Het Vergeten Verhaal

parabels

Het Vergeten Verhaal

J. Chr. de Vries

Stervelingen noemen hem fladderende liefde, maar de onsterfelijken noemen hem de gevleugelde, omdat het aanwassen van vleugels voor hem een noodzaak was.
— Plato, Phaidros [citaat Homerus]

Op een zeer warme nazomermiddag van 1991 zat ik in de intercity van Amsterdam naar Den Haag. Het was rustig in de trein, ik zat in een verlaten rookcoupé. De trein reed weg uit station Haarlem, wat ik het uitgelezen moment vond een sigaar op te steken. De coupédeur werd opengeschoven en een oudere man, gekleed in een zwart pak met gilet en een zwarte gleufhoed op zijn markante grijsbebaarde kop, kwam puffend naar binnen gestrompeld. Hij ging pal voor mij zitten, legde omslachtig de hoed naast zich op de bank en zei met schurende stem: “Zo, meneer de Vries, uw naam doet het weer geen eer aan.” Hij haalde een grote witte zijden zakdoek tevoorschijn en wiste het zweet van zijn voorhoofd en nek. Toen pas herkende ik hem, ik had hem in geen jaren meer gezien of gesproken; ik zag opeens het koperen naambord van zijn praktijk naast de voordeur van zijn statige pand in het centrum van Leiden voor mij: Dr. S. Zeele, zenuwarts. Voordat ik de kans kreeg iets te zeggen vervolgde hij, terwijl hij eveneens een sigaar tevoorschijn haalde: “Alles moet in rook opgaan!” 


“Anders zijn wij de sigaar!” Ik kon het niet laten. Ik vreesde dat het een vermoeiend kwartiertje zou worden, Zeele had een zwak voor al te flauwe grapjes. Ik herinnerde mij opeens het bordje naast het belletje bij de deur van zijn wachtkamer, een flauw woordgrapje, Zeele was van Duitse komaf: Binnen zonder blaffen. Ik ben er nooit achtergekomen waarom dat belletje daar was aangebracht, waarschijnlijk bevond het zich daar alleen maar om het woordgrapje te legitimeren. Maar gelukkig bleven verdere grapjes nagenoeg achterwege.


We haalden wat herinneringen op, zoals dat gaat als je elkaar lang niet gezien hebt, met name over de tijd in Parijs. Zeele had daar vlak na de oorlog gestudeerd en in de jaren ’70 had hij daar enkele jaren een kleine praktijk gehad. Ik studeerde daar korte tijd kunstgeschiedenis, maar dat werd geen succes. Ik had drankproblemen en kwam zo in zijn praktijk terecht, ik had gezocht naar een Nederlands sprekende psychiater. Terwijl we over die tijd in Parijs spraken probeerde ik mij intussen zijn voornaam te herinneren, ik kon er maar niet opkomen, maar durfde hem er ook niet naar te vragen. In plaats daarvan stuurde ik het gesprek in de richting van het onderwerp van het ‘vergeten’, in de, vermoedelijk ijdele, hoop dat zijn naam mij te binnen zou schieten. Ik begon met een verwijzing naar een fameuze passage van Freud over dit onderwerp.


“Toen ik in die tijd bij u in therapie was, verwees u een keer naar dat verhaal van Freud over een man die tegenover hem in de trein zat, en die de naam van een vriendin was vergeten. Het ging over verdringingen. Wat was die naam ook al weer, ik kan er niet opkomen?” Het leek mij een passende vraag.


“Ah! Psychopathologie des Alltaglebens. Ja, ik herinner het mij. Maar het ging niet om de naam van zijn vriendin, het ging om haar mogelijk ongewenste zwangerschap.” Hij blies een jaloersmakende dikke kring van rook de coupé in. “Probeer eens wat associaties,” stelde hij voor.


“Ehh…, Siquila.” Iets met een ’S’ leek mij een goed plan. Dat kwam volgens mij ook in de buurt van zijn naam.
 “Hmm,” bromde hij. “Dat begrijp ik. Tequila, je had een drankprobleem.” 


“O ja, dat was mijn favoriete drank.” 


“Ik heb je toen naar de AA doorverwezen, is het niet?”


Dat klopte, maar ook dat werd geen succes, ik werd ziek van die bijeenkomsten. Zo ging het nog even door, en uiteindelijk gaf hij een hint door vanuit die AA-bijeenkomsten via de letter A op de term ‘a-liquid’ uit te komen en tenslotte de vergeten term ‘aliquis’. Dat was het moment dat we bij het station Leiden aankwamen. Een dame, gehuld in een doordringende wolk van een caramelachtig parfum kwam luid kuchend en boos in onze richting kijkend langs onze coupé lopen.


“Die heeft er tabak van,” grijnsde Zeele. 


