Rendez-Vous — F. Nietzsche

Rendez-Vous

Rendez-Vous — F. Nietzsche

Cornelis de Bondt

Ik zat op een bank op een plein in Turijn, het was 3 januari 1889, een uur of elf in de ochtend. Een man kwam aangelopen, donkere bos haar, flinke snor, ik herkende de ‘filosoof met de hamer’. Zijn stappen waren onvast, niet dat hij echt wankelde, maar hij had geen vastberaden tred. Toen hij bij mijn bank was aangekomen sprak ik hem aan: “Gaat het mijnheer Nietzsche, misschien wilt u hier even naast mij op de bank plaatsnemen, dan kunt u even bijkomen.”

Nietzsche keek mij een tijdje aan met een verwilderde blik, leek door te willen lopen, maar hij struikelde en viel op zijn knieën. Ik liep op hem af en bood hem mijn arm aan, hij keek mij argwanend aan, schudde even zijn hoofd, en maar pakte dan toch mijn arm. Ik begeleidde hem naar de bank en hielp hem daar plaats te nemen.

“Herkent u mij?” vroeg ik. Nietzsche keek mij vragend aan. “Sils Maria, vorig jaar, we zaten daar ook op een bank.”

Een leugentje om bestwil, het was uiteraard Athanasius die toen naast hem zat, maar die verdiende het om te worden bestolen.

Nietzsche wreef over zijn knieën, maar bleef zwijgen. “Hebt u erge last” vroeg ik.
Hij bromde alleen wat, en bleef wrijven.

“We spraken over een nieuwe tekst die u aan het schrijven was, ‘De Antichrist’,” probeerde ik weer. Is die inmiddels gereed?”

Nu keek hij mij aan met een licht nieuwsgierige blik, ik meende enige interesse te ontwaren. Hij hield op met wrijven, bromde iets onverstaanbaars, keek naar zijn knieën, krabde enkele malen verwoed in zijn haar, en draaide zich tenslotte naar mij toe.

“Dit boek behoort aan de weinigen. Misschien leeft er nog niemand van hen. Mijn tijd is nog niet gekomen,” zei hij.

“Misschien ben ik een van die weinigen…” Niet geschoten is altijd mis. Ik grijnsde een beetje, er zorgvuldig voor zorgend dat hij dit niet als een vorm van spot zou interpreteren. Snel vervolgde ik mijn respons, waarbij ik mijn gezicht van een ernstige plooi voorzag, ‘De ‘Tijd’ is een interessant gegeven. Ik bedoel de tijd die door de Oude Grieken ‘kairos’ werd genoemd.”

Een schot in de roos. “Bent u filosoof?” vroeg hij, “Kent u de klassieken?”

“Ik ben niet academisch gevormd,” antwoordde ik.

Bah!” smaalde hij, “Van al die narren moet u het niet hebben.” Hij hield zijn hoofd even scheef, keek mij doordringend aan, en vervolgde, “maar ik herken u niet. Waar hebben wij elkaar eerder ontmoet? En waarover spraken wij? Over ‘De Antichrist’?”

“Ja, inderdaad, met name over de rol van Paulus, die in uw optiek de Kerk van het Cristendom heeft omgevormd tot een dogmatisch, machtsbelust instituut. Daarmee heeft hij de leer van Jezus verraden, en daarmee dus de hele mensheid, op uliteme wijze.”

“Driewerf bah! Het Christendom is vanwege die heilige aartsleugenaar, die valse erfgenaam van Jezus, een kolossaal, en tragisch misverstand. Volstrekt nihilistisch!”

Zijn woorden spoten voorzien van veel spuug uit zijn mond. Ik pakte voor de zekerheid mijn zakdoek. “Zoveel was mij toentertijd al duidelijk; vorig jaar bedoel ik. Maar ik vraag mij af of Paulus daar zelf verantwoordelijk voor was. Was het in werkelijkheid niet de Kerk, die een traditie heeft ontworpen op grond van diens teksten, maar zonder die teksten werkelijk te begrijpen?”

“Ik weet niet waarop u die ‘Quatsch’ baseert. Het ‘geloof’ van Paulus was een leugen. Er was in werkelijkheid maar één christen, en die stierf aan het kruis. Het ‘geloof’ begon met Paulus, en was het tegendeel van wat zijn leermeester beoogde.”

Ik moest nu enige omzichtigheid betrachten, om hem niet in het harnas te jagen, of beter gezegd, hem daaruit te lokken. “Ik heb een zeer interessante tekst gelezen, van een Italiaanse filosoof, een man met voorbeeldige eruditie, die zowel het Oud-Grieks als het Latijn tot in de puntjes beheerst. Die tekst gaat over enkele teksten van Paulus. Ondermeer over de Brief aan de Romeinen en de Eerste Brief aan de Korinthiërs. Hij legt aan de hand van die teksten het verband met het messianisme bloot, via de messiaanse formule van het als_niet, het hōs mē. Hebt u interesse om hierover van gedachten te wisselen?”

