Rendez-Vous — H. Arendt
— Cornelis de Bondt
Half oktober 1964, Hannah Arendt stapte de deur uit van de Taunis-filmstudio ‘Unter den Eichen’ in Wiesbaden. Ze was net geïnterviewd door Günter Gaus voor de ZDF-serie ‘Zur Person’. Ze haalde een sigaret tevoorschijn en probeerde hem aan te steken, maar haar aansteker weigerde. Ik stond iets verderop te wachten, en liep op haar af — dit was mijn kans om een gesprek met haar aan te gaan. Ik hield mijn aansteker, die geschikt was om zelfs bij een stevige wind te ontsteken, in aanslag.
“Vielleicht möchten Sie meinen ‘Flammenwerfer’ benutzen,” sprak ik haar aan in het Duits. Mijn Duits was bepaald niet großartig, maar ik had haar in het interview horen zeggen dat zij zich in die taal het meest thuis voelde. Ik ontstak het ding, ze keek mij vragend aan, maar had kennelijk zoveel behoefte aan een hijs, dat ze mijn gebaar accepteerde. Ze knikte beleefd.
“Flammenwerfer,” zei ze met een ironische blik.
“Na ja,” ging ik vol goede moed in het Duits verder, “zozusagen, nicht wahr…”
Ze knikte weer, maar zei verder niets. Dus probeerde ik het: “Ik vond het een zeer interessant, maar ook aangrijpend interview.”
“Was u erbij? Ik heb u niet gezien. Het interview was niet openbaar, maar de uitzending op de 28ste uiteraard wel.”
“Ja, ik stond verdekt opgesteld, in het donker, tussen technici.” Ik stak intussen een sigaar op. “Mag ik u iets vragen?”
“Ik wacht op mijn taxi. Tot die tijd kunt u vragen wat u wilt.”
“Dank u! U sprak over het zionisme…”
“Verzeihung, ’het’ zionisme bestaat toch niet,” onderbrak zij mij, “er zijn vele soorten.” Ze nam een flinke trek van haar sigaret.
“De bekendste vorm, die van Herzl, articuleert een nostagische droom, met veel Tanhaüser in grote, overdadig versierde zalen, met dames in glitterjurken en heren ‘im Frack’. Daarnaast is er dat van Hess, die zich in zijn droom baseert op Garibaldi en diens socialistische visioen. En dan zijn er ook nog dieser verdammte orthodox-religieze varianten.” Ze blies een jaloersmakende cirkel rook de lucht in.
“U hebt problemen met de stichting van de Israëlische Staat, althans, in de vorm die zij kreeg in 1948. Teveel gebaseerd op de oude Europese voorbeelden, daarmee een bron van voortdurende conflicten en oorlogen. Of gaat het verder? U refereert in het interview aan een uitspraak van uw moeder, en zegt op een gegeven moment: ‘We betalen duur voor die vrijheid, en we moeten beseffen dat die vorm van menselijkheid de bevrijding nog geen vijf minuten overleeft.’ Omdat door die vorming van een eigen staat de speciale gemeenschappelijke band van het in ballingschap leven verloren gaat. Tegelijkertijd zegt u dat het niet kan worden teruggedraaid.”
“U herhaalt wat ik in dat interview volgens mij uitstekend heb verwoord. Hebt u iets anders te vragen?” Ze neemt een nieuwe trek, en moppert: “Wo bleibt denn dieses verdammte Taxi!” Ze loopt van mij weg, maar keert zich dan weer om.
“Ik heb nog een andere vraag, naar aanleiding van uw uitspraak over de ‘banaliteit van het kwaad’. Ik aarzel even, want ik wil haar niet chagrijniger maken dan ze kennelijk al is. “Die uitspraak ging over Eichmann, maar ik zie die term breder. Zij doet mij denken aan wat Kant het ‘Tweede Kwaad’ noemt, ‘impuritas’. In zijn late tekst over religie en rede.”
Ze kijkt mij even peinzend aan, en vraagt dan: “Waarom denkt u dat? Ik heb dat verband nooit gelegd, en bij mijn weten ook niemand anders…” — ze aarzelt even — “… er is iets voor te zeggen. Maar ook tegen. Zegt u het maar.”
“Sommige critici vinden dat de term afbreuk doet aan de ernst van de misdaden van Eichmann. Als ik het goed heb begrepen was dit ook een punt van kritiek van uw bevriende collega Karl Jaspers op uw boek. Ik denk echter dat de term niet zozeer op Eichmann zelf slaat, als wel op de hele sociale constructie van Duitsland. Niet alleen Eichmann was schuldig, ook iedereen die de andere kant opkeek, die zeiden ‘Wir haben es nicht gewußt’; het is precies dit, wat Kant het ‘Tweede Kwaad’ noemt, het wegkijken, uit luiheid, onverschilligheid of domheid. Maar behalve u heeft Jaspers dat verband dus evenmin gelegd.”
