De Zaak van de Verre Neef
— J. Chr. de Vries
Rudi Bistpelz, een publicist uit Nürnberg, zat achter zijn werktafel en boog zich over een van zijn aantekeningen met cold cases, een hobby van hem. De zaak die hem al geruime tijd interesseerde was, wat hij noemde, ‘De zaak van de Verre Neef’. Hij had het rapport van deze zaak in handen gekregen via een bevriende inspecteur van de politie in Regensburg. De zaak betrof de vermoedelijke moord op een inwoner van de gemeente Viechtach, een plaats in het Bayerischer Wald, op ruim dertig kilometer afstand van de Duits-Tsjechische grens. De moord was nooit opgelost, de schuld van de vermoedelijke dader kon niet bewezen worden, althans, er kon niet aangetoond worden dat er opzet in het spel was. De inwoner, Bernd Hoewer, was gestorven na het eten van zeer giftige paddenstoelen, er werden in het bloed sporen aangetroffen van de Amanita phaloides, oftewel de ‘Groene knolamaniet’. Deze paddenstoelen zijn te vinden in de bossen van het Beierse Woud. Elk jaar sterven er mensen aan die onwetend zijn van de giftige aard ervan. De symptomen zijn ernstige darmklachten, gepaard gaand met diarree en braken, die na enkele dagen verdwijnen, maar dan is het te laat voor een behandeling. Na een kleine week sterft de persoon aan ernstig nier- en leverfalen. De man die ervan verdacht werd dat hij de paddenstoelen opzettelijk had verwerkt in een maaltijd van Hoewer, was een verre neef van het slachtoffer. Deze neef, genaamd Rudi Cosen, had op een dag aangeklopt bij Hoewer met het verhaal dat hij weg was gelopen van zijn vrouw na een hevige ruzie, en of hij tijdelijk bij hem kon logeren, hij was radeloos.
De zaak speelde zich af in 1990, in die tijd werden er zeer zelden DNA-technieken gebruikt voor forensisch onderzoek. Het enige concrete bewijsmateriaal bestond uit de gifsporen en de verdachte omstandigheden. Daarnaast, en dit maakte de recherche extra alert, was er in de week van de dood van Hoewer door hem een testament opgemaakt, waarin hij al zijn bezittingen, inclusief het huis, naliet aan zijn neef Cosen. Er was dus een motief, een gelegenheid en een mogelijk moordwapen. Desondanks kreeg de recherche het onderzoek niet rond. De verdachte werd wekenlang uitvoerig verhoord, maar het leidde uiteindelijk niet tot een strafzaak, de zaak werd geseponeerd.
De inspecteur die het onderzoek en de verhoren leidde, Steinerd Prok, was overtuigd van de schuld van Cosen, en hij beschouwde de afloop van zijn zaak als een ernstige mislukking, die hij zichzelf aanrekende, en de rest van zijn carrière met zich meedroeg. Bistpelz kende Prok nog uit zijn studententijd, en zij hadden de zaak diverse malen besproken, maar ook Bistpelz kon niet ontdekken wat Prok fout had gedaan, het onderzoek had op zorgvuldige wijze plaatsgevonden, Cosen was hen gewoon te slim af geweest. De neef had toegegeven dat de paddenstoelen in de maaltijd waren verwerkt, per abuis, want hij wist niet dat ze giftig waren. Ze lagen in de keuken van Hoewer, die had ze geplukt in het bos, en het kwam niet bij hem op om te kontroleren of ze giftig waren. Bovendien had ook hij ervan gegeten, alleen niet veel omdat hij zich niet lekker voelde. Hij was vroeg naar bed gegaan. Hij dacht dat het een griep betrof, die heerste namelijk in die dagen. Dat was ook de reden dat hij niet meteen gealarmeerd was door de darmklachten van Hoewer, hij dacht dat die ook griep had. Hij heeft nog medicijnen gehaald in een apotheek in Viechtach, het dorp op een kleine tien kilometer afstand waar ze de boodschappen