“Een Italiaan, zegt u. Dat is tenminste iets. Ik ben niet de eerste die heeft opgemerkt dat waar het klimaat goed is, de mens vrijer, lichter en vrolijker denkt; en dat in Italië de zon van de rede helderder schijnt dan elders. Daardoor leert men in Italië vergeten wat Duitsland is. De moed tot de oppervlakte, het ‘ja’ tegen de verschijning — dat is de Italiaanse deugd. De Italianen zijn ‘licht’, omdat ze niet diep kunnen lijden. Maar ook groots, omdat ze niet klein lijden.”

Hij keek mij aan met een licht spottende grijns, snoof even en vroeg: “Hoe heet deze man, ken ik hem wellicht?”

“Zijn naam is Giorgio Agamben. Ik vermoed dat zijn naam u niets zegt. Hij is in de eerste plaats een rechtsfilosoof.”

“Hmm…” Nietzsche snoof nog een keer, diep, en spuwde een rochtel uit. “De rechtsgeleerden hebben de moraal van de zeden tot een verstard systeem gemaakt.” Nog een rochel. “Het recht groeit uit de gevechten om de maat van de macht.” Hij barste uit in een lange hoestbui. “Al het recht wortelt niet in moraal, maar in de zede. Het groeit uit de gevechten om de maat van de macht. Dus, wat heeft deze man ons over Paulus te melden, die charlatan van de moraal?”

Ik moest hem op een of andere wijze zien te paaien, hij was in een recalcitrante bui, als hij dat niet zijn hele leven al was. Maar hij was ook ziek, dat was duidelijk. Ik wilde uiteindelijk het gesprek op Paulus richten, om zijn opvattingen met die van Agamben te vergelijken. Ik besloot zijn eigen metafoor te gebruiken, dat zou zijn ijdelheid strelen.

“Als u de ‘filosoof met de hamer’ bent, dan is Agamben voor mij de ‘filosoof met het fileermes’. Laten we de hamer met het fileermes vergelijken. Via Paulus.”

“Ha! En dan is Kant zeker de ‘filosoof met de troffel’!” Hij grijnsde spottend.

“Haha! Die is raak!” Een veer in zijn kont leek mij geen kwaad kunnen. “Maar laten we Kant niet verder in deze discussie betrekken, uit ons gesprek van vorig jaar…” — een vrije, al te vrije interpretatie van de feiten — “…heb ik al begrepen dat u hem een soort neo-christelijke ‘priester in vermomming’ vindt, de bouwmeester die de tempel van die religie weer restaureert met de moraal van het ‘categorisch imperatief’, de tempel die u juist met uw sloophamer wenst af te breken.” Ik glimlachtte.

“Hahaha! Die is ook goed getroffen!” Hij gaf me een stompje op mijn schouder. Het ijs scheen gebroken. “Kom maar op!”

“Agamben bespreekt in zijn boek ‘De Tijd die ons Rest’ de eerste tien woorden van de brief van Paulus aan de Romeinen. Die tien woorden zijn:

paulos doulos christou iesou, kletos apostolos aphorismenos eis euaggelion theou.

Dat betekent letterlijk: ‘Paulus, een dienaar van Jezus Christus, geroepen om apostel te zijn, gescheiden van het evangelie van God.’ Maar dat hoef ik u niet uit te leggen. Het tweede hoofdstuk van dat boek behandelt het woord ‘klētōs’, ‘geroepen’ dus. Het begrip ‘roeping staat centraal. Hij plaatst dit begrip in de messiaanse traditie, en komt hiermee op het begrip ‘tijd’, in de zin van ‘kairos’. Dát is het woord dat Paulus gebruikt. Met name in het volgende citaat uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs, 7de hoofdstuk, vers 29 tot 34.” Ik zag dat hij aandachtig luisterde, dus ging ik vol goede moed verder. “Ik zal dat citaat hier citeren:”

Broeders, de tijd komt tot rust; wat rest is, opdat zelfs zij die vrouwen hebben zijn als niet vrouwen hebbend, zij die wenen als niet wenen, zij die zich verblijden als niet verblijden, zij die kopen als niet bezitten, en zij die de wereld gebruiken als niet verbruiken. Want de gedaante van deze wereld vergaat. Doch ik wil dat gij zonder zorgen zijt.

“In de Lutherse Bijbel staat ‘Die Zeit ist kurz’. Maar in het Grieks staat er ‘de tijd balt samen’. De tijd doet dus iets, die is niet iets, maar doet iets. Het is dus een proces. Daar legt Agamben de nadruk op.”

Nietzsche bromde wat in zichzelf, maar hield verder zich voorbeeldig. Hij had iets kinderlijks, ik moest opeens aan Karlheinz Stockhausen denken.

