Rendez-Vous — S. Freud
— Cornelis de Bondt
Op 23 april 1938, om 10 uur in de ochtend, check ik in bij Hotel Stefanie, in de Taborstraße in Wenen, op een halfuur lopen van Freud’s adres. Die zal op dat moment nog een maand in de Berggasse 19 wonen. Ik wil Freud de volgende dag bezoeken, wederom een zondag, net als bij Emma. Ik moet haar eerst nog telefonisch te spreken zien te krijgen, ik ga ervan uit dat dit vandaag zal lukken. Ik hoef niet veel tijd van haar te vragen.
Het dienstmeisje neemt de telefoon op, en zegt dat ik om vijf uur kan proberen om Frau Jung te spreken te krijgen. Inderdaad krijg ik Emma dan even aan de lijn. Ik vertel haar dat ik ga proberen Doktor Freud morgen te spreken te krijgen, en vraag of zij gehoord heeft van de arrestatie van Anna, en of ze denkt dat dit mijn kans om Herr Freud te spreken te krijgen verkleint. Ze zegt dat ze dat inderdaad had vernomen, het nieuws ging rond in de kringen van analisten, zowel in Zürich, Wenen en ook Berlijn. Ze zegt dat ze Anna in mijn aanbevelingsbrief ter sprake heeft gebracht, omdat mijn achtergrond als componist en musicus aansluit bij het onderzoek van haar naar taalkundige symboliek. ‘Ik vermoed dat hij u wel te woord zal willen staan, misschien niet heel lang, maar dat hangt ook van uw vragen af.’
Na het gesprek met Emma loop ik meteen naar het huis van Freud, om te vragen om een afspraak met Herr Doktor Freud. Ik geef de aanbevelingsbrief van Emma aan het dienstmeisje dat opendoet, en vertel haar de reden van mijn verzoek.
— § —
Twee dagen later, op 25 april, om 11 uur in de ochtend, meld ik mij bij het huis van de beroemde psychiater. Ik word meteen naar de behandelruimte gebracht. Freud komt vanachter zijn bureau vandaan en kijkt mij peilend aan. Dan geeft hij mij een hand, en zegt: “Sie haben offenbar einen Eindruck bei Frau Jung hinterlassen. Das ist eine Kunst für sich.”
Als ik hem vraag of ik een eenmalige therapiesessie bij hem kan doen, antwoordt hij dat dit onmogelijk is, “Ich kann Ihnen ein Gespräch anbieten — keine Analyse.” Hij legt uit dat er voor een ‘analyse’ een reeks sessies nodig is. Daar heeft hij nu sowieso geen tijd voor, hij moet zijn vertrek naar Londen voorbereiden. Hij wijst op een stoel tegenover zijn bureau en neemt zelf weer plaats achter zijn bureau. Ik ga tegenover hem zitten. “Waarover wilt u met mij van gedachten wisselen?”
“Ich verstehe, daß wir dieses Gespräch keine Anna nennen können — keine Analyse, meine ich — aber …“ Ik verstijf, zie Freud licht fronsen, en wacht gelaten op een scherp commentaar, maar tot mijn verbazing zegt hij niets. Ik kijk naar een inktpot die op een marmeren plaat stond, en zeg, schaapachtend lachend: “Ik ga heel erg mijn best doen die inktpot niet om te gooien…”
Hij moet lachen, “Aha, u kent mijn werk Zur Psychopathologie des Alltagslebens. Gaat u mijn theorie hier toetsen aan de praktijk?”
“Dat is uiteraard niet de bedoeling, maar bij mij weet je het nooit,” antwoord ik met een ietwat nerveuze glimlach. “Ik heb alle door u benoemde ‘vergissingen’, ‘verprekingen’, ‘misgrijpen’, nou ja, de hele reeks, veelvuldig in praktijk gebracht. Vooral in mijn jeugd.”
“Waarom noemt u Anna’s naam? Hebt u haar ooit ontmoet, of een publicatie van haar gelezen? Laten we deze verspreking onderzoeken.”
