politiek

Pleitnota – Raad van State

Rechtszaken

Begin januari 2013 verzocht ik het Fonds Podiumkunsten om mijn partituren die het in zijn bezit had aan mij te retourneren. Op 28 januari kreeg ik een brief terug van George Lawson, directeur en voorzitter van de raad van bestuur van het Fonds Podiumkunsten, met de mededeling dat men niet op mijn verzoek kon ingaan vanwege artikel 1 uit de Archiefwet van 1995. Uiteraard had ik deze reactie verwacht. Nu moest ik nog een stap doorlopen om bij de bestuursrechter te komen: het indienen van een bezwaarschrift bij het fonds. Pas als ik daar ook nul op rekest kreeg kon ik door naar de rechter. Op 28 januari 2013 tekende ik pro forma bezwaar aan tegen de beslissing van het fonds, op 21 maart stuurde ik de nadere argumentatie. Op 2 april ontvang ik een brief dat ik uitgenodigd wordt voor een hoorzitting; deze vindt plaats op 28 april. Op 22 mei volgt het bericht met de uitspraak en argumentatie van de bezwaarcommissie, deze was zoals ik al hoopte en verwachtte negatief – Het fonds verklaart mijn verzoek ‘niet-ontvankelijk’. Nu kon ik eindelijk verder met het echte werk, het inschakelen van de rechter, de tweede juridische stap. Op 25 juni 2013 diende ik een pro-forma beroep in bij de bestuursrechter in Den Haag, een maand later, op 22 juli, zond ik de inhoudelijke argumentatie in. Het fonds kwam met een ‘verweerschrift’ op 2 september, ik riposteerde op 11 september met een commentaar en samenvatting, getiteld De Kern van de Zaak. Op 26 september volgde de zitting, en op 23 oktober 2013 wordt mijn beroep ‘ongegrond’ verklaard. Dit was allemaal nog volgens plan.


(Intussen had ik gezien aan de bescheiden van de rechtbank, dat het Fonds Podiumkunsten formeel nog steeds “Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten+” heette. Het minuscule plustekentje stond voor de componisten, een zoethoudertje om ons koest te houden uit de tijd van onze pogingen om een adquate subsidiestructuur voor componisten en ensembles te creëren. Nog geen jaar later werd het plustekentje verwijderd, een groot deel van de ensembles hedendaagse muziek afgeserveerd, en de meeste subsidiemogelijkheden voor de componisten afgeschaft. De ‘naamsverandering’ was voor de Bühne.)


Op 15 november organiseerde de Vereniging Kunst Cultuur en Recht een congres in het Rijksmuseum met als thema De tegendraadse kunstenaar. Enkele gerenommeerde juristen en hoogleraren zouden er over mijn juridische queeste spreken en discussiëren. Ik sprak over mijn opzet om tot een uitspraak over het begrip ‘partituur’ te komen. Dit hielp mijn onderbouwing voor het hoger beroep bij de Raad van State.


Deze stap, het hoger beroep bij de Raad van State, was mijn uiteindelijke doel. Zelfde gang van zaken: pro forma beroep [2 december 2013], nadere inhoudelijke argumentatie [27 december], verweerschrift van het fonds [26 februari 2014], mijn reactie daarop [30 april] en de zitting op 20 mei 2014. Inderdaad bleek de uitspraak een bijna letterlijke herhaling van de eerdere uitspraak van de bestuursrechter.


De zitting was er dus toch gekomen. Ik heb de hele zitting clandestien laten opnemen. Ik had een pleitnota geschreven, een tekst die aan het begin van de zitting mag worden voorgedragen, zonder dat deze tekst bij de rechters of de verdediging van tevoren is overlegd; mits dit niet langer duurt dan ongeveer vijf minuten. Mijn pleitnota was een partituur, getiteld Homo Sacer. 


Het begin van de pleitnota is een beschrijving en verklaring van de ‘speelpartituur’, een toelichting die in de hedendaagse praktijk van het maken van partituren gebruikelijk is. Ik leg hier de paradox uit van de Archiefwet. De speelpartituur is een paradox. Deze pleitnota zou, zoals de Archiefwet voorschrijft, in het Rijksarchief worden opgenomen, net als mijn partituren die het fonds in zijn bezit heeft. Dit leidt tot de volgende paradox: het uitvoeren van de compositie bestaat uit het verwijderen van de partituur uit het archief, en het vervolgens in brandsteken ervan, volgens een nauw omschreven ritueel. Het gevolg is dan dat er twee opties zijn: de compositie wordt uitgevoerd, in dat geval verdwijnt de partituur; de compositie wordt nimmer uitgevoerd, de partituur blijft in het Archief.


