Twee Dromen
— J. Chr. de Vries
Ik zag haar in een droom, die leek op een visioen. Ik wist dat zij het niet zelf was, maar een door haar voor mij geschapen beeld.
C. G. Jung — Erinnerungen, Träume, Gedanken
De publicist C.J. uit den Westh keek op van de tekst waarop hij het afgelopen uur onafgebroken had zitten turen en staarde een volle minuut uit het raam van zijn werkkamer, een hoge ruimte op de eerste etage van zijn statige huis in de Archipelbuurt van de regeringsstad in het westen van het land. De tekst was een publicatie in een internationaal wetenschappelijk tijdschrift van de hand van de Leidse zenuwarts Dr. S. Zeele. Het betrof een commentaar op een onderzoek van de Duits-Kroatische psychoanalyticus Dr. Theo Heppe-Tausčy, naar het verband tussen het door Carl Jung bedachte concept van synchroniciteit en het fenomeen van de droom. De tekst was een samenvatting van de doctoraalscriptie van Zeele. Heppe-Tausčy had op zijn beurt weer, een droomanalyse van de Hongaarse arts Dr. Yschá Píëte becommentarieerd. Píëte had aan het eind van de jaren twintig, toen hij werkzaam was in Zagreb, een student met ernstig depressieve klachten in behandeling; hiervan heeft Píëte een uitgebreid verslag opgenomen in een studieboek met gevalsanalyses uit 1935. Het interessante aan dit geval is dat Heppe-Tausčy dezelfde student in behandeling heeft gehad, onmiddellijk na het verschijnen van Píëte’s boek. Twee jaar later, in 1937, pleegde de student zelfmoord; zijn geval staat in kringen van psychoanalytici bekend als de ‘Casus AV’. Heppe-Tausčy schreef er zelf enkele artikelen over, die in 1946 in boekvorm verschenen als onderdeel van zijn verzamelde publicaties. Het artikel van Zeele is weer twee jaar hierna gepubliceerd, in 1948. Heppe-Tausčy was de promotor van Zeele’s doctoraalstudie, ergens midden jaren ’40, in Parijs. Heppe-Tausčy op zijn beurt had bij Píëte gestudeerd in Zagreb.
Uit den Westh probeerde de diverse lagen van de tekst met elkaar in verbinding te brengen; het artikel van Zeele 1) was het uitgangspunt, hierin werd het verband gelegd tussen de boeken van Píëte 2) en Heppe-Tausčy. 3) Van Jung tenslotte, had hij diens boek Gedachten, Dromen, Visioenen 4) erbij betrokken vanwege Heppe-Tausčy’s verwijzing naar deze Zwitserse oervader van de psychoanalyse. Het centrale thema in het artikel van Zeele, de stelling dat het werk van Freud uiteindelijk gebaseerd is op tekstanalyse en dat van Jung op beeldanalyse, had bij Uit den Westh een alarmbelletje doen afgaan; alarm was eigenlijk een al te groot woord, er was een rimpeling in zijn geheugen ontstaan, een vaag vermoeden van iets dat ergens in zijn brein verscholen lag, een commentaar, of aanwijzing zelfs — was het tekst of was het beeld? Hij besloot zich voor te stellen hoe Zeele geworsteld had om de verschillende visies van Píëte en Heppe-Tausčy samen te smeden tot een overtuigend doctoraal-onderzoek, hoe hij hun teksten in zich opgenomen had; opgeslokt was wellicht een beter woord, hij voelde een bepaalde mate van gulzigheid in Zeele’s tekst. Hopelijk zou deze gulzigheid zijn eigen geheugen stimuleren om zijn geheim prijs te geven – nou ja, geheim, was dat niet een veel te groot woord? – het was hooguit een ongemak, er werd een dutje gedaan, iets of iemand moest even wakker worden. Van de andere kant, het was geen onschuldig dutje, er was meer aan de hand; dat zat hem dwars. Als het geen dutje was, dan was het wellicht een droom. Of was het meer, een visioen? Wat was trouwens het verschil daartussen?