“Nee, ik weet wel dat zij geschreven heeft over analyse met kinderen, en dat zij een boek heeft gepubliceerd over het ‘Ego’ en ‘Afweermechanismen’, maar ik heb die teksten nog niet gelezen. Ik denk dat mijn verspreking te maken heeft met het telefoongesprek dat ik gisteren had met Frau Jung, zij vertelde van de bedreigende situatie hier in Wenen, en over de arrestatie van Anna. Ik heb daarom getwijfeld of ik wel een afspraak met u kon maken. Nou ja, of ik het durfde.”
“Angst is vandaag de dag geen theoretisch probleem,” zegt hij, mij vorsend aankijkend. “Dus voorzichtigheid is raadzaam. Waardoor werd die twijfel veroorzaakt, was het om een persoonlijke reden, of eerder om een politiek-geladen reden? Wat is precies de reden dat u twijfelde?”
“Ik denk vanwege een combinatie van factoren. Ik ben nogal bang uitgevallen, voor de wereld, voor grote massa’s mensen, maar ook voor mannen in ‘uniform’ — niet per se een militair uniform, ook een overall van een glazenwasser of timmerman vind ik angstaanjagend.”
“Sinds wanneer hebt u dit soort angsten?”
“Vanaf mij jeugd. Mijn moeder dwong mij om met mijn vriendjes buiten te spelen.”
“Wat deed u dan, deed u wat uw moeder u opdroeg, of verzon u een manier om daaraan te kunnen ontkomen?”
“Ik had geen methode of strategie, of iets dergelijks, probeerde alleen maar eraan te onstnappen. Dat lukte soms, maar meestal niet.”
Freud verandert van onderwerp, en zegt: “U had uw zin met die verspreking niet afgemaakt, wat wilde u verder nog zeggen?”
Ik moet even nadenken, maar zeg dan: “Dat ben ik vergeten.” — “Zoiets verzin je niet,” voeg ik er nog aan toe.
Freud houdt zijn hoofd wat schuin, en kijkt mij peinzend aan, maar hij zegt niets. “Is het belangrijk?” vraag ik tenslotte.
“Zegt u het maar,” antwoordt hij kortaf.
“We zullen dat alleen weten als ik het mij weer herinner,” zeg ik ontwijkend.
Hij kijkt mij strak aan, ik ben een beetje bang van die priemende ogen. Hij blijft zwijgen. Ik pijnig mijn hersens.
“Ik werd afgeleid door mijn verspreking, misschien was er niet eens een concreet vervolg van mijn zin, het voegwoord ‘aber’ werkt dan als een soort uitstelmechanisme.” Ik zie dat hij mij in ieder geval niet afkeurend aankijkt, en ga moedig voorwaarts: “Die verspreking… Ik ben er niet uit of de oorzaak daarvan de naam van uw dochter is, dan zou het te maken kunnen hebben met mijn angst u pijn te doen, en in plaats van de naam te vermijden, zeg ik hem juist toch; een vorm van zelfsabotage. Dat heb ik meermaals gedaan in mijn leven, vooral in mijn jeugd. Maar er is nog een andere mogelijkheid, namelijk dat het gaat over het begrip ‘analyse’. U doelde met dit begrip op ‘psychoanalyse’, maar het woord is breder. Misschien wilde ik dit benoemen, dat ons ‘gesprek’ wel degelijk analytische aspecten kan hebben. En dat saboteer ik dan.”
Nu reageert hij eindelijk wel. “U hebt gelijk dat ik ‘analyse’ in psychoanalytische zin bedoel, en daarvoor ontbreekt ons nu de tijd. In een dergelijke sessie zou ik door zijn gegaan op dat begrip ‘zelfsabotage’, dat zou vermoedelijk een veelbelovende lijn zijn.”
Er wordt op de deur geklopt, na een bevestigende brul van Freud komt het dienstmeisje binnen met thee en wat versnaperingen.
“Laten we dan nu spreken over de vragen die u heeft,” zegt Freud als het meisje het vertrek heeft verlaten, en hij de thee voor ons heeft ingeschonken. “Als ik het goed begrepen heb uit de brief van Frau Jung, dan zoekt u naar de ‘oorsprong’ der dingen; de kunst, onze psyche, het onbewuste, en daarmee uiteindelijk de kwestie van leven en dood.”