Ik deed een flauwe poging terug te grijnzen, en was blij dat hij zijn bestemming bereikt had. Uit beleefdheid wisselden we onze contactgegevens uit. Even leek het of hij zijn hoed zou vergeten, maar toen ik hem daar op wilde wijzen was hij mij voor. Met een fraaie zwier plaatste hij het hoofddeksel op zijn kop en zwaaide mij een goedendag toe. Ik verkeerde in de veronderstelling dat ik hem weer een tijd lang niet zou zien, niet dat ik erg happig was op een al te snelle nieuwe ontmoeting, maar ik vergiste mij. Nog geen week later belde hij mij aan het einde van de middag op. Hij zei dat hij had nagedacht over het onderwerp van het ‘vergeten’, en dat hij hierdoor had terug moeten denken aan een casus uit zijn studietijd. Hij stelde voor om daar tijdens een diner over van gedachten te wisselen, het zou mij zeker zeer interesseren.

Casus X.

Twee weken na het telefoongesprek troffen wij elkaar in het restaurant ‘Pegasus’, gelegen aan een rustieke gracht in zijn woonplaats. Eind van de middag, om een uur of zes, begonnen wij met een aperitief; we hadden ons voorgenomen om ons voldoende tijd te gunnen de casus uitgebreid te kunnen bespreken. Hij had de documentatie van de casus mee genomen in een donkerbruine, hardkartonnen map. ‘Deze casus stamt uit 1947, dus dat is inmiddels zo lang geleden dat ik hier vrijuit met u over van gedachten kan wisselen,’ had Zeele als verontschuldiging aangevoerd. Hij legde uit dat die casus een interessante studie was over het fenomeen van het ‘vergeten’. Hij was nauw betrokken bij de behandeling van een patient van zijn mentor, Dr. Yschá Piëte, een Hongaarse psychiater die doceerde in Parijs. De patient, ingeschreven onder de naam X., was in december 1944, tijdens de burgeroorlog die toen in Griekenland woedde, zwaar gewond geraakt, toen hij als lid van een linkse verzetsbeweging in de burgeroorlog betrokken raakte bij een gevecht met Britse tanktroepen. Hij werd geraakt door granaatscherven en raakte blind aan een oog. Hij vluchtte naar Parijs omdat hij door de Griekse ultrarechtse regering gezocht werd, en later bij verstek ter dood was veroordeeld. De Franse regering verleende hem asiel. X. kwam onder behandeling omdat hij leed aan nachtmerries en depressieve stoornissen. Tijdens een lange sessie begon hij te vertellen over een ‘vergeten verhaal’.

“Deze wonderlijke, magistrale geschiedenis van dit ‘vergeten verhaal’ is mij mijn hele verdere leven bijgebleven,” beëindigde Zeele zijn inleiding. Ik was meteen gegrepen door zijn betoog, en zeer benieuwd naar het vervolg, ondanks mijn lichte antipathie voor deze man.

“Ik ontwaakte uit een intense droom met een verhaal, dat ik goed kon gebruiken, het was schitterend, lucide en volmaakt ‘rond’. Het enige probleem was dat ik het, meteen nadat ik wakker was, finaal vergeten was. Ik kon mij er niets meer van herinneren.” Zeele legde de map waaruit hij geciteerd had weer op de stoel naast zich. “Dit was de kwestie waar Piëte mee geconfronteerd werd. Zijn patient was schrijver, en het verhaal dat hij kennelijk gedroomd had bleek van groot belang voor deze X. te zijn, hij suggereerde dat het de oplossing zou zijn voor het writers-block waar hij aan leed vanwege zijn depressies.” Piëte zag zich voor de taak gesteld de achtergrond van dit ‘vergeten’ te achterhalen, legde Zeele vervolgens uit. Er kunnen verschillende oorzaken zijn voor geheugenverlies, doceerde Zeele, ten eerste een defect, bijvoorbeeld door een ongeval, of ouderdom, denk aan dementie; maar er kan ook een psychische oorzaak zijn, zoals dat geval van verdringing waar wij in de trein over gesproken hadden. Dromen vormen een apart geval, het komt nauwelijks voor dat men zich dromen precies en volledig herinnert. Beroemd is het voorbeeld van het door de Franse astronoom Lalande in 1766 opgetekende verhaal over de componist Tartini, over diens Sonata del Diavolo, die deze in een droom door de duivel voorgespeeld kreeg, een ‘uitmuntende en superieure, onovertroffen vioolsonate’. Toen hij wakker werd kon hij er zich geen noot van herinneren. Piëte probeerde van alles om het verhaal uit de droom van X. uit de vergetelheid te ontrukken. Hij volgde alle procedé’s die hij ter beschikking had, maar zonder enig resultaat, althans voor wat betreft het verhaal.

Er gebeurde intussen van alles, er kwam veel los bij X., alleen geen letter uit het verhaal. Wel andere verhalen, waaronder een van de merkwaardigste verhalen uit de Griekse mythologie: Bellerophon. Piëte kwam hierop nadat X. onder meer verteld had dat hij zich wel herinnerde dat hij in zijn droom had gevlogen, en ter aarde was gestort; daarbij had hij zijn ene oog verloren. Toen Piëte de kwestie van het ‘vergeten verhaal’ ten langen leste had ontraadseld, en de reden van het ‘geheugenverlies’ had opgelost, bleek de oorzaak een andere dan gebruikelijk te zijn; hij gaf er de naam Bellerophonsyndroom aan.

