De Wandelaar en de Dichter

etudes

De Wandelaar en de Dichter

J. Chr. de Vries

De man die soms wel, maar vaker niet, naar de naam Ewald Raaden luistert, wandelt langs de vloedlijn. Af en toe kijkt hij om, en denkt na over het spoor dat hij in het natte zand achterlaat. ‘Is dit spoor een gedicht, of zijn gedichten altijd van blijvende aard,’ denkt hij op een gegeven moment. ‘Ik zal deze kwestie aan de Dichter voorleggen.’


De Dichter schrijft haar poëzie onder de naam Hedi Sterc. Raaden is op weg naar haar, hij had haar nooit ontmoet, evenmin ooit een foto van haar gezien, maar had haar wel een keer horen spreken tijdens een interview op de radio.


Raaden verplaatst zich altijd te voet, want ieder voertuig zou maken dat hij eerder op zijn bestemming aankomt dan zijn ziel. En hij wil nergens zielloos verblijven. Het zal een week kosten om de woning van de Dichter te bereiken. Dat bevalt hem goed, want het wandelen maakt dat hij zijn vragen goed kan overdenken. Vooral één opmerking van de Dichter houdt hem bezig: op een vraag naar wat het verschil is tussen een gedicht en een verhaal, zei Sterc dat een gedicht een verhaal is zonder plot. Tenminste, zo heeft hij haar antwoord onthouden. Raaden ziet dat zijn sporen opgeslokt worden door de zee.


Hij vraagt de Dichter naar het verschil tussen gedicht en verhaal. “Kan men niet altijd een plot in een gedicht ontdekken?”


“Ik heb gezegd een bepaalde plot. Iedere lezer kan uiteraard een plot bedenken, dat noem ik een onbepaalde plot,” antwoordt ze.


‘In dat geval is het door de zee uitgewiste spoor een gedicht,’ denkt Raadden. Maar hij houdt deze gedachte voor zichzelf.


— J. Chr. de Vries, Loosduinen, 29 februari 2024