“Ik begrijp wat u bedoelt, maar ik zie dit anders. Karl zou dit verband zeker afwijzen, hoewel hij het wel zou kunnen waarderen. Maar, dat blijkt ook uit zijn kritiek op de door mij gebezigde term ‘banaliteit’, voor hem is het kwaad existentieel, niet gebaseerd op een of ander gebrek. Wat mij betreft, het kwaad van Eichmann is een politiek-bureaucratisch kwaad, het begrip van Kant heeft eerder te maken met het denken als zodanig; dus als onderdeel van de Rede. Dat is het verschil.”
“Dan heb ik een andere vraag, die hieruit voortvloeit, maar die ligt wellicht gevoelig…”
“Ik ben niet geïnteresseerd in banale psychologie.”
Op dat moment kwam de taxi opeens voorrijden, ze zei: “U zult mij wellicht willen vergezellen.” Ze hief een arm omhoog.
“We gaan naar mijn hotel, we kunnen daar verder spreken met een goed glas wijn erbij.” Ik knikte braaf van ja.
In de lounge van het hotel zaten we aan een tafeltje, met een fles goede witte wijn in de koeler, en wat zoute versnaperingen. Ik had inmiddels een kamer gereserveerd, zodat ik alle tijd kon nemen die Hannah Arendt mij zou gunnen.
Ik stak van wal: “Terugkomend op dat begrip ‘banaliteit van het kwaad’, wat mij betreft in een bredere zin: zouden bepaalde uitspraken over het Jodendom van Martin Heidegger niet ook onder dat begrip vallen? En u begrijpt mijn opmerking over mogelijke gevoeligheid.”
“Uw verwijzing naar de, overigens lang geleden beëindigde, relatie tussen mij en Martin vind ik irrelevant. U hebt daarmee niets van doen. Maar, uw vraag bevat een filosofische component, daar kunnen we iets van vinden, gesteld dat Martin inderdaad iets onoorbaars over het Jodendom heeft gezegd of geschreven. Mij is dat niet bekend, althans niet op filosofisch niveau, en zeker niet in zijn geschriften, laat staan zijn belangrijkste werken. Hooguit heeft hij zich wellicht ooit laatdunkend uitgelaten over Joodse collega’s, maar dat is anecdotisch.”
“Niet in zijn primaire werken, maar wellicht wel in zijn aantekeningen, ik heb begrepen dat hij een dagboek bijhield. Dat is misschien anecdotisch, behalve als daar antisemitische commentaren in zouden staan. Hebt u die aantekeningen ooit ingezien, of heeft hij daar met u over gesproken?” Dat was uiteraard een schot in het donker, zij kon niet weten wat ik inmiddels wel wist. De zogenaamde ‘Schwarze Hefte’ werden pas in 2014 openbaar. Mijn vraag was niet zonder risico, maar ik vertrouwde op haar intellectuele nieuwsgierigheid.
“Hij hield inderdaad Aufzeichnungen bij, ‘Denktagebücher’ zoals hij dat soms noemde, maar die waren strikt persoonlijk. Hij sprak daar nooit met mij over, en ik heb die ook nooit ingezien. Wat ik trouwens ook niet gewild zou hebben, dat persoonlijke interesseerde mij niet, ik heb niets met anecdotes.” Ze stak intussen een nieuwe sigaret op, en ik een nieuwe sigaar; hierna vulde ik onze glazen bij. “Weet u,” ging ze na een flinke slok wijn verder, “ik kan eigenlijk maar drie feiten noemen die zouden kunnen wijzen op een mogelijke, lichte vorm van antisemitisme: ten eerste de soms inderdaad vernederende uitlating over zijn Joodse collega’s, zoals Husserl en Jonas; ten tweede opmerkingen van Japsers hieromtrent; en ten derde het verpletterende stilzwijgen na de oorlog over de Holocaust. Maar dat zijn vooral indirecte aanwijzingen. Jaspers heeft om die reden wel met hem gebroken. Te weinig voor die ‘banaliteit’.”
“In 1933 verbrak Jaspers de band met Heidegger, omdat deze zich openlijk verbond met het nationaal-socialisme. Heidegger werd rector aan de universiteit van Freiburg, werd lid van de NSDAP, terwijl dat niet verplicht was, en sprak in zijn lectoraatsrede over Hitlers ideaal van ‘nationale Erhebung’. Hij sprak openlijk zijn bewondering uit over Hitler. Na de oorlog heeft hij zich hier niet van gedistansieerd.”