1) Dr. Zeele, Tekst of Verbeelding? – Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, jaargang 1948, nr.3
2) Y. Píëte, Prophecies of the Memory – Engelse vertaling, 1935
3) Th. Heppe-Tausčy, Erinnerungen an die Zukunft – 1946
4) De enige tekst van Jung die bij deze titel in de buurt komt is: Erinnerungen, Träume, Gedanken – maar dit boek is uit 1963, dus dertien jaar later dan de laatste datering uit de casus. De gebezigde citaten in de ‘casus AV’ zijn inderdaad hieruit afkomstig, maar zijn niet geheel correct.
Het was met name deze laatste vraag die Uit de Westh nu bezig hield. Over de casus AV had hij al eerder uitvoerig geschreven, de casus betrof een student van Duits-Hongaarse afkomst, genaamd Anté Vélöprős. Deze student was bij Píëte in behandeling gekomen vanwege ernstig depressies, die – daar was de jongeman van overtuigd – veroorzaakt werden door de vermissing van zijn vriendin Máráia Rőt. Dit had uiteindelijk geleid tot zijn zelfgekozen dood, nadat hij tot het besef was gekomen dat hij haar vermoord had.
Uit den Westh was nu echter voornamelijk geïnteresseerd in een klein element uit die casus, namelijk twee dromen (of waren het visioenen?) van AV, zoals die waren opgeschreven door Píëte, en later uitgewerkt door Heppe-Tausčy en Zeele. Heppe-Tausčy’s conclusie was dat in ieder geval één van de dromen een visioen betrof. Voor de andere droom kon hij daarvoor geen bewijs vinden.
Uit den West beschikte over meer informatie dan de genoemde psychiaters, hij had zijn eigen onderzoek verricht, en was iets op het spoor gekomen dat de drie therapeuten gemist hadden. De kwestie van droom of visioen speelde hier een cruciale rol in.
Píëte maakte het volgende onderscheid tussen droom en visioen: een droom articuleert een herinnering, dus het verleden, een visioen de toekomst. Voor hem was het gangbare onderscheid tussen ‘slaapstand’ en ‘waakstand’ niet van fundamenteel belang, er bestaat ook zoiets als ‘dagdromen’. Dromen zijn analyserend, visioenen voorspellend. Dit los van de vraag of de analyse hout snijdt of de voorspelling uitkomt. Vélöprős (‘AV’) beschreef twee geweldadige dromen tijdens de eerste sessies bij Píëte: ‘De Droom van de Veertig Monniken’ en ‘De Droom van de Fusillade’.
De Droom van de Veertig Monniken
De droom begon met het beeld van een oud en vergeeld, uitgeknipt krantenartikeltje, niet groter dan vijf bij vijf centimeter. AV herinnerde zich alleen de datum uit de kop: 1920. De tekst vermeldde de executie van veertig monniken, die een voor een werden opgehangen aan een hoge takel, en daar vervolgens onthoofd, waardoor hun lichaam in het grote massagraf eronder stortte. Het bijzondere was dat de monniken, die in een rij liepen, allemaal zongen, en bleven zingen tot ze dood waren. Het koor werd kleiner en kleiner, tot slot bleef een solozanger over. Na het krantenbericht toonde de droom de details van de executie. De droom viel dus in twee delen uiteen. De zang van de monniken klonk ook in de droom, AV was hier stellig over, alleen kon hij zich daar toen hij wakker werd geen noot meer van herinneren.
Uit Píëte’s boek blijkt dat hij niet overwoog de droom als een visioen te beschouwen, maar als een deels weggedrongen herinnering, die via de droom tevoorschijn kwam. Heppe-Tausčy kwam later tot een andere conclusie, maar hij beschikte toen over meer informatie.
