Rendez-Vous — M. Foucault

Rendez-Vous

Rendez-Vous — M. Foucault

Cornelis de Bondt


22 oktober 1971, TH Twente. Ik heb net de opname door Fons Elders voor de VPRO van het debat tussen Michel Foucault en Noam Chomsky gevolgd. Nu sta ik in de kantine, hopend Foucault een vraag te kunnen stellen, en wellicht nog enkele meer. Ik ben zenuwachtig. Chomsky is al naar zijn hotel vertrokken, maar ik zag dat Foucault aanstalten maakte om nog iets te drinken in deze kantine. Ik moet een manier vinden om die horde groupies om hem heen kwijt te spelen.

Foucault komt inderdaad omringd door studenten de kantine in. Maar al snel verdwijnt hij richting het toilet, dat is mijn kans. Ik loop hem meteen achterna. Even later staan we naast elkaar ons vocht in de urinoirs te plengen. “C’est vous qui prenez l’urinoir de Duchamp, ou moi?” Het grapje was al te flauw, maar het ging mij erom dat hij in het Frans werd aangesproken, iets waar die groupies zeer waarschijnlijk niet toe instaat waren. Hij had in het debat zijn argumentaties in het Frans gedaan, omdat hij, zoals hij beweerde, het Engels daarvoor niet voldoende zou beheersen. Dat vond ik moeilijk te geloven.

Dafür braucht man Mutt!” antwoordt hij met een subtiele grijns. “Met twee ’t’-s.”

Puis-je vous offrir un verre à boire?

“Ah, om een nieuwe voorraad aan te leggen, slim bekeken.” Weer die ironische grijns.

Hij zit mij toch niet te versieren?

Ik had besloten hem te ontmoeten in de gedaante van een jongere versie, niet uit 1971, maar uit ’79, het jaar waarin ik ‘Bint’ schreef. Dat was inderdaad een ietwat dubieuze beslissing, maar MeToo bestond toen nog niet. Lang haar, blauw colbert.

Peut-être pourrions-nous parler un peu; vous avez un moment?” Mijn Frans was un peu pauvre, maar volgens mij had ik beet.

Si vous m’offrez le vin. Rouge, s’il vous plaît. Le vin de la cantine a trouvé son homologue dans cette ‘fountain’.

Even later zitten we aan een tafeltje, met elk twee glazen rode wijn voor ons. Hij knikte goedkeurend toen ik meteen twee glazen voor hem neerzette. De groupies houden gelukkig braaf afstand, misschien afgeschrikt door het Frans dat ze horen. Tant mieux!

Première question,” begon ik, “de Nederlandse vertaling van ‘Les mots et les choses’ bevat een voorwoord, dat niet in de originele Franse tekst staat. Hij staat wel in de Engelse en ook in de Duitse vertaling. Hij is dus later toegevoegd. Waarom?”

“Er is wel een ‘Préface’ in de originele tekst, ik meen dat deze ook in die vertalingen is opgenomen. Dat extra ‘Voorwoord’ is bedoeld voor de vertalingen, om context te geven voor niet-Franse lezers, die vermoedelijk de precieze Franse situatie niet kennen.”

“Dat extra ‘Voorwoord’ heeft iets defensiefs, alsof u de behoefte had de kritiek die volgde op het verschijnen van uw tekst in ’66 te weerleggen. Of zie ik dat verkeerd? Dat voorwoord heeft mij overigens goed geholpen uw tekst beter te begrijpen.”

Pas du tout!” Hij reageert wat korzelig. “Het heeft niets te maken met een defensieve houding, het ging mij louter om het leveren van de nodige context voor buitenlandse lezers. Maar, toegegeven, er waren ook in mijn land de nodige reacties waaruit bleek dat niet iedereen alles wat ik schreef in die tekst begrepen had. Of misschien zelfs niet de behoefte daartoe hadden.”

Monsieur Chomsky zou goed een van die criticasters hebben kunnen zijn.” Een nuttig bruggetje.

Bien sûr, mais je le respecte inconditionnellement.