“Ik had een brief bij mij, een geheime brief, ik weet niet wat er in stond, maar wel dat hij belangrijk was, het betrof een zaak van leven en dood.” Zeele legde de map weer naast zich, en ging verder met zijn uitleg. De brief bleek toch niet in de droom van X. voor te komen, maar hij kon ook niet verklaren waar dat idee van die ‘geheime brief’ vandaan kwam. Hij moest wel uit die droom komen, alleen hij herinnerde zich dit niet.

“U bedoelt: hij herinnerde zich wel de brief, maar niet dat die uit de droom kwam?” vroeg ik ter verduidelijking.

“Krek,” bevestigde Zeele. “En dus evemin dat die verbonden was aan het ‘vergeten verhaal’.”

“Misschien had hij hersenproblemen die zijn geheugen ontwrichtten, dat zou niet vreemd zijn na die granaatverwonding,” opperde ik, “Is dat onderzocht?”

“Uiteraard!” zei Zeele op licht verontwaardigde toon. “We zijn geen dilettanten!”

Ik hief verontschuldigend mijn armen op, maar hij ging al weer verder met zijn betoog. Er kwamen steeds meer aanwijzingen naar boven.

Zo sprak X. op een gegeven moment over iemand die hij mogelijk gedood zou hebben in zijn tijd in het anti-fascistische verzet. Hoewel niet duidelijk was of het ging om een soldaat van de bezetters, een Griekse informant, of dat het motief een persoonlijke achtergrond had, besloot de leider van deze verzetsbeweging hem dit niet aan te rekenen. Niet lang daarna nam deze geschiedenis een dramatische wending: de minnares van de verzetsleider probeerde X. te verleiden, maar X. wees haar avances af; het leek hem geen goed idee om de leider via diens minnares voor de voeten te lopen. De minnares voelde zich dusdanig sterk gekwetst dat zij X. van een poging tot aanranding beschuldigde. De leider, die enerzijds wel weet had van de amoureuze neigingen van zijn minnares, maar anderzijds besefte dat zij als geduchte partizaan zeer populair was onder de manschappen, stond in tweestrijd. Hij was hoe dan ook gekrenkt, maar besloot dat hij X. dit niet publiekelijk kon aanrekenen, omdat dit het moreel van de groep teveel zou aantasten; hij had geen andere keuze dan hem uit zijn afdeling van de verzetsgroep te plaatsen. Omdat hij niet wilde dat de besognes rond zijn minnares via andere kanalen zijn verzetsgroep zou bereiken, gaf hij X. een verzegelde brief mee, die hij aan de leider van een verwante verzetsgroep moest geven. X. had geen idee wat er in de verzegelde brief stond, hij meende dat geheime informatie over de vijand bevatte. Zijn nieuwe leider opende de brief, keek X. verbijsterd aan, schudde zijn hoofd en stuurde hem ruim een week later op een kansloze missie, een gevecht tegen een Britse tankeenheid.

De ober kwam met de menukaart, we bestelden de gerechten en de wijnen, waarna Zeele weer van wal stak.

Tegen alle verwachtingen in overleefde X. de granaataanslag. Hij leefde wekenlang op het randje tussen leven en dood, maar uiteindelijk kozen de schikgodinnen voor het leven. Toen X. weer met een flard herinnering kwam, waarvan nog steeds onduidelijk was of die te maken had met die droom, of eventueel met een van zijn nachtmerries, zag Piëte opeens een verband. Zeele las weer voor uit de map: “Ik kwam weer bij de leider van mijn nieuwe verzetsgroep, die leek verrast mij te zien, maar om de een of andere reden was hij er niet blij mee. Hij stuurde mij onmiddellijk weer op een nieuwe missie, waar ik mij overigens niet veel van herinner. Ik zie wel water, ik bevind mij op zee. En naakte vrouwen op een strand. Geen idee waar dit vandaan komt.”

Dit was het moment dat Piëte aan Bellerophon moest denken, er waren natuurlijk al aanwijzingen richting de Griekse mythologie, bijvoorbeeld de verwijzingen naar de vier elementen: lucht, via het vliegen; aarde, via het neerstorten; vuur, via de granaat en ten slotte water, in het laatste beeld van X., de zee en het strand. Ook de naakte vrouwen bevestigde deze hypothese. Het hele verhaal dat X. beetje voor beetje bij elkaar had gsprokkeld kon zo over de geschiedenis van Bellerophon worden geschoven. Het was er overduidelijk een variatie op.

“Hoe zit dat dan met die naakte vrouwen?” vroeg ik. “Ik ken die mythe niet.”

Ach, naakte vrouwen, we zijn opeens weer wakker…” grapte Zeele. Ik lachte schaapachtig. “Maar dat verhaal is schitterend.”

Hij wachtte even met zijn verhaal tot een serveerster het bestek en de drank op tafel had geplaatst. Ik zag Zeele zowel afkeurig als verontrust kijken naar een tatoeage op haar arm, het leek een kruising tussen een leeuw en een slang. Zij had zich nog niet omgedraaid of Zeele hervatte zijn betoog. Zeele was er echter amper mee begonnen of de ober verscheen met het voorgerecht. Ik zag Zeele zijn armen kontroleren op tatoo’s. Hij was kennelijk gerustgesteld, en terwijl ik een eerste hap aan mijn vork prikte kon Zeele zijn eerste volzin afmaken.