Uit Píëte’s sessies met AV bleek dat een oom van hem, die monnik was, met een groep andere monniken tijdens de periode van de zogenaamde ‘Witte Terreur’ [1919-1921] op brute wijze om het leven werd gebracht. Er ging inderdaad een verhaal dat zij voorafgaand aan die slachting een hymne aan het zingen waren. Maar dat was de enige overeenkomst met de droom.
De Droom van de Fusillade
Deze droom is, in tegenstelling tot de vorige droom, persoonlijk van aard, het betreft namelijk de executie met de kogel van de dromer zelf. AV beschrijft hoe hij, tijdens een bloedige opstand, ergens in een zuidelijk land, met zes andere strijders van een verzetsbeweging, op een patio stond opgesteld op één lijn, de handen waren op de rug vastgebonden. De muren van de villa op de binnenplaats waren witgekalkt, hoewel het door een breed afdak donker was vanwege de schaduw. De muur achter de zeven man was eveneens wit. Tegenover de zeven man stond een peloton van zeven soldaten, met een officier ernaast. In de woorden van AV: “De officier gaf een bevel, en de soldaten richtten hun geweren, ieder soldaat richtte op één van de strijders. Daarna gaf de officier het bevel om te vuren. En toen gebeurde het merkwaardige, ik hoorde het schot, en verwachtte wakker te worden, kennelijk besefte ik toen dat het een droom was, een ‘lucide droom’. Maar ik werd niet wakker, ik voelde hoe de kogel mijn voorhoofd binnendrong, en zijn verwoerstende effect veroorzaakte tot hij aan de achterzijde van mijn hoofd naar buiten kwam, ik voelde hoe mijn hersenen alle kanten op spatten. Toen pas werd ik wakker.”
AV voegde hier nog aan toe dat hij zich herinnerde ‘als de dag van gisteren’ hoe hij in zijn bed overeind schoot, en met een bonkend hart wakker werd. Ook deze droom beschouwde Píëte niet als een visioen, hoewel AV aangaf dat hij tijdens de droom besefte dat hij droomde. Ook in het geval van deze droom kwam Heppe-Tausčy tot de conclusie dat het wel degelijk een visioen betrof, meer dan een ‘lucide droom’ dus, en ook toen beschikte hij over meer informatie.
Voor geen van de drie psychiaters was de vraagstelling over droom of visioen overigens een fundamenteel onderdeel van de casus AV, het ging hun primair over de verdwijning van Máráia Rőt en de mogelijke betrokkenheid van AV daarbij. Die zaak had Uit den Westh eerder uitgebreid beschreven, hij ging hem nu over een aspect van de casus dat aan de aandacht van de drie vermaarde psychiaters was ontsnapt. In die casus speelde een tabel met tweeletterige combinaties een grote rol. De tabel die in de tekst van Píëte beschreven werd bestond uit alle combinaties van twee letters die mogelijk waren uit de volgende reeks van twaalf medeklinkers: B, D, G, K, M, N, P, R, S, T, W en Z. Dus BD, BG, BK, BM, etc. tot BZ, vervolgens DB, DG, DK, etc. tot DZ, en zo verder, tot uiteindelijk ZW. Er zijn in totaal 132 lettercombinaties mogelijk. In de tabel werden achter de lettercombinaties associatiewoorden vermeld. Hiermee kon AV deze lettercombinaties gebruiken als geheugensteun voor ‘verhalen’. Hij had zeer waarschijnlijk een absoluut geheugen, hij kon moeiteloos alle combinaties opdreunen, wat hij ook deed tijdens de sessies met Píëte.