“Het belangrijkste geschilpunt in het debat betrof het begrip ‘rechtvaardigheid’,” ga ik verder, “en het is jammer dat dit punt uiteindelijk niet goed, want onvolledig, werd uitgewerkt. U kreeg nog twee minuten om op een langer betoog van Mr. Chomsky te reageren, en dat vond u te weinig, dus eindigde u met een soort concluderende samenvatting. Wat zou u eigenlijk hebben willen zeggen? Of, als ik zo brutaal mag zijn, kwamen die twee minuten u eigenlijk wel goed uit?” Niet geschoten is altijd mis.

Hij kijkt mij even doordringend aan, en steekt daarna een cigaret op. Nadat hij zijn eerste trek heeft genomen, en een bewonderenswaardige kring richting het plafond heeft gezonden, reageert hij: “Als u denkt dat ik geen antwoord had op de bekende opvattingen van Mr. Chomsky, dan heeft dit gesprek verder geen zin.” Hij houdt zijn hoofd wat schuin, en kijkt mij peilend aan.

Ik steek een sigaar op, de cirkel die ik in gedachten had lost op in ongerichte flarden. “Enfin, mais le mien est plus grand,” zeg ik op mijn sigaar wijzend. “Je suis désolé, ik wil graag uw reactie op Mr. Chomsky horen.

Foucault maakt een vergoelijkend gebaar met de hand waarmee hij zijn cigaret vasthoudt. De rook schildert een fraaie spiraal in de lucht. “Uiteraard ben ik geen immorele bastaard die vindt dat zoiets als ‘rechtvaardigheid’ niet bestaat. Ik zeg alleen dat de betekenis ervan afhankelijk is van hoe die in de een of andere cultuur is ingevuld. Die betekenis is geboren uit een machtsstructuur.”

Als hij ziet dat ik wil reageren heft hij zijn hand op. Nog een spiraal. “Geef mij meer dan die twee minuten, alstublieft.” Licht-ironische glimlach, niet onvriendelijk. “Wanneer Mr. Chomsky mij dus zegt dat de revolutionaire strijd gevoerd moet worden in naam van ‘rechtvaardige’ principes, ben ik geneigd te antwoorden: die principes zijn nu juist die van de wereld die u wilt vernietigen. Ze zijn daar geboren. Dat betekent niet dat er alleen het cynisme van brute kracht is. Het betekent dat elke strijd de voorwaarden verandert waaronder woorden als ‘rechtvaardigheid’ überhaupt kunnen worden uitgesproken. In een revolutionaire situatie botsen niet alleen groepen; het zijn de vormen van rationaliteit, de vormen van kennis, de vormen van subjectiviteit zelf die in crisis komen. Gerechtigheid staat niet boven de geschiedenis. Ik ben niet tegen gerechtigheid, ik ben voor het opnieuw betekenis geven ervan, op basis van een nieuwe realiteit.”

Ik peil even of ik mag reageren… Ik mag. “Als ik de advocaat van de duivel mag spelen, ontkent u het bestaan van elk universeel principe? Liefde, haat, angst, jaloezie, vreugde, verdriet — is dit niet van elke tijd en van iedere cultuur?”

“Hiermee legt u precies de vinger op de stupiditeit van mijn criticasters. Dat ik het begrip ‘subject’ zou hebben afgeschaft, of zou willen afschaffen. Dit is mogelijk — ik geef dat nu toe — ook een reden geweest voor dat extra voorwoord in ‘Les mots…’ Ik eindig het boek met de frase dat de mens als gedacht subject zal verdwijnen ‘als een gezicht in het zand aan de rand van de zee.’ Met deze metafoor bedoel ik uiteraard niet dat de mens als individu zal verdwijnen.”

“Maar schept deze analyse geen hiaat in ons denken? Als ik struikel, dan val ik. Atijd en overal. De zwaartekracht is een universeel gegeven. Waarom zou dit ook niet voor morele, ethische en ook esthetische kwesties kunnen gelden, zonder dat u daarmee uw machtsanalyses zou hoeven los te laten? Zijn overkoepelende humane principes, bijvoorbeeld over ‘rechtvaardigheid’, beslist ondenkbaar in uw genealogie van het menselijk denken? Wellicht is er een meerlagige structuur denkbaar, met enerzijds verschuivende en dus normatieve opvattingen, en anderzijds universele? Vergelijk Kant.”