Net als in het verhaal van X. had Bellerophon iemand gedood, en ook hierover bestaan verschillende lezingen; het zou een vijand kunnen zijn, Belleron of Belleros, in dat geval betekent de naam Bellerophon ‘Doder van Belleron’. Maar andere bronnen spreken over zijn broer. De koning, Proetus, rekent hem echter de moord niet aan. Ook in dit verhaal is er een vrouw in het spel, de koningin probeert Bellerophon te verleiden, hij wijst haar af, zij schreeuwt moord en brand en zegt dat ze door Bellerophon verkracht is. Proetus gelooft zijn vrouw, maar kon hem niet ter dood brengen omdat Bellerophon te gast was, de wetten stonden dit niet toe. Hij stuurt Bellerophon de stad uit, naar zijn schoonvader, de koning Iobates. Proetus geeft hem een verzegelde brief mee, gericht aan Iobates, waarin stond: ‘De brenger van deze brief moet gedood worden.’ Maar ook Iobates durft het niet aan een gast te doden, in plaats daarvan stuurt hij hem op een onmogelijke missie: het doden van het monster Chimera, een kruising tussen een leeuw, een geit en een slang.

Iobates was ervan overtuigd dat Bellerophon deze missie niet zou overleven. Maar Bellerophon wist de Chimera te doden, en ging terug naar Iobates om er verslag van te doen. Iobates kon of wilde hem niet geloven. Hij stuurde Bellerophon andermaal op meer onmogelijke missies: het bestrijden van de oorlogszuchtige Solyme, de Amazones en de piraat Cheimarhos. Tot slot, toen Bellorophon het paleis van zijn tegenstanders bestormde, met in zijn kielzog een enorme vloedgolf die zijn vader Poseidon had opgeroepen om hem te ondersteunen, beklommen de vrouwen van de stad de wallen, en ontblootten hun onderlijven. Bellerophon kon geen weerstand bieden aan dit vrouwelijk naakt, en trok zich terug. Iobates begreep dat de strijd hier gestaakt moest worden, en toonde Bellerophon de geheime brief. Toen zag Bellerophon eindelijk de inhoud ervan, er stond: ‘Dood de drager van deze brief.’ Bellerophon had zijn eigen doodvonnis meegenomen.

“Wat een waanzinnig detail! Die vrouwen die hun geslachtsdelen tonen als een wapen in de strijd!” Ik was perplex.

“Het vrouwelijk geslachtsorgaan is in verscheidene culturen een taboe,” doceerde Zeele.

“Nu u dit zegt,” onderbrak ik hem, “in Japanse pornografische video’s worden de geslachtsdelen afgeschermd met een raster, zodat je ze niet kunt zien.”

“Mijnheer De Vries!” baste Zeele, “U denkt toch niet dat ik mij met zoiets banaals als pornografie bezig houd!” Ik concentreerde mij fluks op de laatste restjes van mijn voorgerecht. “Maar ik weet inderdaad dat er in Japanse nachtclubs een gebruik bestaat van mannen die tussen de gespreide benen van een naakte vrouw zitten, en daar haar geslachtsorgaan met een vergrootglas nauwgezet onderzoeken.” Ik verslikte mij in mijn laatste hap, en kreeg een onstopbare hoestbui.

Zeele reikte mij meteen een glas water aan en de ober kwam toegesneld, deze begon stevig op mijn rug te kloppen. “Totem und Tabu,” was het commentaar van Zeele, waarna hij zijn glas wijn leegdronk. Nadat ik van mijn hoestaanval bekomen was, hernam Zeele zijn uiteenzetting over het taboe van het vrouwelijk geslachtsorgaan. Hij verwees naar een studie van Margaret Mead — hij herinnerde zich niet meer welke studie dat was, wellicht betrof het Sex and Temperament maar het kon net zo goed een ander werk betreffen — hoe dan ook, het ging over een stam die viel onder het koloniale bestuur van de Britten, waar de vrouwen de dominante rol hadden. Wanneer een man bijvoorbeeld iets had gedaan wat de vrouwen niet beviel, dan werd hij gedwongen op de grond te gaan liggen, waarna een of meerdere vrouwen met gespreide benen en ontbloot onderlijf boven hem gingen staan. De mannen krompen dan verschrikt in elkaar, onder het uitroepen van angstkreten. Zo werden de mannen tot de orde geroepen.

Ik zag aan de uitdrukking op Zeele’s gezicht dat hij genoot van zijn eigen verhaal. “Maar het verhaal gaat verder, er is een interessante overeenkomst met Bellerophon.” Hij schonk zijn glas weer bij en vertelde over een aanvaring tussen deze vrouwen en het Britse leger. De vrouwen waren ongekend oorlogszuchtig, en toen er weer rumoer was uitgebroken tussen deze vrouwen en een andere stam, besloot het Britse koloniale gezag orde op zaken te stellen door er een compagnie soldaten naar toe te zenden. Zeele pauzeerde hier even, niet alleen om nog een slok wijn te nemen, maar ook om het effect van zijn verhaal te verhogen.

