Rendez-Vous — I. Kant
— Cornelis de Bondt
Ik heb mijn linker bovenbeen hard gestoten tegen een hoekpunt van een metalen fornuis toen ik erlangs liep met wat vuile vaat. Gisteren begon het nadat ik was opgestaan behoorlijk pijn te doen, ik kon niet goed lopen. Vandaag is het erger, ik kan nauwelijks strompelen, de trap op- en aflopen is een marteling. Slapen lukte ook niet, ik kon geen enkele pijnloze houding vinden. Een groot deel van de nacht op mijn rug gelegen, nu met een klein kussentje onder mijn linkerknie, en een opgerolde handdoek om mijn nek, om mijn hoofd steun te geven. Helpen doet het allemaal niet, ik lig uren wakker.
Ter afleiding van de pijn in mijn been maakte ik een reis naar Königsberg om te proberen Immanuel Kant te spreken te krijgen. Ik wilde hem in het jaar 1794 te bezoeken, een jaar nadat zijn opvallende tekst Die Religion innerhalb der Grenzen der bloßen Vernunft was uitgegeven. Ik besloot om vier uur ’s middags bij hem aan te kloppen, omdat hij dan weer thuis zou zijn van zijn dagelijkse wandeling. Zijn bediende Lampe deed open, en vroeg mij wat ik wilde. Toen ik zei dat ik een belangrijke vraag had voor zijn hooggeleerde meester antwoordde hij ‘Ein Moment mal,’ en deed de deur voor mijn neus dicht. Enkele minuten later ging de deur weer open, ‘Volgt u mij,’ zei hij, en hij leidde mij naar een salon, wees mij op een fauteuil en gebood mij om daarin plaats te nemen. Hij had witte zijden handschoentjes aan, wees met zijn rechterhand op de fauteuil, waarbij hij zijn linkerhand op zijn rug hield. Hij verdween de kamer uit, en kwam na een kwartiertje weer terug met een dienblad, waarop een kan water, een pot thee, twee glazen en kopjes stonden.
De oude denker betrad de salon. Ik stond meteen op om hem de hand te schudden, maar hij hield afstand. Zijn vorsende ogen priemden in de mijne. Hij maakte een gebaar naar mijn fauteuil en nam plaats in een fauteuil tegenover mij.
Kant schonk water in onze glazen, en de thee in onze kopjes, zonder te vragen of ik daar behoefte aan had.
“Wie bent u, moet ik u ergens van kennen? Bent u filosoof?” vroeg hij.
“U kent mij niet, ik noem mij geen filosoof, maar ik denk veel na.”
“Waar komt u vandaan? U spreekt tamelijk goed Duits, maar met een vreemd accent.”
“Ik kom uit Nederland, uit Den Haag.”
“Ah, de Lage Landen van de koopmannen.”
Ik knikte, maar hield wijselijk mijn mond.
“Ik moest aan uw land denken toen ik, werkend aan mijn tekst de Fundering voor de metafysica van de zeden, het voorbeeld gaf van de koopman die, uit een Neigung, eerlijke prijzen rekent voor zijn klanten,” vervolgde Kant, “Hebt u het gelezen?”
“Jazeker,” antwoordde ik, “maar de vraag die ik u wil stellen gaat over een ander werk: de Kritiek van het oordeelsvermogen.”
“Zo u wilt,” zei hij kortaf. Hij dronk zijn thee op en schonk zichzelfopnieuw in. Hierrna maakte hij een ongeduldig gebaar.
Haastig stelde ik mijn vraag: “Bent u van mening dat Waarheid, net als het Schone, niet gekoppeld is aan een belang?”
“Ik neem aan dat u die vraag zelf bevestigend zult beantwoorden.” Hij keek mij twee tellen doordringend aan. “Op welke gronden?”
Ik aarzelde, dit leek een derdegraads verhoor te gaan worden, alsof ik niet al genoeg te stellen had. Ik probeerde op mijn rechterzij te gaan liggen, maar zag daar meteen van af. Even door de zure appel heenbijten, er zijn ergere dingen in het leven. Ik kon hem dit uiteraard niet allemaal gaan uitleggen, hij leek mij niet een man met een empathieoverschot.
“Het leek mij een logische conclusie, omdat we de waarheid niet begeren. De uitspraak 1 + 1 = 2 is een belangeloze uitspraak.”
Het scheen mij toe dat de filosoof mij enigszins meewarig aankeek, maar dat kan uiteraard een projectie mijnerzijds geweest zijn. Je zit niet iedere dag tegenover een man met die formidabele intellectuele vermogens, en ik beschouw mijzelf niet als een bovengemiddeld denker.
Kant nam de tijd, hij begon inmiddels aan zijn derde kop thee. Ik dronk die van mij met kleine slokjes. Ik wilde hem niet in verlegenheid brengen door hem om een toiletbezoek te verzoeken. Thee en bier, geven mijn blaas veel plezier.
“Ik begrijp uw argument,” begon hij even later, “maar ik meen dat waarheid niets van doen heeft met uw vraag naar het al dan niet belangeloze ervan.” Hij dronk zijn thee op, keek even naar mijn kopje, schudde zijn hoofd en ging verder: “Anders dan het schone is waarheid wél gebaseerd op begrippen. Wanneer wij bijvoorbeeld de zwaartekracht willen beschouwen, dan maken we gebruik van begrippen. Dat geldt voor alle natuurwetten, maar ook voor bijvoorbeeld de wiskunde. Voor het oordeel over het schone geldt dit, zoals u al aangaf, niet.” Hij pauzeerde even en nam een slokje water. “Over het smaakoordeel kan niet gedebatteerd worden, omdat er geen bepaalde begrippen voor aanwezig zijn, maar er kan wel over worden getwist, dat doen we namelijk de hele tijd. Het belangeloze is voor dit oordeel dan cruciaal, omdat het ons erop wijst welke argumenten in ons twistgesprek zinvol zijn, en welke in het geheel niet. Dat stuurt onze discussie.” Hij bekeek mijn halfvolle glas en theekop. “Waarom drinkt u niets?”