deden. Bij navraag van Prok bij de apotheker werd dit verhaal bevestigd. Pas toen het te laat was heeft hij de hulp van een arts ingeroepen, maar die kon niets meer doen. De arts meldde het geval bij de politie in Viechtach, dat was een standaardprocedure bij een onverwacht sterfgeval, en die speelde het door naar de recherche in Regensburg. Al deze feiten waren op zichzelf plausibel, maar het geval van het testament vond Prok alarmerend genoeg om nader onderzoek in te stellen. In eerste instantie werd de zaak als afgedaan beschouwd, maar een maand na het sterfgeval had de notaris die het testament had opgemaakt dit bij de politie gemeld. De recherche in Regensburg had de zaak om die reden weer heropend. In de verhoren die volgden had Cosen geen sluitende verklaring kunnen geven voor de reden waarom Hoewer dat testament had laten opmaken. Hij verklaarde dat Hoewer het gevoel had dat hij de griepaanval niet zou overleven. Omdat hij zijn enige familielid was, had hij erop gestaan om het testament op te laten maken. Het was, als gezegd, geen sluitende verklaring, maar Prok kon er niets dat juridisch waterdicht was tegenover stellen. De man hield voet bij stuk in de verhoren en gaf geen krimp. De officier van justitie had geen andere keuze dan de zaak te seponeren, er was simpelweg onvoldoende bewijs voor opzettelijke doodslag.
Vijf jaar later, begin 1995, kreeg Bistpelz een telefoontje van Prok, er was een nieuwe ontwikkeling in de ‘Zaak van de Verre Neef’. Of hij interesse had om langs te komen in Regensburg. Ze spraken af bij Prok thuis, aan het einde van de middag. Prok vertelde dat er in 1992 een verzoek van Interpol was binnengekomen vanwege de vermissing van Heide Raufe, een vrouw die al sinds 1991 vermist was. In eerste instantie had hij geen speciale aandacht aan deze zaak geschonken, een collega van hem was op die vermissing gezet. Maar nadat deze collega een keer met hem erover van gedachten had gewisseld en hij inzage kreeg in de rapporten erover, viel hem de naam op die hem bekend voor kwam: Rudi Cosen, de echtgenoot van Heide Raufe. Prok vroeg meteen bij de officier van justitie een heropening van de zaak Cosen. Dit werd in eerste instantie geweigerd, Prok moest eerst meer bewijs zien te verzamelen. Van 1992 tot eind 1994 haalde Prok alles uit de kast voor een nieuw onderzoek, en nu, het moment dat hij met Bistpelz had afgesproken, had hij toestemming gekregen de zaak te heropenen. Vandaar zijn verzoek voor een rendez-vous, om zijn bevindingen door zijn vriend kritisch onder de loep te laten nemen. Bij de verhoren in 1990 had de recherche één maal contact opgenomen met Heide Frau, om het verhaal van Cosen te kontroleren. Zij had toen bevestigd dat zij een hevige ruzie hadden, en dat hun huwelijk niet veel meer voorstelde. Omdat dit de reden van het bezoek van Cosen aan Hoewer bevestigde, was hier geen verdere aandacht aan besteed. Zij speelde geen rol.
“Wat zijn de nieuwe feiten,” vroeg Bistpelz aan Prok. Ze zaten met enkele biertjes en twee dozen pizza’s aan zijn werktafel.
Prok werkte een hap pizza weg, nam enkele slokken bier en stak van wal: “Die vermiste echtgenote, Heide Raufe, dat was de missing link, als ik die meteen in 1990 had nagetrokken dan was de zaak toen al opgelost. Ik heb toen echt een fout gemaakt, slordig! Het lag allemaal voor het grijpen! Wat een blunder!” Hij nam weer een paar slokken bier.
“Nou, rustig aan Steinerd,” zei Bistpelz, “dat is achteraf gezien makkelijk praten. Maar vertel verder, wat kwam er allemaal boven tafel?”