Bijvoorbeeld de eerste serie van twaalf medeklinkers, dus van de volgende zes letterparen: BD, GK, MN, PR, ST, WZ, leveren de volgende associatiereeks op: Bild, Gedanke, Mann, Paar, Salut en Walz. Dat is een verhaal: Het beeld van de man van het paar die afscheid neemt met een wals. Er kunnen altijd verhalen aan ontleend worden, aan willekeurig welke combinatie. Om dit aan te tonen gaf Vélöprős het volgende voorbeeld, afgeleid van de eerste reeks van elf mogelijk letterparen gebaseerd op de letter B.
De reeks met bijbehorende associatiewoorden van de eerste elf letterparen, alle beginnend met de letter B, gaat als volgt: BD = Bild, BG = Beleg, BK = Bake, BL = Blume, BN = Bühne, BP = Blutstopp, BR = Begehr, BS = Buss, BT = Blut, BW = Beweis en BZ = Bardauz. Het bijbehorende verhaal zou aldus kunnen luiden: Het beeld is het bewijsstuk, een baken op het podium; het stelpen van het bloed is een verlangen naar de boete voor het bloed; dit is het bewijs! Boem! Het voorbeeld is van Vélöprős zelf.
De sessieverslagen van Píëte stonden vanaf die datum vol met deze verhalen. Een voor de oplossing van de casus interessant associatieverhaal bleek de volgende letterreeks: BM, ZS, GK, NT, PD, RW geeft de volgende woordcombinaties: Blume, Zeugnis, Gedanke, Nacht, Pikdame, Rotwahn. Het bijbehorende verhaal luidde: De bloemen zijn de getuigenis van de gedachte aan de Nacht; aan de Schoppenvrouw in haar rode waan.
In de associatie-voorbeelden die zowel Píëte als Heppe-Tausčy geven komen de beide dromen niet voor. Zeele legt er evenmin een verband tussen. Vermoedelijk omdat beide dromen voor de casus uiteindelijk niet genoeg van belang waren. Uit den Westh betwijfelde dit.
Uit den Westh liet de teksten van Píëte, Heppe-Tausčy en Zeele voor wat zij waren, de conclusies over de kwestie hoe deze psychiaters dachten over de begrippen ‘droom’ of ‘visioen’ was helder. Voor Píëte betrof het in beide gevallen een droom, voor Heppe-Tausčy was de ‘Droom van de Fusillade’ in werkelijkheid een visioen, maar Zeele trok deze conclusie weer in twijfel. Hij had namelijk — in tegenstelling tot de andere twee zenuwartsen, de zaak was voor hen met de dood van AV immers beëindigd — de zelfgekozen dood verder uitgeplozen. Deze dood was een verhaal op zichzelf. AV was tijdens de Spaanse Burgeroorlog gaan vechten tegen de aanhangers van Franco, in het kamp van het Volksfront, vergelijkbaar met wat de droom vermeldde, alleen nu concreet geworden.
Tot zover kwam deze informatie overeen met de kennis van Heppe-Tausčy, en dit maakte dat deze de droom als een ‘voorspelling’ zag, en dus een ‘visioen’. Zeele was het hiermee eens. Hij wist dat Píëte weliswaar beide dromen had opgenomen in zijn tekst, maar ook dat het Heppe-Tausčy was die ze genoteerd heeft tijdens zijn sessies met AV. Hij was toen nog promovendus bij Píëte, en die kon, zoals wel vaker gebeurde in doctoraalonderzoek, vrijelijk gebruikmaken van het onderzoeksmateriaal van zijn promovendus. De dromen kwamen tussen 1935 en 1936 aan bod in de sessies. Zeele meende dat beide dromen in verband stonden met de Spaanse Burgeroorlog, die rond die tijd begonnen was. Daarom onderschreef hij Heppe-Tausčy’s conclusie dat in ieder geval de ‘Fusilladedroom’ een visioen was. Om deze reden beschouwde hij de droom met de monniken eveneens als een visioen, echter zonder verder bewijs.
