Rendez-Vous — E. Rauschenbach-Jung

Rendez-Vous

Rendez-Vous — E. Rauschenbach-Jung

Cornelis de Bondt

Op zondag 27 februari 1938 bel ik aan op het adres van de familie Jung, Seestrasse 228 in het plaatsje Küsnacht. Het echtpaar bewoont een villa aan het meer van Zürich. Ik wil spreken met Emma, de vrouw van de beroemde psychiater, of in ieder geval proberen een afspraak met haar te maken. Ik verblijf in een hotel niet ver van de villa.

Een dienstmeisje doet open, en vraagt mij wat ik wil. ‘Könnte ich bitte Frau Doktor Jung sprechen?’ vraag ik, waarop zij zegt: ‘Wem darf ich sagen, dass Sie hier sind, und was möchten Sie Frau Doktor Jung sagen?’ Ik geef haar mijn naam en vertel dat ik een aantal fundamentele vragen heb over een essay van haar over het probleem van de ‘Animus’.

Voor de zekerheid zeg ik ook nog dat ik kunstenaar ben. Het meisje knikt, en zegt: ‘Einen Moment bitte, ich frage es Frau Doktor.’ Ze wenkt mij om binnen te komen in de hal, en wijst op de twee stoelen die naast een tafel staan waarop naast enkele tijdschriften en kranten ook diverse door Jung geschreven boeken liggen. Na enkele minuten komt het meisje weer terug in de hal. ‘Frau Doktor hat jetzt leider keine Zeit, aber Sie können morgen um 16 Uhr wiederkommen.’

— § —

Sie sind ein Künstler,” begint Emma Jung, “wat voor soort kunst maakt u precies?”

“Ich bin Komponist und Lehrer,” antwoord ik.

Ah, Musik, das ist großartig!” Het klinkt oprecht. En dan keuvelen we een tijdje over wat voor soort muziek ik schrijf, waarbij ik creatief met de waarheid moet omgaan. Ik moet mij bedwingen niet de anecdote te vertellen rond de eerste serie uitvoeringen van ‘Het Gebroken Oor’ door het Schönberg Ensemble — in Nijmegen stond in het programmaboekje dat de dirigent van het ensemble, Reinbert de Leeuw, mijn stuk ‘aan de vergetelheid ontrukt had’, omdat ik tot de ‘onterecht vergeten generatie van tussen de beide wereldoorlogen behoorde’. Toen ik Reinbert na het concert het programmaboekje liet zien, barste hij uit in een daverende lachbui, zoals alleen hij dat kon, om vervolgens verhaal te halen bij de juffrouw die verantwoordelijk voor was die tekst. Ze droop beschaamd af.

“Wat is het doel van uw bezoek,” vraagt ze even later — tijd om zaken te doen, mijn tijd is kennelijk beperkt.

“Het doel is tweeërlei,” antwoord ik, “ik werk aan een tekst over de essentie van de kunst, en ik stuitte op het probleem van het oorspronkelijke. Is die ‘oorsprong’ talig van aard, of is het een ‘eigenschap’, een ‘kwaliteit’? Ik las een tekst van uw hand over het begrip ‘animus’, met name bij de vrouw. Maar ik neem aan dat het begrip mutatis mutandis ook op de man betrekking heeft, of kan hebben. Die ‘animus’ is een autonome figuur — is die, zo is mijn vraag, ‘oorspronkelijk’? en nog een tweede vraag: Is de ‘kunst’ een ‘vrouw’? Zo ja, wat zegt dit over de animus ervan?

“Dit voor wat betreft het eerste element van het doel van mijn bezoek. Het tweede element is een praktische: ik wil de hiervoor geschetste kwesties ook aan Doktor Freud voorleggen, en ik vermoed dat een korte aanbevelingsbrief van uw hand hierbij van nut kan zijn. De tijden voor hem zijn bar.” Ik schenk haar een niet al te overdreven, maar wel medelevende glimlach.

Ich habe seit Jahren keinen Kontakt mehr zu ihm gehabt,” zegt ze aarzelend. Als ze mijn ietwat teleurgestelde blik ziet, zegt ze het alsnog toe. “Wenn’s nicht nützt, schadet’s auch nicht.” Dan komt het dienstmeisje binnen met thee, water, koekjes en serviesgoed.