“Het eerste feit waar ik op stuitte was een aangifte wegens inbraak en diefstal, in 1990 gedaan door Heide Raufe, bij de politie in Kassel, de stad waar het echtpaar woonde. Er was ingebroken, en haar juwelen waren gestolen. Die hadden een geschatte waarde van tussen de 20.000 en 25.000 Deutsche Marken. Die inbraak had plaatsgevonden vlak voordat Cosen naar Viechtach vluchtte, hij had de aangifte mede ondertekend. Het echtpaar bewoonde een dubbele etage, en er waren sporen van inbraak, de deur was geforceerd, het huis overhoop gehaald. Vanwege die braaksporen werd de schade gedekt door de verzekering. Maar nu komt het: die verzekeringsmaatschappij ging uiteraard de boel checken, en de verzekeringsagent die de kontrole deed had bedenkingen. Verzekeringsmaatschappijen willen natuurlijk liever niet uitkeren, dus doen ze daar soms moeilijk over. De agent opperde dat de inbraak wellicht in scène was gezet door de echtgenoot, vooral omdat die kort na de inbraak vertrokken was met onbekende bestemming. Er werd dus vooralsnog niet uitgekeerd.” Prok greep naar het bier.
Bistpelz had net een flinke hap van zijn pizza genomen, hij gebaarde dat Prok vooral verder moest gaan met zijn verhaal.
“Heide Raufe nam weer contact op met de politie in Kassel om te vragen wat zij nu moest doen. De politie startte een onderzoek naar de verdwijning van Cosen. Het bleek dat hij gesignaleerd was op het station aldaar, en dat hij een enkele reis had gekocht naar Regensburg. Daarna liep het spoor dood. Een week later meldde zij zich weer bij de politie, zij was er achter gekomen dat haar man een flinke som geld van hun gezamenlijke spaarrekening had opgenomen, het ging om een som van 100.000 DM. De argwaan van de verzekeringsagent werd steeds aannemelijker. De verzekering betaalde de schade niet uit. Maar de politie kon niets doen aan die opname van haar echtgenoot, omdat de spaarrekening ook op zijn naam stond. De juwelen werden bovendien ook als een gezamenlijk bezit beschouwd, ze waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Het enige waar de politie werk van kon maken is het doen van een valse aangifte, maar die zou dan ook de vrouw treffen. De zaak had nu geen prioriteit meer voor de politie in Kassel.” Prok pauzeerde weer, dit keer om een stuk pizza te verorberen.
“Tot nu toe lijkt alles helder: de neef neemt na een flinke ruzie met zijn vrouw de juwelen en een flinke som spaargeld mee naar Viechtach, om een nieuw leven te beginnen of zoiets. Maar dan? Dat verhaal van die ruzie zal op zichzelf wel zal kloppen, maar waarom zou hij die oom vermoorden? Was die Hoewer trouwens een oom, of een neef?”
“Volgens mij was die ook een neef, ze waren van dezelfde generatie. Maar je gaat nu iets te snel, over het motief komen we nog te spreken. Eerst is er nog een andere kwestie: de echtgenote, Heide, die verdween namelijk ook. De politie in Kassel had toch nog iets gedaan met de zaak van de verdwenen neef, ze hadden, na enig aandringen, van de bank gegevens losgekregen over een bedrag dat van de privérekening van Cosen was gepind bij een bankautomaat in Viechtach. Ze hadden dus een mogelijke verblijfplaats. Dit hebben zij telefonisch doorgegeven aan Heide Raufe. De vrouw zei tegen de politie dat zij naar Viechtach zou gaan om haar man daar te zoeken. Er was natuurlijk geen adres bekend waar hij zich zou bevinden, maar met enig navragen in winkels, café’s en uiteraard die bank waar hij gepind had, hoopte ze daar achter te kunnen komen. Toen de politieagent na een week weer telefonisch probeerde om met haar in contact te komen kreeg die geen gehoor. Een week later nog niet, en een maand later evenmin. Toen is de politie naar haar adres gegaan, maar daar bleek niemand thuis te zijn. De buren hadden haar ook al wekenlang niet gezien. Vervolgens nam de politie van Kassel contact op met de collega’s in Regensburg, en die zouden dit verder uitzoeken. Toen ook die geen resultaat boekten, de vrouw bleek spoorloos verdwenen, nam men contact op met Interpol, en zo belandde de vermissing van Heide Raufe in het rapport van mijn collega.”