Intussen werd het servies en bestek van ons voorgerecht afgeruimd. Nadat wij weer op onszelf waren ging Zeele verder met zijn verhaal. Hij vertelde dat toen de vrouwen de soldaten bij hun dorp zagen aankomen, en hun vijandige bedoeling begrepen, zij onmiddellijk reageerden: ze stelden zich op in een formatie, trokken hun kleding omhoog en toonden hun geslachtsdelen, in de verwachting dat de soldaten op de vlucht zouden slaan. De soldaten stonden eerst als aan de grond genageld, maar aarzelden daarna geen moment, zij wierpen hun geweren op de grond, trokken hun broek uit en stortten zich bloedgeil op de vrouwen. “Voilà, een schoolvoorbeeld van een cultuur-clash,” concludeerde Zeele met een triomfantelijke grijns.

Ik verslikte mij bijna weer, maar kon mij gelukkig nog net in bedwang houden.

“De overeenkomst tussen de geschiedenis van X. en de mythe van Bellerophon gaat nog verder,” vervolgde Zeele. Nadat Bellerophon tot een vergelijk met Iobates was gekomen, ondernam hij, volgens bepaalde bronnen, met Pegasus, die hem had geholpen de Chimera te verslaan, een poging om de Olympus te bestijgen. Hij meende dat hij een verblijf in het huis van de goden verdiend had. Dit zinde Zeus in het geheel niet, hij stuurde een paardevlieg in de richting van Pegasus, en die stak deze tijdens de vlucht in de neus. Het paard begon wild te stijgeren, en Bellerophon viel ervan af en stortte ter aarde, waardoor hij aan één oog blind raakte.

De ober, bijgestaan door de serveerster, kwamen het hoofdgerecht opdienen. Een nieuwe fles wijn werd geopend, Zeele proefde voor, gaf een knikje, en onze glazen werden volgeschonken. Toen richtten wij onze aandacht op onze gerechten.

“Enfin,” zei Zeele, toen de ober en serveerster weer waren verdwenen, “tot hier is de geschiedenis van X. een bijna volmaakte kopie van die mythe van Bellerophon. En wat vooral zo frappant is, beide geschiedenissen draaien om een geheime brief, waarin een doodvonnis staat geschreven over de bezorger ervan. De vraag is uiteraard hoe dit mogelijk is.” 


Hij begon weer college te geven. Piëte ging ervan uit dat X. de mythe van Bellerophon kende, hij was als schrijver geïnteresseerd in het antieke Griekse erfgoed. Maar vreemd genoeg ontkende X. dat hij die mythe kende. ‘Misschien heb ik er inderdaad ooit over gelezen, maar dat ben ik dan vergeten,’ stond in het verslag van de casus te lezen. Hoe dan ook hield X. bij hoog en bij laag vol dat die mythe niets te maken had met dat ‘vergeten verhaal’, hooguit was de kennis die hij wellicht ooit op had gedaan over die mythe op een of andere wijze in zijn droom terecht gekomen, maar niet als onderdeel van dat verhaal. Wat Piëte ook probeerde, via associaties proberen uit te vissen of X. de mythe verdrongen had, om de pijn van zijn eigen ervaringen, die aan die mythe verwant leken te zijn, te verdringen; maar ook het toedienen van elektroshocks was uitgeprobeerd; niets leek een aannemelijke verklaring op te leveren, een correcte diagnose ontbrak, en dus was er geen grond voor een adquate behandeling.

Piëte had zich hierna op de ‘verzegelde brief’ geconcentreerd, representeerde die brief soms het ‘vergeten verhaal’? Is een geheim vergelijkbaar met iets wat vergeten is? Op het eerste gezicht niet, had de psychiater vastgesteld, maar zonder daarvan zeker te zijn.

“Nou ja…” ik wilde eindelijk ook wel eens een steentje bijdragen aan onze conversatie, die feitelijk een monoloog was geworden, “…in een geheim is er iets verborgen, verstopt. Van een geheugenverlies kun je hetzelfde zeggen, ook daar is er iets verborgen, en zelfs verstopt als het om een verdringing gaat.”

“Dat is juist,” zei Zeele welwillend, “maar er is ook een elementair verschil: een geheim is niet gebaseerd op het verlies van geheugen, het is een bewuste handeling om de kennis die er wel is, voor een ander verborgen te houden. Het is dus een instrument, waar geheugenverlies dat niet is…”

“Juist wel in het geval van verdringing,” onderbrak ik hem.

Zeele dacht even na. ”Ik moet mij accurater uitdrukken…” hij nam een hap, maakte wat kauwende bewegingen — ik probeerde zijn smakkende geluiden te negeren. “Het gaat erom dat bij een geheim, de veroorzaker van het geheim, de ‘dader’ zeg maar, de inhoud ervan kent. Bij een verdrongen herinnering is dat andersom; de ‘dader’ kent de inhoud juist niet.” Hij keek mij belerend aan.

Ik begon mij aan die ‘Dr. Zeele’ te ergeren, wat een verwaande kwast was hij toch, alsof hij alles beter wist! Toen maakte hij het nog erger.