Foucault neemt enkele slokken wijn en denkt even na. “Kant is inderdaad een interessant voorbeeld van die meerlagigheid waar u kennelijk op doelt. Hij is het begin van het kritische denken. Hij is, zoals ik dat in ‘Les mots…’ noem, ‘de uitvinder van de mens als epistemische figuur’. De ‘Verlichting’ is dan geen ‘object’, maar een ‘houding’. Tegelijkertijd blijft Kant vasthouden aan de mens als een gegeven subject; transcendentaal — zeker — maar toch een vast centrum in ons denken. Waar Kant tracht, in zijn ‘Derde Kritiek’, een brug te slaan tussen de causale determinatie van de natuur en onze vrijheid, autonomie en moraal, via het ‘oordeel’, stel ik vast dat de kern van ons probleem zich nu juist in dit oordeel bevindt. De oordelen worden absolute objecten.”

“Wat bedoelt u met dit laatste? U verplaatst zich opeens met hele grote stappen…”

Désolé, maar mijn denken ontwikkelt zich continu…”

Hij vervolgt: “Ik denk momenteel na over die moraliserende oordeelsvormen, en hoe die in de moderne tijd hebben geleid tot binaire formules, van ‘normaal’ versus ‘abnormaal’, ‘gezond’ en ‘ziek’; ik wil aantonen dat het ‘subject’ geen fundament is, maar een historisch gevolg.”

Ik ben mij uiteraard bewust van de titels die nog moeten verschijnen, zoals ‘Théories et Institutions’ en ‘La Société Punitive’, maar daar kan ik op dit moment niet naar verwijzen. Die teksten zitten kennelijk wel al ergens in zijn hoofd te broeden.

Foucault neemt weer het woord. “Ik schrijf ergens in ‘Les mots…’ dat het een ‘open’ werk is, veel dingen waren mij niet duidelijk, sommige schenen mij te voor de hand liggend, andere te obscuur. Het boek is geen conventioneel geschiedkundig werk, ik zie het als een vorm van archeologie. Het is een vergelijkende studie, waarin ik uit ben gegaan van verschillende vragen en problemen, waarvoor ik antwoorden zocht, maar niet altijd vond. Het is in hoge mate experimenteel, een zoektocht. En die houding verschilt van de conventionele, academische geschiedschrijving, die enerzijds uitgaat van de processen en producten van het wetenschappelijke bewustzijn, en anderzijds reconstructies van wat aan dat bewustzijn ontsnapt is: de invloeden die het hebben geraakt, de impliciete filosofieën die eraan ten grondslag lagen, de onuitgesproken thematieken, de onzichtbare obstakels — het onbewuste van de wetenschap. Dit onbewuste vormt steeds de negatieve zijde van de wetenschap — datgene wat haar tegenwerkt, haar afbuigt of haar verstoort. Wat ik daarentegen zou willen blootleggen, is een positief onbewuste van de kennis: een niveau dat aan het bewustzijn van de wetenschapper ontsnapt en toch deel uitmaakt van het wetenschappelijke discours, in plaats van zijn geldigheid te betwisten of zijn wetenschappelijk karakter te willen verminderen. Wat ik beoog is geen universele stellingname, maar een avontuur.”

“Dat beschreef u dus in dat enigszins mysterieuze voorwoord, dat alleen in de diverse vertalingen bestaat, maar niet in het origineel.”

“Hmm, ik herinner mij nu niet hoe dit precies gegaan is. Er was vanuit het buitenland behoefte aan een extra voorwoord.”

“Welke vertaling was er eigenlijk het eerst, de Engelse, Nederlandse of de Duitse? Hebt u de originele Franse tekst nog ergens?”

Le texte n’est pas perdu. Hij is gewoon verplaatst. Elke vertaling geeft hem een nieuw leven… Zo reizen woorden en dingen.”

Hij kijkt mij weer aan met die licht-ironische blik waar ik geen hoogte van krijg. Heeft hij die tekst nog ergens of is die simpelweg verdwenen; op internet had ik er geen spoor van gevonden. Ook niet welke vertaling er eerst was.