“Maar is zij niet in Viechtach gesignaleerd? Iemand moet haar daar toch gezien hebben? Of is zij daar niet eens aangekomen?”
“Dat was dus mijn werk,” knikte Prok bevestigend, “ik ben daar natuurlijk achter aangegaan, met een foto van haar langs winkels, cafeetjes, en die bank uiteraard. Ik vond twee personen die meenden haar gezien te hebben, een serveerster van een terras op het dorpsplein in Viechtach, en de eigenaar van een billiard-café, eveneens in het centrum. Ze is daar dus geweest. Verder ben ik die neef gaan opzoeken, het was nog niet eenvoudig om achter diens adres te komen. Hoewer leefde een zeer teruggetrokken leven, niemand kende hem, hij had geen huisarts, tandarts of ander contact in het dorp. Alleen die neef werd zeer af en toe gesignaleerd, bijvoorbeeld bij die apotheek. Maar daar hadden ze geen adresgegevens. Uiteindelijk kreeg ik zijn adres van de notaris, maar dat ging niet van harte, want het betrof een beroepsgeheim. Via de officier van justitie lukte het om de gegevens bij de notaris af te dwingen, maar dit kon pas nadat de zaak van de neef weer heropend was. Het was intussen 1994 hè! Al die bureaucratische rompslomp helpt niet als je een moord wilt oplossen. Het is om gek te worden!”
“Toch moet die neef intussen wel door hebben gekregen dat het net zich om hem aan het sluiten was,” zei Bistpelz.
“Vreemd genoeg bleek hij totaal niet van slag, hij was rustig en beantwoordde alle vragen, zonder blikken of blozen. In eerste instantie zocht ik hem op in dat huis van Hoewer, hij had zich daar comfortabel geïnstalleerd. Hij had nieuwe meubels gekocht, een nieuwe keuken ingericht, en hij had ook een nieuwe auto aangeschaft. Hij liet het allemaal vol trots, zonder schroom zien.” Prok bracht de pizzarestanten naar de keuken, opende een nieuw biertje, en ging verder: “Ik vroeg hem, na eerst wat vrijblijvend gebabbel over zijn nieuwe huis, opeens of hij zijn echtgenote nog gesproken had, daarop antwoordde hij ontkennend. Ik voelde dat hij loog, maar ik had geen poot om op te staan, dus ik liet het daar voorlopig bij. Toen ik hem vroeg of hij wist dat zijn vrouw vermist was, keek hij zeer verrast. ‘Wat!?’ vroeg hij ontsteld, ‘daar weet ik niets van, niemand heeft dit mij verteld.’ Ik zei hem dat ik bij de recherche in Regensburg zou navragen waarom niemand hem hiervan in kennis had gesteld. Ik voegde eraan toe dat dit een tekortkoming was, en dat ik weer contact met hem op zou nemen. Hij leek niet ongerust. Bij navraag op het bureau in Regensburg bleek dat men geen telefoonnummer van hem had, dat was dus een onvergeeflijke nalatigheid van mijn collega die de vermissing onderzocht. Hoewer bleek overigens inderdaad geen telefoon te hebben.”
“Dat is wel erg slordig zeg, hoe is het mogelijk!” vroeg Bistpelz verbijsterd. “Heeft die neef trouwens nu inmiddels wel telefoon?”