Na enkele slokken thee volgt een college: “Wat betreft dat ‘oorspronkelijke’, moet u begrijpen dat we in de analytische psychologie nooit spreken van een absoluut begin. Het is eerder een ‘werking’, een ‘dynamiek’, een ‘structuur’. ‘Archetypen’ geven vorm aan de menselijke ervaring. Die zou ik overigens niet ‘talig’ noemen, het archetypische bevindt zich in een vormloos domein dat zich vóór de taal bevindt, zij wordt gearticuleerd, en daarmee zichtbaar, via symbolen, dromen, mythen… en ook kunst!” Ze kijkt enkele tellen peinzend voor zich uit.

Dan gaat ze weer verder: “De animus is inderdaad een autonome figuur. Maar niet ‘oorspronkelijk’ in de zin van een eerste oorzaak. Hij is, zoals ik al aangaf, een vormende kracht, een structuur die zich voortdurend ontwikkelt. Hij is niet de oorsprong, maar een bemiddelaar tussen het bewuste en het onbewuste.” — Ze neemt even een slok van haar thee. — “U moet zich de animus niet voorstellen als een ‘object’ met een vaste eigenschap, maar als een meerlagige structuur: mening, woord, idee, en uiteindelijk geest.”

“Wat verstaat u precies onder ‘taal’? Behoren symbolen, of zelfs muziek, tot het ‘talige’ domein? En vervolgvraag: is de animus talig?”

Das sind grundlegende Fragen,“ begint ze. Ze schenkt onze beide kopjes weer vol, en reikt daarna het schoteltje met koekjes aan.

“Misschien, als ik niet te vrijpostig ben, kunt u tevens het verschil in opvattingen van Doktor Freud in uw uitleg benoemen.”

Ach, frei- oder unbescheiden… wenn ich das wüsste…,” ze kijkt mij even glimlachend aan, “misschien moeten we dat aan Doktor Freud vragen, die heeft daar verstand van.” Ze kijkt weer ernstig als ze verder gaat, met opnieuw een college. Ik luister braaf.

Beginnen wir mit dem Thema Sprache,” ze zet haar kopje op het dienblad. “U moet ‘taal’ niet in de beperkte zin zien, zoals in het algemeen gebruikelijk is, namelijk dat het puur discursief is, de geschreven en gesproken taal die we kennen uit ons dagelijks leven. Het is een breder begrip. Elk symbolisch systeem waarin op de een of andere wijze onze psyche zich articuleert, of het nu woorden, beelden, rituelen of dromen zijn, vormen een talig principe. Zelfs uw vakgebied, de muziek, behoort tot dit domein. Mijn man zei ooit dat het ‘die unmittelbare Sprache des Unbewussten’ is. Voor Sigmund lag dit anders.” — ‘Sigmund’; dichterbij dan we vaak denken? — “Voor hem was muziek geen ‘taal’, maar een driftontlading. Hij vertelde mij een keer dat hij zeer geraakt werd door muziek, maar dat er geen ontcijferbare inhoud in ontdekt kon worden. Dat heeft uiteraard te maken met het diametraal andere perspectief dat hij koos dan dat van mijn man en ik. Hij koos voor de biologische invalshoek, wij voor de mythische. Als ik het zo kort mag samenvatten. Muziek was voor Freud geen taal, of symbolisch syteem, alleen een affect veroorzaakt in ons driftleven. Misschien interessant voor u om met hem over van gedachten te wisselen? Ik kan het benoemen in mijn brief aan hem, als u wilt.” Ze kijkt mij vragend aan, ik knik beleefd. “Dan nu uw volgende punt.”

Animus.” Met de blik van een onderwijzer. “Laten we spreken over de ‘animus als bron van logos’. Daarmee kan ik uw vraag over de taligheid van dat begrip beantwoorden. In de tekst die u las, ‘Ein Beitrag zum Problem des Animus’, gepubliceerd in 1934 in de door mijn man uitgegeven bundel ‘Wirklichkeit der Seele’, bespreek ik de rol ervan vanuit vrouwelijk perspectief. Het omgekeerde, ‘anima’ vanuit het mannelijke perpectief, komt later ook aan bod. Beide zijn actoren van het onbewuste, dus niet een karaktertrek of zoiets. Animus is een creatieve kracht, maar kan ook destructief zijn. Ik noem hem een ‘bron van logos’, omdat hij onze handelingen voedt met inzicht, moed, en het bieden van richting en oriëntatie, hij is een brug tussen chaos en orde.”

Ze controleert even of ik haar nog volg. Dat doe ik kennelijk, want ze gaat door. “Dan dat oud-Griekse begrip: ‘logos’. Dat gaat over ‘taal’, in de brede zin die ik beoog.” Ze denkt even na. “Ik moet opeens denken aan Goethe’s ‘Faust’, deze peinst over hoe de zin ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.’ te vertalen. ‘Logos’ — is dat ‘woord’, ‘zin’, ‘kracht’ of, zijn uiteindelijke keuze, ‘daad’. Logos is een handeling. Dat geeft aan hoe animus talig is. Via de handeling. Niet precies hetzelfde, maar wel vergelijkbaar met uw beroep, of roeping wellicht.”