“Ik begrijp dat u uit enthousiasme mee wilt denken, maar u moet goed begrijpen, ik vertel een verhaal dat zijn goede einde reeds gevonden heeft; Dr. Piëte heeft deze geschiedenis op overtuigende wijze gekraakt!”

Ik stond op het punt op te staan en te vertrekken, maar in plaats daarvan trok ik mij even terug op het toilet. “Mijn verontschuldigingen, een moment graag, ik ben zo weer terug,” zei ik op neutrale toon.

Toen ik weer aan tafel ging zitten waren de borden en het bestek afgeruimd, en lag de kaart met de keuzes uit het dessert voor mij op tafel. We bestelden ons nagerecht, waarbij ik koos voor een bel cognac en een dubbele espresso. De zenuwarts had voor een Dame Blanche gekozen. ‘Wie ein Feuer, kalt wie Eis,’ citeerde hij. Toen ik hem vragend aankeek lichtte hij toe: ‘Salomé. Richard Strauss, op tekst van Oscar Wilde.’ De Duitse laatromantiek was niet erg aan mij besteed, dus ik mompelde alleen iets van ‘Hmm…’.

Nadat de nagerechten op tafel waren gezet ging Zeele onverdroten verder. “Goed,” zei hij, “we waren gebleven bij de mogelijkheid of het ‘geheime verhaal’ iets te maken had met het ‘vergeten verhaal’.” 


Ik luisterde beleefd, hoewel ik moest erkennen dat ik ook zeer nieuwsgierig was naar de afloop van deze wonderlijke geschiedenis.

“Eigenlijk zat u op het goede spoor, zojuist, toen u probeerde het ‘geheim’ en het ‘geheugenverlies’ op elkaar te betrekken.”

Een goedmakertje? vroeg ik mij af. Zou hij iets van mijn ergernis aangevoeld hebben?

“Maar, Piëte begreep ten slotte dat het ingewikkelder was dan dat, de man was een genie!” Ah, dacht ik, toch geen goedmakertje. Ik keek Zeele bemoedigend aan, om tenminste iets van mijn gekrenkte eigenwaarde intact te laten.

“De crux was een omkering, zoals creatieve geesten wel vaker, vaak tot hun eigen verrassing, ondervinden.” Hij nam een flinke hap van zijn met hete chocolade overgoten ijs. “Kortom, u raakte de quintessens: het al dan niet opzettelijke in de handeling, of de beweegredenen van de ‘dader’. Het ging niet om het ‘vergeten’ als zodanig, maar om het doel.”

Zeele sprak nu op luidere toon, gehaaster, gepaard gaand met veel armgebaren. “In plaats van zich vast te bijten in de reguliere verklaringen voor de handeling van het vergeten, begreep Piëte dat het ging om iets anders! Het ging helemaal niet om dat er iets vergeten was, er was namelijk helemaal geen vergeten verhaal. Het vergeten was een instrument, zonder dat er iets vergeten was, er was alleen maar een idee dat er iets vergeten was, het was een motief.”

“X. had zich dus ingebeeld dat hij iets vergeten was,” zei ik, in een poging het allemaal te begrijpen.

“Precies!” Zeele wees met zijn wijsvinger in de lucht. “Hij had dat ‘vergeten verhaal’ nodig, niet het verhaal zelf, want dat heeft nooit bestaan, maar het idee van dat verhaal. De idee-fix van het vergeten verhaal maakte dat hij kon ontsnappen aan de gedachte dat hij geen verhalen meer kon produceren, zijn writers-block. Het was dus een soort omgekeerde verdringing, hij had niet een herinnering verstopt, maar een — niet bestaande — herinnering verzonnen.” Zeele schraapte de laatste restanten van zijn Dame Blanche uit het glas.

“Maar dan is dit toch uiteindelijk hetzelfde als die vergeten sonate van Tartini?” probeerde ik. “Die heeft ook niet bestaan.”

“Nee!” Zeele schudde zijn hoofd, terwijl hij met een servet zijn mond afveegde. “Er is een fundamenteel verschil: Tartini heeft die sonate echt ‘gehoord’ in zijn droom, hij kon alleen de noten niet reproduceren. X. kon zich helemaal niets van dat verhaal herinneren, in plaats daarvan reproduceerde hij een nieuwe variant van die Bellerophon mythe. Dat zogenaamd ‘vergeten verhaal’ heeft hij in die droom nooit gehoord of gelezen.”

“Dan heeft hij die mythe toch gekend, anders had hij dit nooit kunnen doen,” merkte ik op. “En wat ook vreemd is, de parallellen tussen die mythe en wat X. in werkelijkheid overkomen is, of is dat allemaal gebaseerd op een verzinsel? Dat oog dat verminkt is, dat heeft hij toch niet verzonnen?”

“Nee, dat verminkte oog heeft hij niet verzonnen, dat is zonneklaar, maar de rest lijkt twijfelachtig. Tenminste, het was uiteraard ondoenlijk om dat deel van het verhaal op echtheid te controlleren. X. gaf toe dat hij er niet zeker van was, maar toegeven dat het een verzinsel was deed hij nooit. Voor Piëte stond vast dat hij, vanwege het oogtrauma, de rest van het verhaal via de Bellerophonmythe op zijn eigen leven heeft geprojecteerd. Alles in dienst van dat ‘vergeten verhaal’.”