“Nee, bij mijn weten niet. Hij leeft net als Hoewer nogal geïsoleerd, gaat alleen af en toe naar Viechtach voor boodschappen.”
“Die Heide was per trein naar Regensburg gegaan, toch? Hoe kwam zij daarvandaan in Viechtach, en hoe verplaatste zij zich daar? ”
“Zij ging met de taxi vanuit Regensburg naar Bad Kötzting. Daar reserveerde zij voor enkele nachten een kamer in Hotel Bayerwaldhof, en ze huurde er ook een auto. Die auto werd op een ochtend weer met volle tank bij het verhuurbedrijf aangetroffen.”
“Hoeveel kilometer stond er op de teller,” vroeg Bistpelz, “en hoeveel kilometer is het van haar hotel naar dat ene huis?”
“Het huis van Hoewer, bedoel je?” Prok keek in zijn aantekeningen. “Ik schat een kilometer of 10, en er stond ongeveer 85 km op de teller. Zij is mogelijk enkele malen naar Viechtach gereden, en ze zal wat in de buurt rond Bad Kötzting gereden hebben, en naar dat huis uiteraard, mogelijk kostte het wat moeite het te vinden, het is erg afgelegen.”
“Zij moet bij dat huis zijn geweest,” zei Bistpelz, “dat kan niet anders. Maar hoe toon je dat aan? Een kilometerstand bewijst niets uiteraard. Die auto zou daar gezien moeten zijn, of iemand moet haar daar in de buurt gezien hebben, zoiets.”
“Dat heb ik uiteraard proberen na te gaan. Het probleem is dat het huis zeer afgelegen is, er zijn geen buren in de nabije omtrek. Ze had een Volkswagen gehuurd, zo’n ‘Kever’, die zie je overal, dus dat leverde niets op. En het was twee jaar na dato dat ik met dat onderzoek begon, dus geen identificatie mogelijk via vingerafdrukken in die auto, niemand herinnerde zich nog iets, zelfs in het hotel niet. Ik had nog maar één troef in handen, een stevig verhoor.”
“Op het politiebureau in Regensburg, bedoel je?”
“Inderdaad. Dat is uiteraard intimiderend, dat was de enige mogelijkheid om uit te proberen.”
Bistpelz dacht even na, en zei toen: “Er is bewijs dat ze naar Bad Kötzting kwam, maar geen enkele aanwijzing dat ze daar is weggegaan. Heeft ze in dat hotel uitgecheckt en de rekening betaald? Is ze daarna nog in Viechtach gezien?”
“Goeie vraag! Dit heb ik uiteraard in het hotel nagevraagd, en — omdat het zoals ik al zei twee jaar later was — niemand wist meer precies wie had uitgecheckt en betaald. Maar er was, na enig navragen, een man die zich herinnerde dat het wellicht een man was geweest. Maar dat wist hij niet allemaal zeker. Ik moest dus gaan blufpokeren in die verhoren.”
“Hoe kwam je erachter dat ze in dat hotel in Bad Kötzting logeerde, en niet in Viechtach, zoals je zou verwachten?”
“Speurwerk, mijn beste Rudi!” Prok grijnsde. “Via dat taxibedrijf in Regensburg. Maar dit was pas eind 1993, bijna twee jaar na het eerste onderzoek van mijn collega.” Prok pakte zijn aantekeningen er weer bij. “Eind 1994 begonnen de nieuwe verhoren weer, in Regensburg. Hij was niet formeel onder arrest gesteld, dus we konden met hem spreken zonder dat er een advocaat bij was. Dat betekende dat hij op ieder moment het bureau mocht verlaten als hij dat verkoos, alleen, dat maakte ik hem wel duidelijk, dat zou een slechte indruk maken en een formeel arrest zou dan snel volgen. Hij gaf aan dat hij niets te verbergen had en dat hij alle medewerking zou verlenen, hij wilde ook weten wat er met zijn vrouw was gebeurd.”