“Dat doet mij denken aan een uitspraak van Aristoteles, ik meen in de Ethica Nicomachea, dat de ‘deugd’ niet een eigenschap is, maar een handeling. Een ‘Daad’ dus. Ik neem aan dat Goethe zich dit gerealiseerd heeft toen hij de tekst schreef?”

Emma kijkt even naar het plafond. “Goethe heeft ongetwijfeld heel veel van Aristoteles gelezen, maar of hij daar een bewust verband legde met die Ethica weet ik niet; maar wie weet was het verband hem aangegeven door zijn ‘animus’.” Ze grijnst zowaar.

“Mannen hebben dus ook ‘animus’,” concludeer ik.

“Jazeker, maar dat gegeven ben ik, samen met mijn man, nog aan het uitwerken.”

“Hebben we nog tijd om terug te gaan naar dat onderwerp van de ‘oorsprong’?”

“Ja, maar niet te lang meer, helaas.”

Ik neem even de tijd om mijn vraag goed te formuleren, het is kennelijk mijn laatste vraag. “U zei eerder dat de animus niet ‘oorspronkelijk’ is, in de zin van stammend van een absoluut begin. Maar hoe zit het dan met de theorie van u en uw man hierover, heeft die wel een oorsprong, of anders gezegd, is die theorie ‘gevonden’ of ‘uitgevonden’?”

“Interessante vraag,” ze knikt goedkeurend. “De ‘archetypische’ orde, het begrip zegt het al, heeft altijd al bestaan in onze psyche. De oorsprong ervan is niet linguistisch, maar symbolisch en imaginatief. Zij is onafhankelijk van de tijd. Je zou kunnen zeggen dat mijn man die archetypen ‘gevonden’ heeft. De mythes, dromen en religieuze rituelen zijn reële historische ‘vondsten’, in de zin van terug-gevonden.” Ze peilt mijn blik even. “Aber, es ist komplizierter. Nicht eindeutig. Het begrip ‘archetype’ zelf is namelijk een filosofische constructie, via de taal. En in die zin is het ‘uitgevonden’. Entdeckt – zuerst in uns, nicht draußen. Und sobald wir sie in Begriffe fassen, sind sie natürlich auch erfunden. Je zou kunnen zeggen: ‘De theorie is gevonden in de psyche, maar uitgevonden in de taal.’”

— § —

De volgende dag zit ik weer tussen mijn beide paradijselijke bomen, met de aanbevelingsbrief van Emma op schoot. Ondanks mijn haast onbedwingbare nieuwsgierigheid heb ik de brief niet geopend. Is dat vanwege de ‘animus’ van Emma, of vanwege Freud’s ‘superego’? Of alle

Het zou uiteraard slimmer zijn die brief eerst te lezen voordat ik bij Freud aanklop, want dan weet ik beter wat te zeggen. Aan de andere kant, als hij ziet dat de envelop al eerder is geopend, dan kun je zijn reactie uittellen. Nieuwe envelop is geen optie, het handschrift van Emma op haar envelop zegt: Herr Professor Freud, Mit verbindlichen Grüssen, Emma Rauschenbach-Jung. Maar afgezien van deze praktische bezwaren, mijn superego is kennelijk zo sterk ontwikkeld dat ik met geen mogelijkheid die envelop kan openen. Of durf te openen? Is het superego uiteindelijk een vorm van gesublimeerde angst? Durf ik hem dat te vragen?

Wie niet waagt die niet wint, zegt mijn tegeltjeswijsheden liefhebbende Über-Ich, maar dan moet ik toch eerst zien bij hem op die sofa te geraken. Ik moet hem niet alleen te spreken zien te krijgen, maar hem tot een therapeutische sessie zien te verleiden. Ik vermoed dat dit vruchtbaarder is dan een tot monoloog gedegradeerde dialoog, omdat ik niet verwacht dat hij mij als gelijkwaardige gesprekspartner zal beschouwen. Maar als een patient zal hij mij wellicht wel serieus nemen, dan is de rolverdeling helder.

Ik kies zondag 24 april 1938 uit voor een bezoek aan Freud, een maand na de arrestatie van Anna, voldoende tijd voor hem om de boel op een rij te zetten, en nog een maand te gaan voor zijn vertrek naar Londen.

Loosduinen, 11 december 2025