“Hoe is het met hem afgelopen? Kon Piëte hem uiteindelijk een adequate behandeling voorschrijven?”
Zeele maakte een het kan vriezen of dooien-gebaar met zijn handen. “Ja en nee. Eigenlijk was de analyse van Piëte al voldoende voor X. Er leek alsof er iets van hem af was gevallen. In ieder geval was hij niet veel later gestopt met de behandelingen. Dat had iets onbevredigends voor Piëte, maar hij kon hem niet dwingen natuurlijk.” Zeele bestelde ook een cognac, en ik nam eveneens nog een glas.

“De laatste,” zei ik.

“De laatste,” imiteerde Zeele. We zaten een tijdje zwijgend aan tafel, we lieten onze cognac in het glas rollen. “Ik heb hem jaren later nog een keer ontmoet,” zei Zeele opeens.

“Waar? In Parijs?”

“Ja, een aantal jaren na onze sessies,” zei Zeele, “in 1976, om precies te zijn.”

“Piëte was toen al met pensioen. Ik vermoed dat X. is gaan zoeken, en mij via via heeft gevonden. Hoe dan ook, het leek goed met hem te gaan. Hij vertelde dat hij niet lang na de behandelingen bij Piëte is gestopt met schrijven. Op de een of andere manier werkte de geschiedenis met het ‘vergeten verhaal’ als een katharsis. Hij was vliegtuigbouw gaan studeren. Het bleek zeer veel aanleg voor wiskunde te hebben. Uiteindelijk kwam hij terecht als ingenieur bij Dassault, een Franse vliegtuigbouwer, en via dat bedrijf bij Aérospatiale, de Franse tak van het fameuze Concorde-project. X. had het supersonische vliegtuig mee helpen ontwikkelen en bouwen. Hij was mee geweest met de testvlucht in 1969, en ook met de eerste vlucht naar New York. Zo had hij uiteindelijk toch zijn Pegasus gevonden, die hem naar zijn eigen Olympus had gebracht. Een soort herrijzenis uit zijn Bellerophonverleden.”

“Wat een mooi slot van deze tragische geschiedenis!” zei ik opgetogen.

“Ja, inderdaad.” Maar er klonk iets van twijfel door in Zeele’s stem.

“Dat klinkt niet helemaal enthousiast,” zei ik vragend.

Zeele zweeg een tijdje. “Nee, daar heb je gelijk in, omdat er nog een extra staartje aan zit, waar ik niet echt raad mee wist; en nog steeds niet.” Hij keek mij aan met een licht getroebleerde blik. “Hij vertelde mij tijdens die ontmoeting in 1976 nog iets, iets wat ik nooit meer los heb kunnen laten. Hij had onderzoek gedaan naar die ‘geheime brief’, van die verzetsleider. En hij had hem uiteindelijk te pakken weten te krijgen. Hij heeft hem laten onderzoeken, en de brief bleek echt, die brief heeft echt bestaan.”

Den Haag, 19 september 1991

Naschrift

Enkele dagen later zat ik ’s avonds in mijn fauteuil met een glas cognac en een sigaar in mijn handen. De geschiedenis van het ‘vergeten verhaal’ had mij niet losgelaten. Nadat ik voor de zoveelste keer de zaak op een rij had proberen te krijgen bleef ik nog met een paar fundamentele vragen zitten. Duidelijk was het volgende: X. had een ‘vergeten verhaal’ geconstrueerd, niet het verhaal zelf, maar de suggestie dat er een verhaal wás. Het ‘vergeten’ als strategie. De opzet van die strategie was om te ontsnappen aan zijn writers-block, door haar in eerste instantie te voeden of te bevestigen met dat ‘vergeten verhaal’. Dat verhaal was dan de ‘veroorzaker’ van het writers-block, immers, hij hád eindelijk een verhaal om op te schrijven, en toen bleek het verdwenen. In tweede instantie zorgde de behandeling bij Piëte, via de Bellerophonmythe, dat hij zich bewust werd van het feit dat hij helemaal geen schrijver was. Nu kon hij deze dwangneurose loslaten, en zich focussen op het talent dat hij echt bezat: wiskunde en vliegtuigbouw.

So far so good, dacht ik, terwijl ik een slok nam van mijn cognac, en een flinke hijs van mijn sigaar. Maar, nu bleven er nog enkele kwesties over: die van de ‘geheime brief’, en, vanwege die brief, de kwestie van de parallel met de Bellerophonmythe; die parallel was beslist raadselachtig. Omdat de brief waarin zijn eigen doodvonnis stond echt was, het echtheidscertificaat liet hier geen ruimte voor enige twijfel, moest de rest van dat verhaal eveneens als werkelijk worden aangenomen. De vrouw die hem had proberen te verleiden was vermoedelijk echt, met de brief als resultaat.