“Over blufpoker gesproken,” zei Bistpelz, “hij was kennelijk wel heel zeker van zijn zaak.”
“Ja, inderdaad, maar ik kon ook pokeren.” Prok vertelde verder over de eerste verhoren, over hoe de man voet bij stuk hield, overal een antwoord op had, en met geen mogelijkheid verleid kon worden tot het maken van een fout. Deze eerste fase van verhoren duurde drie volle dagen.
Toen was het tijd voor fase twee, een ‘line-up’ waarin Cosen zou worden opgesteld om te kijken of de bediende van het hotel hem zou herkennen. Naast Cosen werden zes andere mannen opgesteld, allen met een volgnummer in hun hand. Ze moesten om de beurt een pas naar voren doen, een kwartslag naar links maken, daarna terug, gevolgd door een kwartslag naar rechts, zodat de hotelbediende alle gezichten van verschillende kanten kon bekijken. De hotelbediende wees Cosen aan als mogelijke persoon, maar was niet honderd procent zeker. Voor Prok was dat echter genoeg voor zijn spelletje blufpoker. De neef was nog steeds niet officieel in staat van beschuldiging gesteld, dus Prok kon hem zonder aanwezigheid van een advocaat verhoren. Voor de zekerheid wees Prok de man daar op, maar Cosen was nog steeds overtuigd van zijn kansen om als vrij man het politiebureau uit te lopen.
“Ik vertelde Cosen onomwonden dat een hotelbediende hem herkend had toen hij de koffers van zijn echtegenote uit het hotel kwam halen. Dat de bediende daar niet helemaal zeker van was hield ik wijselijk voor mijzelf,” zei Prok met een valse grimas.
“Was dat geoorloofd?” Bistpelz keek hem vertwijfeld aan. “Als er een advocaat bij was geweest dan had hij de neef vermoedelijk op vrije voeten kunnen krijgen op grond van een ongeoorloofde verhoormethode; een rechter zou dit niet gepikt hebben, zo lijkt mij.”
“Het is een grijs gebied,” antwoordde Prok, “maar ik had hem gewezen op de mogelijkheid om een advocaat in te schakelen, dat had hij echter afgewimpeld, overtuigd als hij was van zijn onaantastbaarheid. IJdelheid der ijdelheden… Hoe het ook zij, het werkte!”
Prok wachtte even voor hij verder ging, hij gunde zich een dramatische pauze in zijn betoog, de triomf moest gevierd worden. “Het werkte, zei ik, want eindelijk maakte hij zijn eerste fout. Hij vroeg namelijk het volgende…” Prok keek in zijn aantekeningen en las voor: “Ik was die dag in Viechtach, niet Bad Kötzting, dat kunt u controleren bij de bank waar ik geld heb opgenomen. Toen had ik hem, want ik had hem niet verteld dat het hotel in Bad Kötzting lag, hoe kon hij dat weten? Hij probeerde er nog onderuit te komen door te zeggen dat ik dat gezegd had, maar die vlieger ging niet op. Toen wilde hij opeens wel een advocaat. Dat was geen punt uiteraard, omdat wij hem meteen onder arrest stelden, op beschuldiging van moord op zijn vrouw. De moord op Hoewer zou dan vermoedelijk eindelijk ook bewezen kunnen worden.”
“Hoe bestaat het?” Bistpelz keek Prok verbijsterd aan. “Maar gaat die bluf zich niet tegen je keren, die hotelbediende was namelijk niet helemaal zeker van zijn identificatie. Een advocaat maakt daar gehakt van, lijkt mij, en de rechter zal het niet accepteren.”
“Maar dat hoeft ook niet, ik krijg nu een huiszoekingsbevel en ik keer dat hele huis, en de grond eromheen, binnenstebuiten. Wanneer wij het stoffelijk overschot van Heide Raufe vinden dan zal dat de doorslag geven. Ik ben er zeker van dat we haar daar vinden. Ik betwijfel of hij haar lichaam ergens anders heeft begraven, op zijn terrein is de kans dat het gevonden zou worden veel kleiner, omdat hij de boel in de gaten kon houden. Het is, als gezegd, erg afgelegen.”