“Inderdaad,” antwoord ik, “ik heb twee, voor mij, fundamentele vragen die ik u wil voorleggen. En nu herinner ik mij opeens wat ik u in die zin met de verspreking wilde zeggen, namelijk dat er volgens mij een analogie bestaat tussen beide kwesties, hoewel ze ogenschijnlijk los van elkaar staan. De ene kwestie betreft de oorsprong van het onbewuste, daar heb ik met Frau Jung over gesproken, en de andere het thema ‘vriendschap en verraad’. Laat ik beginnen met de eerste kwestie, die ik u in de vorm van een vraag wil voorleggen: ‘Had Plato een onbewuste?’ — Als het antwoord bevestigend is, dan heeft u dat begrip ontdekt. Maar als het antwoord ontkennend luidt, dan heeft u het begrip uitgevonden. Dat lijkt mij een cruciaal verschil.”
“Ha! U probeert mij een specifiek antwoord af te dwingen, door de beperking van een simpel ‘ja of nee’ antwoord. Maar zo werkt dat niet bij mij.” Hij kijkt mij streng aan, maar ik zie ook een lichte twinkeling in zijn ogen. Hij neemt een slok van zijn thee en vervolgt: “Laten we beide antwoorden tegen elkaar afwegen, en zien waar we uitkomen.”
Het valt mij nu pas op hoe oud Freud er uitziet; is dat de leeftijd, of de dreiging van het nazisme? Desondanks klinkt zijn stem vast en helder. “Plato had ongetwijfeld een onbewuste, zoals hij ook angst kende, en vermoedelijk net als u en ik versprekingen en vergissingen maakte, last had van geheugenverlies, enzovoorts. Maar hij was zich niet bewust van dat begrip, dat was simpelweg nog nooit geformuleerd. Je zou kunnen stellen dat het onbewuste bestond in de psyche, maar nog niet in de taal, daar moest het nog geformuleerd worden, en dat zou je op zichzelf een uitvinding kunnen noemen; een taalkundige uitvinding.”
“Frau Jung formuleerde het in vergelijkbare woorden, kort samengevat: ‘De theorie is gevonden in de psyche, maar uitgevonden in de taal.’”
“Emma is een briljant denker, over veel zaken zijn wij het eens. Dat geldt overigens ook voor haar man, Carl, met wie ik uiteindelijk gebroken heb. Zo gaat dat in het leven.” — Hij noemt Jung nu bij zijn voornaam. Misschien omdat hij dat met zijn vrouw ook deed? — “Er zijn ook verschillen, die breuk heeft daarmee te maken, maar daar zal ik het nu niet over hebben. Voor Emma is het onbewuste vooral een aspect van de symbolische orde, niet uitsluitend de articulatie van de psyche, maar ook een historisch-talig, niet-biologisch fenomeen. Terwijl ik meen dat het onbewuste universeel is, waarmee het begrip op een gegeven moment is ontdekt. Dat Plato niet op de hoogte was van het begrip ‘onbewuste’, is irrelevant voor het feit dat hij er wel over beschikte. Zij zal daarentegen menen dat het, hoewel onderdeel van de psyche, uiteindelijk ook een uitvinding is.”
“Dan is een fundamenteel verschil tussen u beiden dat voor u het onbewuste een universeel, en wellicht zelfs onveranderlijke factor is?”
“Nein, das ist zu einfach,’ antwoordt hij ietwat korzelig. “De biologie van de mens, zijn fysiek, lichaamsdelen, organen, blijft onveranderlijk, maar niet de maskers die hij opzet, of op kan zetten. Die zijn afhankelijk van de cultuur waarin hij opgroeit. Maar het ‘Es’ is onveranderlijk, onze diepste verlangens en noodzakelijkheden, driften en afhankelijkheid van de wetten en omgeving, zijn in die zin constant. Voor Frau Jung en haar man ligt dit anders, die menen, mijns inziens onterecht, dat het ‘Es’ ook mede bepaald wordt door de omgeving waarin de mens opgroeit. Zij zullen dus de mening zijn toegedaan dat het onbewuste van Plato een essentieel andersoortig onbewuste was dan dat van de huidige mens, bijvoorbeeld hier in Wenen. Terwijl ze het evenzeer aan de psyche verbinden.”