Ook de onmogelijke opdracht om het tankbataljon te bevechten berustte op waarheid, met zijn verwoeste oog als bewijs. De kwestie van de zee met de naakte vrouwen op het strand was minder helder, maar die kon goed het resultaat van een projectie van die mythe zijn geweest. Al met al waren er meer dan voldoende reële overeenkomsten tussen de mythe en de werkelijke belevenissen van X. Die parallel had een aantal mogelijke verklaringen. De eerste was dat het op louter toeval berustte. Dat was gezien de frapante overeenkomsten een onbevredigende uitkomst. Een tweede verklaring, die met name in new-age-achtige kringen gretige aftrek zou vinden, dat het geen toeval was, maar een geval van een soort verlate Jungiaanse synchroniciteit. Deze uitleg beviel mij evenmin. Dan resteerde er logisch gezien maar één andere mogelijkheid: een omkering — niet de vrouw had X. verleid, maar andersom: hij had aanvances gemaakt, zij had geweigerd, en hij had haar aangerand. Dit had dan weer geleid tot die brief, met het bekende resultaat. Deze verklaring paste weer goed bij iets anders dat Zeele mij ook nog had verteld in het restaurant, namelijk dat bij zijn laatste ontmoeting met X. in 1976, deze hem had gezegd, toen hij vroeg hoe het nu ging met die geschiedenis, dat X. geen behoefte had om daar nog over te spreken. Die geschiedenis was voor hem een gesloten boek. De overeenkomsten met de mythe waren hiermee teruggebracht tot de brief, maar geschreven vanuit een ander motief, en uiteraard daarnaast het verwoeste oog. Dit had de volgende, ingrijpende consequenties, waarvan ik vermoedde dat precies die Zeele dwars zaten, aan het einde van ons diner.

De brief van de verzetsleider zou dan namelijk het ‘vergeten verhaal’ zijn, een verhaal dat X. had verdrongen, omdat de waarheid van zijn aanranding een te groot beroep deed op zijn geweten. Alles bij elkaar, eerst het doden van een man, al dan niet een vijand; vervolgens de aanranding van de minnares van zijn leider, wat trouwens het motief voor die moord ervoor twijfelachtiger maakt, X. was kennelijk een geweldadig persoon; en ten slotte het verlies van zijn oog; dit alles verklaarde zonder twijfel zijn mentale gesteldheid. Het maakte ook de parallel met de Bellerophonmythe minder significant, en in ieder geval de hypothese van de gefingeerde herinnering. Dit had dan weer tot gevolg dat Piëte’s theorie over het Bellerophonsyndroom op losse schroeven kwam te staan. Dit had Zeele niet voor zijn verantwoording kunnen, of durven nemen, dat zou vermoedelijk als een vorm van verraad jegens zijn mentor voelen. Dus had hij besloten deze geschiedenis te vergeten. Het syndroom leek tenslotte bovendien een plausibele en werkbare theorie, en al zou die gebaseerd zijn op een onjuiste casus, wie zou daar om malen? Waarom het kind met het badwater weggegooid? Ik kon mij hier eigenlijk wel in vinden, en was zeker niet van plan om deze kwestie aan de grote klok te hangen. Het was mijn verantwoordelijkheid niet, en wie zou daar baat bij hebben? Zeker als gebleken was dat de theorie wel degelijk zinvol was in andere behandelingen. De lichte onrust die ik ergens achter in mijn brein verstopt had zou ik wel overleven. Ik sloot deze geschiedenis af met deze conclusie en dit besluit, en slaagde er wonderwel in de boel te vergeten.

Ruim negen jaar later, op een koude decemberavond, er lag overal sneeuw en het vroor dat het kraakte, ging onverwachts de telefoon. Ik was verbaasd, want ik verwachtte dat ik deze kerstavond in eenzaamheid zou doorbrengen, ik rekende niet op bezoek, noch op telefoontjes.

“De Vries…” zei ik toen ik opnam.

“Uw naam doet vandaag het weer wel eer aan!” Ik herkende het raspende stemgeluid van Zeele.

“Ach, Dr. Zeele — waaraan heb ik de eer te danken?” Ik twijfelde of ik hem bij zijn achternaam zou noemen, of meer familiair bij zijn voornaam, totdat ik mij realiseerde dat ik mij zijn voornaam nog steeds niet herinnerd had.

“Hebt u vernomen van dat ongeval met de Concorde, een aantal maanden terug?” Zeele’s stem klonk weer ernstig. Nadat ik antwoordde dat ik er inderdaad iets over gelezen had, brak hij mij ruw af.

“Juist ja. Dat was op 25 juli, een vlucht van Parijs naar New York. Het vliegtuig is vlak na vertrek neergestort.” Opeens kwam er bij mij een gevoel van onrust op. Zeele sprak intussen verder: “X. bevond zich op die vlucht. Alle inzittenden zijn omgekomen, dus X. ook. De parallel met Bellerophon bleek groter dan we uiteindelijk meenden. Ook X. heeft Pegasus drie maal bereden, en ook hij is bij de derde maal neergestort. De Olympus bleek uiteindelijk toch onbereikbaar, althans, de goden lieten het niet toe.”

Nadat Zeele had opgehangen moest ik snel gaan zitten, het duizelde. Het leek inderdaad of de goden ons nog een laatste lesje wilde leren. Opeens realiseerde ik mij iets: ik had de voornaam van Zeele nooit geweten, en kon die dus ook niet vergeten zijn.

Den Haag, 24 december 2000