Twee maanden later werd Bistpelz vroeg in de avond gebeld door Prok. De zaak was afgerond, ze hadden in de tuin van Cosen het stoffelijk overschot van Heide Frauke gevonden. Autopsie had aangetoond dat ook zij met het gif van de Groene knolamaniet om het leven was gebracht. Dit hield in dat Cosen voor twee moorden werd aangeklaagd. Eindelijk had Prok de ‘Zaak van de Verre Neef’ weten op te lossen. Bistpelz feliciteerde zijn vriend met de goede afloop, en hing op. Hij ging aan zijn werktafel zitten, met een glas cognac binnen handbereik. Er was iets wat nog knaagde in zijn brein, maar hij wist niet wat het precies was. Er was nog een los draadje, maar hij had geen idee waar dat naartoe leidde.
De volgende dag belde hij Prok, hij zei dat hij nog wat vragen had en vroeg of ze weer konden afspreken, hij zou naar Regensburg komen. Op de vraag van Prok of het niet per telefoon kon antwoordde Bistpelz dat hij hem in levenden lijve wilde spreken. Ze spraken af om elkaar twee dagen later bij Prok thuis te ontmoeten. Bier en pizza.
“Wat wil je weten,” vroeg Prok, “de zaak is rond, de hoofdlijnen heb ik je al verteld, wat zit je dwars?”
“In ieder geval het motief voor de moorden, maar er is nog iets anders, maar daar krijg ik mijn vingers niet achter. Daarom wilde ik met je afspreken, omdat ik hoop dat we via een gesprek erachter kunnen komen wat mij dwarszit.”
“Het motief is helder: geld, en een mislukt huwelijk. Cosen zag zijn kans om een nieuw leven te beginnen, zonder echtgenote.”
“Dat motief begrijp ik, maar wat ik niet begrijp is waarom hij Hoewer vermoord heeft. En vooral niet waarom hij hem eerst vermoord heeft, en zijn vrouw pas daarna. Je zult moeten toegeven dat dit tamelijk eigenaardig is, op zijn zachtst gezegd.”
“Ja, dat vond ik ook merkwaardig, maar misschien was Hoewer gewoon een obstakel dat uit de weg moest worden geruimd. Zijn vrouw kwam bij hem langs om hem te confronteren met het meenemen van haar juwelen en het opnemen van hun spaargeld.”
Bistpelz keek peinzend voor zich uit en vroeg: “Ik neem aan dat er uitgebreid naar vingerafdrukken is gezocht in het huis. Die van Hoewer en de neef zullen daar ongetwijfeld veelvuldig zijn aangetroffen, maar zijn er ook afdrukken van Heide Raufe gevonden?”
“Inderdaad, er waren overal vingerafdrukken van beide mannen, maar niet van Heide. Die heeft Cosen zorgvuldig verwijderd. Waarom vraag je dit?”
Bistpelz negeerde de vraag. “Er zijn twee slaapkamers in het huis, nietwaar? Ik neem aan dat Cosen in de logeerkamer sliep.”
“Dat is niet zeker, hij maakte nadat Hoewer was overleden in ieder geval gebruik van diens slaapkamer. Hun beider vingerafdrukken werden in alle kamers, en ook de keuken aangetroffen. Hoewer lag overigens in zijn eigen bed, toen die arts hem kwam onderzoeken.”
Bistpelz knikte bedachtzaam, maar zei verder niets.
“Waarom ben je zo geïnteresseerd in die vingerafdrukken,” vroeg Prok voor de tweede keer.
“Dat weet ik niet, zomaar een vaag idee,” antwoorde Bistpelz. “Waar is Hoewer begraven?”
“Hij is gecremeerd, zoals het testament aangaf.”