“Omdat het echtpaar Jung het onbewuste aan de archetypen en symbolenwereld koppelen?” vraag ik.
“Tatsächlich.” Hij verschuift zijn inktpot enkele millimeters.
“Dan stel ik voor om nu het tweede onderwerp te bespreken, hoewel, zoals ik zei, het vermoedelijk overlapt met dit eerste.”
Hij knikt alleen maar, dus neem ik een slok thee en ga snel verder: “Het onderwerp is vriendschap en verraad. Niet zomaar een alledaags verraad, maar verraad op een fundamenteel niveau. Zoals bijvoorbeeld Brutus naar Julius Ceasar. Mijn eerste vraag is dan of er in dat geval eigenlijk wel sprake was van vriendschap, was dat geen verbeelding? Hoort vriendschap niet onvoorwaardelijk te zijn?”
“Dat is meer dan één vraag, vragen met fundamentele consequensties. Ik zal uitleggen in hoeverre deze onderling verbonden zijn,” antwoordt hij.
“Om te beginnen,” vervolgt hij, “is vriendschap niet gebaseerd op waarheid. Om uw vraag om te draaien: Waarom zou trouw de maatstaf zijn voor het ware? Wat op enig moment als waarheid in een vriendschap kan worden ervaren, kan op een ander moment omslaan in het gevoel van verraad. Dat toont alleen maar de intensiteit aan van die vriendschap. Je zou het zelfs sterker kunnen stellen, zonder verraad geen echte vriendschap. Wat ons aan elkaar bindt, kan ons ook verraden. Het is de prijs.”
“Hmm…” ik aarzel, maar probeer het toch: “Dan zou vriendschap dus niet onvoorwaardelijk zijn? En daarmee geen ethische of morele handeling.”
“Nein, auf keinen Fall!” Hij priemt met zijn wijsvinger in de lucht. Ik houd de inktpot nauwlettend in gaten. “En datzelfde geldt voor de liefde. De zuiverheid die u zoekt in de vriendschap, en de liefde, is idealistisch, moreel, religieus, en in feite een spel van onze psyche. De voorwaarden in vriendschap, of liefde, zijn onbewust. Liefde en vriendschap zijn ‘Besetzungen’, psychische investeringen.”
“Zelfs de liefde van ouders voor hun kind? Zou die niet onvoorwaardelijk dienen te zijn? Is dat zelfs niet biologisch bepaald?”
“Aber klar! Ouderliefde is geen ethische handeling. Het is wat ik een ‘libidinöse Besetzung’ noem, gebaseerd op instinctieve zorg, bescherming, voortplantingsdrift; kortom een drijfveer. Maar, en dit is essentieel, er is wel een ‘moreel masker’, het kind ervaart de liefde wel als onvoorwaardelijk. Die ambivalentie is fundamenteel, om de vorming van het Über-Ich te waarborgen. Dat is overigens niet anders dan bij vriendschap.”
Ik grijp mijn kans voor de vraag die ik eerder had bedacht: “Is het Über-Ich niet een gesublimeerde vorm van angst?”
“Het Über-Ich is niet een neutraal orgaan, is geen moreel instrument, het is een psychische neerslag van liefde, angst en internalisatie. Als het kind angst voor het verlies van liefde van zijn ouders ervaart, bijvoorbeeld in de vorm van straf, dan wordt deze angst psychisch gesublimeerd in de vorm van ‘geweten’, ‘schuld’ of een ‘innerlijke morele stem’. Het Über-Ich is in die zin een gesublimeerde angst, die ontstaat uit de ouderlijke liefde. Zij moet beslist onvoorwaardelijk schijnen, maar zij is desalniettemin ambivalent. Genau wie jede Freundschaft, jede Bindung, ja selbst die Liebe zwischen Brutus und Caesar. Das gilt auch für meine Freundschaft mit Doktor Jung.”
Ik probeer wat tijd te winnen door langzaam enkele kleine slokjes thee te drinken, ik ben niet zeker of de volgende vraag hem gaat bevallen, maar hij moet gesteld worden. Ik zie dat hij ziet dat ik aarzel om iets te zeggen.