De Tweede Tabel
Uit den Westh meende daarentegen dat beide dromen niet naar de Spaanse Burgeroorlog verwezen, maar naar de periode tussen 1919 en 1921 in Hongarije, die bekend staat als de ‘Witte Terreur’. Hij had hier twee argumenten voor. Het eerste argument was niet doorslaggevend, maar was wel betekenisvol. In de nalatenschap van Vélöprős bevatte een exemplaar van ‘La condition humaine’ van André Malraux, een druk uit 1934. Deze roman speelt zich af in Shanghai, in 1927, tijdens de revolutie. De roman staat bol van geweld, en het is met name één scène uit het boek die diepe indruk op Vélöprős gemaakt moet hebben: de executie van een grote groep mannen door hen één voor één in de ketel van een stoomlocomotief te werpen. Bij elke man die in de ketel verdwijnt begint de stoomfluit te loeien. Het verband met name met de droom van de monniken vond Uit den Westh frappant, het fluiten van de stoomfluit was getranformeerd naar het zingen der monniken. De executie was een ritueel geworden.
Het tweede argument was doorslaggevend voor Uit den Westh. Hij had in de nalatenschap van Vélöprős een tweede associatietabel gevonden, een uitgebreidere versie van de eerste. Waar de eerste ‘slechts’ twaalf medeklinkers bevatte, maakte de tweede tabel, die duidelijk van latere datum was, gebruik van alle letters van het alfabet, en bovendien werden nu ook de combinaties van gelijke letters gebruikt. Dus de combinaties ‘AA’, ‘BB’, ‘CC’ enzovoort, waren ook mogelijk. Dit schiep een tabel van 26 x 26 = 676 tweeletterige combinaties, en hun respectievelijke associaties. Voor een savant als Vélöprős was het onthouden hiervan kinderspel. Met name twee combinaties vielen Uit den Westh op.
De combinaties ‘AV’ en ‘NV’ gaven twee namen, Anté Vélöprős en Néta Vélöprős. De combinaties kwamen in de aantekeningen van Vélöprős slechts eenmaal voor, namelijk in de volgende reeks: AV, NV, ZW, MN, WT, KP, SG, KW, TD. De bijbehorende associaties luidden: Anté Vélöprős, Néta Vélöprős, Zwei, Mann, Weisse Terror, Kämpe, Schlag, Kopfweh, Tod. De verwijzingen naar de ‘Witte Terreur’, de ‘strijd’, de ‘slag’ (die ook naar het slagzwaard uit de monnikendroom kon verwijzen), ‘koppijn’ en ‘dood’ spraken voor zichzelf. Die koppijn verwees uiteraard tevens naar de Fusilladedroom. Maar wat Uit den Westh zeer verwonderde waren de eerste vier combinaties, de verwijzing naar Anté Vélöprős op zichzelf niet, maar wel in verband met Néta Vélöprős. Wie was deze figuur? De derde en de vierde combinatie lieten zich vertalen naar ‘Twee Mannen’; wat was de relatie tussen deze mannen, waren zij broers, of de zoon en zijn vader, beiden op de een of andere wijze verbonden met die Witte Terreur? Het onderzoeken ervan kostte Uit den Westh enkele maanden.
Toen hij dit onderzoek had afgerond was hij totaal verbijsterd. Néta Vélöprős bleek namelijk de tweelingbroer van Anté te zijn. Uit den Westh onderzocht de aantekeningen van Vélöprős opnieuw, om te zien of er nog meer verwijzingen waren naar de tweelingbroer Néta.
In de casus stuitte hij op de volgende associatiereeks: MZ, NT, ZM, WD, KR, BP leidde via de volgende woordassociaties Metze, Nacht, Zaum, Wund, Kehr en Blutstopp tot het volgende verhaal: De slet van de nacht in toom gehouden, de wond gekeerd, het bloeden gestelpt. ‘Slet’ sloeg zonder twijfel op Máráia Rőt, zij had zeer vermoedelijk een relatie gehad met de andere tweelingbroer.