Bistpelz stond op uit zijn stoel, pakte een pizzapunt en ging al etend bij het raam staan, hij schudde zijn hoofd.
“Voor de draad ermee Rudi, je stelt deze vragen niet voor niets, kom op met dat idee dat je dwars zit!”
“Ik weet het niet,” zei Bistpelz aarzelend, “het is vermoedelijk onzin. Ik heb geen enkele aanwijzing voor mijn idee, als dat die kwalificatie al verdient. Ik moet eerst meer informatie hebben. Dus eerst nog een vraag, als ik daar het antwoord op krijg dat klopt bij mijn vage voorgevoel, dan zal ik mij nader verklaren. ‘Voorgevoel’ is vermoedelijk een betere term dan idee.”
“Nou, vooruit, kom op met je vraag.”
“Zijn de spullen van de neef gecheckt op vingerafdrukken? De koffers en de inhoud.”
Prok keek bedenkelijk, en begon te zoeken in zijn aantekeningen. “Ik zie hier geen informatie over,” zei hij na enige tijd.
“Kun je dat ergens napluizen,” vroeg Bistpelz.
“Ja, vermoedelijk wel, maar dat kost mij wel een dag of misschien wel langer.”
“Oké, als je dat voor mij wilt doen, dan boek ik hier een hotel, en dan spreken wij weer af als je die informatie hebt verkregen. Tot zolang moet je geduld hebben. Sorry, maar ik ben totaal niet zeker van mijn zaak.”
Aldus werd besloten. Bistpelz boekte een hotel, en ze spraken af elkaar weer te zien als Prok de informatie had binnengekregen. Bistpelz struinde twee dagen door Regensburg, hij had tijd nodig om na te denken. De derde dag liet Prok weten dat hij antwoord had van het lab. Ze spraken weer af bij Prok thuis, maar niet weer met pizza en bier, dit keer zou Prok voor hen beiden koken, Sauerkraut mit Bradwurst, het was zijn specialiteit. Bistpelz bracht twee flessen droge Riesling mee.
Beide mannen genoten eerst de maaltijd. Nadat de tafel was schoongemaakt, opende Prok de tweede fles Riesling, en pakt zijn aantekeningen.
“Toen ik de resultaten van het lab voor mij zag begreep ik opeens je voorgevoel, je had het bij het rechte eind. Op de koffers en de inhoud werden de vingerafdrukken van beide mannen gevonden, op één voorwerp na, de creditcard van de bank van Cosen, deze zat verstopt zat in de voering van een van de koffers; daarop bevonden zich uitsluitend de vingerafdrukken van Hoewer. Hoe was dit mogelijk? Cosen had een gewone bankpas bij zich, maar wilde kennelijk niet die creditcard daarnaast ook nog gebruiken. Er was maar één mogelijke verklaring voor dit raadsel van de vingerafdrukken, en jouw voorgevoel klopte dus. Ik heb een foto van Hoewer op laten sturen naar de politie in Kassel, om bij de buren na te laten vragen of zij hem herkenden. Ze hadden de man nog nooit gezien.” Prok hief zijn glas op om met Bistpelz te proosten.
Bistpelz beantwoordde zijn gebaar, ze klonken, en daarna ze dronken een tijdje zwijgend van hun wijn. Na een tijdje zei Bistpelz: “Nou, dat was me de zaak wel, Steinerd! Wat een kluwe! Maar mijn probleem met het motief is nu eveneens opgelost.”
Bernd Hoewer werd beschuldigd van de moord op Rudi Cosen en diens vrouw Heide Raufe. Toen zijn neef bij hem langs kwam, en hij hoorde over de juwelen en het grote bedrag dat Cosen achterover had gedrukt, zag hij zijn kans schoon. Heide, die meende verhaal te kunnen halen bij haar echtgenoot, doorzag meteen het bedrog van Hoewer, en dat werd haar fataal.
— J. Chr. de Vries, Viechtach, 17 juli 2017