“Agamben verwijst vervolgens naar de zinsneden waarin de messiaanse formule van het ‘als_niet’ staat, in het Grieks het ‘hōs mē’. ‘Vrouwen hebbend als_niet vrouwen hebbend’, ‘wenen als_niet wenen’, ‘verblijden als_niet verblijden’, enzovoorts. Dat ‘wenen als_niet wenen’ betekent dus niet ‘wenen zoals niet-wenen, het is geen vergelijking tussen wenen en niet wenen, de formule van het als_niet slaat op het wenen dat via die formule omkeert in zijn tegendeel, een soort nietigverklaring. De tijd wordt dus opgeheven, ‘aufgehoben’ zoals dat zo mooi heet in het Duits. Het einde der tijden is niet een kwestie van moraal, zoals u Paulus verwijt, het is niet de beloning in de vorm van vergiffenis van de zonden — nee! — het is het einde van de tijd zelf. De tijd balt samen, en komt tot rust. Agamben toont aan dat Paulus behoort tot de messianische traditie. De kerk heeft dit veronachtzaamd, uw blaam treft haar!” Nietzsche begint heen en weer te wiebelen, hij heeft kennelijk iets op zijn lever.

“Jaja, ik begrijp uw punt. Zoals ik Kant’s punt ook begrijp. Maar het blijft lood om oud ijzer. Beider uitganspunten zijn feitelijk decadente pogingen om het christendom te redden; op geraffineerde wijze. Wijsgerige acrobatiek om de ziekte van de moraalstructuur te ontkennen. Dat is een vorm van nihilisme.” Hij stak zijn hand op om aan te geven dat hij nog niet klaar was, maar hij kreeg weer een enorme hoestbui. Na een flinke rochel op straat gespuugd te hebben trok hij weer van leer.

“Het is een vorm van ‘Theologenluft’, die dunne, bijna onzichtbare atmosfeer van religieus denken waarin zelfs atheïsten nog ademen. Die Agamben heeft goed begrepen dat de tijd niet rechtlijnig is — maar hij is nog steeds bang om gewoon ‘ja’ te zeggen tegen het leven. Hij moet er een Griekse priester voor bijhalen. Een denker van het leven zou Paulus niet redden, maar vergeten.”

Hij pauzeerde even, wreef weer over zijn kennelijk nog pijnlijke knieën, en daar maakte ik gebruik van. We hadden een discussie!

“Het gaat Agamben niet om een transcendent hiernamaals, het is geen religieze opvatting, hij houdt in al zijn teksten een pleidooi voor het profane. Dat is dus juist een bevestiging van het leven, een onomwonden ‘ja’. Messianisme als religie is niet zijn onderwerp. Het onderwerp is de messiaanse opvatting over tijd. Misschien wel in de zin van Zarathustra, die spreekt over het ‘ogenblik’ (Augenblick) als de plaats waar eeuwigheid en tijd samenvallen. Het messianisme van Agamben zou goed het dionysische van u kunnen zijn.”

Nietzsche keek mij verbijsterd aan, hief zijn beide armen in de lucht, stiette enkele rauwe kreten, spoog een flinke rochel tussen zijn voeten, en deed een poging op te staan. Dat mislukte in eerste instantie. Hij draaide zich naar mij toe en begon te declameren:

“Diese lange Gasse hinter uns währt eine Ewigkeit.
Und jene lange Gasse vor uns – das ist eine andere Ewigkeit.
Sie widersprechen einander, diese Wege; sie stoßen einander gerade vor den Kopf –
und hier, an dieser Pforte, wo sie zusammentreffen,
heißt die Pforte ‘Augenblick’.”




Daarna deed hij een tweede poging, wankelend stond hij op zijn benen, zijn handen op mijn schouders. En andermaal declameerde hij, het hele fragment:

“Deze lange lane achter ons duurt een eeuwigheid.
En die lange lane vóór ons — dat is een andere eeuwigheid.
Zij spreken elkaar tegen, deze wegen; zij botsen recht tegen elkaar in —
en hier, bij deze poort waar zij samenkomen,


heet de poort: ‘Ogenblik’.

“Twee oneindigheden komen hier samen:
deze weg raakt zich eindeloos voort naar achteren,

en die andere weg — naar voren — is even eindeloos.
Zij staan tegenover elkaar zoals twee oneindigheden;

zij komen samen in dit ene punt,


in dit ogenblik.

“Alles wat lopen kan, moet eenmaal al deze wegen hebben afgelegd:

deze lange lane buiten en binnen —

en alles wat gebeuren kan,

moet reeds eens zijn gebeurd, gedaan, voorbijgegaan.
Want tijd zelf draait als een wiel terug.”

Opeens klonk er een geraas van de andere kant van het plein, een wagen voortgetrokken door een paard reed het plein op, de koetsier schreeuwde en schold tegen het paard, hij sloeg het arme beest daarbij voortdurend met een zweep. Het paard hinnikte hartverscheurend. Ik zag de blik van Nietzsche verstenen, zijn gezicht werd lijkbleek, tranen stroomde over zijn wangen, hij snikte het uit. Hij liet mijn schouders los, en begon in de richting van het paard te strompelen, zijn armen wijd uit elkaar.

Bonnemort, 22 november 2025