Hij zegt niets, maar knikt lichtjes met zijn hoofd. Ik interpreteer het als een aanmoediging. “Ik heb een pijnlijke vraag, maar hij moet gesteld worden: Is het verraad in uw ogen uiteindelijk niet hetzelfde als het kwade? En ik doel hiermee op wat ik het ultieme kwaad zou willen noemen, dat van de nazi’s. Dat maakt deze vraag dus persoonlijk, vandaar mijn aarzeling.”
“Het zou u helpen als u uw angsten eindelijk onder ogen durft te komen. U kunt mij iedere vraag stellen zonder daarvoor toestemming te vragen, geen enkele vraag kan mij van mijn stuk brengen, u bent niet verantwoordelijk voor mijn welbevinden.” Hij laat deze woorden even op mij inwerken, en gaat verder. “Uw vraag is zeker relevant, en ik zal hem uitgebreid beantwoorden.”
Dan volgt een college: “Om met het begrip het ‘ultieme kwaad’ te beginnen, wanneer we deze term gebruiken, bijvoorbeeld om het kwaad van het nazisme te benoemen, dan zien wij af van het begrijpen ervan. Dat zou dat kwaad nog veel gevaarlijker maken dan het nu al is. Het begrip het ‘ultieme kwaad’ is een moralistisch begrip, in plaats van een psychologische analyse. Het is daarom zinvoller uit te gaan van een begrip dat ik ‘Todestrieb’ heb genoemd, een fundamentele destructieve drift, die zich zowel naar buiten keert, met bedreiging en geweld, als naar binnen, naar het ervaren van schaamte en schuld. Het nazisme is geen op zichzelf staand fenomeen, het is deze doodsdrift op een collectief niveau. Ik heb hier acht jaar geleden, in Das Unbehagen in der Kultur, over geschreven. Beschaving is uiteindelijk een dun vernis, dat door de nazi’s opzettelijk is aangetast, met een gelegitimeerde aggressie, en de truc om de schuld naar de ander te verplaatsen, de Joden in dit geval. Maar Der Jude ist nicht der Grund — er ist das Ziel der Entlastung.” Door dat kwaad ultiem te noemen, wordt het in feite gelegitimeerd.”
Ik kreeg zowaar een lesje ‘objectmatig versus subjectmatig’ van die oude zenuwarts. Behoorlijk confronterend! Ik had even geen weerwoord, noch vraag.
Freud keek mij even aan en ging onverstoorbaar verder. “Verder vroeg u of het ‘verraad’ en het ‘kwaad’ — met name begaan door de nazi’s — niet uiteindelijk een en hetzelfde ding zijn. Zoals ik eerder al betoogde, zie ik het verschijnsel van ‘verraad’ niet als een morele kwestie, verraad hoort bij de vriendschap zoals natheid bij water. Nazisme betreft een verraad aan de beschaving.
“Je zou kunnen stellen dat verraad een démasqué is van de inherente ambivalentie die aan vriendschap of ouderschap is gelieerd. Het kwaad, zoals dat begaan wordt door de nazi’s, is daar een uitvergroting van, bij vriendschap vindt het plaats in het private, bij het nazisme in het publieke domein. In de kern is dat hetzelfde. Het nazisme laat de zwartste, meest destructieve kanten zien van de mens. Maar dat kwade is niet de tegenhanger van het goede; het kwade en het goede zijn geen tegengestelde objecten. Wie de verrader demoniseert, hoeft zichzelf niet te onderzoeken. Het verraad is dieper, het vindt plaats in de handeling.”
Freud schenkt zich nogmaals wat thee in. “Ik begrijp de persoonlijke kant van uw vraag, het nazistische kwaad raakt mij, en mijn gezin, zeer diep. Maar het is niet alleen het private dat verraden wordt — mijn dochter, zo u wilt — het treft ook de staat en uiteindelijk onze beschaving. En verder nog, het is de illusie van de idee dat we beschermd zijn. Man verrät uns nicht zuerst durch Haß. Man verrät uns, indem man uns zeigt, daß wir geglaubt haben, geschützt zu sein.”