“Is alles uiteindelijk een vorm van theater?” vraag ik hem. “Het debat zeer zeker, zo lijkt mij, u vond beiden wat u vond, maar speelde daar ook weer mee. Bijvoorbeeld met dat gedoe van die ‘twee minuten’. Of zie ik dat verkeerd?”

Un théâtre, dites-vous?” Hij glimlacht even met zijn ironische grijns. “Bien sûr. Après tout, toute parole publique est déjà une mise en scène. Het interessante is niet dat het theater is, maar wel: Wie heeft het script geschreven? Wie bepaalt wanneer het applaus valt? En de vraag of Mr. Chomsky denkt dat hij niet meespeelt? Die ‘twee minuten’ zijn daarin een vermakelijk ‘terzijde’.”

“Dus alles is uiteindelijk maar een spel?”

“Uw landgenoot Huizinga schreef daar, als ik het wel heb, een interessant boek over.”

Hij steekt een nieuwe cigaret op, en drinkt zijn tweede glas leeg. Ik begrijp de hint en haal twee nieuwe glazen. “Allemaal spel, maar dat betekent niet dat het alleen maar luchtig is, het is maar al te vaak bloedernstig,” vervolgt hij.

“Een spel van leven en dood?” vraag ik. “U noemt Freud in ‘Les mots…’ een van de grote ‘archeologen’. Ik herinner mij niet dat u ergens direct naar diens concept van de ‘Doodsdrift’ verwijst. Ik neem aan omdat u vindt dat Freud het ‘subject’ niet echt bevrijd heeft. Hij was dan wel archeoloog, maar daarnaast ook nog steeds medicus. Van het oude stempel.”

Foucault knikt bedachtzaam. “Ik zou het iets anders formuleren, maar in grote lijnen klopt het wel. Freud heeft het subject niet vrij gemaakt, maar wel de waanzin niet langer uitgesloten, en die een plaats gegeven in het medische betekenissysteem, namelijk via het ‘onbewuste’.” Hij nam enkele slokken wijn, en stak weer van wal. “Wat betreft die Todestrieb, ik heb daar bij mijn weten inderdaad niet direct naar verwezen in mijn boeken, maar de begrippen ‘leven’ en ‘dood’, en dus ook die ‘doodsdrift’ zijn, mede dankzij Freud, vanuit het domein van ‘God’ of ‘Natuur’ verhuist naar het innerlijk van de mens. Ik ben bezig met een nieuwe theorie over wat ik ‘biopolitiek’ noem. De essentie van Freud’s begrip ‘doodsdrift’ is in mijn visie geen psychologische entiteit, maar de articulatie van een epistemologische grens. We stuiten met dit begrip op een limiet in de mogelijkheid de biomacht te analyseren. La ‘pulsion de mort’, ‘Thanatos’, is de naam die Freud geeft aan datgene wat ontsnapt aan de eigen economie van zijn weten. Een grensconcept, een litteken in de huid van zijn theorie zelf. Voor Kant zou dit onderdeel zijn van het noumenale.”

“Waarmee het begrip voor u onwerkbaar is?”

Évidemment. Bovendien is in mijn actuele denken het subject een product van historische regimes.”

“Maar hopelijk is ons sterven meer dan alleen het product van de geschiedenis,” zeg ik met een bewust opgelegde scheve grijns.

Tu bois assez?” Hij schuift zijn tweede, nog volle glas in mijn richting, en vraagt: “Bent u bang voor de dood?”

La mort ne me fait pas peur. Ze is een voorwaarde van ieder leven, en door erover na te denken begrijp je wat je werkelijk doet.” Ik kijk hem ietwat wijsneuzig aan, en hef het glas in zijn richting. “Vive la mort!

La grande ou la petite?” vraagt hij.

“De maat doet er toch niet toe?” Ja zeg, toch even proberen, die boef.

“Nog een laatste vraag,” zeg ik als antwoord op zijn ironische grijns. “Is uw genealogiedenken niet recursief? Een perpetuum mobile? Wanneer elk universeel principe dat zich buiten de macht bevindt ondenkbaar is, dan zijn we gedoemd dat machtspel uit den treure te herhalen, waarbij dat spel om een mysterieuze reden het enige principe is dat alles verklaart. Daar zijn we mooi klaar mee.”