Hannah Arendt maakte een afkeurend geluid, en zoog nog een keer aan haar sigaret. “Dat is nog geen vorm van antisemitisme. Je moet het in de tijd zien, het ging hem om een nieuw elan om de maatschappij te vernieuwen. Dat was ook de reden dat hij die baan als rector aannam. En vergeet niet dat hij die aanstelling een jaar later verbrak.”
Ze stak een nieuwe sigaret op, en vervolgde haar pleidooi: “In die rede pleitte hij voor meer inspraak voor studenten, hij wilde het oerconservatieve academisme doorbreken. Maar hij werd tegengewerkt, gesaboteerd, en kreeg te weinig steun vanuit de partij. Ontgoocheld diende hij zijn ontslag in, als rector; hij bleef nog wel doceren. Het is nogal makkelijk om hem de misdaden van het Nazi-regime aan te rekenen, met terugwerkende kracht is het al te comfortabel oordelen. Hij heeft zich door een naïeve droom laten meeslepen.”
“Maar een wetenschapper, en een filosoof al helemaal, dient toch over een kritisch vermogen tot zelfreflectie te beschikken?” wierp ik tegen.
“Gewiss. Maar zelfs filosofen zijn geen Übermenschen.”
Die zat. “Japsers had hier een minder vergoelijkende visie op, hij verbrak hun vriendschap.”
Ze keek een tijdje peinzend voor zich uit, af en toe een slokje wijn nemend. Tenslotte antwoordde ze: “Jaspers kritiek op Heidegger betrof vooral diens moreel-politieke stellingname, die vond hij ‘onvrij’ en star, en daarnaast ook diens onvermogen tot een open dialoog. En bovendien verweet hij hem gebrek aan zelfreflectie na de oorlog. Die bewondering voor Hitler articuleerde volgens Karl een dictoriale inslag.”
“Ik heb ergens gelezen dat Jaspers een keer, in 1933 of ’34, het volgende aan Heidegger vroeg: ‘Wie denken Sie sich denn die Judentum-Frage?’ Heidegger zou toen geantwoord hebben, volgens Jaspers: ‘Es gibt eine gefährliche internationale Verbundenheit der Juden.’ Jaspers schrok hiervan maar dacht toen nog dat Heidegger politiek naïef was, en wellicht niet ideologisch diep antisemitisch. Maar het gaf wel te denken.”
“Het staat beschreven in Karls Philosophische Autobiographie, in hetzelfde jaar uitgegeven als mijn boek over Eichmann. Het betreft dus zijn herinneringen.”
“Maar dat wijst toch op een antisemitische houding van Heidegger, zelfs als het, indirect, want uit de mond van Jaspers komt?”
“Dat weet ik niet. Het is zeker een verwerpelijke opvatting, maar die zou ook als naïef geduid kunnen worden. De citaten stammen uit 1933 of ’34, dus jaren voor de ‘Enlösung’. Het lukte Karl niet om hierover met Martin te spreken, die was onwrikbaar ‘als graniet’.” Ze dacht een tijdje na, en zei toen: “Dit laat trouwens mooi het verschil zien tussen dat begrip van het ‘Tweede Kwaad’, dat u ter sprake bracht, en dat van de ‘banaliteit’. Heideggers moreel aanvechtbare positie valt onder dat begrip ‘impuritas’ en niet onder de ‘banaliteit van het kwaad’, omdat diens denken inconsistent was, en niet diens politieke handelen.”
“U had een liefdesrelatie met Heidegger, en een relatie louter gebaseerd op vriendschap met Jaspers. Met de kritiek van de laatste kon u goed omgaan, vanwege de voornamelijk rationele basis. Maar het antisemistisme dat Jaspers blootlegde bij Heidegger kon u negeren, omdat uw liefdesrelatie met Heidegger uw kritische blik op hem in de weg stond. Dat noem ik de ‘banaliteit van de liefde’.”
Ze kijkt mij eerst peilend aan, en barst daarna uit in een schorre lach. “Das ist wirklich gut.” Ze hikt nog even na, en grijpt naar de fles. Ze verdeelt het restant over onze beide glazen en heft het glas. “Een onbetaalbaar slot van een interessant gesprek!” En na een slok: “Waar komt u eigenlijk vandaan? Uw Duits klinkt wat eigenaardig. Nederland?” Als ik knik zegt ze: “Ach, het land, met na Polen het hoogste percentage gedeporteerde Joden, dat prat gaat op haar ‘gezelligheid’.”
— Loosduinen, 23 november 2025