De vraag was nu wie van de broers was de echte minnaar geweest, of waren beiden dat? Het betrof een eeneiige tweeling, dus zij waren hoogstwaarschijnlijk zeer lastig om uit elkaar te houden. Uit den Westh meende uiteindelijk dat de ene broer de andere had bedrogen, vanwege het woord ‘Metze’ [‘slet’]. De vraag die restte was: wie van de twee was de bedrieger?
Aangezien de casus werd vernoemd naar Anté, nam Uit den Westh aan dat deze zich als patiënt bij Píëte had aangemeld. Uit navraag bij de burgerlijke stand in Zagbreb bleek dat Néta in het begin van het jaar 1937 door zelfdoding om het leven was gekomen, Anté was toen nog in leven, zijn executie in Spanje was minstens een half jaar later. Uit den Westh verdiepte zich andermaal in de casus, en vergeleek vooral de aantekeningen van beide psychiaters. Opeens kreeg hij een ingeving, het was hem opgevallen dat er een subtiel verschil was tussen de associaties in de verslagen van Píëte en die van Heppe-Tausčy. In een van de sessies van de laatste vermeldde de volgende associatiereeks: MZ, ZM, RT, KD, LN, BR, TZ, ST; die via de tweede tabel de volgende associaties opleveren: Máráia Zart, Zimmer, Rot, Kleid, Lächeln, Begehr, Tanz, Salut. Wat zich in de tekst van Heppe-Tausčy liet vertalen als: De lieftallige Máráia komt de kamer binnen gekleed in een rode jurk, met een sensuele glimlach, ze danst met een saluut de kamer uit. Twee lettercombinaties zijn overduidelijk uit de tweede tabel afkomstig: ‘MZ’ en ‘LN’. Het laatste letterpaar komt niet voor in de eerste tabel omdat de letter ‘L’ daarin niet wordt gebruikt.
Maar interessanter is de combinatie ‘MZ’, die in de eerste tabel ‘Metze’ [‘slet’] als associatie heeft, en in de tweede ‘Máráia Zart’ [‘Lieftallige Máráia’], het tegenovergestelde. Deze onverwachte verandering in associatie zette Uit den Westh aan het denken, en hij kwam tot de volgende gewaagde hypothese: Wat als niet Anté Heppe-Tausčy’s patiënt was geweest, maar Néta, die zijn plaats had ingenomen? In dat geval was de tweede tabel ontworpen door Néta. Anté had zelfmoord gepleegd vanwege het bedrog van Máráia met Néta. Néta had zijn identiteit overgenomen, en de autoriteiten ervan overtuig dat hij dood was. Zo kon hij als Anté verder door het leven gaan. Zijn therapeut Heppe-Tausčy had de verwisseling niet door, want beide broers leken als twee druppels water op elkaar.
Na een tijdje is hij gestopt met de therapie, hij kreeg spijt van zijn overspel met Máráia en de zelfmoord van zijn broer die daar het gevolg van was, hij sloot zich vervolgens aan bij het Volksfront in Spanje, liet zich pakken door de vijand, en werd gefusilleerd, precies zoals de droom van Anté dit beschreef, als een eerbetoon aan zijn broer. Uit den Westh had geen spoor van direct bewijs voor deze theorie, maar was ervan overtuigd dat het zo gegaan moest zijn.
Hiermee was tevens de kwestie van ‘droom’ of ‘visioen’ opgelost, de Fusilladedroom was geen visioen, geen voorspelling, maar een bewust geënsceneerd handeling. Ook de Monnikendroom was hiermee geen visioen, het was een op de roman van Malraux gebaseerde (en weliswaar gedroomde) constructie.
Uit den Westh veegde met een diepe zucht alle paperassen en boeken op een hoop, en verborg ze in zijn archiefkast.
— Bonnemort, 11 februari 2023