van een bevriende student een krantenartikel van een Waalse krant, over de gevolgen van een dramatisch treinongeluk bij La Louvière. Op 25 maart 1969 waren daar twee treinen frontaal op elkaar ingereden, als gevolg van het negeren van een rood sein. Er viel een vijftiental doden. Dieuwe zat in de trein uit Brussel, zijn geliefde Fedde in die uit Bergen.
— Bonnemort, 23 februari 2023