Ik voel enige aandrang om naar het toilet te gaan, maar de pijn in mijn been weerhoudt mij ervan, dus besluit ik de druk op mijn blaas te negeren. Ik trek nu beide benen op, in de hoop dat dit zal helpen.
Omdat ik zijn vraag niet beantwoordde ging hij verder: “Voor de argumentatie over waarheid is dit principe niet relevant. Het gaat daarbij immers niet om een smaakoordeel, maar om de logica en consistentie waaraan de vraag of iets ‘waar’ is moet voldoen.”
Hij keek mij aan met de blik van een roofdier dat op het punt stond mij te bespringen. Gelukkig reikte hij naar zijn glas water. “Ik begrijp het nog niet goed,” probeerde ik voorzichtig, “als iets ‘waar’ is, dan is dit toch een controleerbare, objectieve vaststelling, die om die reden niet gekoppeld is aan een subjectief belang. Zij staat los van elke begeerte.”
“In mijn ’Derde Kritiek’ maak ik in paragraaf 40 over ‘De smaak als een soort sensus communis’ onderscheid tussen drie maximes van het menselijk verstand: 1) Zelf denken, dat wil zeggen onbevoordeeld denken; dit is de maxime van het verstand. 2) Vanuit een ander denken, dus vanuit een algemeen standpunt; de maxime van het oordeelsvermogen. 3) In overeenstemming met jezelf denken, wat consistent denken inhoudt; de maxime van de rede. Anders dan het smaakoordeel is het ‘gezonde verstand’ wel op begrippen gebaseerd, en op grond daarvan kunnen wij tot een logisch waarheidsoordeel komen. Maar het is fout om dit oordeel als ‘absoluut objectief’ te duiden. Elke door ons geponeerde waarheid is gebaseerd op onze interpretatie van onze zintuiglijke waarneming; het betreft immers geen ‘Ding an sich’.”
“Maar de vaststelling dat de uitspraak 1 + 1 = 2 waar is, is toch wel objectief?” bracht ik hier tegenin. “Want het numeriek stelsel komt niet uit de natuur, maar is een menselijke constructie. Binnen die constructie is de uitspraak dus objectief aantoonbaar.”
“Inderdaad, deze uitspraak is ‘objectief’, maar niet ‘absoluut’. Waarheid is fenomenaal objectief, maar niet noumenaal, omdat zij tot de wereld van de verschijningen behoort, en niet tot de wereld van de dingen die zich buiten onze waarneming bevinden, de ‘dingen op zichzelf’.
“Maar in paragraaf 40 en 41 van uw Kritiek van het oordeelsvermogen maakt u onderscheid tussen aan de ene kant het belangeloze van het smaakoordeel, en aan de andere kant het belang ervan. U spreekt dan over het empirische belang. Ook in het geval van de rede is er sprake van een intellectueel belang. Waarom is dit belang dan uiteindelijk ‘irrelevant’?” vroeg ik.
“Het intellectueel belang is geworteld in de rede, maar kan ook op het smaakoordeel van het schone betrokken worden, wanneer dit een beroep doet op ons morele gevoel. Maar dan en alleen dan — het smaakoordeel heeft geen belang als bepalingsgrond. Bij waarheid, omdat deze betrokken is op de rede, ligt dit anders. De rede berust op noodzakelijkheid, het schone op het vrije spel van onze verbeelding. De spanning tussen het enerzijds niet betrokken zijn op een belang (als bepalingsgrond) van het schone en anderzijds het empirische belang ervan, geeft ons de noodzakelijk instrumenten om het smaakoordeel aan een adequate analyse te onderwerpen. Bij waarheid is dit niet aan de orde, dus is het belang uiteindelijk irrelevant.” Hij keek nog eenmaal minzaam naar mijn niet opgdronken thee.
Ik ontwaak uit mijn toestand van droom en halfslaap, de pijn in mijn been is niet te harden. Ik draai mij op mijn rug en leg het kussentje onder mijn linkerknie. Kant is verdwenen. Wat een wijsneus was dat, denk ik geïrriteerd. Was hij een narcist? Zou hij de pijn, die hij ongetwijfeld ook zou voelen als hij tegen een fornuis zou aanlopen, ook als ‘objectief’, maar niet ‘absoluut’ definiëren? Maar hij zou ongetwijfeld nooit in de buurt van een fornuis komen, daar was Lampe voor. Hij had het hoe dan ook goed met zichzelf getroffen. Toch was dit niet het gevolg van een vorm van narcisme, concludeer ik uiteindelijk, hij had gewoon moeite met lui die zich slecht kunnen meten met zijn intellect. Proficiat De Bondt. Zouden anderen zoiets ook van mij vinden? Ik had wel vaak de indruk dat de lui waarmee ik gewerkt had mij als een al te eigenwijze en principiële figuur zagen. Psychologie van de koude grond. Er gaat veel ongeziene schoonheid verloren.
— Bonnemort, 22 augustus 2025