“Kunnen we deze kwestie ook nog via een andere weg persoonlijk maken, namelijk via uw (afgebroken) relatie met het echtpaar Jung?”
“Selbstverständlich,” antwoordt hij, terwijl hij met zijn hand enkele cirkels beschrijft in de lucht, mogelijk om mij spoed aan te manen.
“Zou Doktor Jung zich in uw afwijzing van het begrip ‘ultieme kwaad’ kunnen vinden, of raakt dit juist aan uw breuk?”
“Nee, en ja,” begint hij. “Nee, hij zou zich daar niet in kunnen vinden, en ja, dat raakt aan ons conflict.”
De oude grondlegger van de psychoanalyse gaat ervoor zitten. “Frau und Herr Jung sprechen von ‘Schatten’, het kwaad, zoals in het geval van het nazisme, dat Duitsland in zijn schaduw laat bezwijken. In die zin is er bij hen wel sprake van een vorm van ‘radicaal kwaad’, zowel in psychologische als symbolische zin. En daar zit het verschil met mijn opvattingen. Zij verklaren het kwade uit hun theorie over de archetypen, dat daarom kan voortkomen uit de psyche; maar, en dat is het verschil tussen ons, dit leidt tot een objectivering in beelden, mythen en figuren. Daar haak ik af, voor mij is het kwaad ten enenmale een pyschologisch verklaarbare articulatie van de driften, zoals agressie en destructie. Bij het echtpaar Jung wordt dat kwaad een autonome entiteit, een soort quasi-realiteit; zij zien een vorm van compensatie, waar ik chaos zie. Het echtpaar Jung vond mij te reductief, te wantrouwig over de symboliek, terwijl ik hun bijna religieuze invalshoek vanuit psychologisch perspectief fundamenteel onzuiver vind. Een onherstelbare breuk.”
“U spreekt over ‘radicaal kwaad’, is dit begrip hetzelfde als waar Kant over spreekt in zijn tekst over religie en rede?”
“Nein. Niet bij mij, en evenmin bij Jung. Bij Kant gaat het radicale kwaad over een morele structuur, het is voor hem uiteindelijk een ethische kwestie. Voor Jung is het primair een psychische realiteit. En voor mij een articulatie van de Todestrieb.”
Ik zie dat Freud aanstalte maakt op te staan, het gesprek is kennelijk beëindigd. Snel stel ik nog een vraag: “Mag ik nog een laatste, korte vraag stellen? Over een anecdote die Frau Jung mij vertelde over het huisbezoek van de Gestapo.”
Hij knikt, zij het met enige tegenzin. “U moest een formulier ondertekenen voor uw emigratie naar Engeland. U zou daar bij de vraag of u goed behandeld was het volgende hebben geschreven: ‘I can heartily recommend the Gestapo to anyone.’ Vat dit uw opvatting over hoe om te gaan met het kwade niet goed samen? We moeten het kwade op soeverijne wijze weerstaan.”
Er verschijnt een flauwe, licht sarcastische grijns op zijn gelaat. “Vertelde Emma u ook de bron van deze, overigens apocriefe, anecdote?”
“Zij sprak over een zeker Madame Bonaparte.”
“Ach, ja… Marie, meine Prinzessin…” hij kijkt met een vertederde blik naar zijn inktpot.
Hij verschuift de inktpot naar de rand van zijn bureau. “Ik heb haar verteld dat ik dat had willen doen, maar dat ik er van afzag om niet mijn familie verder in gevaar te brengen. Zoiets gaat dan zijn eigen leven leiden. Zonder haar zouden we overigens niet kunnen emigreren. Was Marie für uns getan hat… Unvorstellbar!” En dan staat hij echt op.
Hij loopt met mij naar de voordeur, we schudden elkaar de hand, en ik wens hem en zijn gezin veel sterkte in deze donkere tijden. “Ik was lang geleden in therapie vanwege de dood van mijn geliefde, en klaagde over de allesverterende pijn. Mijn therapeute zei toen: ‘Van pijn is nog nooit iemand doodgegaan.’ De vraag is wat je ermee doet. Ik zei dat ik erover wilde stappen, of eromheen. Daarop zei ze: ’Dat werkt niet, je hebt geen andere keus dan dwars erdoorheen.’”