De drie rechters reageerden in het geheel niet op mijn pleitnota. Ze hoorden het zwijgend en onbewogen aan. Toen ik op een gegeven moment de paradox ter sprake bracht zei één van de rechters: “Ja, misschien een paradox, maar mag ik eerst een vraag stellen…” Vervolgens ging het weer over iets anders. Ik legde nogmaals uit dat er een verschil is tussen een partituur en een schilderij, het laatste is een materieel object dat van belang kan zijn voor het erfgoed, de partituur – als inhoudelijk onderdeel van de muziekpraktijk – niet; net zomin als de lessenaar dat is. Toen stelde een andere rechter: “Dus het is te vergelijken met schetsen die Rembrandt maakt voor een schilderij?” Het was om moedeloos van te worden. Het commentaar op de uitspraak van mijn adviserende hoogleraar: “Ze hebben niets gedaan om overtuigend te zijn, alleen binnen het eigen kader gelepeld.” Objectmatige desinteresse.

Het voordragen van mijn pleitnota heb ik op video vastgelegd. Hiervoor kreeg ik toestemming. De pleitnota zelf ligt nu als een tijdbommetje te tikken in het Rijksarchief, wachtend op een uitvoering… (Deze partituur doet denken aan de ‘Acht Labielen’ van Dick Raaijmakers. Dit zijn enorme, voornamelijk uit grote, dikke glazen platen bestaande, vertikaal hangende objecten, elk voorzien van een grote rode veiligheidspal, te vergelijken met een noodrem in een tram of trein. Wanneer aan deze pal wordt getrokken, valt de hele glazen constructie onherstelbaar in duigen; althans, zo is de suggestie.)


De Archiefwet gaat alleen uit van objecten, het immateriële erfgoed speelt erin geen rol, het bestaat simpelweg niet. De rechterlijke macht verzuimde het hier over na te denken; op geen enkele manier, met geen enkel woord is, noch de bestuursrechter en noch de Raad van State, op deze omissie ingegaan. Dat een partituur een artistiek organisch principe is, dat het een onderdeel is van een levende muziekpraktijk, dat het uiteindelijk niet meer is dan een hulpmiddel om tot een uitvoering te komen… het drong op geen enkel moment door. Het is te treurig voor woorden. Het rechtssysteem is hiermee een apparaat gebleken dat iedere interesse in de subjectmatige essentie van de wet ontbeert; het enige onderwerp is de instandhouding ervan, niet de organische ontwikkeling, niet wat de levende essentie zou moeten zijn. Er is veel argwaan tegen het recht, niet alleen van extreem-rechtse zijde, maar ook vanuit de hoek van kritische betrokkenen. Dit komt omdat de praktijk van het recht objectmatig is, in plaats van subjectmatig. Een hoogeleraar zei mij eens dat alle juristen buitengewoon conservatief zijn, huiverig voor fundamentele veranderingen.


Homo Sacer – Cornelis de Bondt

[20 mei 2014] │ RvS: 201310961/1/A3

  • Souverän ist, wer über den Ausnahmezustand entscheidet.
    Carl Schmitt, Politische Theologie [München, Leipzig – 1934]
  • Als er vandaag de dag geen duidelijke figuur van de homo sacer meer bestaat, komt dit misschien doordat wij allen homines sacri zijn.
    Giorgio Agamben, Homo Sacer [1995; Ned. vert. Boom, 2002]

Deze tekst bevat de partituur van mijn compositie Homo Sacer. Het maakt als ‘Lehrstück’ onderdeel uit van de argumentatie van mijn hoger beroep bij de Raad van State betreffende de archivering van mijn partituren, en daarmee van de kwestie van het muzikaal erfgoed. Deze compositie toont de paradox die kennelijk is verankerd in de wet. De paradox werd in het begin van de vorige eeuw al onderkend door de rechtsfilosoof Carl Schmitt in zijn theorie over de ‘uitzonderings-toestand’. (Laten wij het als een tragische bijkomstigheid opvatten dat zijn theorieën in dezelfde tijd als fundament gebruikt werden voor het rechtssysteen van het Nazi-regime.) De paradox van mijn partituren kan doorbroken worden, wanneer de Raad mijn argumentatie volgt. Hij kan ook instand gehouden worden, in de vorm van een, vanuit de wet gezien, onmogelijk uit te voeren compositie. Er zijn dan twee mogelijkheden: de compositie wordt uitgevoerd, in dat geval verdwijnt de partituur; de compositie wordt nimmer uitgevoerd, de partituur blijft in het Archief.


Homo Sacerfor one performer

Instrumentation

  • Two crotales – one high, one low.
  • The official copy of this score that is kept in the Rijksarchief [the Dutch National Archive].
  • One Zippo lighter.

Execution

  • Before taking the score, the performer hits the high crotale two times.
  • The performer takes the score out of the Archive.
  • Outside the Archive the performer hits the high crotale one time.
  • The performer sets the score on fire with the Zippo lighter. Once it is completely burned, he hits 
the low crotale three times.

Notes

  • The score can obviously be performed only one time. A proper execution of the score can only 
be done by following the score exactly. The performance can fail, but a failing performance is 
at least a performance.
  • Replacing the score with another copy without permission of the composer will be regarded as a 
fraudulent act, being a violation of my copyright.

Orffeus – Edition, The Atelier – 200514-03 │ © – C. de Bondt, Den Haag, 20 mei 2014