Hij schudt zijn hoofd. “Kom nou toch! Wie heeft u wijsgemaakt dat de wereld een gefixeerd punt nodig heeft om denkbaar te zijn? U verwijt me dat ik geen uitgang laat uit de macht; maar ik beschrijf geen doolhof zonder uitweg — ik beschrijf de grenzen. En als u alleen begrenzingen ziet, komt dat misschien omdat u nog steeds op een hemel hoopt. Macht is geen principe. Het is de textuur van onze praktijken, onze uitspraken, onze dingen. Ik reduceer niets tot macht: ik laat zien hoe dingen vorm krijgen, zich verknopen, uiteenvallen. Het zijn de mensen die dromen van een onbeweeglijk fundament, niet de geschiedenis.”

— § —

Twee dagen later zit ik op een stoeltje, met twee kussens, tussen de twee grote Lindenbomen, nadenkend over dat zonderlinge gesprek.

Na zijn antwoord op mijn laatste vraag gingen wij ieder ons weegs. Ik begreep zijn punt, maar ik betreur nu dat ik niet geprobeerd heb het te pareren. Een mond vol tanden misschien? Hmm, nee, niet alleen dat. Hij was onvermurwbaar… wellicht zelfs onweerlegbaar. Het leek alsof hij een vacant systeem had ontwikkeld, of beter gezegd, een analysemethodologie. En die methodologie duldt geen tegenspraak, geen weerwoord. Ik moet nu opeens aan Stravinsky denken, diens muziek heeft een vergelijkbare ongenaakbaarheid. Stravinsky en Foucault, het zijn schitterende kometen die langs onze wereld schieten, maar probeer ze niet aan te raken. Dat overleef je niet. Sirenen zijn het.

Ik zie twee soorten reacties, die op zijn klippen zijn gelopen: aan de ene kant de groupies, die hem kritiekloos nawauwelen, en aan de andere kant de criticasters die, in het voetspoor van Habermas, hem bagatelliseren via wat eigenlijk een soort tu quoque (of cirkelredenering) is, namelijk dat Foucault’s idee van de genealogieën een grondslag ontbeert voor universele kritiek. Maar dat was nu juist de essentie van Foucault’s ideeën, dat dit universele ontbreekt. Dat kun je betreuren, maar misschien bestaat die ‘hemel’ inderdaad niet.

Het is heel wel mogelijk dat er een synthese denkbaar is tussen de machtsanalyse van Foucault en de op universele begrippen gebaseerde theorieën van anderen. In dat geval is de analyse van Foucault de antithese, iets waar hij uiteraard sterk tegen gekant zou zijn, maar soit, moedig voorwaarts! Daarvoor is het nodig om boven de middelmatigheid van verheerlijking en demonisering uit te stijgen.

Ik heb zowaar een cirkel van rook kunnen lanceren, en kijk haar na, omhoog, naar de toppen van beide bomen die zo ver boven mij uitrijzen, en dan komt er een laatste gedachte in mij op. Je moet talent hebben om talent te begrijpen en te waarderen, en als dat talent ontbreekt, dan is macht het enige middel dat resteert. Als je niet muzikaal bent, zul je het genie van Stravinsky niet begrijpen. En dan resteren er alleen maar buiten-muzikale criteria om een waardeoordeel te vellen. Dat geldt mutatis mutandis voor de wijsbegeerte. Het oordeel over Foucault wordt dan bepaald door machtsstructuren, wat een tragiek!

Zowel het klakkeloos volgen en gedachteloos pasticheren van het gedachtegoed van Foucault, als het klakkeloos veroordelen en gedachteloos afwijzen ervan, articuleert een gebrek aan talent. Het is de expressie van middelmatigheid, waar onze wereld van vergeven is, en waar ieder waarachtig talent niet op zit te wachten. Het stimuleert uitsluitend het objectmatige, voorspelbare, alledaagse en gezeglijke. Leve de denkers van de scheve schaats!

Loosduinen, 28 november 2025