“Slaat die pijn op een ander, of betreft het misschien de pijn voor uzelf.”
“Is er uiteindelijk een verschil tussen beide?”
— § —
Ik zit onder mijn grote rode parasol, in de hoek tussen de deur naar de woonruimte, en de muur die haaks op het huis staat; een fijne, beschutte plek. Het regent pijpenstelen. Het snelle getik van de druppels op het doek wordt af en toe afgewisseld door een flinke plens water die zich bovenop de parasol heeft verzameld, daar overloopt en dan op het tegelpad naar de oprit van het huis uiteenspat. Ik puf aan een sigaar, met een glas Sauvignon Blanc binnen handbereik.
Van de zes ontmoetingen tot nu toe is het ‘Rendez-Vous’ met Freud voor mij het meest confronterend. Ik had andere antwoorden verwacht op enkele fundamentele vragen. En ik had gewaarschuwd kunnen zijn, omdat Emma Jung mij ook al verraste met enkele van haar antwoorden. Zij gaf al aan dat het begrip ‘oorspronkelijk’ minder eenduidig is dan ik dacht, en dat de vraag of iets in de psychologie is ‘ontdekt’ of ‘uitgevonden’ een problematische vraag is. Op dat punt hadden sommige ideeën en uitgangspunten van het echtpaar Jung en Freud verrassende overeenkomsten, los van de verschillen, die er evident ook zijn; voor mij althans. De vraag aan Emma: ‘Heeft de theorie van Jung een absolute oorsprong?’ heb ik bij Freud op scherp gezet: ‘Had Plato een onbewuste?’ Als de vraag bevestigend wordt beantwoord, dan heeft Freud (of eigenlijk Pierre Janet) dat fenomeen gevonden. Maar als de vraag ontkennend wordt beantwoord, wat ik een aantrekkelijke gedachte vind, dan zou het zijn uitgevonden; dan was het onderdeel van de taal geworden.
Emma en Freud laten mij niet met een eenduidig ‘ja of nee’ wegkomen, beiden problematiseren de vraagstelling, ieder op eigen wijze.
Het ambivalente antwoord, mooi door Emma samengevat, ‘De theorie is gevonden in de psyche, maar uitgevonden in de taal’, en de afwijzing, zowel door Jung als Freud, van het begrip ‘onvoorwaardelijke vriendschap (of liefde)’ maakt dat ik uitgangspunten in mijn eerdere teksten wellicht moet herzien. Zoals bijvoorbeeld over onvoorwaardelijke kunst. Maar dan valt mij hele methodiek over het artistiek oordeel wellicht in duigen.
Het lijkt wel of alles aan en rond mij in puin valt, mijn gebit, mijn fysieke conditie, mijn beroepspraktijk, alles lijkt een aankondiging van de naderende dood. Is mijn methodiek feitelijk een ontsnappingspoging? Een ding werd mij vannacht tijdens enkele slapeloze uren wel duidelijk: de suggestie dat ouderen, althans in onze westerse rijke wereld, een comfortabel leven leiden, genietend van hun pensioen en vrij van werkdruk, en dat ze daarom ‘makkelijk praten hebben’ in de discussies over hypotheekaftrek, de huizenmarkt, en klimaatproblemen — ‘boomers’ kortom — staat in schril contrast met de voor hen naderende, onafwendbare dood. Die is allesbehalve comfortabel. Voor mij hoeft niemand in de tram op te staan, je hoeft mij niet met ‘U’ aan te spreken, maar mijn opvattingen dienen ernstig te worden genomen.
Er is een lichtpuntje wat betreft mijn methodiek: Jung en Freud spreken primair vanuit psychologisch perspectief, zij wijzen een moreel perspectief grotendeels af. Maar daarmee nemen zij een zekere afstand van het gedachtegoed van Kant. Wanneer ik Freud confronteer met Kant’s begrip van het ‘radicale kwaad’, dan wijst hij dit begrip af. Hij vindt het een moreel uitgangspunt, en de moraal heeft volgens hem in het kwaad weinig te zoeken. Het kwaad is een articulatie van de ‘Todestrieb’, zowel op persoonlijk als collectief niveau.
Jung wijst het begrip ‘radicaal kwaad’ als zodanig niet af, hoewel hij, noch zijn vrouw, het begrip letterlijk gehanteerd hebben, maar Jung spreekt vaak over de ‘schaduw’ [‘Schatten’], en dat begrip komt dicht in de buurt. Voor Jung is het kwaad geen louter effect, maar een inhoudelijk aspect van de psyche, dat zich kan objectiveren in beelden, mythen en figuren. De ‘schaduw’ omvat meer dan wat verdrongen is, namelijk datgene wat existentieel ontkend wordt. Zo krijgt zij een ‘quasi-werkelijkheid’, en dat is een realiteit.
Enfin, voor zowel Freud als Jung is de psyche kennelijk primair. Dat is een fundamenteel ander uitgangspunt dan de zienswijze van Kant. Ik moet mijn ideeën over het artistiek oordeel opnieuw overdenken, met name wat betreft de begrippen ‘absolute zuiverheid’, ‘waarheid’ en ‘universaliteit’. Dit lijkt te gaan over de vraag of het uiteindelijk een persoonlijke kwestie is — psyche — of een universele filosofische kwestie.
Hierbij een voorlopige route, mogelijk leidend tot een uitweg: Voor Freud en Jung zijn begrippen als ‘waarheid’, ‘kwaad’ en ‘verraad’ een articulatie van een psychische realiteit, die daarin kunnen worden ervaren en ontsporen. De vraag is of dit een universele kwaliteit heeft, namelijk bij Freud in de structuur van de psyche, en bij Jung in de archetypische patronen ervan; hoewel steeds in het individuele subject. Terwijl voor Kant het universele buiten de psyche ligt, namelijk in de ‘morele wet’, de ‘rede’ en de ‘plicht’. Voor hem is de psyche het domein van de ‘Neigungen’, het gaat niet over geldigheid. Waar Kant het universele buiten de mens plaatst, leggen Freud en Jung het in de psyche — niet als articulatie van het private, maar als gedeelde menselijke conditie.
De nu voor mij liggende kwestie betreft het grensgebied tussen Kant enerzijds en Freud en Jung anderzijds. Waar raken zij elkaar?
De crux bij Kant ligt in de ‘antinomie van het smaakoordeel’, dat hij aan de orde stelt via een dialectische tegenspraak: de these is dat dit oordeel niet berust op begrippen, en daardoor niet aangetoond of bewezen kan worden; de antithese is dat het oordeel desalniettemin aanspraak doet op algemene geldigheid. Deze spanning tussen beide uitspraken is eigen aan het artistiek oordeel. Dat is geen tekortkoming voor Kant, het is een constitutief gegeven. Hij zal dus evenmin willen spreken over artistieke criteria, maar uitsluitend over de universele voorwaarden waaraan een dergelijk oordeel dient te voldoen. Het oordeel kan geen aanspraak maken op ‘waarheid’, vanwege het begripsloze uitgangspunt, maar het kan wel een beroep doen op ‘noodzakelijkheid’, een ‘doelmatigheid zonder doel’ [Zweckmäßigkeit ohne Zweck]. Over de positie van de psyche doet Kant geen uitspraak, omdat het artistiek oordeel geen kennis betreft, geen moraal, en ook geen persoonlijke opvatting.
Freud en Jung beginnen precies daar, met de vraag wat in de psyche de mogelijkheid creëert om geraakt te worden door iets wat belangeloos is, en dat bovendien aanspraak doet op algemene geldigheid. De psychologische invalshoek van Freud en Jung geven aan hoe de aannames van Kant over ‘belangeloosheid’ en ‘doelmatigheid zonder doel’ via de psyche kunnen werken. De algemene geldigheid komt dan, bij Freud, voort uit gedeelde psychische conflicten en herkenning van onbewuste structuren, bij Jung uit de patronen van archetypen en symbolen.
Nou ja, een begin, maar niet veel meer dan dat. Er zullen nog vele wolken nodig zijn om engelen te baren.
— Loosduinen, 19 december 2025